Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2003:AI0924
2003-08-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
38085
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nr. 38.085 8 augustus 2003 wv gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 februari 2002, nr. 99/30310, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof...
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (171)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1740 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1739 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1738 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2436 Gerechtshof Amsterdam 10-03-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2025:11129 Rechtbank Gelderland 17-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3968 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:2660 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2041 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:7804 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2024
- ECLI:NL:OGHACMB:2024:150 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 28-06-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2024:99 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 05-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2432 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2420 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:231 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:245 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:236 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:232 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:242 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:247 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:241 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2023:321 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 06-12-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:323 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 06-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:8619 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-10-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:254 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 22-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7704 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7705 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7072 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7073 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5908 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5900 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5907 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6867 Rechtbank Noord-Holland 27-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4901 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4488 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4487 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3934 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-05-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:107 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 19-04-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:109 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 19-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3037 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-04-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:80 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 05-04-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:98 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 29-03-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:99 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 29-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1309 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1310 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1312 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1272 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1313 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1311 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-02-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:97 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 31-01-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:55 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 31-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:146 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:8886 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:8237 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:8134 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:8135 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:8133 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:6851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-08-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:6856 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-08-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (5.117 tekens)
Nr. 38.085
8 augustus 2003
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 februari 2002, nr. 99/30310, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q voor het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 355.000. Op het daartegen gemaakte bezwaar is niet tijdig beslist.
Belanghebbende is tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar in beroep gekomen bij het Hof. Nadien heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Veere uitspraak op het bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft in augustus 1995 een nieuwe recreatiewoning gekocht, met de bedoeling deze te verhuren. Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting en heeft de aan haar te dier zake in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek gebracht. Bij beschikking van 30 september 1998 is met toepassing van het bepaalde in artikel 19, lid 1, letter b, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van die recreatiewoning voor het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 355.000.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de waarde van de woning moet worden bepaald inclusief of exclusief omzetbelasting. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheden dat belanghebbende ondernemer is en dat zij de woning niet zou hebben gekocht indien zij de in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek zou kunnen brengen, persoonlijke omstandigheden zijn die geen invloed hebben op de waarde als bedoeld in artikel 17, lid 1, van de Wet WOZ.
3.3. Het Hof heeft met juistheid vooropgesteld dat de aan de onroerende zaak toe te kennen waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed.
3.4. Het Hof is voorts kennelijk ervan uitgegaan dat tussen partijen niet meer in geschil was dat bij een veronderstelde verkoop als hiervoor bedoeld op 1 januari 1995, waarbij aan de koper omzetbelasting in rekening zou worden gebracht, voor de onderwerpelijke zaak, naar de staat waarin deze op 1 januari 1998 verkeerde, door de meestbiedende gegadigde een prijs zou zijn besteed van ƒ 355.000 inclusief omzetbelasting. Dat uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.
3.5. Daarvan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat de op de voet van artikel 17 van de Wet WOZ aan de onderwerpelijke onroerende zaak toe te kennen waarde ƒ 355.000 is. Immers, bij een veronderstelde verkoop als hiervoor in 3.4 weergegeven, maakt de aan de koper in rekening gebrachte omzetbelasting deel uit van de prijs die de koper bereid is gebleken te betalen ter verkrijging van de verkochte onroerende zaak (vgl. HR 19 februari 1997, nr. 31590, BNB 1997/121). Indien de koper de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen, leidt zulks er niet toe dat deze omzetbelasting niet deel uitmaakt van de prijs, nu de aftrekbaarheid van de omzetbelasting een die koper persoonlijk betreffende omstandigheid is.
3.6. Belanghebbendes klacht over de onbegrijpelijkheid van 's Hofs oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat de waarde is beïnvloed door de mogelijkheid de omzetbelasting in aftrek te brengen, houdt blijkens de toelichting uitsluitend in dat belanghebbende meent voldoende feiten en omstandigheden te hebben gesteld op grond waarvan aannemelijk zou zijn dat in het onderhavige geval de omzetbelasting, verschuldigd bij een veronderstelde verkoop, geen deel uitmaakt van de prijs welke voor de onroerende zaak wordt betaald. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen, faalt deze klacht.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2003.
8 augustus 2003
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 februari 2002, nr. 99/30310, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q voor het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 355.000. Op het daartegen gemaakte bezwaar is niet tijdig beslist.
Belanghebbende is tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar in beroep gekomen bij het Hof. Nadien heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Veere uitspraak op het bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft in augustus 1995 een nieuwe recreatiewoning gekocht, met de bedoeling deze te verhuren. Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting en heeft de aan haar te dier zake in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek gebracht. Bij beschikking van 30 september 1998 is met toepassing van het bepaalde in artikel 19, lid 1, letter b, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van die recreatiewoning voor het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 355.000.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de waarde van de woning moet worden bepaald inclusief of exclusief omzetbelasting. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheden dat belanghebbende ondernemer is en dat zij de woning niet zou hebben gekocht indien zij de in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek zou kunnen brengen, persoonlijke omstandigheden zijn die geen invloed hebben op de waarde als bedoeld in artikel 17, lid 1, van de Wet WOZ.
3.3. Het Hof heeft met juistheid vooropgesteld dat de aan de onroerende zaak toe te kennen waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed.
3.4. Het Hof is voorts kennelijk ervan uitgegaan dat tussen partijen niet meer in geschil was dat bij een veronderstelde verkoop als hiervoor bedoeld op 1 januari 1995, waarbij aan de koper omzetbelasting in rekening zou worden gebracht, voor de onderwerpelijke zaak, naar de staat waarin deze op 1 januari 1998 verkeerde, door de meestbiedende gegadigde een prijs zou zijn besteed van ƒ 355.000 inclusief omzetbelasting. Dat uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.
3.5. Daarvan uitgaande heeft het Hof terecht geoordeeld dat de op de voet van artikel 17 van de Wet WOZ aan de onderwerpelijke onroerende zaak toe te kennen waarde ƒ 355.000 is. Immers, bij een veronderstelde verkoop als hiervoor in 3.4 weergegeven, maakt de aan de koper in rekening gebrachte omzetbelasting deel uit van de prijs die de koper bereid is gebleken te betalen ter verkrijging van de verkochte onroerende zaak (vgl. HR 19 februari 1997, nr. 31590, BNB 1997/121). Indien de koper de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen, leidt zulks er niet toe dat deze omzetbelasting niet deel uitmaakt van de prijs, nu de aftrekbaarheid van de omzetbelasting een die koper persoonlijk betreffende omstandigheid is.
3.6. Belanghebbendes klacht over de onbegrijpelijkheid van 's Hofs oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat de waarde is beïnvloed door de mogelijkheid de omzetbelasting in aftrek te brengen, houdt blijkens de toelichting uitsluitend in dat belanghebbende meent voldoende feiten en omstandigheden te hebben gesteld op grond waarvan aannemelijk zou zijn dat in het onderhavige geval de omzetbelasting, verschuldigd bij een veronderstelde verkoop, geen deel uitmaakt van de prijs welke voor de onroerende zaak wordt betaald. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen, faalt deze klacht.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2003.