Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:1725
Inhoudsindicatie
Artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht Strijd met zorgvuldigheidsbeginsel. Aan belanghebbende is een WOZ-beschikking opgelegd. In de bezwaarfase geeft belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de beschikking is uitgegaan van een te groot woonoppervlakte. Bij het doen van uitspraak op bezwaar is de heffingsambtenaar nog steeds uitgegaan van die woonoppervlakte en pas in de beroepsfase erkent hij, zonder uitleg, dat de door hem gehanteerde woonoppervlakte te groot is. Het hof oordeelt dat de specifieke omstandigheden van het geval met zich brengen dat de heffingsambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb heeft geschonden en dat belanghebbende beroep heeft moeten instellen om de fout die de heffingsambtenaar ten aanzien van het essentiële en maatgevende objectkenmerk heeft gemaakt aan de orde te stellen. Wel proceskostenvergoeding voor beroepsfase en hoger beroepsfase, geen proceskostenvergoeding voor bezwaarfase. Hoger beroep gegrond.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.872 tekens)
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1240
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 3 augustus 2023, nummer ROE 22/3022, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak.
2.2.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 206.000.
2.3.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het kader van dit bezwaar heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het verslag van deze hoorzitting vermeldt onder meer:
“3. Onderhavig object heeft volgens de BAG een woonoppervlakte van slechts 154m2 en niet van 185m2.”.
2.4.
Het dossier bevat een uittreksel van Kadaster, genoemd ‘Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)’. Op dit uittreksel staat als aanhef ‘ [adres] [woonplaats] ’. Bij ‘Verblijfsobject’ staat onder het kopje ‘Oppervlakte’ vermeld ‘154 m2’.
2.5.
In de bezwaarfase heeft de heffingsambtenaar een taxatieverslag van de onroerende zaak laten opstellen. In dit taxatieverslag staat onder meer:
“Onderdelen Bouwjaar Maatvoering
Woning 1900 137 m2
Aanbouw woonruimte platdak 31 m2
Dakkapel 1 m2
Kelder 1900 16 m2”.
De totale maatvoering telt op tot 185 m2.
2.6.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard, de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd op € 206.000 en geen vergoeding voor kosten in bezwaar toegekend. In deze uitspraak op bezwaar staat onder meer:
“008. In uw bezwaarschrift heeft u verzocht om een kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 Awb.
009. U geeft aan dat we bij het vaststellen van de WOZ-waarde zijn uitgegaan van de verkeerde gebruiksoppervlakte van het object.
Beoordeling van het bezwaar
We beoordelen uw reden(en) voor het bezwaar van het object [adres] [postcode] [woonplaats] als volgt:
(…)
008. In uw bezwaarschrift heeft u verzocht om vergoeding van proceskosten op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor vergoeding van proceskosten is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De beschikking waartegen u bezwaar heeft gemaakt wordt niet herroepen. Het bezwaarschrift is ongegrond waardoor geen aanspraak op vergoeding van proceskosten bestaat.
009. De methode van berekening van de gebruiksoppervlakte is voor alle objecten binnen de gemeente gelijk. Bij taxaties in het kader van de Wet WOZ wordt de gebruiksoppervlakte bepaald aan de hand van de branchebrede meetinstructie. Dit betekent dat voor de berekening van de oppervlakte moet worden uitgegaan van de binnenmaten van het gebouwde, maar dienen de (niet-)dragende binnenmuren mee te worden genomen in de oppervlakte. Naar aanleiding van uw bezwaarschrift hebben we de oppervlakte van het object opnieuw berekend aan de hand van de het 3D-model. Uit deze herberekening is gebleken
dat we bij de waardebepaling zijn uitgegaan van de juiste oppervlakte.”.
2.7.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar. In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend, waarin onder meer staat:
“Onze taxateur heeft de oppervlakte van het pand nogmaals gecontroleerd. De oppervlakte van de hoofdbouw is 126 m2 en die van de aanbouw 31 m2. In taxatierapport is een knipsel uit Way2go bijgevoegd als onderbouwing van de gecontroleerde oppervlakte.”.
In het bij het verweerschrift gevoegde taxatierapport staat onder meer:
“Onderdelen Bouwjaar Maatvoering
Woning 1900 125 m2
Aanbouw woonruimte platdak 2012 31 m2
Dakkapel 2016 1 m2
Kelder 1900 16 m2”.
2.8.
De rechtbank heeft onder meer overwogen dat door de heffingsambtenaar pas in beroep een taxatierapport en waardematrix is overgelegd met de juiste oppervlakte, maar dat belanghebbende daardoor niet in zijn processuele belangen is geschaad. De rechtbank ziet daarom geen reden om de heffingsambtenaar te veroordelen in belanghebbendes proceskosten. De rechtbank heeft wel geoordeeld dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van proceskosten in beroep?
Heeft belanghebbende recht op een vergoeding op proceskosten in bezwaar?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Vergoeding proceskosten in beroepsfase
4.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat, nu vaststaat dat de heffingsambtenaar pas in het verweerschrift in eerste aanleg is uitgegaan van een juist woonoppervlak, niet kan worden gezegd dat belanghebbende niet in zijn procesbelang is geschaad. Belanghebbende heeft namelijk beroep in moeten stellen om erkend te krijgen dat verweerder uitging van een onjuiste oppervlakte. Dit vormt grond voor het toekennen van een volledige proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.
4.2.
De heffingsambtenaar heeft aangedragen dat het vaste jurisprudentie is dat het partijen vrij staat om op elk moment in (hoger) beroep nieuwe standpunten aan te dragen en dat dit slechts anders is wanneer sprake is van schending van het procesbelang van de tegenpartij. In beroep is tijdig een taxatierapport met taxatiematrix overgelegd. Hieruit bleek weliswaar dat het gehanteerde woonoppervlak bijgesteld diende te worden, maar de waarde desondanks niet te hoog was vastgesteld. Het bestreden besluit is derhalve in stand gebleven, zodat geen sprake kan zijn van een veroordeling in proceskosten. Het is immers de eindwaarde die in een WOZ-procedure ter discussie staat en deze is niet te hoog vastgesteld, aldus de heffingsambtenaar.
Verder kunnen volgens de heffingsambtenaar (mogelijke) onzorgvuldigheden in de totstandkoming of de motivering van de uitspraak op bezwaar op zichzelf niet leiden tot gegrondverklaring van een beroep of tot een proceskostenveroordeling. Motiveringsgebreken kunnen ook nog in de beroepsfase worden hersteld. Het motiveringsbeginsel is niet geschonden.
4.3.
Het hof neemt als uitgangspunt dat de woonoppervlakte van een woning een essentieel en maatgevend onderdeel is van de waardebepaling van woningen ten behoeve van het geven van een WOZ-beschikking. Daarnaast stelt het hof vast dat belanghebbende reeds in de bezwaarfase heeft aangegeven dat de door de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de waarde van de woning gehanteerde woonoppervlakte onjuist is. De heffingsambtenaar heeft deze klachten in zijn uitspraak op bezwaar naast zich neergelegd met de enkele algemene opmerking dat er nogmaals is gekeken naar de woonoppervlakte en dat hij de door hem gehanteerde woonoppervlakte nog steeds juist acht. Pas in de beroepsfase erkent de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift dat hij in het taxatieverslag (zie 2.5) en in de uitspraak op bezwaar is uitgegaan van de verkeerde gebruiksoppervlakte. De heffingsambtenaar heeft niet uitgelegd waarom hij deze fout niet al in de bezwaarfase heeft geconstateerd toen hij daar door belanghebbende expliciet op was gewezen.
4.4.
Het voorgaande brengt met zich dat niet kan worden gezegd dat de heffingsambtenaar in voorbereiding op zijn besluit, namelijk de uitspraak op bezwaar, de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar, in het licht van de feiten zoals beschreven in onderdeel 4.3, het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschonden. Belanghebbende heeft beroep moeten instellen om de fout die de heffingsambtenaar ten aanzien van het essentiële en maatgevende objectkenmerk heeft gemaakt aan de orde te stellen en hem kan niet worden verweten dat hij daarmee trachtte de vastgestelde WOZ-waarde naar beneden te laten bijstellen. Dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de waarde van de woning desondanks niet te hoog is vastgesteld maakt dat niet anders.
4.5.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in dit geval een vergoeding van de in de beroepsfase gemaakte proceskosten. Het hof veroordeelt daarom de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.6.
Belanghebbende heeft tevens gesteld dat hij recht heeft op vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Dat verzoek wijst het hof af, omdat voor vergoeding van dergelijke kosten onder meer is vereist dat het bestreden besluit is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In onderhavig geval is het bestreden besluit, namelijk de WOZ-beschikking, bij uitspraak op bezwaar in stand gelaten en reeds hierom heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.10.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.401.
4.11.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de proceskosten;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 1.401.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, A.J. Kromhout en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Artikel 7:15, lid 2, Awb.
1 punt voor het beroepschrift bij de rechtbank, 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank en 1 punt voor het beroepschrift bij het hof, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.