Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3738
2025-12-30
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
200.356.871_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoger beroep van een tussenvonnis, niet-ontvankelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.941 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.356.871/01
arrest van 30 december 2025
in de zaak van
[appellante] , handelende in haar hoedanigheid van (tijdelijk) bewindvoerder over de goederen van [persoon A],
kantoorhoudende te [A] ,
appellant,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,
tegen
Autobedrijf van Mossel B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
als vervolg op de door het hof gewezen rolbeslissing van 28 oktober 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 11509420 \ CV EXPL 25-374 gewezen vonnis in incident van
16 april 2025.
1Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 26 juni 2025;
de rolbeslissing van 28 oktober 2025;
de akte uitlaten ontvankelijkheid van de zijde van [persoon A] met productie 4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
2De beoordeling
2.1.
In de rolbeslissing heeft de rolraadsheer [persoon A] gevraagd om zich uit te laten over de ontvankelijkheid in het hoger beroep. De rolraadsheer overweegt in die beslissing dat het ingestelde hoger beroep is gericht tegen een tussenvonnis. Niet is gebleken dat de kantonrechter in het vonnis of bij afzonderlijke beslissing anders heeft bepaald en dat het niet lijkt te gaan om een geval waarin artikel 337 lid 1 Rv van toepassing is. Als dat juist is, kan hoger beroep van het tussenvonnis in beginsel slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld.
Verder heeft de rolraadsheer [persoon A] verzocht de onderliggende beslissing tot onderbewindstelling bij akte aan het hof over te leggen en aan te geven of de bewindvoerder de procedure van appellant overneemt.
2.2.
[persoon A] stelt in zijn akte onder meer dat het bestreden vonnis een zelfstandige, afgebakende beslissing ten aanzien van de proceskosten in het incident bevat. Het gaat volgens [persoon A] om een uitdrukkelijke veroordeling van [persoon A] tot betaling van de proceskosten in het incident. Aan deze beslissing zijn rechtsgevolgen verbonden. Het vonnis bevat in die zin een zelfstandige beslissing en is daarmee een eindbeslissing, waardoor artikel 337 lid 1 Rv van toepassing is. Het vonnis valt volgens [persoon A] dus niet te kwalificeren als een tussenvonnis waarin geen zelfstandige rechten of verplichtingen worden opgelegd. Het betreft een eindvonnis in het incident. [persoon A] stelt dat hij gelet op het vorenstaande ontvankelijk is in zijn vordering.
2.3.
Het hof oordeelt als volgt.
2.4.
Allereerst heeft [persoon A] de beschikking van 4 juni 2025 overgelegd. Daarin is tijdelijk bewind ingesteld voor de duur van vijf jaar over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan: [persoon A] . Tot bewindvoerder is benoemd [appellante] , maat van [xx] , adres houdende te [A] . In de akte heeft zij aangegeven de procedure over te nemen. Gelet hierop is [appellante] als formele procespartij in de plaats gesteld van [persoon A] en als zodanig ook op de rol verwerkt.
2.5.
Dan komt het hof toe aan de vraag of [persoon A] ontvankelijk is in zijn vordering tegen Van Mossel. De hoofdregel is dat er geen tussentijds hoger beroep openstaat van een zuiver tussenvonnis. Het bestreden vonnis is een tussenvonnis omdat daarbij niet door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde. Daarmee wordt bedoeld de rechtsvordering die de inzet is van de procedure, te weten een vervangende schadevergoeding wegens het niet-nakomen van een koopovereenkomst. De afwijzing van het gevorderde in het incident, zijnde afgifte van bepaalde bescheiden, is een beslissing in het kader van de voortgang en instructie van de zaak. Daarmee valt deze zaak onder het tussentijds appelverbod van artikel 337 lid 2 Rv en niet onder het bepaalde van artikel 337 lid 1 Rv.
2.6.
De beslissing over de proceskosten in het incident in een dictum maakt deze nog niet tot een einduitspraak. Tegen die beslissing kan daarom uitsluitend hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het eindvonnis, tenzij anders is bepaald. Tot slot is gesteld noch gebleken dat de kantonrechter in het vonnis of bij afzonderlijke beslissing anders heeft bepaald.
2.7.
Vorenstaande leidt ertoe dat het hof [persoon A] niet-ontvankelijk zal verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep. Dat leidt er automatisch toe dat dit hoger beroep, zoals verzocht, niet gevoegd en samen behandeld kan worden met het hoger beroep in de bodemprocedure.
2.8.
[persoon A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
3De uitspraak
Het hof:
verklaart [persoon A] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Van Mossel begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 december 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.356.871/01
arrest van 30 december 2025
in de zaak van
[appellante] , handelende in haar hoedanigheid van (tijdelijk) bewindvoerder over de goederen van [persoon A],
kantoorhoudende te [A] ,
appellant,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,
tegen
Autobedrijf van Mossel B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
als vervolg op de door het hof gewezen rolbeslissing van 28 oktober 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 11509420 \ CV EXPL 25-374 gewezen vonnis in incident van
16 april 2025.
1Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 26 juni 2025;
de rolbeslissing van 28 oktober 2025;
de akte uitlaten ontvankelijkheid van de zijde van [persoon A] met productie 4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
2De beoordeling
2.1.
In de rolbeslissing heeft de rolraadsheer [persoon A] gevraagd om zich uit te laten over de ontvankelijkheid in het hoger beroep. De rolraadsheer overweegt in die beslissing dat het ingestelde hoger beroep is gericht tegen een tussenvonnis. Niet is gebleken dat de kantonrechter in het vonnis of bij afzonderlijke beslissing anders heeft bepaald en dat het niet lijkt te gaan om een geval waarin artikel 337 lid 1 Rv van toepassing is. Als dat juist is, kan hoger beroep van het tussenvonnis in beginsel slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld.
Verder heeft de rolraadsheer [persoon A] verzocht de onderliggende beslissing tot onderbewindstelling bij akte aan het hof over te leggen en aan te geven of de bewindvoerder de procedure van appellant overneemt.
2.2.
[persoon A] stelt in zijn akte onder meer dat het bestreden vonnis een zelfstandige, afgebakende beslissing ten aanzien van de proceskosten in het incident bevat. Het gaat volgens [persoon A] om een uitdrukkelijke veroordeling van [persoon A] tot betaling van de proceskosten in het incident. Aan deze beslissing zijn rechtsgevolgen verbonden. Het vonnis bevat in die zin een zelfstandige beslissing en is daarmee een eindbeslissing, waardoor artikel 337 lid 1 Rv van toepassing is. Het vonnis valt volgens [persoon A] dus niet te kwalificeren als een tussenvonnis waarin geen zelfstandige rechten of verplichtingen worden opgelegd. Het betreft een eindvonnis in het incident. [persoon A] stelt dat hij gelet op het vorenstaande ontvankelijk is in zijn vordering.
2.3.
Het hof oordeelt als volgt.
2.4.
Allereerst heeft [persoon A] de beschikking van 4 juni 2025 overgelegd. Daarin is tijdelijk bewind ingesteld voor de duur van vijf jaar over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan: [persoon A] . Tot bewindvoerder is benoemd [appellante] , maat van [xx] , adres houdende te [A] . In de akte heeft zij aangegeven de procedure over te nemen. Gelet hierop is [appellante] als formele procespartij in de plaats gesteld van [persoon A] en als zodanig ook op de rol verwerkt.
2.5.
Dan komt het hof toe aan de vraag of [persoon A] ontvankelijk is in zijn vordering tegen Van Mossel. De hoofdregel is dat er geen tussentijds hoger beroep openstaat van een zuiver tussenvonnis. Het bestreden vonnis is een tussenvonnis omdat daarbij niet door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde. Daarmee wordt bedoeld de rechtsvordering die de inzet is van de procedure, te weten een vervangende schadevergoeding wegens het niet-nakomen van een koopovereenkomst. De afwijzing van het gevorderde in het incident, zijnde afgifte van bepaalde bescheiden, is een beslissing in het kader van de voortgang en instructie van de zaak. Daarmee valt deze zaak onder het tussentijds appelverbod van artikel 337 lid 2 Rv en niet onder het bepaalde van artikel 337 lid 1 Rv.
2.6.
De beslissing over de proceskosten in het incident in een dictum maakt deze nog niet tot een einduitspraak. Tegen die beslissing kan daarom uitsluitend hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het eindvonnis, tenzij anders is bepaald. Tot slot is gesteld noch gebleken dat de kantonrechter in het vonnis of bij afzonderlijke beslissing anders heeft bepaald.
2.7.
Vorenstaande leidt ertoe dat het hof [persoon A] niet-ontvankelijk zal verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep. Dat leidt er automatisch toe dat dit hoger beroep, zoals verzocht, niet gevoegd en samen behandeld kan worden met het hoger beroep in de bodemprocedure.
2.8.
[persoon A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
3De uitspraak
Het hof:
verklaart [persoon A] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Van Mossel begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 december 2025.
griffier rolraadsheer