Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1997:AA3336
1997-12-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
32834
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (75)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7855 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2330 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2331 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11411 Rechtbank Den Haag 01-05-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1077 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-04-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2435 Rechtbank Amsterdam 11-03-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2434 Rechtbank Amsterdam 10-03-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:310 Rechtbank Rotterdam 16-01-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:309 Rechtbank Rotterdam 16-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19818 Rechtbank Den Haag 22-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19817 Rechtbank Den Haag 22-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:11975 Rechtbank Rotterdam 08-10-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:7257 Rechtbank Amsterdam 26-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2239 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2239 Gerechtshof Den Haag 25-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6306 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:13497 Rechtbank Rotterdam 04-09-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5020 Rechtbank Oost-Brabant 08-08-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:4783 Rechtbank Oost-Brabant 01-08-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:4862 Rechtbank Oost-Brabant 01-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12063 Rechtbank Den Haag 12-06-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:3039 Rechtbank Amsterdam 12-05-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:12956 Rechtbank Noord-Holland 11-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8092 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-11-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2055 Gerechtshof Den Haag 30-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15484 Rechtbank Den Haag 26-09-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:4391 Rechtbank Oost-Brabant 23-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6526 Rechtbank Den Haag 25-04-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1573 Rechtbank Amsterdam 20-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:264 Gerechtshof Den Haag 20-02-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:265 Rechtbank Amsterdam 15-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:21970 Rechtbank Den Haag 22-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:11925 Rechtbank Rotterdam 14-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18266 Rechtbank Den Haag 01-11-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4596 Rechtbank Oost-Brabant 18-09-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4596 Rechtbank Oost-Brabant 18-09-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:7748 Rechtbank Rotterdam 25-08-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1325 Gerechtshof Amsterdam 23-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3421 Rechtbank Den Haag 02-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:399 Gerechtshof Den Haag 22-02-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:222 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-01-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3698 Gerechtshof Amsterdam 22-12-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:9514 Rechtbank Noord-Holland 04-10-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3288 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-09-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1780 Gerechtshof Den Haag 14-09-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:5898 Rechtbank Rotterdam 20-07-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1803 Rechtbank Noord-Nederland 07-06-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:1133 Rechtbank Rotterdam 17-02-2022
- ECLI:NL:RBROT:2021:12203 Rechtbank Rotterdam 03-12-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2021:8306 Rechtbank Amsterdam 15-10-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2021:3634 Rechtbank Overijssel 29-09-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4326 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-08-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1055 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:871 Gerechtshof Den Haag 28-04-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2021:1767 Rechtbank Oost-Brabant 19-04-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4797 Rechtbank Amsterdam 30-09-2020
- ECLI:NL:RBROT:2019:9593 Rechtbank Rotterdam 04-12-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3829 Gerechtshof Amsterdam 29-10-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:463 Gerechtshof Den Haag 05-03-2019
- ECLI:NL:RBNHO:2018:11642 Rechtbank Noord-Holland 27-12-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (4.561 tekens)
gewezen op het beroep in cassatie van de Directeur der Gemeentebelastingen van de gemeente 's-Gravenhage tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 november 1996 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente 's-Gravenhage.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 4 december 1994 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente 's-Gravenhage opgelegd ten bedrage van f 67,50, bestaande uit f 2,50 aan enkelvoudige belasting en f 65,-- aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur der Gemeentebelastingen van de gemeente 's- Gravenhage (hierna: de Directeur) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en de naheffingsaanslag
vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Directeur heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de middelen 3.1 Artikel 1 van de Verordening parkeerbelastingen 1992 van de gemeente, hierna: de Verordening, luidt als volgt: Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, danwel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. 3.2 In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat belanghebbende een auto heeft geparkeerd op een plaats waar parkeerbelasting als bedoeld in artikel 1, letter a, van de Verordening verschuldigd was en zodanige belasting niet heeft voldaan, maar wel beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 1, letter b, en de daarvoor verschuldigde belasting had voldaan. Tevens kan ervan worden uitgegaan dat de vergunning niet, zoals in de van de vergunning verbonden voorschriften was bepaald, "op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats" achter de voorruit van de auto was geplaatst. 3.3 Het Hof heeft geoordeeld dat in een geval waarin reeds belasting is voldaan ter zake van een vergunning, ("in materiële zin") niet kan worden gesproken van niet- betaalde parkeerbelasting en dat doel en strekking van artikel 20, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het stelsel van de Verordening in zodanig geval meebrengen dat naheffing achterwege blijft dan wel ongedaan wordt gemaakt. 3.4 In de Verordening is de verhouding tussen de beide in artikel 1 omschreven parkeerbelastingen niet geregeld. Klaarblijkelijk is het stelsel van de Verordening dat de in artikel 1, letter a, bedoelde belasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de in artikel 1, letter b, bedoelde belasting is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden is echter geen sprake van parkeren met die vergunning. Dit geval doet zich hier voor. Middel I is gegrond. Voorzover 's Hofs oordeel dat de enkele omstandigheid dat het voorschrift inzake het duidelijk leesbaar plaatsen van de vergunning in onvoldoende mate is nageleefd in redelijkheid geen grond kan vormen de naheffing in stand te laten, moet worden opgevat als een de beslissing van het Hof zelfstandig dragende grond, vindt dat oordeel geen steun in het recht. Ook middel II is gegrond. De uitspraak kan niet in stand blijven.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, - bevestigt de uitspraak van de Directeur, en - bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Directeur wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--.
Dit arrest is op 17 december 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos, en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 4 december 1994 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente 's-Gravenhage opgelegd ten bedrage van f 67,50, bestaande uit f 2,50 aan enkelvoudige belasting en f 65,-- aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur der Gemeentebelastingen van de gemeente 's- Gravenhage (hierna: de Directeur) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en de naheffingsaanslag
vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Directeur heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de middelen 3.1 Artikel 1 van de Verordening parkeerbelastingen 1992 van de gemeente, hierna: de Verordening, luidt als volgt: Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, danwel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. 3.2 In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat belanghebbende een auto heeft geparkeerd op een plaats waar parkeerbelasting als bedoeld in artikel 1, letter a, van de Verordening verschuldigd was en zodanige belasting niet heeft voldaan, maar wel beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 1, letter b, en de daarvoor verschuldigde belasting had voldaan. Tevens kan ervan worden uitgegaan dat de vergunning niet, zoals in de van de vergunning verbonden voorschriften was bepaald, "op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats" achter de voorruit van de auto was geplaatst. 3.3 Het Hof heeft geoordeeld dat in een geval waarin reeds belasting is voldaan ter zake van een vergunning, ("in materiële zin") niet kan worden gesproken van niet- betaalde parkeerbelasting en dat doel en strekking van artikel 20, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het stelsel van de Verordening in zodanig geval meebrengen dat naheffing achterwege blijft dan wel ongedaan wordt gemaakt. 3.4 In de Verordening is de verhouding tussen de beide in artikel 1 omschreven parkeerbelastingen niet geregeld. Klaarblijkelijk is het stelsel van de Verordening dat de in artikel 1, letter a, bedoelde belasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de in artikel 1, letter b, bedoelde belasting is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden is echter geen sprake van parkeren met die vergunning. Dit geval doet zich hier voor. Middel I is gegrond. Voorzover 's Hofs oordeel dat de enkele omstandigheid dat het voorschrift inzake het duidelijk leesbaar plaatsen van de vergunning in onvoldoende mate is nageleefd in redelijkheid geen grond kan vormen de naheffing in stand te laten, moet worden opgevat als een de beslissing van het Hof zelfstandig dragende grond, vindt dat oordeel geen steun in het recht. Ook middel II is gegrond. De uitspraak kan niet in stand blijven.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, - bevestigt de uitspraak van de Directeur, en - bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Directeur wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--.
Dit arrest is op 17 december 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Pos, en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.