Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:890
2026-03-31
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
200.366.589_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geen wrakingsverzoek in de zin van artikel 8:15 Awb, omdat het wrakingsverzoek geen feiten of omstandigheden bevat die kunnen meebrengen dat de rechterlijke onpartijdigheid bij de behandeling van het hoger beroep schade zou kunnen lijden of daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het wrakingsverzoek wordt buiten behandeling gesteld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1799 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-07-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.767 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Wrakingskamer
registratienummer: 200.366.589/01datum beslissing: 31 maart 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken
op het verzoek in de zaak met nummer [nummer] van
de heer [verzoeker] ,
domicilie kiezend te [plaats] ,
hierna: belanghebbende,
strekkende tot wraking van mrs. W.W. Monteiro, M.E. Smorenburg en J. Wessels, raadsheren in het team belastingrecht van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: de raadsheren).
1Het procesverloop
1.1.
Het wrakingsverzoek is mondeling gedaan ter terechtzitting van 20 maart 2026. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft verzoeker vanaf een opgemaakt document de wrakingsgronden voorgelezen en dit document vervolgens overgelegd aan het hof. Verzoeker is door de coördinator van de wrakingskamer bericht dat het verzoek in behandeling is genomen.
1.2.
De raadsheren hebben verklaard niet in de wraking te berusten.
1.3.
De wrakingskamer heeft het verzoek heden behandeld in raadkamer. De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, beslist het verzoek zonder mondelinge behandeling af te doen. De wrakingskamer heeft bepaald dat als volgt zal worden beslist op het verzoek.
2Het standpunt van verzoeker
2.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de raadsheren ter zitting geen antwoord wilden geven op zijn vraag wie de beneficial owner is in de zaak. Hieruit leidt verzoeker af dat de raadsheren het dossier niet hebben gelezen en dat het oordeel van het hof al van te voren vast stond. Verzoeker wijst daarnaast op eerdere voorvallen bij andere rechterlijke instanties waarin hetzelfde gebeurde als in de onderhavige zaak.
3De beoordeling
3.1.
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).
3.2.
Verzoeker heeft aan het begin van de zitting verzocht om een oordeel van het hof over wie de beneficial owner is in de zaak. Het hof heeft - blijkens het proces-verbaal van de zitting - aangegeven die vraag nog niet te beantwoorden, omdat daarmee zou worden vooruitgelopen op een juridisch oordeel van het hof. Het hof heeft voorts aangegeven dat verzoeker ervan uit kan gaan dat het hof het dossier heeft gelezen. De wrakingskamer stelt voorop dat een beslissing om ter zitting al dan niet een voorlopig oordeel te geven, is voorbehouden aan de rechter en als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Het feit dat het hof aan het begin van de zitting de vraag van verzoeker nog niet heeft willen beantwoorden, kan naar het oordeel van de wrakingskamer geenszins leiden tot de conclusie dat het oordeel van het hof al van te voren vast stond, zoals verzoeker heeft aangevoerd.
3.3.
Voor zover verzoeker heeft gewezen op procedures bij eerdere rechterlijke instanties kunnen ook deze gronden niet leiden tot een gegrond wrakingsverzoek. Gesteld noch gebleken is dat het gaat om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de raadsheren die de zaak van verzoeker behandelen. Deze gronden kunnen zodoende evenmin leiden tot wraking van de raadsheren.
3.4.
Concluderend bevat het wrakingsverzoek geen feiten of omstandigheden die kunnen meebrengen dat de rechterlijke onpartijdigheid bij de behandeling van het hoger beroep schade zou kunnen lijden of daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het wrakingsverzoek voldoet daarmee niet aan de eis dat het verzoek tot wraking is gemotiveerd en kan dus niet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 8:15 Awb. Om die reden zal de wrakingskamer het verzoek buiten behandeling stellen. Een mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven.
4De beslissing
Het hof (de wrakingskamer):
stelt het verzoek buiten behandeling;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de raadsheren en de inspecteur van de Belastingdienst.
Deze beslissing is gegeven door mrs. T.A. Gladpootjes (voorzitter), J.T.F.M. van Krieken en J.P. de Haan, in tegenwoordigheid van mr. E. Royakkers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Wrakingskamer
registratienummer: 200.366.589/01datum beslissing: 31 maart 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken
op het verzoek in de zaak met nummer [nummer] van
de heer [verzoeker] ,
domicilie kiezend te [plaats] ,
hierna: belanghebbende,
strekkende tot wraking van mrs. W.W. Monteiro, M.E. Smorenburg en J. Wessels, raadsheren in het team belastingrecht van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: de raadsheren).
1Het procesverloop
1.1.
Het wrakingsverzoek is mondeling gedaan ter terechtzitting van 20 maart 2026. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft verzoeker vanaf een opgemaakt document de wrakingsgronden voorgelezen en dit document vervolgens overgelegd aan het hof. Verzoeker is door de coördinator van de wrakingskamer bericht dat het verzoek in behandeling is genomen.
1.2.
De raadsheren hebben verklaard niet in de wraking te berusten.
1.3.
De wrakingskamer heeft het verzoek heden behandeld in raadkamer. De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, beslist het verzoek zonder mondelinge behandeling af te doen. De wrakingskamer heeft bepaald dat als volgt zal worden beslist op het verzoek.
2Het standpunt van verzoeker
2.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de raadsheren ter zitting geen antwoord wilden geven op zijn vraag wie de beneficial owner is in de zaak. Hieruit leidt verzoeker af dat de raadsheren het dossier niet hebben gelezen en dat het oordeel van het hof al van te voren vast stond. Verzoeker wijst daarnaast op eerdere voorvallen bij andere rechterlijke instanties waarin hetzelfde gebeurde als in de onderhavige zaak.
3De beoordeling
3.1.
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).
3.2.
Verzoeker heeft aan het begin van de zitting verzocht om een oordeel van het hof over wie de beneficial owner is in de zaak. Het hof heeft - blijkens het proces-verbaal van de zitting - aangegeven die vraag nog niet te beantwoorden, omdat daarmee zou worden vooruitgelopen op een juridisch oordeel van het hof. Het hof heeft voorts aangegeven dat verzoeker ervan uit kan gaan dat het hof het dossier heeft gelezen. De wrakingskamer stelt voorop dat een beslissing om ter zitting al dan niet een voorlopig oordeel te geven, is voorbehouden aan de rechter en als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Het feit dat het hof aan het begin van de zitting de vraag van verzoeker nog niet heeft willen beantwoorden, kan naar het oordeel van de wrakingskamer geenszins leiden tot de conclusie dat het oordeel van het hof al van te voren vast stond, zoals verzoeker heeft aangevoerd.
3.3.
Voor zover verzoeker heeft gewezen op procedures bij eerdere rechterlijke instanties kunnen ook deze gronden niet leiden tot een gegrond wrakingsverzoek. Gesteld noch gebleken is dat het gaat om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de raadsheren die de zaak van verzoeker behandelen. Deze gronden kunnen zodoende evenmin leiden tot wraking van de raadsheren.
3.4.
Concluderend bevat het wrakingsverzoek geen feiten of omstandigheden die kunnen meebrengen dat de rechterlijke onpartijdigheid bij de behandeling van het hoger beroep schade zou kunnen lijden of daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het wrakingsverzoek voldoet daarmee niet aan de eis dat het verzoek tot wraking is gemotiveerd en kan dus niet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 8:15 Awb. Om die reden zal de wrakingskamer het verzoek buiten behandeling stellen. Een mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven.
4De beslissing
Het hof (de wrakingskamer):
stelt het verzoek buiten behandeling;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de raadsheren en de inspecteur van de Belastingdienst.
Deze beslissing is gegeven door mrs. T.A. Gladpootjes (voorzitter), J.T.F.M. van Krieken en J.P. de Haan, in tegenwoordigheid van mr. E. Royakkers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.