Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2000:AA8419
2000-11-22
Bestuursrecht; Belastingrecht
35601
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (36)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1535 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3763 Gerechtshof Amsterdam 23-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8777 Rechtbank Noord-Holland 11-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8314 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-11-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6037 Rechtbank Noord-Holland 22-06-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:83 Rechtbank Amsterdam 11-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:192 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-01-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6827 Rechtbank Gelderland 20-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:783 Parket bij de Hoge Raad 03-09-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:2617 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4671 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:6346 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6266 Rechtbank Noord-Holland 18-08-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3403 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-09-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1440 Gerechtshof Den Haag 28-05-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1438 Gerechtshof Den Haag 28-05-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:4532 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-05-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1437 Gerechtshof Den Haag 28-05-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:978 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-02-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4821 Gerechtshof Amsterdam 23-11-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4820 Gerechtshof Amsterdam 23-11-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:4292 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-05-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:1079 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-02-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:1269 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-02-2017
- ECLI:NL:OGEAA:2017:77 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 02-02-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:250 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-01-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1427 Parket bij de Hoge Raad 29-12-2016
- ECLI:NL:HR:2016:2662 Hoge Raad 25-11-2016
- ECLI:NL:HR:2016:2663 Hoge Raad 25-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:7306 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-09-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:4227 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1525 Gerechtshof Den Haag 17-05-2016
- ECLI:NL:GHARL:2015:7131 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-09-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:1153 Gerechtshof Amsterdam 26-03-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:2215 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (6.000 tekens)
Nr. 35601
22 november 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 20 augustus 1999 betreffende de na te melden ten aanzien van belanghebbende genomen beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlieland (hierna: B en W) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Q, voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op f 210.000,--.
Op het door belanghebbende tegen die beschikking gemaakte bezwaar hebben B en W de waarde nader vastgesteld op f 140.000,--.
Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
B en W hebben een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift niet binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking is ingekomen bij B en W, zodat belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn bezwaar, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. De omstandigheid dat belanghebbende, naar hij ter zitting heeft meegedeeld, het door hem opgevraagde taxatieverslag eerst op 3 juni 1997 van B en W heeft ontvangen, brengt volgens het Hof niet mee dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, aangezien hij, nu hij het taxatieverslag binnen de termijn van zes weken heeft ontvangen, zonder meer moet worden geacht in verzuim te zijn geweest.
Tegen laatstvermeld oordeel richten zich de klachten met het betoog dat belanghebbende op grond van de hierna in 3.2. weergegeven mededeling erop mocht vertrouwen dat hij tot zes weken na de toezending van het taxatieverslag nog een bezwaarschrift kon indienen.
3.2 Naar uit het verweerschrift in cassatie blijkt, is tussen partijen niet in geschil dat B en W in een gelijktijdig met het hiervóór in 3.1 bedoelde taxatieverslag aan belanghebbende toegezonden ‘Toelichting bij het taxatieverslag Wet WOZ’ onder meer het volgende hebben meegedeeld:
‘Door een computerprobleem heeft de toezending van taxatieverslagen helaas een aanmerkelijke vertraging opgelopen. Hiervoor onze excuses. Om u echter niet de dupe van deze vertraging te laten worden, krijgt u opnieuw een periode van zes weken om een eventueel bezwaar tegen de beschikking in te dienen.’
In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat het bezwaarschrift is ingediend binnen zes weken na de toezending van het taxatieverslag aan belanghebbende.
3.3. Bij de beoordeling van de klachten moet het volgende worden vooropgesteld. De aard van de bezwaartermijn, welke meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het desbetreffende bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (HR 20 november 1996, nr. 31827, BNB 1997/23). Zulks sluit evenwel niet uit dat zich de situatie kan voordoen dat een belanghebbende aan een uitlating van dat bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn bezwaarschrift nog na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Daartoe is evenwel vereist dat - anders dan het geval was in het evenvermelde arrest - de belanghebbende van die uitlating kennisneemt binnen de wettelijke bezwaartermijn. Vertrouwen ontleend aan een uitlating van het bestuursorgaan, waarvan de belanghebbende pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kennisneemt, kan immers niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.
3.4. Belanghebbende heeft kennelijk van de hiervóór in 3.2 weergegeven mededeling kennisgenomen binnen de bezwaartermijn. Aan die mededeling mocht hij, zoals hij kennelijk heeft gedaan, het vertrouwen ontlenen dat hij tot zes weken na de toezending van het taxatieverslag nog een bezwaarschrift kon indienen. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een behandeling van het materiële geschil. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
- gelast dat door B en W aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160,--.
Dit arrest is op 22 november 2000 vastgesteld door de vice-voorzitter E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
22 november 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 20 augustus 1999 betreffende de na te melden ten aanzien van belanghebbende genomen beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlieland (hierna: B en W) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Q, voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op f 210.000,--.
Op het door belanghebbende tegen die beschikking gemaakte bezwaar hebben B en W de waarde nader vastgesteld op f 140.000,--.
Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
B en W hebben een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift niet binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking is ingekomen bij B en W, zodat belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn bezwaar, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. De omstandigheid dat belanghebbende, naar hij ter zitting heeft meegedeeld, het door hem opgevraagde taxatieverslag eerst op 3 juni 1997 van B en W heeft ontvangen, brengt volgens het Hof niet mee dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, aangezien hij, nu hij het taxatieverslag binnen de termijn van zes weken heeft ontvangen, zonder meer moet worden geacht in verzuim te zijn geweest.
Tegen laatstvermeld oordeel richten zich de klachten met het betoog dat belanghebbende op grond van de hierna in 3.2. weergegeven mededeling erop mocht vertrouwen dat hij tot zes weken na de toezending van het taxatieverslag nog een bezwaarschrift kon indienen.
3.2 Naar uit het verweerschrift in cassatie blijkt, is tussen partijen niet in geschil dat B en W in een gelijktijdig met het hiervóór in 3.1 bedoelde taxatieverslag aan belanghebbende toegezonden ‘Toelichting bij het taxatieverslag Wet WOZ’ onder meer het volgende hebben meegedeeld:
‘Door een computerprobleem heeft de toezending van taxatieverslagen helaas een aanmerkelijke vertraging opgelopen. Hiervoor onze excuses. Om u echter niet de dupe van deze vertraging te laten worden, krijgt u opnieuw een periode van zes weken om een eventueel bezwaar tegen de beschikking in te dienen.’
In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat het bezwaarschrift is ingediend binnen zes weken na de toezending van het taxatieverslag aan belanghebbende.
3.3. Bij de beoordeling van de klachten moet het volgende worden vooropgesteld. De aard van de bezwaartermijn, welke meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het desbetreffende bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (HR 20 november 1996, nr. 31827, BNB 1997/23). Zulks sluit evenwel niet uit dat zich de situatie kan voordoen dat een belanghebbende aan een uitlating van dat bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn bezwaarschrift nog na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Daartoe is evenwel vereist dat - anders dan het geval was in het evenvermelde arrest - de belanghebbende van die uitlating kennisneemt binnen de wettelijke bezwaartermijn. Vertrouwen ontleend aan een uitlating van het bestuursorgaan, waarvan de belanghebbende pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kennisneemt, kan immers niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.
3.4. Belanghebbende heeft kennelijk van de hiervóór in 3.2 weergegeven mededeling kennisgenomen binnen de bezwaartermijn. Aan die mededeling mocht hij, zoals hij kennelijk heeft gedaan, het vertrouwen ontlenen dat hij tot zes weken na de toezending van het taxatieverslag nog een bezwaarschrift kon indienen. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een behandeling van het materiële geschil. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
- gelast dat door B en W aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160,--.
Dit arrest is op 22 november 2000 vastgesteld door de vice-voorzitter E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.