Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1999:ZD1314
1999-01-26
Strafrecht
109.342
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij de beslissing op een aanhoudingsverzoek moet de rechter een afweging maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder verdachtes aanwezigheidsrecht, het belang van verdachte en samenleving bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. 's Hofs kennelijke oordeel bij de afwijzing van het verzoek dat aan een ander belang dan dat van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht voorrang moest worden gegeven, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Samenvatting: Beroep verworpen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (89)
- ECLI:NL:PHR:2026:374 Parket bij de Hoge Raad 14-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2024:597 Parket bij de Hoge Raad 04-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:300 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2022:426 Parket bij de Hoge Raad 10-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:855 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:855 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:561 Parket bij de Hoge Raad 08-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:247 Parket bij de Hoge Raad 16-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:173 Parket bij de Hoge Raad 02-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:145 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1 Parket bij de Hoge Raad 12-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:475 Parket bij de Hoge Raad 19-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:478 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:277 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:212 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:224 Parket bij de Hoge Raad 21-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:4 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:163 Parket bij de Hoge Raad 07-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:157 Parket bij de Hoge Raad 07-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:157 Parket bij de Hoge Raad 07-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:945 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:889 Parket bij de Hoge Raad 17-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:746 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:763 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:527 Parket bij de Hoge Raad 21-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:527 Parket bij de Hoge Raad 21-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:342 Parket bij de Hoge Raad 23-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:757 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:757 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:513 Parket bij de Hoge Raad 02-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:268 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:206 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:100 Parket bij de Hoge Raad 12-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1465 Parket bij de Hoge Raad 04-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1167 Parket bij de Hoge Raad 16-10-2018
- ECLI:NL:HR:2018:1934 Hoge Raad 16-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1281 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2018
- ECLI:NL:HR:2018:779 Hoge Raad 29-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:247 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:270 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:271 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:212 Parket bij de Hoge Raad 20-03-2018
- ECLI:NL:HR:2018:375 Hoge Raad 20-03-2018
- ECLI:NL:RBOVE:2018:504 Rechtbank Overijssel 19-02-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:60 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2018
- ECLI:NL:HR:2018:65 Hoge Raad 23-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:137 Parket bij de Hoge Raad 09-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:137 Parket bij de Hoge Raad 09-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1585 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1466 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1466 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1377 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1293 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2017
- ECLI:NL:HR:2017:2404 Hoge Raad 19-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1062 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1027 Parket bij de Hoge Raad 29-08-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1028 Parket bij de Hoge Raad 29-08-2017
- ECLI:NL:HR:2017:1286 Hoge Raad 11-07-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:841 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2017
- ECLI:NL:HR:2017:974 Hoge Raad 30-05-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (4.682 tekens)
26 januari 1999
Strafkamer nr. 109.342
MF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 1998 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats] .
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 25 oktober 1995 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeers wet 1994" en 3. "mishandeling" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden.
1.2. Aan dit arrest zijn gehecht en daarvan maken deel uit: (i) de bestreden uitspraak;
(ii) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr R.H. van Muijen, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel richt zich met een tweetal klachten tegen de afwijzing van het op de terechtzitting in hoger beroep op 20 januari 1998 gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
De eerste klacht ziet op het aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde argument dat de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig was en de behandeling van zijn zaak in persoon wilde bijwonen.
3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep was de verdachte niet aanwezig en heeft de raadsman aldaar om aanhouding gevraagd enerzijds omdat de verdachte op dat moment in een vliegtuig zat naar Indonesië en anderzijds omdat er onvoldoende tijd is geweest de zaak ter verdediging voor te bereiden.
Het Hof heeft het verzoek afgewezen en tegen de verdachte verstek verleend.
3.3. Hetgeen blijkens het proces-verbaal van de te rechtzitting in hoger beroep aldaar door de raadsman naar voren is gebracht met betrekking tot de afwezigheid van de verdachte kan niet anders worden verstaan dan als een namens de verdachte gedaan beroep op diens recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht.
Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waar onder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
3.4. Kennelijk heeft het Hof, dat het verzoek tot aanhouding heeft afgewezen, geoordeeld dat aan een ander belang dan het belang van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, voorrang moest worden gegeven. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd evenmin onbegrijpelijk.
3.5. De tweede klacht van het middel ziet op de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde grond dat de tijd om de zaak ter verdediging voor te bereiden onvoldoende is geweest.
3.6. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt, waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Van de Griendt, en uitgesproken op 26 januari 1999.
Strafkamer nr. 109.342
MF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 1998 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats] .
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 25 oktober 1995 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeers wet 1994" en 3. "mishandeling" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden.
1.2. Aan dit arrest zijn gehecht en daarvan maken deel uit: (i) de bestreden uitspraak;
(ii) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr R.H. van Muijen, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel richt zich met een tweetal klachten tegen de afwijzing van het op de terechtzitting in hoger beroep op 20 januari 1998 gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
De eerste klacht ziet op het aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde argument dat de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig was en de behandeling van zijn zaak in persoon wilde bijwonen.
3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep was de verdachte niet aanwezig en heeft de raadsman aldaar om aanhouding gevraagd enerzijds omdat de verdachte op dat moment in een vliegtuig zat naar Indonesië en anderzijds omdat er onvoldoende tijd is geweest de zaak ter verdediging voor te bereiden.
Het Hof heeft het verzoek afgewezen en tegen de verdachte verstek verleend.
3.3. Hetgeen blijkens het proces-verbaal van de te rechtzitting in hoger beroep aldaar door de raadsman naar voren is gebracht met betrekking tot de afwezigheid van de verdachte kan niet anders worden verstaan dan als een namens de verdachte gedaan beroep op diens recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht.
Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waar onder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
3.4. Kennelijk heeft het Hof, dat het verzoek tot aanhouding heeft afgewezen, geoordeeld dat aan een ander belang dan het belang van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, voorrang moest worden gegeven. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd evenmin onbegrijpelijk.
3.5. De tweede klacht van het middel ziet op de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde grond dat de tijd om de zaak ter verdediging voor te bereiden onvoldoende is geweest.
3.6. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt, waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Van de Griendt, en uitgesproken op 26 januari 1999.