Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1956:AY4119

1956-06-20 Bestuursrecht; Belastingrecht 12 790
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1956-06-20
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
12 790
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; BNB 1956/244

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Uitgifte van aandelen aan werknemers, zowel a pari als met agio, raakt de winst- en verliesrekening van de vennootschap niet.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (4)

Volledige tekst

Volledige tekst (6.363 tekens)
20 Juni 1956 .-

No.12.790 .-

L.



DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,



Gezien het beroepschrift in cassatie van de Naamloze Vennootschap [X] gevestigd te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen aldaar van 27 Januari 1956 betreffende den aan belanghebbende voor het boekjaar 1951/1952 opgelegden aanslag in de vennootschapsbelasting;
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan belanghebbende voor het boekjaar 1951/1952 een aanslag in de vennootschapsbelasting is opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van f. 168.330 .- dat de Inspecteur dezen aanslag, nadat belanghebbende daartegen had gereclameerd, heeft gehandhaafd, waarna belanghebbende zich heeft gewend tot den Raad van Beroep;
Overwegende dat de Raad van Beroep de beschikking van den Inspecteur heeft bevestigd, na, voorzover hier van belang, te hebben overwogen:
"dat is komen vast te staan:
dat belanghebbende in het boekjaar 1951/1952 f.5.000 .- aandelen à pari uitgaf, in welke emissie de toen enige aandeelhoudster deelnam met veertig aandelen en de twee directeuren [A], [Q] en [B], [R], ieder met vijf; dat de inspectie der belastingen te [R] de werkelijke waarde der aandelen op 200% vaststelde, terwijl de inspectie te [Q] de werkelijke waarde vermoedelijk op 150% zal bepalen; dat beide inspecties het verschil tussen uitgiftekoers en werkelijke waarde als opbrengst van dienstbetrekking voor de directeuren aanmerken; dat de Inspecteur bij de regeling van de onderhavige aanslag niets op belanghebbendes winst in mindering heeft gebracht terzake van bedoeld waardeverschil;
dat belanghebbende als grond van haar beroep heeft aangevoerd, dat, nu het verschil tussen emissiekoers en werkelijke waarde der aandelen bij de directeuren als opbrengst (in natura) van hun dienstbetrekking wordt belast, de redelijkheid gebiedt dit waardeverschil (in casu f.7.500) tot de bedrijfskosten van haar, belanghebbende, te rekenen; dat daarvoor geen beletsel kan zijn, dat het bedrag van dit waardeverschil niet in geld is uitgegeven; dat voldoende is, dat tot dit bedrag door haar een offer is gebracht, namelijk het offer van agio, dat van derden zeker zou zijn bedongen; dat het derven van agio in de eerste plaats een offer van de N.V. is, al is het tevens van invloed op de positie van de oude aandeelhouders; dat de thans bij de emissie gevolgde gedragslijn niet wezenlijk verschilt van een uitgifte boven pari met kwijtschelding van agio aan de directeuren; dat het herhaaldelijk voorkomt, dat bij een uitgifte boven pari sommigen - via claims - in de gelegenheid zijn de aandelen à pari te verkrijgen; dat de Inspecteur van mening is, dat de onderhavige transactie in de vermogenssfeer ligt, doch daarbij vergeet, dat de winst door vermogensvergelijking wordt bepaald;
dat een N.V. door bij een uitgifte van aandelen af te zien van het bedingen van een agio, waartoe de in die N.V. aanwezige reserves aanleiding hadden kunnen geven geen winst opoffert;
dat derhalve het verschil tussen de uitgiftekoers van de onderhavige aandelen en hun werkelijke waarde niet in mindering kan worden gebracht op belanghebbendes winst; dat hieraan niet kan afdoen, dat bovenbedoeld waardeverschil voor belanghebbendes directeuren opbrengst van dienstbetrekking vormde; "
Overwegende dat belanghebbende als middel in cassatie heeft voorgedragen:
Schending of verkeerde toepassing van artikel 16 van de wet van 19 December 1914, Staatsblad no.564, alsmede van artikel 6 en artikel 13 van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, en als grief heeft aangevoerd, dat 's Raads beslissing, dat een N.V. geen winst opoffert, indien zij afziet van het bedingen van een agio ten opzichte van directeuren, die vóór de onderhavige uitgifte nog geen aandeelhouders waren en voor wie het verschil tussen de geldswaarde van de verkregen aandelen en het daarop gestorte bedrag opbrengst van dienstbetrekking vormde, 1º niet met redenen is omkleed, daar de Raad van Beroep daarbij niet heeft overwogen, waarom het naar zijn oordeel geen verschil maakt, of van het bedingen van agio wordt afgezien ten opzichte van bestaande aandeelhouders dan wel ten opzichte van Van directeuren als voorbedoeld; 2° onjuist is, daar, indien aan directeuren - niet - aandeelhouders à pari aandelen uitgegeven worden, terwijl ten aanzien van derden, die ·evenmin aandeelhouder maar ook geen directeur zijn, stellig agio zou zijn bedongen, het aldus aan de directeuren toegekende voordeel in de fiscale winstberekening van de naamloze vennootschap tot uiting behoort te komen, immers voor de belastingheffing niet relevant is of ten aanzien Van de directeuren wordt afgezien van het bedingen van agio, waarbij men er zich wederzijds van bewust is, dat zulks een bevoordeling van de directeuren inhoudt, dan wel het agio formeel door de naamloze vennootschap wordt bedongen en vervolgens een gelijk bedrag door haar aan de directeuren als extra beloning wordt uitgekeerd;
Overwegende dienaangaande:
dat de in het eerste onderdeel van de grief vervatte motiveringsklacht niet tot cassatie kan leiden, daar deze een rechtsbeslissing betreft en zodanige beslissing niet met vrucht kan worden aangevochten met de stelling, dat deze niet met redenen is omkleed, doch alleen met de stelling dat zij onjuist is, hetgeen belanghebbende dan ook in het tweede onderdeel van zijn grief heeft gedaan;
dat echter ook dit tweede onderdeel van de grief niet gegrond is;
dat de uitgifte van aandelen door een naamloze vennootschap, zowel wanneer dit à pari als wanneer het met agio plaats vindt, de winst- en verliesrekening niet raakt; dat de vennootschap, indien zij van het bedingen van agio, waartoe de reserves aanleiding hadden kunnen geven, afziet, zij dan ook haar winst niet verkleint, doch slechts een lager bedrag aan kapitaal ontvangt dan mogelijk te bedingen ware geweest, en zulks ongeacht ten opzichte van wie het afzien van het bedingen van agio plaats vindt;
dat de grief derhalve in al zijn onderdelen ongegrond is;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, Dubois, Van Rijn van Alkemade, Wiarda en Houwing, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter raadkamer van den twintigsten Juni 1900 zes en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Reyers.