Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:1484

2026-06-04 Civiel recht; Insolventierecht 200.368.124_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-06-04
Publicatiedatum
2026-06-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.368.124_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 sub b en c Fw.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (20.551 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH


Team Handelsrecht



Uitspraak : 4 juni 2026
Zaaknummer : 200.368.124/01
Zaaknummer eerste aanleg : 421238 FT RK 25.684



in de zaak in hoger beroep van:





[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. C.C.W. Plaat te Ede.






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 7 april 2026.






2Het geding in hoger beroep


2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 april 2026, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de schuldsaneringsregeling op appellant van toepassing te verklaren met vaststelling van een eerdere ingangsdatum, namelijk 18 juni 2025, althans een door het hof in goede justitie te bepalen eerdere ingangsdatum.



2.2.
De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Bij die gelegenheid is [appellant] , bijgestaan door mr. Plaat, gehoord.



2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 maart 2026;
- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 19 mei 2026.






3De beoordeling


3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 445.597,31. Daaronder bevindt zich een preferente belastingschuld van € 33.239,-. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijk traject gestaakt is wegens het uitblijven van een reactie van de Rabobank, het weigeren van medewerking door de Belastingdienst, het feit dat er een regresrecht rust op de vordering van de Rabobank en het feit dat [appellant] moet meebetalen aan een DUO-schuld op naam van zijn ex-partner, mevrouw [ex-partner] , die niet mee kan in het minnelijk traject omdat deze schuld persoonsgebonden is.



3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest en dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.




3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:



“3.10 [appellant] is in betalingsproblemen geraakt doordat hij gelden die bestemd waren voor


het bouwen van zijn woning en de betaling van de belastingaanslagen heeft aangewend om online geld te investeren. Niet is aannemelijk gemaakt dat [appellant] hiertoe gedwongen is.


(…)


Dat [appellant] onder druk is gezet of bedreigd blijkt uit geen enkel stuk. Daaruit trekt de rechtbank de conclusie dat [appellant] uit vrije wil de gelden heeft overgemaakt, al dan niet vertrouwend op misleidende informatie van cybercriminelen. Dit komt echter voor rekening en risico van [appellant] . Daarom zijn de schulden naar het oordeel van de rechtbank verwijtbaar ontstaan en daardoor niet te goeder trouw van aard.





(…)





3.11


Daarnaast volgt uit de loonstrook dat [appellant] via zijn werkgever gebruik maakt van


een leaseauto en dat hij deze privé rijdt. Door de fiscale bijtelling wordt maandelijks


€ 796,36 ingehouden op zijn nettoloon sinds 1 september 2024, zijnde de datum van indienstreding. Dat [appellant] bij aanvang van zijn dienstverband de keuze heeft gemaakt om de leaseauto privé te gebruiken levert een nadeel op voor de schuldeisers. Dientengevolge heeft [appellant] sinds 1 september 2024 veel minder kunnen sparen voor zijn schuldeisers, ook gedurende het minnelijke traject dat gestart is in juni 2025. Nadien had [appellant] nog twee keer de mogelijkheid om het privé gebruik bij de belastingdienst stop te zetten, namelijk per 1 januari 2025 en 1 januari 2026, maar ook dit heeft hij nagelaten. De rechtbank rekent hem dit aan.


(…)


Dientengevolge heeft [appellant] gedurende het minnelijke traject kunnen beschikken over relatief hoog vrij te laten bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de schuldeisers. Dat getuigt niet van een saneringsgezinde houding.





(…)





3.14


Daar komt nog het volgende bij. [appellant] heeft gedurende het minnelijke traject elke


maand een bedrag van € 1.842.56 contant aan zijn ouders betaald aan kostgeld en om hen te ondersteunen bij het aflossen van hun h)potheekschuld. Deze uitzonderlijk hoge afdracht, die deels een schenking is, getuigt niet van een saneringsgezinde houding en de schuldeisers zijn er door benadeeld.”









3.4.


[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke omstandigheden waaronder de schulden zijn ontstaan, namelijk een periode waarin hij samen met zijn toenmalige echtgenote handelde. Uit de echtscheidingsbeschikking blijkt dat sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid. De feitelijke handelingen met betrekking tot de overboekingen verliepen via zijn toenmalige echtgenote nu [appellant] in die periode fulltime werkte en zijn toenmalige partner beperkt werkte. Bovendien nam de ex-echtgenote ten aanzien van betreffende overboekingen ook het initiatief, hetgeen maakt dat de verwijtbaarheid in deze niet enkel en alleen [appellant] kan betreffen.




[appellant] benadrukt voorts dat zijn ex-echtgenote en hijzelf slachtoffer zijn geworden van
cybercriminaliteit. Zij zijn benaderd en misleid, meerdere malen anoniem gebeld en onder
druk gezet. Beiden zijn concreet bedreigd waarbij werd aangegeven dat er ernstige
consequenties zouden volgen wanneer niet zou worden meegewerkt. Hij heeft nimmer de intentie gehad om risico's te nemen met geleend geld, in welke vorm (hypotheek of bouwdepot) dan ook. [appellant] heeft gehandeld onder dreiging waarbij hij tegelijkertijd werd opgelicht, gemanipuleerd en de situatie escaleerde. Hij benadrukt dat dit geen weloverwogen eigen keuze is geweest maar dat vanuit blinde paniek vanwege bedreiging is gehandeld.



De rechtbank overweegt ten onrechte dat [appellant] sinds 1 september 2024 gebruik maakt van een leaseauto en daarvoor de bijtelling betaalt. Hij heeft pas sinds december 2024 een
leaseauto ter beschikking gekregen. Voorts overweegt de rechtbank ten onrechte dat [appellant] een keuze zou hebben gemaakt om de leaseauto privé te gebruiken. Er is geen sprake geweest van een bewuste keuze voor privégebruik. Binnen de fiscale systematiek wordt bijtelling automatisch toegepast. Voor de start van het minnelijk traject in juni 2025 heeft [appellant] onder andere in verband met zijn echtscheidingsprocedure en bezoeken aan zijn advocaat deze grens overschreden. Daardoor was bijtelling onvermijdelijk.




[appellant] betaalde kostgeld (uit het vtlb) aan zijn ouders om bij hen te kunnen blijven wonen. Dit was een noodzakelijke voorwaarde om geen nieuwe schulden te maken en om zijn woonlasten beheersbaar te houden. Indien hij zelfstandig had moeten wonen zouden zijn lasten aanzienlijk hoger zijn geweest, hetgeen juist nadelig zou zijn geweest voor zijn schuldeisers. Bovendien had appellant in betreffende periode aanzienlijke advocaatkosten van meer dan € 15.000,- in verband met zijn echtscheidingsprocedure welke eveneens invloed hadden op zijn financiële ruimte waardoor hij niet eerder dan 18 juni 2025 heeft kunnen beginnen met het reserveren voor zijn schuldeisers, en daardoor dus ook niet meer heeft kunnen sparen dan hetgeen wat hij tot nu toe heeft gespaard.




[appellant] heeft na het ontstaan van de schulden direct hulp gezocht bij de gemeente en zich gehouden aan de verplichtingen binnen het minnelijk traject. Hij heeft laten zien dat hij de belangen van de schuldeisers op de eerste plaats wil stellen en zelfs gevraagd of hij eerder mocht starten met aflossen of reserveren, nog voor de start van het minnelijk traject.



Tot slot beroept [appellant] zich op de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw nu de
omstandigheden die aanleiding hebben gegevens tot het ontstaan van de schulden
(problematisch huwelijk en cybercriminaliteit) zijn afgesloten. Deze omstandigheden zijn
definitief beëindigd en hij heeft zijn leven inmiddels duurzaam onder controle.





3.5.
Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] geeft aan na ontvangst van zijn salaris over de maand mei 2026 inmiddels ruim € 17.000,- voor zijn schuldeisers te hebben gespaard. Tevens geeft hij toe verkeerde keuzes te hebben gemaakt die ten grondslag liggen aan zijn actuele financiële problematiek. Zo zegt hij in paniek te hebben toegegeven aan de wensen van “cybercriminelen” en aan hen betalingen te hebben verricht met gelden die hij vanuit het bouwdepot overhevelde. Nu gaat het goed met hem, hij heeft geen eigen onderneming meer, werkt in loondienst, heeft zijn echtscheiding afgewikkeld en woont bij zijn ouders in.



3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.


3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.




3.6.2.
Er is sprake van een forse, preferente belastingschuld. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens, een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage III landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en die uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. Uit de overlegde specificatie blijkt dat belastingaanslagen over de jaren 2023, 2024 en 2023 niet zijn betaald, waaronder de inkomensheffing, de premie Zvw en de omzetbelasting. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] desgevraagd gezegd deze schulden niet te hebben betaald omdat hij daar, vanwege het voldoen van zijn cryptoschulden, de financiële middelen niet (meer) voor had. Dit maakt echter nog niet dat geoordeeld kan worden dat de belastingschuld, in afwijking van het hiervoor aangehaalde uitgangspunt, te goeder trouw is ontstaan.



3.6.3.
Daarnaast is het hof van oordeel dat ook de schuld aan de Rabobank dient te worden aangemerkt als een schuld die niet te goeder trouw ontstaan is. [appellant] is bij de Rabobank immers in de vorm van een bouwdepot een lening aangegaan, bestemd voor het verbouwen van zijn woning. [appellant] heeft deze gelden evenwel aangewend om schulden te voldoen die waren ontstaan door zijn, uit eigen initiatief, volslagen speculatief handelen op de cryptomarkt . Naar het oordeel van het hof wist [appellant] , dan wel had hij redelijkerwijs moeten onderkennen, dat dit handelen de nodige financiële risico’s met zich mee kon brengen. Blijkens de door [appellant] in het geding gebrachte echtscheidingsbeschikking zou [appellant] naar eigen zeggen in crypto zijn gaan beleggen omdat zijn toenmalige echtgenote een luxeleven wilde leiden en dat bekostigd moest worden. Wat daar ook van zij, hieruit kan geenszins worden afgeleid dat aan de crypto-activiteiten van [appellant] enige financiële noodzaak of uitzichtloosheid ten grondslag heeft gelegen zodat de conclusie dat [appellant] louter uit winstbejag gehandeld heeft gerechtvaardigd is. Het hof is dan ook van oordeel dat alle hieraan uit voortgevloeide financiële problematiek geheel voor rekening en risico van [appellant] dient te komen.



3.6.4.
Daarbij komt dat in het geheel ook niet gebleken is dat [appellant] in verband met de cryptoschulden op enige wijze door de betreffende schuldeisers zou zijn bedreigd of afgeperst. In het door [appellant] in het geding gebrachte proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2024 waarin hij aangifte doet van crypto-oplichting in de periode van oktober tot en met december 2023 rept [appellant] hier met geen woord over en spreekt hij uitsluitend over fraude, misleiding en bedrog. Ook anderszins blijkt niet van bedreiging of afpersing. [appellant] heeft in dit verband gewezen op de aangifte van zijn ex-echtgenote van 6 mei 2024. Hierin doet zijn ex-echtgenote aangifte van afdreiging, inhoudende dat zij onder druk wordt gezet om geld te betalen om het verspreiden van naaktfoto’s te voorkomen. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij bij de aangifte door zijn ex-echtgenote aanwezig was. Indien hij, of zijn ex-echtgenote, van mening was dat de afdreiging werd gepleegd door de cybercriminelen, ligt het voor de hand dat zij daarvan melding hadden gemaakt. In de aangifte staat echter dat de ex-echtgenote geen idee heeft wie hier achter zit. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de aangifte, die bovendien maanden na de crypto-oplichting en de aangifte door [appellant] is gedaan, dan ook niet dat [appellant] en zijn ex-echtgenote door de cybercriminelen werden bedreigd. Dat geldt temeer omdat de ex-echtgenote in de aangifte verklaard niet aan de bedreigingen te hebben toegegeven, zodat ook in die zin elk verband met de (door [appellant] ) betaalde bedragen ontbreekt. Dat [appellant] , zoals hij zelf zegt, op enig moment geen andere uitweg meer zag en overmand door angst en paniek gelden vanuit het bouwdepot heeft aangewend om zijn cryptoschulden te voldoen, betekent niet dat hij is bedreigd of afgeperst. Dat hij geen financiële uitweg meer zag en om die reden de gelden uit het bouwdepot heeft aangewend om zijn cryptoschulden te voldoen, rechtvaardigt bovendien deze handelwijze niet en doet dus niet af aan het oordeel dat de schuld aan Rabobank niet te goeder trouw is ontstaan.



3.6.5.

Voorts is het hof van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal gaan nakomen en zich zal gaan inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

[appellant] woont op dit moment bij zijn ouders in en betaalt hiervoor maandelijks een kostgeld van nagenoeg € 1.850,-. Deze afdracht is uitzonderlijk hoog en komt er in de praktijk op neer dat [appellant] niet alleen in de kosten van zijn levensonderhoud bijdraagt, maar daarnaast in feite zijn ouders financieel ondersteunt bij het aflossen van hun hypotheekschuld, een aflossing die zijn ouders voorafgaand aan de inwoning van [appellant] klaarblijkelijk op eigen kracht konden verrichten. Zonder daarbij te verwijzen naar enig schriftelijk bewijs heeft [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat de hoogte van dit kostgeld op advies, dan wel met goedkeuring van de gemeentelijke schuldhulpverlener zou zijn vastgesteld. [appellant] heeft voorts aangevoerd dat het kostgeld conform Nibud-normen is. Wat hier ook van zij, het hof is van oordeel dat [appellant] door het afdragen van een dergelijk buitensporig hoog bedrag aan kostgeld zijn schuldeisers benadeelt, daargelaten nog dat [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk te kennen heeft gegeven voornemens te zijn de afdrachten in de huidige vorm en omvang te continueren. Het hof is van oordeel dat een en ander onvoldoende blijk geeft van een saneringsgezinde grondhouding.




3.6.6.
Tot slot is het hof van oordeel dat het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw niet kan slagen nu hij gelet op het vorengaande niet voldoet aan de vereisten van artikel 288 lid 1 sub c Fw (zoals verwoord in r.o. 3.6.5. van dit arrest). De toepassing van de hardheidclausule ex artikel 288 lid 3 Fw kan uitsluitend betrekking hebben op omstandigheden als bedoeld in artikel 288, lid 1 onder b Fw, dan wel art. 288, lid 2 onder c Fw. Een beoordeling van de door [appellant] in het kader van zijn beroep op de hardheidsclausule aangedragen omstandigheden ten aanzien van artikel 288 lid 1 sub b Fw kan daardoor naar het oordeel van het hof in beginsel achterwege blijven.



Derhalve ten overvloede overweegt het hof dat de in het kader van het beroep op de hardheidsclausule aangevoerde omstandigheden ook ontoereikend zijn voor een welslagen van dit beroep. Het hof is immers van oordeel dat er niet zozeer sprake is van bepaalde omstandigheden welke aan het ontstaan van de (deels) niet te goeder trouw ontstane schuldenlast hebben gelegen, maar (mogelijk ondoordachte) gedragingen en bijzonder riskante keuzes waarvan de nadelige financiële gevolgen geheel en al voor rekening en risico van [appellant] dienen te komen. Daarbij komt dat zelfs als sprake zou zijn van de door [appellant] geschetste panieksituatie waarin deze keuze gemaakt zou zijn, deze panieksituatie voortkomt uit het eerdere weloverwogen besluit van [appellant] tot het aangaan een risicovol “crypto-avontuur”.





3.7.
Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden bekrachtigd.






4De uitspraak


Het hof:



bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.




Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, J.B. Smits en C.M. Molhuysen en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.