Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:454

2026-02-24 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.345.358_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-02-24
Publicatiedatum
2026-02-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.345.358_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJFCZ 2026/270

Inhoudsindicatie

eindarrest na verwijzing na cassatie – schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad – schadebegroting

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (41.155 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.345.358/01




arrest van 24 februari 2026




in de zaak na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 8 september 2023 van





[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als: [appellant] ,
advocaat: mr. B. Oudenaarden te Arnhem,



tegen




Gemeente [xx],
zetelende te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als: de gemeente,
advocaat: mr. R.D. Boesveld te Haarlem.






1De procedure in feitelijke instanties en cassatie


Het hof verwijst voor het verloop van de procedure naar overweging 1 (Procesverloop) van het arrest van de Hoge Raad.





2De procedure na verwijzing


2.1.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 8 september 2023 (nummer 22/01649, ECLI:NL: HR:2023:1172) in cassatie de arresten vernietigd van het hof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2019, 1 oktober 2019, 14 januari 2020, 13 april 2021 en 1 februari 2022 (zaaknummer 200.191.294) en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen.

[appellant] heeft de gemeente bij exploot van 23 augustus 2024 opgeroepen te verschijnen voor dit hof.




2.2.

[appellant] heeft een memorie na verwijzing met producties genomen.



2.3.
De gemeente heeft een antwoordmemorie na cassatie en verwijzing genomen.



2.4.
De door de gemeente gevraagde mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juli 2025. Van de zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Van de zijde van [appellant] zijn ter zitting pleitaantekeningen voorgedragen en is een productie overgelegd (productie C).



2.5.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.





3De beoordeling van het hoger beroep na verwijzing en cassatie



De feiten




3.1.
Voor de feiten verwijst het hof naar rechtsoverweging 2.2 (i tot en met xix) van het arrest van de Hoge Raad. Het gaat in deze zaak om het volgende.


3.1.1.
In april 2005 heeft [appellant] de gemeente verzocht een aan hem toebehorend perceel, gelegen op de hoek [weg A] / [weg B] te [A] (hierna: het perceel) aan te merken als bouwperceel ten behoeve van een woning.



3.1.2.
In augustus 2005 heeft de gemeente geantwoord dat op grond van het bestemmingsplan ( [bestemmingsplan A] ), in het bijzonder de bestemming 'verspreide bebouwing klasse C', een bouwperceel een oppervlakte van tenminste 1600 m2 moet hebben en een breedte van tenminste 40 meter en dat het perceel niet aan die vereisten voldoet.



3.1.3.
In februari 2006 heeft [appellant] de gemeente verzocht een standpunt in te nemen over de kwalificatie van het perceel als bouwkavel en over de ligging van de voorgevelrooilijn.



3.1.4.
Op 25 april 2006 heeft de gemeente laten weten dat zij heeft besloten om in principe, onder voorwaarden, medewerking te verlenen aan het zodanig vaststellen van de voorgevelrooilijn langs de [weg A] dat een bouwkavel ontstaat waarvoor [appellant] een verzoek tot partiële bestemmingsplanherziening kan indienen (hierna: het eerste principebesluit). Tot de voorwaarden behoort dat de woning wordt ontwikkeld in de categorie 'goedkope koop' (tot € 200.000,-). Het eerste principebesluit houdt voorts in (i) dat bij de berekening van de oppervlakte van het bouwperceel meetellen de gedeelten van het perceel die vallen onder de bestemmingen 'voorerf klasse A' en 'bermen, openbaar groen of plantsoenen' en (ii) dat het vanuit het oogpunt van stedenbouw en verkeersveiligheid niet gewenst is een te bouwen woning te oriënteren op de [weg B] .



3.1.5.
In reactie op het eerste principebesluit heeft [appellant] in april 2006 de gemeente geschreven het met dit laatste niet eens te zijn en dat in geval van oriëntatie op de [weg B] het perceel zonder meer kan worden aangemerkt als bouwperceel.



3.1.6.
Op 6 juni 2006 heeft [appellant] de gemeente verzocht het eerste principebesluit te herzien. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de ontsluitingszijde niet bepalend zou moeten zijn voor de voorgevelrooilijn.



3.1.7.
Op 13 juli 2006 heeft de gemeente laten weten vast te houden aan het eerste principebesluit (hierna: het tweede principebesluit).



3.1.8.
Op 4 oktober 2006 heeft [appellant] het perceel verkocht aan een derde voor € 400.000,-. De koopovereenkomst houdt in dat de levering plaatsvindt op 1 maart 2009, ervan uitgaande – kort gezegd – dat de gemeente erkent dat op het perceel een woning kan worden gebouwd. De koopovereenkomst bevat een nadere regeling voor het geval die voorwaarde op 1 maart 2009 niet is vervuld, onder meer inhoudende dat als de voorwaarde op 1 maart 2011 nog niet is vervuld, ieder der partijen gerechtigd is de overeenkomst te ontbinden. Deze koopovereenkomst is niet uitgevoerd.



3.1.9.

Op 2 februari 2007 heeft [appellant] een bouwvergunning aangevraagd voor de
bouw van een woning met oriëntatie op de [weg A] .




3.1.10.
Bij brief van 12 juni 2007 heeft de gemeente [appellant] laten weten dat zijn bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat slechts met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 1 Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) (hierna: WRO (oud)) medewerking kan worden verleend, waartoe [appellant] dan een ruimtelijke onderbouwing moet aanleveren. De brief houdt onder meer in dat, anders dan de gemeente schreef in het eerste en het tweede principebesluit, het oppervlak van de bestemming 'bermen, openbaar groen of plantsoenen' niet meetelt bij de berekening van de oppervlakte van het bouwperceel, met als gevolg dat het perceel niet voldoet aan de criteria van het bestemmingsplan.



3.1.11.
Op 10 oktober 2007 heeft [appellant] zijn aanvraag van 2 februari 2007 ingetrokken en een nieuwe aanvraag ingediend voor de bouw van een woning met oriëntatie op de [weg B] .



3.1.12.
Bij besluit van 14 november 2007 heeft de gemeente de door [appellant] aangevraagde bouwvergunning voor de bouw van een woning aan de [weg B] geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan (hierna ook: het primaire besluit). Het primaire besluit noemt daarvoor twee gronden: (i) de woning is gedeeltelijk geprojecteerd op de bestemming 'voorerf klasse A' en (ii) het bouwperceel is niet 40 meter breed. Grond (i) berustte op de opvatting van de gemeente over de loop van de voorgevelrooilijn ten opzichte van de [weg A] . Onderdeel van het besluit is om geen onderzoek te doen naar eventuele vrijstellingsmogelijkheden, omdat [appellant] te kennen heeft gegeven geen vrijstelling te wensen.



3.1.13.
Het door [appellant] tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de gemeente bij besluit van 16 april 2008 ongegrond verklaard (hierna ook: de beslissing op bezwaar). In de beslissing op bezwaar heeft de gemeente haar standpunt dat het perceel niet breed genoeg is, gehandhaafd en haar standpunt over de loop van de voorgevelrooilijn verlaten.



3.1.14

[appellant] heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 februari 2009 ongegrond verklaard.



3.1.15.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 11 november 2009 het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beslissing op bezwaar van de gemeente vernietigd en de gemeente opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling. De Afdeling heeft overwogen, kort gezegd, dat er geen reden is om aan te nemen dat gronden met de bestemming 'bermen, openbaar groen of plantsoen' uitgesloten zijn van de berekening van de breedte van een bouwperceel. Voorts heeft de Afdeling vastgesteld dat het perceel van [appellant] voldoende breed is en het bouwplan in dat opzicht dus niet in strijd is met het bestemmingsplan.



3.1.16.
Bij besluit van 17 december 2009 heeft de gemeente, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling, het primaire besluit herroepen en alsnog een reguliere bouwvergunning 1e fase aan [appellant] verleend voor het bouwen van een woning op het perceel, met oriëntatie op de [weg B] .



3.1.17.
Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de gemeente met toepassing van artikel 19 lid 3 WRO (oud) aan [appellant] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het uitbreiden van de beoogde woning op het perceel met oriëntatie op de [weg B] .



3.1.18

Op 23 mei 2012 heeft [appellant] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de
schade als gevolg van de eerdere opstelling van de gemeente. Zijn advocaat heeft bij brief van 10 juli 2013 de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] heeft geleden door de weigering van de bouwvergunning bij het primaire besluit van 14 november 2007.




3.1.19.
De gemeente heeft op 25 oktober 2012 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld ( [bestemmingsplan B] ). Daarin is het perceel gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie', waarbinnen het niet is toegestaan om woningen te bouwen.



3.1.20.
Bij uitspraak van 2 juni 2021 heeft de Afdeling, na vernietiging van het besluit van het college van B&W tot afwijzing van het verzoek van [appellant] om toekenning van planschadevergoeding, zelf voorzien in de zaak. De Afdeling heeft het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in de door hem geleden planschade toegewezen en die door de gemeente te betalen tegemoetkoming vastgesteld op € 365.000, te vermeerderen met wettelijke rente.



3.1.21.
In juli 2021 heeft [appellant] het bouwperceel voor een bedrag van € 330.000,-aan een derde verkocht en geleverd.



De eerste aanleg





3.2.1.
Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] bij de rechtbank Gelderland gevorderd (onder meer) voor recht te verklaren dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het primaire besluit en de beslissing op bezwaar te nemen, alsook onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld in de voorfase in de periode 2005 - november 2007. Verder heeft [appellant] veroordeling van de gemeente gevorderd tot betaling van schadevergoeding.



3.2.2.

Bij het eindvonnis van 10 februari 2016 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de gemeente onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld zowel in de voorbereidende fase als door het nemen van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar, en dat de vordering van [appellant] op de gemeente uit dien hoofde niet is verjaard.
Ten aanzien van de voorbereidingsfase heeft de rechtbank schadevergoeding toekend van in totaal € 55.115,49, bestaande uit de kosten van de naar het oordeel van de rechtbank onnodig opgestelde ruimtelijke onderbouwing (€ 15.794,77), legeskosten (€ 2.581,25), rentekosten met betrekking tot de bijdrage Natuur- en Landschapsfonds (€ 671,67), de notariskosten voor het leveren van een strook bosgrond langs de [weg A] (€ 2.270,38), in de voorfase gemaakte advocaatkosten (€ 8.797,42), en schadevergoeding voor een lagere verkoopprijs voor de bouwkavel (€ 25.000,-).
Verder heeft de rechtbank aan [appellant] een bedrag van € 16.445,25 toegekend aan schadevergoeding ter zake van gemaakte advocaatkosten als gevolg van de onrechtmatige daad gelegen in het primaire besluit en de beslissing op bezwaar.
De rechtbank heeft de gemeente op vordering van [appellant] veroordeeld tot betaling van € 73.348,74 aan schadevergoeding in totaal, waarin begrepen € 1.788,- als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De door [appellant] gevorderde verklaringen voor recht dat de gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, heeft de rechtbank afgewezen bij gebrek aan belang.




Het eerste hof





3.2.3.


[appellant] heeft hoger beroep ingesteld, acht grieven aangevoerd en zijn vordering gewijzigd. De Gemeente heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en veertien grieven geformuleerd.
Bij tussenarrest van 5 februari 2019 is ook het hof Arnhem-Leeuwarden (het eerste hof) in hoger beroep tot het oordeel gekomen dat de gemeente jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door het nemen van de twee principebesluiten en de daaropvolgende daarmee samenhangende besluiten, alsmede dat de vordering van [appellant] op de gemeente uit dien hoofde niet is verjaard.
Anders dan de rechtbank heeft het eerste hof de kosten voor een ruimtelijke onderbouwing (€ 15.794,77) legeskosten (€ 2.581,25) en wettelijke rente met betrekking tot de bijdrage Natuur- en Landschapsfonds (€ 671,67), niet toewijsbaar geoordeeld.
Ook de door [appellant] in hoger beroep voor het eerst gevorderde vergoeding van onnodig betaalde hypotheeklasten (€ 15.571,90 per jaar) heeft het eerste hof afgewezen.
Wel toewijsbaar achtte het eerste hof de vordering tot vergoeding van notariskosten (€ 2.270,38), advocaatkosten (€ 9.807,38) en buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.788,-).
Voor het bepalen van de overige schade diende volgens het eerste hof de marktwaarde van het bouwperceel ten tijde van het onrechtmatige principebesluit van 25 april 2006 te worden vergeleken met de waarde ervan op 17 december 2009, de datum waarop de gemeente alsnog een bouwvergunning verleende en er aan de onrechtmatigheid een einde kwam. Ter bepaling van die twee waarden heeft het eerste hof een deskundigenbericht gelast.




3.2.4.
Nadat een deskundigenbericht en een aanvullend deskundigenbericht waren uitgebracht is het eerste hof in zijn eindarrest van 1 februari 2022 tot het oordeel gekomen dat de waardevermindering van het bouwperceel in de periode van 2006 tot 2009 die het gevolg is geweest van het onrechtmatig handelen van de gemeente € 71.750,- bedroeg. Het eerste hof heeft de gemeente veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 85.615,76 (€ 71.750,- + € 2.270,38 + € 9.807,38 + € 1.788,-), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 355.500,- vanaf 25 april 2006 tot 17 december 2009 en over € 71.750,- vanaf 17 december 2009 tot de dag van algehele voldoening, alsmede tot betaling van wettelijke rente over de toegewezen notaris- en advocaatkosten. De gemeente is als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van beide instanties veroordeeld.



Cassatie





3.3.1.
Het cassatiemiddel van de gemeente in principaal cassatieberoep bestond uit zes onderdelen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het eerste onderdeel van het cassatiemiddel in principaal cassatieberoep faalt. Dat onderdeel was gericht tegen het oordeel van het eerste hof dat de vordering van [appellant] op de gemeente wegens de onrechtmatige opstelling van de gemeente tijdig is gestuit en niet is verjaard.



3.3.2.
Het tweede onderdeel van het middel in principaal cassatieberoep, gericht tegen het oordeel van het hof dat de gemeente in de voorfase (bij het nemen van de twee principebesluiten) onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, faalt eveneens, aldus de Hoge Raad.



3.3.3.
De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat onderdeel 3 van het middel in principaal cassatieberoep, gericht tegen de schadebegroting, slaagt. Volgens de Hoge Raad is het eerste hof zonder rechtvaardiging afgeweken van het beginsel dat bij de begroting van de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente zoveel mogelijk de concrete, werkelijk geleden schade in aanmerking moet worden genomen. Door een deel van de schade te begroten op de wettelijke rente over de waardevermindering in de periode vanaf het eerste principebesluit van 25 april 2006 tot de bouwvergunning van 17 december 2009, is het eerste hof afgeweken van de grondslag van de vordering van [appellant] en heeft het hof geabstraheerd van de omstandigheid dat [appellant] in die periode het perceel niet heeft verkocht tegen de verkoopwaarde uitgaande van de onmogelijkheid een woning op het perceel te bouwen, aldus de Hoge Raad. Dit hof dient daarom de door [appellant] geleden schade opnieuw te begroten.



3.3.4.

Onderdeel 4 van het middel in principaal cassatieberoep, gericht tegen de toewijzing van de notariskosten kan volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 5 van het middel in principaal cassatieberoep, gericht tegen de ingangsdatum van de door de gemeente verschuldigde wettelijke rente, heeft de Hoge Raad onbehandeld gelaten, omdat na verwijzing de schade toch opnieuw moet worden begroot.
Onderdeel 6 van het middel in principaal cassatieberoep, gericht tegen een niet-dragende overweging van het eerste hof, kan niet tot cassatie leiden, aldus de Hoge Raad.




3.3.5.
Het cassatiemiddel van [appellant] in incidenteel cassatieberoep bestond uit vijf onderdelen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat onderdeel 1 van het middel van [appellant] in incidenteel cassatieberoep slaagt. Dat onderdeel was gericht tegen het oordeel van het eerste hof dat de vordering van [appellant] tot vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor een ruimtelijke onderbouwing in het kader van de vrijstellingsprocedure, niet toewijsbaar was.



3.3.6.
De overige onderdelen van het middel in incidenteel cassatieberoep konden niet tot cassatie leiden (2 en 3, gericht tegen de afwijzing van de vergoeding van advocaatkosten respectievelijk hypotheeklasten) of zijn door de Hoge Raad onbehandeld gelaten (onderdeel 4, gericht tegen de door het eerste hof toegepaste correctie van 20% op de door de deskundige vastgestelde waarde, en - het voorwaardelijk ingestelde - onderdeel 5, gericht tegen het oordeel van het eerste hof dat de bestemmingswijziging niet meer kan worden gezien als een gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente in de periode van 2006 tot en met 2009 in de zin van artikel 6:98 BW).



Overwegingen van het hof na verwijzing





4.1.1.

Na de uitspraak van de Hoge Raad staat thans in rechte vast dat het eerste principebesluit van de gemeente van 25 april 2006, waarbij de gemeente het verzoek van [appellant] om zijn perceel als bouwkavel aan te merken aan minutieuze bestudering heeft onderworpen en de door [appellant] verstrekte bijlagen en alle correspondentie heeft betrokken en [appellant] op het verkeerde been heeft gezet, jegens hem onrechtmatig was. De in dat principebesluit gegeven informatie bleek als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2009 immers onjuist te zijn. De onrechtmatigheid heeft voortgeduurd totdat de gemeente bij besluit van 17 december 2009 alsnog een bouwvergunning aan [appellant] heeft verleend.
Eveneens staat vast dat de vordering van [appellant] niet is verjaard omdat de verjaringstermijn pas is gaan lopen daags na de uitspraak van de Afdeling, toen [appellant] daadwerkelijk in staat was om een vordering tegen de Gemeente geldend te maken, en de verjaring tijdig is gestuit.




4.1.2.
Na verwijzing dient dit hof derhalve nog te oordelen omtrent de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende schade van [appellant] die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de gemeente. Daaronder moet worden begrepen de vraag of en in hoeverre bij de schadebegroting in aanmerking moet worden genomen de aan [appellant] toegekende planschadevergoeding, de wettelijke rente en de kosten van de ruimtelijke onderbouwing.



Schadebegroting





4.2.1.
De schade die [appellant] als gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente heeft geleden moet, zo volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad in cassatie, opnieuw worden begroot. Op grond van artikel 6:97 BW moet de schade worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Uitgangspunt voor de vaststelling van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, en dus dat de schade in beginsel concreet moet worden begroot.



4.2.2.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn vordering en de grondslagen ervan gewijzigd. Ten aanzien van de schade die het gevolg is geweest van het onrechtmatig handelen van de gemeente (bestaande uit het nemen van de principebesluiten en daarop volgende weigering van de bouwvergunning bij het primaire besluit en de daarop volgende eerste beslissing op bezwaar) heeft [appellant] aangevoerd dat die schade is ontstaan als gevolg van het feit dat hij het bouwperceel door toedoen van de gemeente niet (op een gunstig moment) aan een derde heeft kunnen verkopen. Punt 48 memorie van grieven: "Deze onrechtmatige daad heeft geleid tot vermogensschade, nu als gevolg van deze onrechtmatige daad [appellant] het bouwperceel op de hoek [weg B] / [weg A] niet, althans niet onder normale condities kon verkopen."
De schade van [appellant] bestaat er dus uit dat hij het perceel in de periode vanaf het eerste principebesluit (25 april 2006) tot het besluit waarbij hem alsnog een bouwvergunning is verleend en er aan de onrechtmatige toestand een einde kwam (17 december 2009) niet als bouwperceel heeft kunnen verkopen; zijn schade bestaat uit de gemiste verkoopopbrengst als gevolg van de vertraging van de erkenning van het perceel als bouwperceel, aldus [appellant] .




4.2.3.
Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat [appellant] het bouwperceel in 2006 wilde verkopen en te gelde wilde maken, maar hiertoe niet kon overgaan door het (onrechtmatige) besluit van de gemeente. Maar tevens staat vast dat hij het bouwperceel (uiteindelijk) niet heeft verkocht in de periode vanaf het eerste principebesluit (25 april 2006) tot het besluit waarbij hem alsnog een bouwvergunning is verleend en er aan de onrechtmatige toestand een einde kwam (17 december 2009). Eventuele waardefluctuaties die in die periode hebben plaatsgevonden, hebben voor hem dus niet tot concrete schade geleid. Toen de onrechtmatige toestand op 17 december 2009 eindigde, kon [appellant] zijn intentie om het bouwperceel te verkopen weer realiseren en werd hij hierbij niet meer gehinderd door het onrechtmatige besluit van de gemeente. Dit betekent dat omstandigheden die zich na 17 december 2009 hebben voorgedaan niet (meer) kunnen worden toegerekend aan de onrechtmatige daad van de gemeente. Dit geldt voor waarde fluctuaties vanaf die datum maar ook voor eventuele voordelen, die hij na 17 december 2009 heeft genoten. Voordelen of nadelen die na 17 december 2009 zijn ontstaan, hebben geen relatie met het onrechtmatig handelen van de gemeente en hebben daardoor geen invloed op de aan [appellant] toekomende schadevergoeding. Het beroep van de gemeente op voordeel verrekening strandt hierdoor.



4.2.4.


[appellant] bood het perceel aanvankelijk te koop aan voor € 450.000,-. Dat dat de werkelijke waarde was van het perceel blijkt uit het als productie 23 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte taxatieverslag (peildatum 1 juli 2006) en ook uit het in opdracht van het eerste hof uitgebrachte deskundigenbericht van 12 mei 2020 (peildatum 25 april 2006). Uit het deskundigenbericht blijkt tevens dat er toen een goede markt met veel vraag naar bouwkavels was met relatief korte looptijden, zodat waarschijnlijk is dat [appellant] het perceel voor de vraagprijs, gelijk aan de getaxeerde waarde in geval van bouwmogelijkheid, spoedig zou hebben kunnen verkopen (de onrechtmatige besluiten weggedacht), zoals [appellant] heeft aangevoerd.
Na aanvullende vragen van het eerste hof bij tussenarrest van 13 april 2021 heeft de deskundige in zijn aanvullende deskundigenbericht van 2 juli 2021 vermeld: "Nee, ik zie geen aanleiding een wijziging aan te brengen op mijn vorig jaar ingediende deskundigenbericht". In het bijzonder ziet de deskundige geen aanleiding een wijziging aan te brengen in zijn antwoord op vraag 1b, namelijk dat de waarde van het perceel uitgaande van een bouwmogelijkheid met maximale planologische invulling moet worden begroot op € 450.000,-. Ook dit hof gaat van deze waarde uit, en niet van de door het eerste hof toegepaste correctie in mindering van 20% (zie onderdeel 4 van het incidentele cassatiemiddel).




4.2.5.
Naar het oordeel van het hof staat daarom in voldoende mate vast dat [appellant] het perceel medio 2006 zou hebben kunnen verkopen voor de daadwerkelijke waarde op dat moment van € 450.000,- indien de gemeente [appellant] niet met het eerste principebesluit op onrechtmatige wijze verkeerd had voorgelicht met betrekking tot de bouwmogelijkheden. Alleen omdat er onzekerheid was over de bouwmogelijkheden heeft [appellant] het perceel pas later verkocht. Aan die onzekerheid is per 17 december 2009 een einde gekomen, waarna de onrechtmatige beletselen om het perceel te kunnen verkopen zijn weggevallen.



4.2.6.
De schade die [appellant] heeft geleden ter zake van misgelopen verkoopopbrengst bestaat naar het oordeel van het hof daardoor uit het feit dat hij het perceel niet al in 2006 heeft kunnen verkopen en toen niet de beschikking heeft gekregen over de verkoopprijs, maar dat dat pas na 17 december 2009 mogelijk werd. De [appellant] toekomende schadevergoeding begroot het hof op - concreet berekend - de wettelijke rente (de gefixeerde schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom) over € 450.000,-, de waarde van het perceel medio 2006. Dit is in lijn met de in de memorie van grieven geformuleerde vordering K, waarin wordt gevraagd om wettelijke rente toe te kennen vanaf het ontstaan van de desbetreffende schadeposten (zie onderdeel 5 van het middel in principaal cassatieberoep). Zoals hiervoor is overwogen dienen waardefluctuaties buiten beschouwing te blijven, zodat de later overeengekomen prijs van € 400.000,- en de prijs van € 330.000,- waarvoor [appellant] het perceel uiteindelijk heeft verkocht en geleverd, bij de begroting van de schade geen rol spelen.



4.2.7.
De wettelijke rente die de gemeente als schadevergoeding moet betalen is verschuldigd vanaf de datum waarop de gemeente (voor het eerst) onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, derhalve vanaf 25 april 2006, de datum waarop het onrechtmatige principebesluit is genomen, en wel tot 17 december 2009, de datum waarop aan de onrechtmatige toestand een einde kwam.



Planschadevergoeding





4.3.1.

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld (punt 68 e.v. memorie van grieven) dat, als hij het perceel al in 2006 had kunnen verkopen voor € 450.000,-, hij geen nadeel zou hebben ondervonden van ontwikkelingen die zich nadien hebben voorgedaan, in het bijzonder niet van de latere wijziging van het bestemmingsplan ' [bestemmingsplan B] ' waardoor het niet langer mogelijk werd op het perceel te bouwen. De waardedaling die het gevolg was van deze bestemmingsplanwijziging moet daarom ook als schade worden toegerekend aan de onrechtmatige daad van de gemeente, aldus [appellant] .



4.3.2.
De gemeente heeft hiertegen aangevoerd dat aan [appellant] wegens laatstgenoemde wijziging van het bestemmingsplan uiteindelijk – na bezwaar, beroep en hoger beroep (uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1171) – onherroepelijk een planschadevergoeding is toegekend van € 350.000,-, terwijl met de latere vaststelling van het bestemmingsplan 'Herziening [bestemmingsplan B] ' de mogelijkheid om op het perceel te bouwen weer is hersteld. Indien bij de schadebegroting hiermee geen rekening wordt gehouden, terwijl [appellant] bovendien in juli 2021 nog een verkoopprijs van € 330.000,- voor het perceel heeft weten te realiseren, wordt [appellant] overgecompenseerd, aldus de gemeente.



4.3.3.

Het eerste hof heeft geoordeeld (rechtsoverweging 5.20 van het tussenarrest van 5 februari 2019) dat de (op dat moment nog niet onaantastbaar geworden) bestemmingswijziging niet meer kan worden gezien als een gevolg als bedoeld in artikel 6:98 BW van de onrechtmatige daden van de gemeente in de periode van 2006 tot en met 2009.
In lijn hiermee heeft het eerste hof in rechtsoverweging 2.5 van het eindarrest overwogen dat de toegekende planschadevergoeding voor de begroting van [appellant] schade niet van belang is. "De Gemeente heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende toegelicht waarom het redelijk in de zin van artikel 6:100 BW zou zijn om het voordeel dat [appellant] volgens de Gemeente heeft gehad door, wat zij noemt, een voor haar 'uiterst ongelukkig verloop van de verschillende bestuursrechtelijke procedures in 2019 en 2021, toe te rekenen aan de onrechtmatige gedragingen van de Gemeente in de periode van 2006 tot 2009", aldus het eerste hof.




4.3.4.
Ingevolge artikel 6:100 BW moet, indien een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht voor zover dit redelijk is. Daarvoor is nodig dat het gestelde voordeel in voldoende causaal verband staat met de schade veroorzakende gebeurtenis in de zin van artikel 6:98 BW, in die zin dat sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen.



4.3.5.

Het hof overweegt dat schadevergoeding is verschuldigd wegens de onrechtmatige daad van de gemeente in de periode 2006 tot 2009. De planschadevergoeding is daarentegen verschuldigd ingevolge de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 in verband met een rechtmatige daad van de gemeente, namelijk de wijzing van het ter plaatse geldende bestemmingsplan in 2021. De juridische grondslag voor de twee vergoedingen is dus een geheel andere. Bovendien is er een tijdsverloop van meer dan tien jaar tussen beide gebeurtenissen. Op het moment dat er wegens de onrechtmatige daden van de gemeente schadevergoeding verschuldigd werd, was een planschadevergoeding nog helemaal niet aan de orde.
Gelet hierop is het hof van oordeel – in navolging van het eerste hof – dat er geen sprake is van eenzelfde gebeurtenis als bedoeld in artikel 6:100 BW en dat het ook niet redelijk is – de gemeente heeft onvoldoende aangevoerd om die conclusie te kunnen trekken – om bij de begroting van de schade die [appellant] heeft geleden rekening te houden met de aan hem pas veel later toegekende planschadevergoeding. Anders dan de gemeente heeft aangevoerd heeft de toekenning van de planschadevergoeding naar het oordeel van het hof niet tot gevolg dat [appellant] wordt overgecompenseerd.




Kosten van de ruimtelijke onderbouwing voor de vrijstellingsprocedure





4.4.1.


[appellant] heeft vergoeding gevorderd van de kosten die hij – volgens hem door toedoen van de gemeente onnodig – heeft gemaakt in het kader van de vrijstellingsprocedure. Het eerste hof heeft het verweer van de gemeente dat die kosten niet onnodig zijn gemaakt omdat [appellant] die ruimtelijke onderbouwing hoe dan ook nodig had voor een andere vrijstelling, gehonoreerd en dit onderdeel van de vordering afgewezen.
Onderdeel 1 van het middel in incidenteel cassatieberoep, dat hiertegen is gericht, slaagt, aldus de Hoge Raad (rechtsoverweging 4.1.2): "Art. 19 lid 1 WRO (oud) bepaalde dat de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling kan verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van een vrijstelling geen bezwaar hebben. Art. 19 lid 3 WRO (oud) bepaalde dat burgemeester en wethouders eveneens vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Dit artikellid stelde niet de eis van een ruimtelijke onderbouwing. Ook de parlementaire geschiedenis duidt erop dat voor het verlenen van een vrijstelling op grond van art. 19 lid 3 WRO (oud) een ruimtelijke onderbouwing niet noodzakelijk was".
De conclusie moet zijn dat de kosten van de ruimtelijke onderbouwing niet noodzakelijk waren voor een andere vrijstelling en dat [appellant] die kosten dus onnodig heeft gemaakt. Nu het onderdeel van het incidenteel cassatieberoep slaagt, kan de desbetreffende vordering van [appellant] worden toegewezen.




4.4.2.

De rechtbank had deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 15.794,77 (rechtsoverweging 4.17 van het eindvonnis). Wettelijke rente over dit bedrag heeft de rechtbank toegewezen met ingang van 29 oktober 2014, de dag waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht (punt 5.1 van het dictum van het eindvonnis).
Nu [appellant] niet heeft toegelicht of gespecificeerd met ingang van welke (eerdere) datum de wettelijke rente volgens hem moet worden toegekend, zal ook het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf die datum.




Notariskosten






4.5.

In het door het eerste hof toegewezen totaalbedrag is een bedrag van € 2.270,38 begrepen voor notariskosten (rechtsoverweging 2.7 van het eindarrest). Wettelijke rente over dat bedrag is toegekend vanaf 11 december 2008, de datum waarop dat bedrag aan [appellant] is gefactureerd (rechtsoverweging 2.6 van dat arrest).
Onderdeel 4 van het principaal cassatieberoep van de gemeente, dat gericht was tegen de toewijzing van dit bedrag, heeft niet tot cassatie geleid, zo blijkt uit rechtsoverweging 3.4 van het arrest van de Hoge Raad. Dit bedrag is daarom toewijsbaar. De verschuldigdheid van de wettelijke rente over deze post en de ingangsdatum ervan heeft de gemeente als zodanig niet bestreden.




Advocaatkosten





4.6.

In het door het eerste hof toegewezen totaalbedrag is een bedrag van € 9.807,38 begrepen voor advocaatkosten die betrekking hebben op de voorbereidingsfase (rechtsoverweging 5.11 van het tussenarrest van 5 februari 2019). Wettelijke rente over dat bedrag is toegekend vanaf 17 december 2009 (zie rechtsoverweging 2.6 van het tussenarrest van 1 februari 2022).
Tegen dit oordeel heeft de gemeente in cassatie niet (specifiek) geklaagd, zodat de vordering toewijsbaar is, met inbegrip van de wettelijke rente (conform het oordeel van het eerste hof).




Buitengerechtelijke incassokosten





4.7.
Het oordeel van het eerste hof dat de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zijn (€ 1.788,-) is door het cassatieberoep niet geraakt. Wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht, 29 oktober 2014.



Conclusie




4.8.1.
Het hof zal het bestreden vonnis van 10 februari 2016 vernietigen. Opnieuw recht doende zal het hof de gemeente veroordelen zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.2.6 e.v. overwogen.




4.8.2.
Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal het hof de gemeente in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep veroordelen.






5De uitspraak


Het hof:



rechtdoende na verwijzing:



5.1.
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland van 10 februari 2016;


en opnieuw recht doende:




5.2.
veroordeelt de gemeente tot betaling van de wettelijke rente over € 450.000,- vanaf 25 april 2006 tot 17 december 2009;



5.3.
veroordeelt de gemeente tot betaling aan [appellant] van € 15.794,77 ter zake van de kosten van de ruimtelijke onderbouwing, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2014 tot de voldoening;



5.4.
veroordeelt de gemeente tot betaling aan [appellant] van € 2.270,38 ter zake van notariskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 2008 tot de voldoening;



5.5.
veroordeelt de gemeente tot betaling aan [appellant] van € 9.807,38 ter zake van advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2009 tot de voldoening;



5.6.
veroordeelt de gemeente tot betaling van € 1.788,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2014 tot de voldoening;



5.7.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep:

 tot aan het bestreden vonnis aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 102,27 aan explootkosten, op € 1.519,- euro aan griffierecht en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
 tot aan het eindarrest van het eerste hof aan de zijde van [appellant] voor wat betreft het principaal hoger beroep vastgesteld op € 99,87 aan explootkosten, € 1.631,- aan griffierecht en op € 11.750,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en wat betreft het incidenteel hoger beroep op € 5.585,25 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
 en verder tot de uitspraak van dit arrest begroot op € 139,42 aan explootkosten en op € 4.426,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief IV);




5.8.
veroordeelt de gemeente in de nakosten, begroot op € 178,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 92,- en de explootkosten van betekening van dit arrest in geval de gemeente niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;



5.9.
veroordeelt de gemeente in de kosten van het deskundigenbericht van € 2.420,- en van het aanvullende deskundigenbericht van € 453,75;



5.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. F.C. Alink-Steinberg, Z.D. van Heesen-Laclé en
W.F.R. Rinzema en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 februari 2026.



griffier rolraadsheer