Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:1033

2026-04-16 Civiel recht; Arbeidsrecht 200.362.026_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-04-16
Publicatiedatum
2026-04-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.362.026_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2026-1185; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1185

Inhoudsindicatie

Rechtsgeldigheid ontslag op staande voet, dringende reden, inbraak in de computer werkgever, digitale bestanden gedownload via usb stick. Arbeidsrecht WWZ.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.053 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH




Team Handelsrecht



Uitspraak : 16 april 2026
Zaaknummer : 200.362.026/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11754461




in de zaak in hoger beroep van:





[de werknemer]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in hoger beroep,
hierna aan te duiden als [de werknemer] ,
advocaat: mr. O.J. Praamstra te Zoetermeer,



tegen

de gezamenlijke erfgenamen van wijlen de heer [de werkgever]
(hierna: [de werkgever] ), handelende onder de naam [handelsnaam] : 1. [erfgenaam 1] ,
wonende te [woonplaats] ;


2. [erfgenaam 2]
wonende te [woonplaats] ;3. [erfgenaam 3] , wonende te [woonplaats] ;

4. [erfgenaam 4] ,
wonende te [woonplaats] ;

5. [erfgenaam 5] ,
wonende te [woonplaats] ,

verweerders in hoger beroep,
hierna ook gezamenlijk aan te duiden als de erfgenamen,
advocaat: mr. S.M.M. Hamers te Heerlen.






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 augustus 2025.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het procesdossier in eerste aanleg


het beroepschrift met als bijlagen de beschikking in eerste aanleg en producties 30 tot en met 33, ingekomen ter griffie op 26 november 2025;


het verweerschrift met bijlage A, ingekomen ter griffie op 9 februari 2026;


een akte van depot met betrekking tot een usb-stick, opgemaakt op 13 februari 2026;


de op 26 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:


dhr. [de werknemer] , bijgestaan door mr. Praamstra en mw. [erfgenaam 1] namens de erfgenamen, bijgestaan door mr. Hamers.



2.2.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.





3De beoordeling



In het hoger beroep




3.1.
In deze zaak gaat het hoofdzakelijk over de rechtsgeldigheid van het op 23 april 2025 door [de werkgever] aan [de werknemer] gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft de vordering tot vernietiging van die opzegging afgewezen. [de werknemer] is het daar niet mee eens en vordert een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding. Het hof vindt evenals de kantonrechter dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en zal de door [de werknemer] verzochte vergoedingen afwijzen. Hierna zal het hof dit toelichten. Daarnaast verschillen partijen van mening welke functiegroep conform de toepasselijke cao op [de werknemer] van toepassing was en of [de werknemer] nog aanspraak kan maken op schadevergoeding. Ook dat komt hierna aan de orde.



3.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.


3.2.1.

[de werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1982, is in elk geval sinds 1 januari 2020 in dienst bij [de werkgever] , handelende onder de naam [handelsnaam] , aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en sinds 1 februari 2021 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De functie van [de werknemer] is volgens de tekst van de arbeidsovereenkomst algemeen en technisch medewerker (bijlage 3 verzoekschrift).



3.2.2.

[de werknemer] drijft met toestemming van [handelsnaam] sinds 1 februari 2022 een onderneming op hetzelfde adres als waarop [handelsnaam] is gevestigd (bijlagen 4 en 5 verzoekschrift).



3.2.3.

[de werknemer] heeft met enige regelmaat financiële problemen gekend en had als gevolg daarvan schuldeisers. [handelsnaam] was daarvan op de hoogte.



3.2.4.

[de werknemer] heeft in oktober 2021 van [handelsnaam] een auto gekocht, een Volkswagen Caddy, met kenteken [kenteken] , voor een bedrag van € 11.499,--. [de werknemer] en [de werkgever] zijn overeengekomen dat [de werknemer] daarvoor maandelijks contant een bedrag zou betalen en in maart 2023 heeft [de werknemer] de laatste termijn van de koopprijs voldaan. De Volkswagen Caddy is vervolgens niet op naam van [de werknemer] overgeschreven in verband met het risico dat schuldeisers van [de werknemer] beslag erop zouden leggen.



3.2.5.
Op 16 september 2024 heeft [de werkgever] aan [de werknemer] de toegang tot het bedrijfspand en de terreinen van [handelsnaam] ontzegd en verzocht de sleutels per direct in te leveren. In de brief staat voor zover relevant (bijlage 6 verzoekschrift):Velerlei gebeurtenissen hebben onze verstandhouding te niet gedaan. Van mijn kant is er geen enkel vertrouwen meer in u. Er is sprake van een duurzame ontwrichte arbeidsrelatie. Uw handelen van de laatste tijd schaadt de bedrijfsvoering van [handelsnaam] . Daarom heb ik besloten afstand te nemen van uw persoon. Dit betekent voor u dat u na deze mededeling van deze boodschap en het verstrekken van deze brief, u geen toegang meer heeft tot het bedrijfspand en terreinen van [handelsnaam] (…) U dient uw sleutels afstandbediening en druppels van deze locatie per direct in te leveren (…)”



3.2.6.
Bij brief van 24 september 2024 heeft [de werknemer] bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling en zich bereid en beschikbaar gesteld voor het verrichten van werkzaamheden. Tevens heeft [de werknemer] een lijst van eigendommen toegevoegd, die hij graag terug zou ontvangen (bijlage 7 verzoekschrift).



3.2.7.

[de werkgever] en [de werknemer] hebben vervolgens gecorrespondeerd over beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. Zij twisten onder meer over de toepasselijkheid van de cao Motorvoertuigen en Tweewielerbedrijf, de deelneming aan het Pensioenfonds Metaal en Techniek en uitbetaling van loon.



3.2.8.
Op 19 maart 2025 heeft [de werkgever] bij de politie aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking gepleegd door [de werknemer] . In het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat voor zover relevant (bijlage 26 herziene versie verzoekschrift):“(…) Met deze aangifte wil ik mijn VW Caddy terug die [de werknemer] in zijn bezit heeft (…)”



3.2.9.
Omstreeks 20 maart 2025 is [de werknemer] door de politie benaderd en opgeroepen voor een verhoor in verband met voormelde aangifte.



3.2.10.
Op 22 april 2025 heeft [de werknemer] de winkel en werkplaats van [handelsnaam] betreden, heeft hij achter de computer plaatsgenomen en een usb-stick op de computer aangesloten met het oogmerk om documenten over te zetten van de bedrijfscomputer op zijn USB-stick.



3.2.11.
Op 23 april 2025 is [de werknemer] op staande voet ontslagen. In de brief van (de gemachtigde van) [handelsnaam] aan (de gemachtigde van) [de werknemer] staat voor zover relevant (bijlage 16 verzoekschrift): “(…) Cliënt heeft van één van zijn medewerkers vernomen dat op 22 april 2025 aan het einde van de ochtend een persoon met donkere kleding (met pet, capuchon en rugzak) de winkel en werkplaats van [handelsnaam] heeft betreden. Deze medewerker heeft voornoemde persoon gezien in de werkplaats, alwaar deze persoon achter de computer in de werkplaats had plaatsgenomen. (…) Geconstateerd is (…) dat een stekker (USB-aansluiting) uit de betreffende computer is verwijderd.Na dit incident zijn de camerabeelden bekeken. (…) Aan de hand van de camerabeelden is vastgesteld dat uw cliënt (dhr. [de werknemer] ) voornoemde persoon is (gekleed in donkere kleding) die de winkel en de werkplaats heeft betreden op 25 pril 2025. Reeds eerder is uw cliënt de toegang tot het bedrijfspand en de terreinen van [handelsnaam] ontzegd. Uw cliënt heeft in strijd met deze ontzegging, zonder toestemming het terrein en bedrijfspand (winkel en werkplaats) betreden waarbij uw cliënt heeft plaatsgenomen achter de computer in de werkplaats en/of toegang verschaft, althans getracht te verschaffen, tot de computer en de daarop beschikbare gegevens. Uw cliënt had (en heeft) aldaar niets te zoeken. Door voornoemde handelswijze weigert uw cliënt te voldoen aan de bevelen c.q. opdrachten van cliënt als werkgever en/of veronachtzaamt de plichten die de arbeidsovereenkomst uw cliënt oplegt grovelijk. Uw cliënt kan niet worden vertrouwd door cliënt en de gedragingen van uw cliënt leiden ook tot een onveilig gevoel op de werkvloer. Voor cliënt levert/leveren dit, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, reden(en) op om uw cliënt op staande voet te ontslaan. (…)”



3.2.12.
Op [datum] 2025 is [de werkgever] overleden.



3.2.13.
De erfgenamen treden onder hun naam in deze procedure op, nadat zij analoog aan het bepaalde in art. 53 Rv als “gezamenlijke erfgenamen” door [de werknemer] in de zaak zijn betrokken.



De verzoeken en de beslissing in eerste aanleg





3.3.

[de werknemer] verzocht om de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en verzocht om een aantal (voorwaardelijke) nevenverzoeken toe te wijzen zoals weergegeven in de bestreden beschikking onder 3.1. en 3.2.



3.4.
De erfgenamen voerden verweer met daarbij enkele tegenverzoeken. Uiteindelijk trokken zij die verzoeken in met uitzondering van het verzoek om [de werknemer] te veroordelen in de proceskosten.



3.5.
De kantonrechter heeft het verzoek tot vernietiging van de opzegging afgewezen en voorts:
- voor recht verklaard dat het tussen partijen overeengekomen loon bedraagt:
a. € 1.850,00 bruto per maand, vermeerderd met vakantiebijslag, vanaf 1 januari
2020,
b. € 1.850,00 bruto + € 650,00 netto per maand, vermeerderd met vakantiebijsiag,
vanaf 1 oktober 2021,
c. € 2.035,00 bruto + € 650,00 netto per maand, vermeerderd met vakantiebijslag,
vanaf 1 januari 2023,
d. € 2.035,00 bruto + € 715,00 netto per maand, vermeerderd met vakantiebijsiag,
vanaf 1 februari 2023,
e. € 2.201,94 bruto + € 715,00 netto per maand, vermeerderd met vakantiebijsiag,
vanaf 1 januari 2024,
f. € 2.269,97 bruto + € 715,00 netto per maand, vermeerderd met vakantiebij slag,
vanaf 1 juli 2024,
g. € 2.324,12 bruto + € 715,00 netto per maand, vermeerderd met vakantiebijslag,
vanaf 1 januari 2025,
- voor recht verklaard dat de erfgenamen gehouden zijn loonbelasting en sociale

premies over de hiervoor onder b tot en met g genoemde netto bedragen te voldoen aan
de daartoe aangewezen overheidsinstanties, zodanig dat die belasting en premies ten laste
van [handelsnaam] komen en niet ten laste van [de werknemer] worden gebracht;- voor recht verklaard dat [de werknemer] recht heeft op het overeengekomen loon als hiervoor
genoemd onder 5.1, gebruteerd als hiervoor onder 5.2,

- de erfgenamen veroordeeld tot betaling van het loon, vermeerderd met de

vakantiebijslag, over de periode 1 april 2025 tot 23 april 2025, vermeerderd met de
maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% daarover en de wettelijke
rente vanaf de respectievelijke vervaldatum van de loonbetaling tot aan de dag van volledige
betaling;

- de erfgenamen veroordeeld om binnen vier weken na betekening van deze

beschikking aan [de werknemer] te verstrekken deugdelijke loonstroken, herzien in verband met de
hiervoor onder 5.3. toegewezen brutering, vanaf 1 oktober 2021 tot 23 april 2025;- de erfgenamen veroordeeld om binnen vier weken na betekening van deze
beschikking:

- [de werknemer] als deelnemer aan te melden bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek en
daarbij als datum aanvang dienstverband op te geven 1 januari 2020,
- aan het Pensioenfonds Metaal en Techniek op te geven de lonen en

loonbedragen, zoals hiervoor vastgesteld,
zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van
een dag dat de erfgenamen hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 10.000,00;

- de erfgenamen veroordeeld om binnen vier weken na betekening van deze

beschikking de politie per brief ervan op de hoogte te stellen dat de Volkswagen Caddy met
kenteken [kenteken] al in 2021 door [handelsnaam] is verkocht aan [de werknemer] , en dat

[de werknemer] eigenaar is geworden van de Volkswagen Caddy uiterlijk nadat hij in 2023 de laatste
betaling heeft verricht, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor
iedere dag of gedeelte van een dag dat de erfgenamen hiermee in gebreke blijven, met een
maximum van € 15.000,00,

- de erfgenamen veroordeeld tot betaling van € 659,45 aan vergoeding
buitengerechtelijke kosten inclusief btw,
- de erfgenamen veroordeeld in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen
veertien dagen na aanschrijving daartoe,
- de beschikking voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij
voorraad verklaard.
- het meer meer of anders verzochte afgewezen;en op het tegenverzoek -eveneens uitvoerbaar bij voorrraad-:de erfgenamen veroordeeld in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen
veertien dagen na aanschrijving daartoe.



3.6.


[de werknemer] heeft in hoger beroep vier gronden aangevoerd. [de werknemer] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen beschikking en opnieuw rechtdoende voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zakelijk weergegeven verzocht:
I. [de werkgever] te veroordelen om een billijke vergoeding van € 43.685,--, een transitievergoeding van € 8.167,50 bruto en een vergoeding als bedoeld in art. 7:672 lid 1 BW van € 10.319,62 te voldoen;
II. Voor recht te verklaren dat de functie van [de werknemer] is ingedeeld in functiegroep G, danwel F, danwel E, danwel D, danwel C, als bedoeld in de cao Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf, maar gecorrigeerd naar een werkweek van 40 uur;
III. Voor recht te verklaren dat [de werkgever] gehouden is loonbelasting, sociale premies en pensioenpremies af te dragen over de onder 5.1.b tot en met g in de bestreden beschikking genoemde netto bedragen, zodanig dat die belastingen en premies ten laste van [de werkgever] komen;
IV. Voor recht te verklaren dat [de werkgever] niet is toegestaan om over de onder 5.1.a tot en met g in de bestreden beschikking vermelde bruto bedragen hogere bedragen in te houden V. Voor recht te verklaren dat [de werknemer] recht heeft op het overeengekomen loon als genoemd onder 5.1. onder b tot en met g (van het dictum van de bestreden beschikking), gebruteerd met inachtneming van onderdeel III en IV van dit petitum, en vervolgens te verhogen met achtereenvolgens:a. 2,3% per 1 juni 2022;

b. € 100,-- bruto per maand per 1 januari 2023;
c. 6% per 1 januari 2024;d. € 90,-- bruto per maand per 1 augustus 2024;
e. 1,5% per 1 januari 2025;

VI. [de werkgever] te veroordelen om binnen vier weken na deze beschikking aan [de werknemer] te verstrekken deugdelijke loonspecificaties over de periode van 1 januari 2020 tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom;
VII. [de werkgever] te veroordelen om binnen vier weken na deze beschikking:a. [de werknemer] aan te melden als deelnemer bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek met 1 januari 2020 als aanvangsdatum van het dienstverband;

b. aan het Pensioenfonds Metaal en Techniek de lonen en loonbedragen van [de werknemer] op te geven die in de beschikking van het hof worden vastgesteld;

op straffe van een dwangsom;
VIII. Veroordeling van [de werkgever] tot betaling van € 4.874,17 als schadevergoeding vanwege het gemis van het gebruik van de VW Caddy met wettelijke rente vanaf 7 november 2025;
IX. [de werkgever] te veroordelen in de kosten van dit geding.




3.7.
De erfgenamen hebben verweer gevoerd strekkend tot afwijzing van de verzoeken van [de werknemer] en voor zover het hof zou oordelen dat [de werknemer] aanspraak maakt op een billijke vergoeding, een transitievergoeding en/of een gefixeerde schadevergoeding, die af te wijzen althans te matigen.



De rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet





3.8.
Met grond I komt [de werknemer] op tegen de afwijzing van diens verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet. [de werknemer] betwist dat sprake is van een dringende reden.



Het beoordelingskader



3.8.1.
Het hof stelt het volgende voorop. Als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.



3.8.2.
In de ontslagbrief van 23 april 2025 wordt -zakelijk weergegeven- de volgende dringende reden voor het ontslag gegeven. Nadat aan [de werknemer] eerder de toegang om het bedrijfspand en de terreinen van [handelsnaam] is ontzegd, heeft [de werknemer] in strijd daarmee op 22 april 2025, gekleed met pet, capuchon en rugzak, het bedrijfspand van [handelsnaam] betreden, plaatsgenomen achter de computer en zich toegang verschaft of willen verschaffen tot de bestanden op deze computer. Er is geconstateerd dat een (kennelijk door [de werknemer] meegenomen, hof) stekker (een usb-aansluiting) uit de computer is verwijderd.



3.8.3.

[de werknemer] heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat hij op 22 april 2025, gekleed in een hoodie met capuchon, het pand van [handelsnaam] heeft betreden, dat hij zich toegang heeft verschaft tot bestanden op de computer van [handelsnaam] en bestanden heeft gedownload en meegenomen. [de werknemer] voert daartoe aan dat hij in bewijsnood verkeerde in verband met de aantijging en aangifte van [de werkgever] dat hij de VW Candy zou hebben verduisterd en dat hij via de bestanden op de computer van [handelsnaam] bewijs hoopte te verkrijgen (en daadwerkelijk verkregen heeft) voor zijn stelling dat hij de betreffende auto had afbetaald.



3.8.4.
Het hof acht de gedraging van [de werknemer] , die feitelijk neerkomt op inbraak in de digitale administratie en diefstal van digitale bestanden van diens werkgever, zodanig dat van [handelsnaam] niet langer gevergd kon worden om de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Dat [de werknemer] in bewijsnood verkeerde als gevolg van de onterechte aangifte en aantijging, die ook door [handelsnaam] in een ontbindingsverzoek werd aangevoerd, is alleszins begrijpelijk, maar die bewijsnood rechtvaardigt geen inbraak in de bedrijfsadministratie van zijn werkgever en diefstal van digitale bestanden. Dat geldt te meer nu [de werknemer] eerder uitdrukkelijk de toegang tot het bedrijfspand was ontzegd. Er zijn geen persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [de werknemer] aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat het hof een dringende reden voor het ontslag op staande voet aanwezig acht en dat grond I van [de werknemer] niet slaagt. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter op dit punt bekrachtigen. Dat betekent ook dat de verzochte billijke vergoeding (in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst) wordt afgewezen. Ook de gefixeerde schadevergoeding (er is geen sprake van een opzegtermijn) wordt afgewezen en hetzelfde geldt voor de transitievergoeding (omdat sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [de werknemer] ).




3.9.
Met grond II voert [de werknemer] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [de werknemer] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij ingedeeld had dienen te worden in functiegroep F of G, en dat de kantonrechter op grond daarvan de gevraagde verklaring voor recht heeft afgewezen.


3.9.1.

Het hof overweegt hierover het volgende. Tussen partijen is niet langer in geschil dat op de arbeidsovereenkomst tussen [de werknemer] en [handelsnaam] de cao voor motorvoertuigen en tweewielerbedrijf van toepassing is.
In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat [de werknemer] in dienst trad als algemeen en technisch medewerker. Op de loonspecificaties werd als functie ‘monteur’ vermeld.

[de werknemer] voert, als gezegd, aan dat hij had moeten worden ingeschaald in de functiegroep G, althans F van de toepasselijke cao. Het gaat daarbij om de functies van manager werkplaats (die afhankelijk van de zwaarte van de functie kan worden ingedeeld in onder meer de schalen F,G,H) of meewerkend voorman (die afhankelijk van de zwaarte van de functie kan worden ingedeeld in de schalen E,F,G).
De werkzaamheden van de manager werkplaats zien onder meer op het leiding geven in de werkplaats aan 9 tot 16 personen, de planning van werkzaamheden en het houden van functionerings- en beoordelingsgesprekken. De functie meewerkend voorman ziet onder meer op het functioneel leiding geven aan 6 tot 9 personen.

[de werknemer] heeft desgevraagd ter zitting geantwoord dat in de werkplaats naast hijzelf gemiddeld een tot twee personen werkzaam waren en dat hij geen functionerings- of beoordelingsgesprekken hield. Reeds op grond daarvan heeft [de werknemer] onvoldoende onderbouwd dat hij in de schalen G of F had moeten worden ingedeeld. Dat [de werknemer] zelfstandig diverse werkzaamheden verrichtte die ook worden beschreven in de functie van manager werkplaats of meewerkend voorman, doet daaraan niet af. Bij beide functies ligt het accent naast uitvoerende taken immers op aansturing, planning en werkvoorbereiding van een groep van minimaal 6 werknemers. Dat is niet aan de orde bij een werkplaats met twee of drie werknemers inclusief [de werknemer] .




3.9.2.
Subsidiair voert [de werknemer] met grond II aan dat, indien moet worden uitgegaan van indeling in functiegroep C en gecorrigeerd naar een 40-urige werkweek, zijn loon per 1 januari 2020 € 2.183,16, per 1 februari 2020 € 2.270,53 en per 1 januari 2021 € 2.289,47 bruto per maand bedraagt. [de werknemer] stelt nog belang te hebben bij een verklaring voor recht dat vanaf aanvang van de arbeidsovereenkomst aanspraak bestaat op loon overeenkomstig functiegroep C. [de werknemer] heeft voldoende aannemelijk gemaakt belang te hebben bij die verklaring voor recht voor wat betreft de periode van periode van 1 januari 2020 tot 1 oktober 2021. Voor het overige heeft hij geen belang meer bij een dergelijke verklaring voor recht, aangezien vaststaat dat over die periodes het uitbetaalde loon hoger is dan het cao-loon. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.




3.10.

Met grief III betoogt [de werknemer] dat de brutering door de erfgenamen op basis van de door de kantonrechter vastgestelde loonaanspraken onjuist althans onvolledig is uitgevoerd. [de werknemer] voert daartoe, naar het hof begrijpt, aan dat hij volledig aanspraak heeft op de netto toegewezen bedragen en dat als gevolg van de wijze van brutering daaraan niet is voldaan.
De herziene loonspecificaties zijn in het geding gebracht. Daaruit blijkt genoegzaam dat de netto loon aanspraken volledig zijn gebruteerd. Dat als gevolg daarvan toch sprake is van (geringe) afrondingsverschillen na premie- en pensioenafdracht, acht het hof onvermijdelijk. [de werknemer] heeft ook niet gekwantificeerd in welke mate hij benadeeld zou zijn. De hierop betrekking hebbende vordering van [de werknemer] wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.




3.11.
Met grief III heeft [de werknemer] nog aangevoerd dat de cao-loonsverhogingen waarop [de werknemer] recht heeft niet zijn doorgevoerd. [de werknemer] wijst op de volgende loonsverhogingen op grond van de cao:- per 1 juni 2022 wordt het geldende maandsalaris met 2,3% verhoogd;


per 1 januari 2023 wordt het geldende maandsalaris met € 100,-- bruto verhoogd;


per 1 januari 2024 wordt het geldende maandsalaris met 6% verhoogd;


per 1 augustus 2024 wordt het geldende maandsalaris met € 90,-- bruto verhoogd (het vierwekensalaris wordt verhoogd met € 83,-- bruto);


per 1 januari 2025 wordt het geldende salaris verhoogd met 1,5%




3.11.1.

De erfgenamen hebben als verweer gevoerd dat [handelsnaam] de facto heeft voldaan aan de loonsverhogingen zoals in de cao vermeld. Zij wijzen op de feitelijke loonsverhoging van meer dan € 100,-- bruto per 1 januari 2023. Dat geldt ook, aldus de erfgenamen, voor de loonsverhogingen van het salaris per januari 2024 (aldus ook augustus 2024) en per januari 2025.

[de werknemer] heeft deze stellingen van de erfgenamen niet bestreden en evenmin vermeld in welke mate de feitelijke loonsverhogingen achter zijn gebleven bij de cao-loonsverhogingen. Het hof zal de verzoeken van [de werknemer] in het licht van de gemotiveerde betwisting door de erfgenamen als onvoldoende onderbouwd afwijzen.




Aanmelding bij het Pensioenfonds





3.12.

[de werknemer] verzoekt in hoger beroep nogmaals om veroordeling van [de werkgever] (thans de erfgenamen) om [de werknemer] aan te melden als deelnemer bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek met als ingangsdatum 1 januari 2020 en aan dat Pensioenfonds de lonen en loonbedragen op te geven waarop [de werknemer] recht heeft op straffe van verbeurte van een dwangsom. In de memorie van grieven is dit al in eerste aanleg toegewezen verzoek niet nader onderbouwd, behoudens voor zover het betrekking heeft op een in hoger beroep toe te wijzen hoger loon.


3.12.1.
De erfgenamen hebben meegedeeld dat zij overeenkomstig de door kantonrechter uitgesproken veroordeling [de werknemer] hebben aangemeld bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek, maar dat zij gebonden zijn aan de beslissingen van het Pensioenfonds op dit punt.


3.12.2.Het hof ziet, mede gezien de afwijzing van de verzochte looncorrecties, geen reden om op dit verzoek nader te beslissen.




Schadevergoeding wegens niet kunnen gebruiken VW Caddy





3.13.
Met grond IV verzoekt [de werknemer] in hoger beroep om een schadevergoeding vast te stellen voor de periode van 10 maart 2025 tot 7 november 2025, zijnde de periode dat [de werknemer] de Caddy niet heeft kunnen gebruiken.


3.13.1.

Het hof zal die vordering afwijzen omdat [de werknemer] zijn (concrete) schade niet heeft onderbouwd. Hij heeft ter adstructie van de gevorderde schadevergoeding enkel verwezen naar de systematiek van fiscale bijtelling in geval van een door de werkgever aan een werknemer ter beschikking gestelde auto. Op basis van 22% van de cataloguswaarde van € 33.233,-- becijfert [de werknemer] de door hem geleden schade voor 8 maanden op € 4.874,17.
Tegenover de gemotiveerde betwisting van de hoogte van deze schadepost door de erfgenamen had het op de weg van [de werknemer] gelegen om nader aan te geven welke concrete schade hij heeft geleden. Daar komt nog bij dat de erfgenamen nog hebben aangevoerd dat zij op 13 oktober 2025, na een verzoek van [de werknemer] van 2 oktober 2025, hebben meegedeeld medewerking te verlenen aan de overschrijving van de VW Caddy. Vervolgens bleef het zijdens [de werknemer] stil, aldus de erfgenamen, en is de VW Caddy op 19 november 2025 daadwerkelijk overgeschreven.
Grond IV slaagt niet.





3.14.
Op grond van al het overwogene zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen met uitzondering van de hiervoor onder 3.5.a weergegeven beslissing van de kantonrechter en in de plaats daarvan beslissen zoals hierna is vermeld.



3.15.

Het hof zal [de werknemer] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de erfgenamen zullen vastgesteld worden op:



Griffierechten € 362,--


Salaris advocaat € 2.580,-- (2 punt(en) x tarief II)


Nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


Totaal € 3.131,-


De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.








4De beslissing


Het hof:



op het hoger beroep:



bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met uitzondering van die beslissing onder 5.1. aanhef en onder a en in dat kader opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat [de werknemer] (ook) vanaf 1 januari 2020 tot 1 oktober 2021 recht heeft op inschaling in functiegroep C van de cao voor motorvoertuigen en tweewielers;




veroordeelt [de werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep van € 3.131,--, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [de werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [de werknemer] € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



veroordeelt [de werknemer] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



verklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders verzochte




Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, F.M.T. Quaadvliet en V. Hartman en is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.