Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2004:AP4380

2004-06-25 Bestuursrecht; Belastingrecht 39578
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2004-06-25
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
39578
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | BNB 2004/346 | FED 2004/374 | FED 2004/440 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ | WFR 2004/1019 | V-N 2004/32.17 met annotatie van Redactie | NTFR 2004/957 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE

Inhoudsindicatie

Nr. 39.578 25 juni 2004 JS gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 mei 2003, nr. 02/00433, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.900 tekens)
Nr. 39.578
25 juni 2004
JS


gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 1 mei 2003, nr. 02/00433, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof


Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 1858, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.


2. Geding in cassatie


Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.


3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. A is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende. Naast haar directeur heeft belanghebbende geen ander personeel in dienst. Belanghebbende is lid van de maatschap B, notarissen te Q.

3.1.2 In het naheffingstijdvak heeft belanghebbende ten behoeve van haar directeur gebruik gemaakt van de premiespaarregeling als bedoeld in artikel 11, lid 6, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1997; hierna: de Wet) en van de spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32, eerste lid van de Wet.


3.2. Voor het Hof was in geschil het antwoord op de vraag of de directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende door de werking van artikel 23 van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling) is uitgesloten van deelname aan de premiespaarregeling en de spaarloonregeling.
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord.



3.3. Voorzover de klachten opkomen tegen 's Hofs oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de maatschap waarin belanghebbende participeert in het naheffingstijdvak werknemers in loondienst heeft gehad, treffen zij doel. De Inspecteur heeft in zijn conclusie van dupliek immers uitdrukkelijk afstand genomen van zijn met dat oordeel overeenstemmende standpunt, zodat tussen partijen niet langer in geschil was dat er bij de maatschap waarin belanghebbende participeerde wel personeel in dienstbetrekking was.
De klachten kunnen evenwel niet tot cassatie leiden. De werknemers die in dienst zijn bij de maatschap waarvan belanghebbende maat is, kunnen voor de toepassing van artikel 23 van de Uitvoeringsregeling niet geacht worden werknemer te zijn van belanghebbende. Het Hof heeft derhalve, wat er zij van de daarvoor gebezigde gronden, terecht geoordeeld dat de directeur van belanghebbende is uitgesloten van de premiespaarregeling en de spaarloonregeling.


3.4. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2004.