Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:2201
Inhoudsindicatie
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige partner in het bijzijn van zijn kinderen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en afbreuk gedaan aan de veilige thuisbasis die zijn kinderen zouden moeten kunnen ervaren. Het handelen van de verdachte rekent het hof de verdachte aan. Het hof acht het opleggen van een geldboete niet passend bij een huiselijk geweldsituatie als de onderhavige, omdat zulks geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Gelet op het feit dat de verdachte nog regelmatig contact zal moeten hebben met aangeefster met betrekking tot de omgang en verzorging van hun kind, de nog lopende procedure over de omgang en het gezag voor het gezamenlijk kind en ter voorkoming van herhaling is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2010:BM2452 Hoge Raad 13-07-2010
- ECLI:NL:HR:2023:1152 Hoge Raad 05-09-2023
- ECLI:NL:HR:2026:330 Hoge Raad 03-03-2026
- ECLI:NL:HR:1997:ZD0737 Hoge Raad 03-06-1997
- ECLI:NL:HR:2011:BP6122 Hoge Raad 17-05-2011
- ECLI:NL:HR:2026:1193 Hoge Raad 14-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.971 tekens)
Uitspraak : 31 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 januari 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-271074-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘mishandeling’, de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Hoensbroek, gemeente Heerlen, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te trappen en/of tegen de grond te duwen en/of door haar bij de keel vast te grijpen en/of de keel dicht te knijpen en/of door haar met zijn hand in het gezicht te slaan en/of te duwen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
op 23 oktober 2022 te Hoensbroek, gemeente Heerlen, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te trappen en tegen de grond te duwen en door haar bij de keel vast te grijpen en door haar met zijn hand in het gezicht te duwen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen worden genoemd, verwijzen – tenzij anders vermeld – naar pagina’s van het proces-verbaal met nummer PL2431(doorgestreept PL2300)-2022165283 van de eenheid Limburg, gesloten op 24 oktober 2022, opgemaakt door [verbalisant 1], (doorgenummerde pagina’s 1. tot en met 23). De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is voor zover dit dienstig is geacht zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 oktober 2022 (pagina’s 3 – 7), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :
(pagina 3)
Plaats delict: [adres] , binnen de gemeente Heerlen
Pleegdatum/tijd: Tussen zondag 23 oktober 2022 om 13.10 uur en zondag 23 oktober 2022 om 14:32 uur
Ik doe aangifte van mishandeling en bedreiging door mijn man.
Ik ben wakker geworden en ben naar beneden gegaan. Mijn moeder slaapt op de begane grond. Ik ben toen samen met mijn moeder onder gebleven zodat mijn man (het hof begrijpt hier: de verdachte) en zijn zoontje verder konden slapen.
Daarna, rond 11 uur, kwam hij (het hof begrijpt hier: de verdachte) naar beneden en hij vroeg aan mij of ik zijn zoon van 9 jaar eten had gegeven. Ik zei dat ik dit niet had gedaan, hij was nog niet naar beneden gekomen en daarom dacht ik dat hij nog lag te slapen. Hij begon toen zijn toon en stem te verheffen en zei: “hoezo je hebt hem geen eten gegeven, je had naar boven moeten gaan.”
Daarna begonnen we elkaar dingen te verwijten en te beschuldigen.
(pagina 4)
Ik heb [naam 1] bij mijn moeder gebracht en ben toen even alleen naar buiten gegaan. Mijn man bleef binnen.
Toen ik weer thuis kwam stond ik voor de deur. Ik zag dat mijn man de deur opende en ik hoorde toen dat hij zei: “Wat doe je hier, het is hier geen hotel.” Ik zag dat hij vervolgens weer de deur wilde sluiten. Ik heb de deur toen open geduwd en ben naar binnen gelopen om vervolgens via de achterdeur naar de garage te lopen.
Toen ik in de woning was heeft hij aan mij getrokken en geduwd om mij tegen te houden. Het ging heel snel. Ik weet niet goed hoe hij dit deed, ik liep voorbij en ik voelde mij naar achter getrokken en ik werd naar de grond geduwd. Toen ik op de grond lag, heeft hij mij geschopt tegen mijn rechter ribben. Ik lag op mijn buik en hij schopte tegen mijn ribben. Door de schoppen tegen mijn ribben voelde ik hevige pijn.
Mijn man heeft mij vandaag bij mijn keel gegrepen. Vandaag liep ik naar de woonkamer/keuken, toen ik de deur open deed naar de keuken kwam mijn man van achter aan gelopen. Hij heeft toen van achter mij bij mijn jas gepakt en naar zich toe getrokken om mij vervolgens bij mijn keel te grijpen. Toen hij mij bij mijn keel had zat mijn jas tussen zijn handen en mijn huid. Ik merkte dat hij mij op de grond wilde gaan gooien. Ik hield met mijn handen zijn armen vast. Omdat hij mij met kracht naar de grond wilde gooien en ik zijn armen vast had kwamen we beiden ten val. Ik lag toen onder en hij viel bovenop mij. Ik ben met mijn hele lichaam en ook met mijn hoofd op de grond gevallen. Als gevolg hiervan ondervond ik pijn aan mijn lichaam en hoofd. Ik heb een bult op mijn hoofd en het doet pijn als ik eraan kom.
Ik zei tegen de oudste: “kijk wat hij allemaal met mij doet.”
(pagina 5)
Mijn man draaide zich toen om, hij zei dat ik helemaal niets over zijn zoon te zeggen had. Hij pakte mij toen bij mijn arm en duwde mij op de bank. Hij drukte toen zijn hand op mijn gezicht en met zijn knie op mijn borst. Ik voelde dat hij met kracht op mijn neus drukte. Door deze druk ontstond er bij mij een bloedneus. Hij lag boven op mij en drukte zo hard dat het bloed uit mijn neus liep. Hij is vervolgens opgestaan en naar de keuken gelopen. Door het drukken op mijn gezicht heb ik tevens wondjes op mijn gezicht gekregen. Ik ben toen naar mijn overbuurman gegaan met mijn bloedneus om daar de politie te bellen.
(pagina 6)
Van het letsel zijn foto's genomen met toestemming van de aangeefster.
2. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 23 oktober 2022 (pagina’s 8 – 10), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(pagina 8)
Wij kregen portofonisch de melding van het operationeel centrum te Maastricht, om te gaan naar de [straat] te Hoensbroek. Aldaar was de overbuurvrouw bij melder aan komen lopen en was zojuist mishandeld door haar man. De buurvrouw woont zelf op [adres] te Hoensbroek.
Ter plaatse troffen wij de overbuurvrouw aan. Wij zagen dat zij aan het trillen en aan het huilen was. Wij zagen kleine wondjes/sneetjes in haar gezicht, handen en dat zij een bloedneus had. Zij vertelde in het gebrekkig Engels, dat haar naam [slachtoffer] was. Zij vertelde dat zojuist was mishandeld door haar man en dit bleek later [verdachte] te zijn.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2022 (pagina’s 13 – 16), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige] :
(pagina 13)
V: Op welk adres woont u?
A: [adres] in Hoensbroek.
(pagina 14)
V: Kunt u mij vertellen wat er vandaag gebeurd is?
A: Ik hoorde lawaai alsof iemand naar het toilet ging. Dat was rond 09.30 uur deze ochtend. [verdachte] kwam naar beneden omdat de slaapkamers op de 1e etage gelegen zijn. Hij vroeg naar koffie en ik zei dat ik de koffie al klaar gemaakt had. Hij vroeg of zijn andere kind al gegeten had. Ik zei: “nog niet” waarop hij [naam 2] (het andere kind) geroepen heeft. [naam 2] kwam en hij maakte zelf muesli. [verdachte] vroeg aan mijn dochter waarom zijn kind nog niet gegeten had. [slachtoffer] zei dat [naam 2] nog niet beneden was geweest omdat hij boven naar de televisie gekeken had. [verdachte] werd meteen kwaad.
(pagina 15)
Ik hoorde dat [slachtoffer] zei: “ik ga naar buiten”. Ik zei dat ze maar even moest nadenken. Ik ging vervolgens weer naar beneden om voor de baby te zorgen. [slachtoffer] verliet de woning toen via de voordeur. [verdachte] was vlak daarvoor ook naar buiten gegaan via de achterdeur. Toen hij terug kwam vroeg hij aan mij waar [slachtoffer] was. Ik gaf aan dat ik dat niet wist. [verdachte] ging naar boven en zag dat [slachtoffer] niet boven was. Hij besefte toen blijkbaar dat zij weg was. [verdachte] kwam naar beneden en zei toen dat [slachtoffer] niet meer binnen mocht komen. [slachtoffer] zou een hoer zijn en zijn huis was geen bordeel. Hij was het weglopen moe zei hij. [verdachte] zei ook dat zij iemand anders zou hebben. [verdachte] probeerde [slachtoffer] te bellen en ik ook maar er werd niet opgenomen. [verdachte] was echt woedend. We probeerden beiden [slachtoffer] te bereiken. Ik probeerde hem te kalmeren. Ik zei dat ze waarschijnlijk alleen naar buiten ging om even af te koelen. Hij kookte echter van woede. Hij schreeuwde alleen maar. Na een tijdje kwam [slachtoffer] thuis. Ik liep naar de voordeur en we stonden in de gang. [slachtoffer] stond voorover en had haar hand op haar heup. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei: “je hebt me tegen mij rib getrapt”. Ik had het zelf niet zien gebeuren. [verdachte] ging met [slachtoffer] naar de keuken en ik zag dat hij [slachtoffer] bij haar nek nam. Ik zag dat hij [slachtoffer] omhoog tilde aan haar nek. Haar voeten kwamen gewoon van de grond. [verdachte] gooide [slachtoffer] vervolgens op de grond. Ik riep: “kalmeer nu, kalmeer nu”. [slachtoffer] stond op. Hij is heel erg sterk. Ik was erg bang. Ik zag bloedsporen in de gang. Ik pakte een zakdoek en veegde de bloedsporen weg.
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 oktober 2022 (pagina’s 17 – 23), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
(pagina 20)
V: U bent vandaag aangehouden als verdachte van mishandeling in de huiselijke kring en een bedreiging. Wat kunt u daar zo al over verklaren?
A: Ik werd wakker. Ik ging naar beneden. Ik zag mijn vrouw. Mijn zoon had nog niets te eten gekregen. Ik vroeg aan mijn vrouw: “waarom heeft hij nog niet gegeten”. Mijn vrouw zei dat dat nog niet gebeurd was zodat het rustig zou blijven voor hem. Ik zei: “laat me met rust”. [slachtoffer] liep naar de garage en bleef in zichzelf praten. Zij bleef maar schreeuwen dus ik ben naar buiten gegaan. Toen ik terug kwam was zij weg. Ik vroeg mijn schoonmoeder waar [slachtoffer] gebleven was. Zij zei het niet te weten. Ik keek overal in huis maar [slachtoffer] was nergens.
(pagina 21)
Ik werd kwaad want het was niet de eerste keer dat zij weg ging. Ik zei tegen mijn schoonmoeder: “Het is hier geen hotel. Ze kan niet naar believen weg gaan en terug komen”. Ik heb de sleutel gepakt en de voordeur afgesloten.
Ik zag [slachtoffer] aan komen. Ik opende de deur en vroeg: “wat wil je?”. Ik zei tegen haar dat ze niet meer welkom was in dit huis. Ik wilde haar niet meer in huis hebben.
5. Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van 9 januari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
(pagina 2)
De verdachte verklaart als volgt:
Ik heb haar geduwd op het einde van de ruzie. Toen kreeg ze een bloedneus.
Ik heb de voordeur open gedaan en haar gezegd dat het geen hotel was. Toen begon ze weer te schreeuwen en te duwen en ze zei dat het ook haar huis was. Ik heb haar toen naar binnen getrokken, omdat ik niet wilde dat de buren zagen dat wij ruzie hadden.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft bepleit dat er voor het tenlastegelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring. Voorts is bepleit dat terughoudend moet worden omgegaan met de verklaring van aangeefster. Subsidiair is er een beroep op noodweer gedaan hetgeen moet leiden tot een vrijspraak.
Het hof overweegt als volgt.
Aangevoerd is dat terughoudend om moet worden gegaan met de verklaring van aangeefster, nu aangeefster het volgens de verdediging niet zo nauw neemt met de waarheid door onder andere een ander te vragen om een verklaring af te laten leggen over iets wat die persoon nooit heeft kunnen zien.
Het hof acht de verklaring van aangeefster, anders dan de verdediging, betrouwbaar en ziet in haar aangifte geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door haar geschetste gang van zaken. Zo heeft aangeefster uitgebreid verklaard over de hele gang van zaken die dag, welke gang van zaken ook door aangeefsters moeder getuige Darie en de verdachte worden bevestigd.
De verdediging heeft daarnaast bepleit dat er geen steunbewijs is voor de aangifte van aangeefster in de vorm van verklaringen, medische informatie of zichtbaar letsel.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op grond van de verklaring van aangeefster. Immers, volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de (belastende) verklaring van één getuige (aangever/-geefster). Deze bepaling beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (de eis van de dubbele bevestiging). De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Dat andere bewijsmiddelen bevestiging kunnen bieden, heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan, bijv. de daarin opgenomen vermeende gedraging(en) van verdachte. Niet is dus vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging in ander bewijsmateriaal steun vindt. Uitgangspunt daarbij is dat de verklaring van de getuige op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.
Het hof is van oordeel dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Zo heeft getuige Darie verklaard te hebben gehoord dat aangeefster nadat ze terug naar huis kwam in de gang zei dat de verdachte haar in de ribben had getrapt. Verder heeft de getuige gezien dat de verdachte aangeefster in de keuken bij de nek pakte en haar hieraan omhoog tilde. Hierna werd aangeefster door de verdachte op de grond gegooi. Tot slot heeft de getuige waargenomen dat er bloed in de woning lag, dat zij met een doek heeft weggeveegd.
De verdachte heeft, net als aangeefster en haar moeder, verklaard dat er onenigheid was ontstaan omdat zijn zoon nog niet gegeten had, dat aangeefster daarna naar buiten is gegaan en dat hij niet wilde dat ze weer naar binnenkwam, waarna er ruzie ontstond. De verdachte heeft ook verklaard dat hij aangeefster een duw in haar gezicht heeft gegeven waarna haar neus bloedde. Daarbij komt dat het gegeven dat aangeefster een bebloede neus had, ook wordt waargenomen door de ter plaatse gekomen verbalisanten. Van enig zichtbaar letsel is blijkens het dossier dan ook sprake.
Het verweer dat niet wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum faalt derhalve.
Daarnaast is door de verdediging een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgrond noodweer, omdat de verdachte zou hebben gehandeld ter bescherming van zijn zoon. Vooropgesteld wordt dat in het geval dat een beroep op een strafuitsluitingsgrond is gedaan de rechter gehouden is de feitelijke grondslag van dat verweer te onderzoeken, terwijl hij de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.
Het door de verdediging gedane beroep op noodweer verwerpt het hof nu het door de verdediging bepleite noodweersituatie blijkens de voorliggende bewijsmiddelen feitelijke grondslag mist, waardoor de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verweer door het hof niet aannemelijk worden geacht. Dat sprake was van een situatie waarbij de zoon van de verdachte bescherming behoefde, wordt immers enkel door de verdachte verklaard en strookt niet met de gang van zaken die uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – indien en voor zover het hof tot een bewezenverklaring komt – bepleit dat gelet op de persoonlijke omstandigheden en de LOVS-oriëntatiepunten aan de verdachte enkel een geldboete dient te worden opgelegd al dan niet in combinatie met een geheel voorwaardelijke straf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige partner in het bijzijn van zijn kinderen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en afbreuk gedaan aan de veilige thuisbasis die zijn kinderen zouden moeten kunnen ervaren. Het handelen van de verdachte rekent het hof de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 mei 2026, waaruit blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.
Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In dat kader heeft het hof het volgende geconstateerd.
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 23 oktober 2022 met het eerste verhoor van de verdachte. De politierechter van de rechtbank Limburg heeft vonnis gewezen op 9 januari 2023. De behandeling in eerste aanleg is afgerond met een einduitspraak binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn in eerste aanleg is derhalve niet overschreden.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 10 januari 2023 met het instellen van hoger beroep namens de verdachte. Het hof wijst heden, op 31 juli 2026, arrest. De behandeling in hoger beroep is daarmee niet afgerond met een einduitspraak binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met ongeveer 18 maanden.
Het hof stelt op grond van het vorengaande vast dat bij de strafvervolging van de verdachte sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken. Gelet evenwel op de aard en de omvang van de hierna op te leggen straf zal het hof volstaan met deze constatering.
De oriëntatiepunten van het LOVS noemen als uitgangspunt voor mishandeling een geldboete van € 750,-, maar vermelden ook dat bij huiselijk geweld geen geldboete moet worden opgelegd. Door de raadsman is, met een beroep op het inmiddels verstreken tijdsverloop en de veranderde situatie – partijen zijn uit elkaar, de verdachte heeft al geruime tijd een nieuwe partner en er zijn geen verdenkingen van nieuwe geweldsfeiten – bepleit een (geheel voorwaardelijke) geldboete op te leggen. Het hof acht het opleggen van een geldboete niet passend bij een huiselijk geweldsituatie als de onderhavige, omdat zulks geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Gelet op het feit dat de verdachte nog regelmatig contact zal moeten hebben met aangeefster met betrekking tot de omgang en verzorging van hun kind, de nog lopende procedure over de omgang en het gezag voor het gezamenlijk kind en ter voorkoming van herhaling is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 31 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Vgl. o.a. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, rov. 2.4; HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152, rov. 2.4 en HR 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:330, rov. 2.3.
Vgl. o.a. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0737, NJ 1997/657, rov. 5.4.1.; HR 17 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6122, rov. 2.4. en HR 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1193, rov. 2.3.