Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3701

2025-12-23 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.360.725_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-12-23
Publicatiedatum
2025-12-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep kort geding
Zaaknummer
200.360.725_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Spoed kort geding. De moeder kon in [D] geen woning vinden voor haar en de minderjarige. Zij heeft een woning gevonden in [C] en is daar naartoe verhuisd. De vader is het daar niet mee eens. Het hof vernietigt het bestreden vonnis (bevel terugverhuizing) en bepaalt dat de moeder in afwachting van de uitkomst in de bodemprocedure met de minderjarige in [C] mag verblijven.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (30.288 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Familie- en jeugdrecht


zaaknummer 200.360.725/01




arrest van 23 december 2025




in de zaak van





[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de moeder,
advocaat: mr. D. Vurdelja te 's-Gravenhage,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de vader,
advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam.



Deze procedure gaat over de minderjarige:


[kind A]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .



op het bij exploot van dagvaarding van 20 oktober 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 september 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de moeder als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de vader als eiser in conventie, verweerder in reconventie.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/344658/ KG ZA 25-319)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties, ingekomen op 20 oktober 2025;


de memorie van antwoord met producties, ingekomen op 18 november 2025;


de mondelinge behandeling op 25 november 2025, waarbij de advocaat van de vader spreekaantekeningen heeft overgelegd.





2.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:- de advocaat van de moeder;
- de vader (via een telefonische verbinding) en mr. T.T. Robijn, waarnemend voor zijn advocaat, alsmede [persoon A] (tolk Arabisch, tolknummer 12319).




2.3.
De moeder is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling: kort voor de aanvang van de mondelinge behandeling werd het de advocaat van de moeder bekend dat de moeder in een ziekenhuis in Egypte op de intensive care afdeling is opgenomen.



2.4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De beoordeling



De feiten




3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.


3.1.1.
De ouders zijn op 27 juli 2019 te [A] , Egypte, met elkaar gehuwd.


3.1.2.
Uit het huwelijk van de ouders is op [geboortedatum] geboren: [kind A] .



3.1.3.
Bij vonnis in kort geding van 15 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, conform de afspraken tussen partijen ter zitting:
- verstaan dat partijen zijn overeengekomen om de zorgregeling tussen de vader en

[kind A] drie keer begeleid te zullen opbouwen op zondag van 14.00 uur tot 16.00 uur onder begeleiding van de stiefmoeder of de broer van de moeder bij FunZone in [B] , met ingang van 7 juli 2024,
- een voorlopige zorgregeling vastgesteld, met ingang van 28 juli 2024, waarbij [kind A]
iedere zondag van 14.00 uur tot 18.00 uur zonder begeleiding bij de vader verblijft en de vader verantwoordelijk is voor het tijdig halen en brengen van [kind A] .



3.1.4.

Bij beschikking van 17 januari 2025 is tussen de ouders de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op 6 februari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan, door de vader ondertekend op 25 oktober 2024 en door de moeder op 7 november 2024, deel uitmaakt van de beschikking.
In het ouderschapsplan zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen, waarbij [kind A] bij de vader zal verblijven iedere zondag van 14.00 uur tot 18.00 uur. Verder hebben de ouders afspraken gemaakt over de Islamitische feestdagen.




3.1.5.
Op 5 september 2025 is moeder een bodemprocedure gestart tot verkrijging van vervangende toestemming voor verhuizing en wijziging van de zorgregeling.



Kort geding procedure eerste aanleg






3.2.

De vader heeft in conventie uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren, gevorderd de moeder te gebieden om uiterlijk binnen één week na betekening van het te wijzen vonnis met het kind terug te verhuizen naar [D] of omgeving, waarbij onder ‘omgeving’ zal worden verstaan: een woning binnen een straal van 15 km van de woning van de vader, op straffe van een dwangsom van € 500,-, althans een door uw rechtbank te bepalen dwangsom, per dag dat zij niet aan dit gevorderd gebod voldoet.
De moeder heeft in conventie tegen de vordering verweer gevoerd.




3.3.
In reconventie heeft de moeder gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad,


(voorlopig) vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming die van de vader vervangt, om met [kind A] te verhuizen naar [C] , in afwachting van de bodemzaak;


het ouderschapsplan voor wat betreft de zorgregeling tussen de vader en [kind A] voorlopig te wijzigen in die zin dat [kind A] bij de vader zal verblijven eenmaal in de twee weken gedurende een hele dag in het weekend en tevens zal er contact zijn via (video)bellen drie dagen per week.


De vader heeft in reconventie tegen de vordering verweer gevoerd.



3.4.

In het vonnis in kort geding waar dit hoger beroep over gaat van 22 september 2025 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder geboden om uiterlijk binnen drie maanden na betekening van dit vonnis met de minderjarige [kind A] terug te verhuizen naar [D] of binnen een straal van 15 km van de woning van de vader, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat zij niet aan dit gebod voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt en het meer of anders gevorderde afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft de vordering van de moeder in reconventie afgewezen.




3.5.
De vader heeft het bestreden vonnis op 29 september 2025 aan de moeder laten betekenen.



3.6.
De moeder heeft in hoger beroep 5 grieven aangevoerd. De moeder heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen en:


te bepalen dat (voorlopig) vervangende toestemming wordt verleend, welke toestemming die van de vader vervangt, om met [kind A] te verhuizen naar [C] , in afwachting van de bodemzaak;


het ouderschapsplan voor wat betreft de zorgregeling tussen de vader en [kind A] voorlopig te wijzigen in die zin dat [kind A] bij de vader zal verblijven eenmaal in de twee weken gedurende een hele dag in het weekend en tevens zal er contact zijn via (video)bellen drie dagen per week;


de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het bestreden vonnis van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 22 september 2025 te schorsen voor de duur van de procedure in hoger beroep.





3.7.
De vader voert verweer. Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de vader nader toegelicht dat hij bedoeld heeft te concluderen tot het bekrachtigen van het bestreden vonnis, het afwijzen van de vorderingen van de moeder in hoger beroep en het veroordelen van de moeder in de proceskosten.



Bevel terugverhuizing/vervangende toestemming verhuizing





3.8.

De moeder voert in de processtukken het volgende aan.
Partijen hebben een turbulente voorgeschiedenis waarin sprake was van huiselijk geweld in aanwezigheid van [kind A] , waarna de moeder de gezamenlijke woning heeft verlaten en noodgedwongen tijdelijk bij afwisselend bij haar vader en haar moeder heeft verbleven. Ondanks pogingen om in [D] passende woonruimte te vinden, lukte dat de moeder niet mede vanwege financiële beperkingen en lange wachttijden voor sociale huur. De moeder heeft zich ingeschreven voor sociale huurwoningen, actief gereageerd op beschikbare woningen, ook in de particuliere sector, hulp gezocht bij diverse instanties en maatschappelijke organisaties, en alternatieve mogelijkheden onderzocht. Het aanbod van de vader om zijn kamer af te staan aan de moeder en [kind A] is niet realistisch, aangezien zij daar gemeenschappelijke ruimtes met andere mannen zou moeten delen. De aanvraag voor urgentie voor een sociale huurwoning in [D] moet nog worden beoordeeld. Indien de urgentie wordt toegewezen, zal het naar verwachting nog enkele maanden duren voordat zij daadwerkelijk een woning krijgt toegewezen.
De moeder heeft met stukken laten zien dat zij door haar broer uit het huis van haar moeder is gezet. De spanningen binnen het gezin, de verstoorde verhouding met haar broer en de psychische belasting die dit met zich meebracht, maakten dat de moeder daar objectief gezien niet langer kon verblijven.
Onder deze omstandigheden was het noodzakelijk om naar [C] in Limburg te verhuizen, waar zij met hulp van haar vader en stiefmoeder wél passende woonruimte heeft kunnen vinden en waar zij recht heeft op huurtoeslag. Deze verhuizing is voor de moeder een tijdelijk noodoplossing. De moeder heeft steeds gecommuniceerd dat zij terug wil keren naar [D] zodra dat mogelijk is, mede vanwege [kind A] peuterspeelzaal en haar baan aldaar.
De moeder heeft zorgvuldig nagedacht over haar verhuizing. Hoewel niet alle voorzieningen, zoals de peuterspeelzaal en logopedie vooraf geregeld konden worden – de moeder wist immers niet waar zij terecht zou komen – is de moeder ervan uitgegaan dat dit na de verhuizing op korte termijn zou worden gerealiseerd. De moeder heeft de vader direct geïnformeerd over de voorgenomen verhuizing. Zij ging ervan uit dat hij akkoord zou gaan en dat ze zijn toestemming niet nodig had.
Hoewel de vader nu langer moet reizen om [kind A] te kunnen zien, benadrukt de moeder dat de huidige situatie van tijdelijke aard is en dat zij actief blijft zoeken naar passende woonruimte dichter bij de vader, zodat een meer evenwichtige zorgregeling op termijn weer mogelijk wordt. Tot die tijd is de moeder bereid om de zorgregeling in overleg aan te passen om het contact tussen de vader en [kind A] te behouden. Verder heeft de moeder aangeboden dat er veelvuldig contact zal zijn tussen vader en [kind A] met (video) bellen.
De moeder heeft behoefte aan en belang bij een plek voor zichzelf om een leven met [kind A] op te bouwen. De vader kan niet van de moeder verlangen dat ze bij haar ouders blijft wonen, wanneer zij dat niet willen of wanneer daar geen plek is.
De moeder heeft geen financiële middelen om dwangsommen te betalen. Zij is afhankelijk van een bijstandsuitkering en van de vader krijgt zij een minimale bijdrage van € 25,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] .




3.9.

Namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling van het hof, in aanvulling op het voorgaande, het volgende aangevoerd.
De advocaat heeft de laatste keer via de mail op 16 november jl. contact gehad met de moeder. De advocaat lukte het rondom de mondelinge behandeling niet om met haar in contact te komen. De moeder reageert niet. De advocaat wist van de plannen om af te reizen naar Egypte, maar geen precieze data. De advocaat heeft kort voor de mondelinge behandeling van de advocaat van de vader gehoord van de opname in een ziekenhuis in Egypte. Het is in het belang van de moeder dat het hof oordeelt over het hoger beroep, ondanks haar afwezigheid.
Het verblijf in [C] staat contact tussen de vader en [kind A] niet in de weg. In praktijk hebben de ouders in de afgelopen tijd feitelijk in onderling overleg het contact tussen [kind A] en vader op ander manieren kunnen laten plaatsvinden. Ook de (gezamenlijke) reis naar Egypte is hier een voorbeeld van. De vader heeft in de afgelopen tijd steeds het standpunt ingenomen dat hij niet méér tijd wil doorbrengen met [kind A] dan conform de huidige beperkte zorgregeling. De effecten van de verhuizing op het contact tussen de vader en [kind A] is zijn dus beperkt.




3.10.

De vader voert in de processtukken het volgende aan.
Er was voor de moeder geen enkele noodzaak om naar de andere kant van het land te verhuizen met [kind A] . Zij heeft hem zonder reden uit zijn vertrouwde omgeving gerukt, zonder voorafgaande communicatie en zonder een gedegen voorbereiding. Er was geen sprake van dreigende dakloosheid. De moeder woonde nog bij haar familie, in de woning van haar moeder, heeft geen opzegging ontvangen en verbleef niet in een opvanglocatie. Uit de communicatie met haar broer kan niet worden afgeleid dat haar broer haar uit de woning van de moeder heeft gezet, of dat hij dat zou doen als zij de woning in [C] niet zou accepteren. Daar heeft hij ook niets over te zeggen. Hierbij is ook van belang dat partijen gedurende hun huwelijk jarenlang in die woning hebben samengewoond zonder enig bezwaar van de broer.
De moeder heeft geschikte woningen afgewezen. Dat de moeder actief op woningen heeft gereageerd, betekent niet dat haar pogingen realistisch of doelgericht zijn geweest. Het is ongeloofwaardig dat de woning in [C] de enige woning in heel Nederland is die geschikt was en dat haar familie haar niet had kunnen helpen bij het vinden van een woning in [D] . De vader vermoedt dat het met de wens van de moeder te maken heeft om dichtbij haar moeder in België te zijn. De moeder heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat zij urgentie heeft aangevraagd voor een sociale huurwoning.
De vader is nog steeds bereid om samen met de moeder te kijken naar beschikbare kamers/studio appartementen in de regio en was zelfs bereid een deel van de huur te bekostigen. Ook is hij bereid om zijn kamer met eigen badkamer op te geven aan de moeder zodat zij weer kan terugverhuizen en "onderdak" heeft.
Door de verhuizing is het voor de vader niet meer mogelijk om op dezelfde wijze als voorheen omgang met [kind A] te hebben. De afstand tussen de oorspronkelijke woonplaats en de huidige verblijfplaats van de moeder bedraagt ongeveer 216 km: ruim 2,5 uur rijden zonder file. De totale reistijd bedraagt hiermee langer dan het uiteindelijke omgangsmoment. Bovendien zal de afstand meer kosten met zich meebrengen die de vader niet kan dragen.
Dit is overigens niet de eerste keer dat de moeder haar eigen plan trekt. In het verleden heeft
de moeder, tijdens het huwelijk van partijen, samen met [kind A] voor een lange periode bij haar vader verbleven. De omgang werd zodanig belemmerd dat de vader ook toen een kort geding-procedure heeft gestart. De vader en [kind A] hebben recht op omgang met elkaar en de vader heeft recht op een gelijkwaardig aandeel in de zorg. De vader wil daar naartoe werken, maar dat wordt door de verhuizing onmogelijk gemaakt. De vader heeft onmiddellijk laten weten dat hij hiermee niet instemde en dat hij zich zorgen maakte over [kind A] en over de continuïteit van de zorgregeling. Dat de moeder aan de vader verblijf in haar woning aanbiedt voor omgang met [kind A] , strookt niet met de verwijten die zij hem maakt.

[kind A] was gewend om in [D] naar de peuterspeelzaal te gaan en ging regelmatig naar logopedie. Dat hij dit nu al lange tijd niet meer doet, is een ernstige ontregeling voor een kind van zijn leeftijd. Als de verhuizing daadwerkelijk goed voorbereid zou zijn geweest, dan was dit op voorhand, danwel kort na verhuizing geregeld. Dat is nagelaten.

[kind A] is niet gesetteld in [C] . Er is daar geen netwerk. De moeder stelt bovendien zelf geen duurzaam belang te hebben bij het verblijf in [C] . Zij stelt naar [D] te willen terugverhuizen.
Het enkele feit dat de moeder stelt niet over voldoende financiële middelen te beschikken, maakt niet dat een dwangsom niet verschuldigd zou zijn. Een dwangsom is juist bedoeld om nakoming te stimuleren.




3.11.

Door en namens de vader is tijdens de mondelinge behandeling van het hof, in aanvulling op het voorgaande, het volgende aangevoerd.
De moeder en de vader zijn op 22 november 2025 met [kind A] naar Egypte gereisd. De vader wilde met [kind A] familie bezoeken en de moeder heeft hen daarbij vergezeld. De bedoeling was dat de moeder op enig moment samen met [kind A] terug naar Nederland zou gaan en dat de vader nog langer zou blijven. Bij aankomst in Egypte, bij het verlaten van het vliegtuig, is de moeder onwel geworden. Er was sprake van een bloeding. Sindsdien verblijft zij op de IC van een Egyptisch ziekenhuis. De moeder is inmiddels aanspreekbaar.
De vader heeft respect voor de zorgelijke situatie waarin de moeder zich bevindt, maar hij handhaaft zijn standpunt dat de moeder naar [D] dient terug te verhuizen. De huidige omstandigheden laten zien hoe kwetsbaar de situatie is. De vader wil in de buurt van [kind A] zijn als het in toekomst onverhoopt weer niet goed gaat met de moeder.
De moeder heeft de huidige situatie zelf gecreëerd, dus zij kan zich daar niet op beroepen om daarmee toestemming voor de verhuizing af te dwingen. De verhuizing is niet in het belang van [kind A] . De verhuizing dient alleen de persoonlijke belangen van de moeder, maar die mogen niet prevaleren.
De aanpassingen aan de contactregeling bieden geen compensatie voor een verhuizing die het contact juist belemmert. Ook belmomenten vervangen de fysieke omgang niet.




Het standpunt van de raad





3.12.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling als volgt geadviseerd.
Er is nog veel onduidelijk: wat precies de beweegredenen waren van de moeder en hoe urgent de situatie was.
Het lijkt erop dat de broer veel druk heeft uitgeoefend op de moeder. De raad wijst erop dat als de moeder moet terugverhuizen, dezelfde problemen spelen als voordat zij vertrok. Het is niet in het belang van [kind A] om in een huis met allerlei andere mannen en gedeelde gemeenschappelijke ruimtes te gaan wonen, zoals de vader voorstelt. De raad adviseert om voor nu rust te creëren en de bodemprocedure af te wachten. Het risico bestaat dat de moeder dan geen druk meer ervaart om een woning in de buurt van [D] te zoeken en dat de huidige situatie in stand blijft, maar de situatie die wordt gecreëerd door de moeder te dwingen terug te verhuizen, is niet in het belang van [kind A] . De kans bestaat dan dat de moeder en [kind A] in een crisisopvang of op straat belanden. [kind A] is nog jong en kan in het geval van een latere terug verhuizing, nog gemakkelijk wennen aan een nieuwe situatie.
De raad ziet dat partijen een weg vinden in het opnieuw vormgeven van de contacten tussen [kind A] en de vader en het bevorderen van de hechting van [kind A] aan de vader.




3.13.
Het hof oordeelt als volgt



3.14.

Rechtsmacht en toepasselijk recht



3.14.1.

De vader heeft de Egyptische nationaliteit. De moeder en [kind A] de Nederlandse.
Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van
de Nederlandse rechter.
Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig werd gemaakt. [kind A] had op dat moment zijn gewone verblijfplaats in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.




3.14.2.
Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).




3.15.

Spoedeisend belang



3.15.1.
Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is.



3.15.2.
Een kort geding-procedure heeft tot doel het treffen van voorlopige ordemaatregelen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken wanneer het belang van een partij onmiddellijk handelen vereist en de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.



3.15.3.
In deze zaak volgt het spoedeisend belang uit de aard van de vorderingen.




3.16.

Verblijf in [C]



3.16.1.
Gelet op de aard van de onderhavige procedure die slechts beoogt op zo kort mogelijke termijn een aantal naar hun aard tijdelijke ordemaatregelen te treffen, is het hof van oordeel dat voor een grondig onderzoek naar de feiten geen plaats is. Voor een beoordeling van een vordering tot het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing is in beginsel geen ruimte. De rechter in de bodemprocedure dient zorgvuldig een afweging te maken over de verhuizing. Het hof zal in dit kort geding oordelen over de vraag of de moeder in afwachting van de uitkomst van de lopende bodemprocedure in [C] mag blijven wonen.



3.16.2.
Het hof is van oordeel dat tot de rechter in de bodemprocedure beslist, van de moeder niet verwacht kan worden dat zij met [kind A] terug naar [D] verhuist.


De moeder heeft genoegzaam laten zien dat zij niet langer met [kind A] in de woning van haar moeder kon verblijven, dat zij op korte termijn geen zelfstandige woonruimte voor zichzelf en [kind A] in (de omgeving van) [D] kon verkrijgen en dat er een dringende noodzaak was om te verhuizen. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat de huidige woning in [C] op dat moment voor haar de enige reële optie was.
Het hof leest in de overgelegde communicatie tussen de moeder en haar broer dat hij veel druk op haar uitoefende om uit de woning te vertrekken. Het hof leest hierin dat de broer niet slechts interesse toonde in de vorderingen die zij in haar zoektocht maakte, zoals de vader stelt: hij oefende forse (emotionele) druk uit op de moeder, gaf duidelijk aan dat hij veel last had van haar verblijf in de woning en deed meerdere malen de suggestie om verder te kijken dan (de omgeving van) [D] . Het blijkt ook duidelijk dat de moeder zichzelf verantwoordde ten opzichte van de broer en uitlegde waarom haar zoektocht tot dan toe zonder resultaat was; het is hierdoor aannemelijk dat zij druk heeft ervaren.
De moeder heeft verder aangetoond dat zij op tientallen sociale huurwoningen heeft gereageerd en zich tot maatschappelijk werk en zelfs het Leger des Heils (voor daklozenopvang) heeft gewend.
Dat de woning in Limburg op korte termijn voor haar de enige beschikbare woning was, waarbij zij ook recht zou hebben op huurtoeslag, acht het hof plausibel. Daarbij betrekt het hof ook dat het een feit van algemene bekendheid is dat er sprake is van een nijpend woningtekort in Nederland, waardoor het met name voor mensen met een laag inkomen bijzonder lastig is om een geschikte woonruimte te vinden. Zodra de moeder deze woonruimte in [C] gevonden had, heeft zij [kind A] direct ingeschreven op een peuterspeelzaal en bij logopedie in [C] ; dat kon redelijkerwijs niet eerder, omdat zij nog niet wist waar zij met [kind A] zou gaan wonen.




3.16.3.

Het hof overweegt ook dat [kind A] nog jong is en nog niet naar school gaat en in die zin flexibel is. Hij kan zich naar verwachting, zoals ook de raad op de mondelinge behandeling heeft aangeven, te zijner tijd, weer gemakkelijk aanpassen aan een nieuwe omgeving als de moeder een woning in [D] vindt.
Het hof gaat er ook niet vanuit dat de moeder haar eigen belangen voorop heeft gesteld in de keuze om te verhuizen. De verhuizing naar [C] is om verschillende redenen niet in het voordeel van de moeder geweest. Zij is een betaalde baan verloren, leeft nu van een bijstandsuitkering en heeft in de omgeving van [C] geen bestaand netwerk. De stelling van de moeder dat haar moeder in België nu op een vergelijkbare afstand woont als toen zij in [D] woonde, is niet betwist. De huidige situatie is tijdelijk en dient alleen ter overbrugging van de periode waarin zij verder zoekt naar een woning in [D] .




3.16.4.

Op basis van de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling is er een beperkte contactregeling tussen de vader en [kind A] . Blijkens het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling vinden de ouders er een weg in om daar, in aangepaste vorm, invulling aan te geven.
Wat de vader voor het overige heeft aangevoerd, hetgeen erop neerkomt dat een ouder niet zomaar mag verhuizen als daarmee de omgang tussen de andere ouder en het kind in het gedrang komt, is in algemene zin juist. In de onderhavige situatie is echter sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat van dat uitgangspunt voorlopig wordt afgeweken.




3.16.5.

Het hof laat tot slot zwaar meewegen dat de moeder momenteel op de IC van een ziekenhuis in Egypte verblijft, dat er veel onduidelijk is over de toedracht van haar opname, dat er nog geen zicht is op haar ontslag uit het ziekenhuis en terugkeer naar Nederland – de vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de moeder tot uiterlijk 28 december 2025 in Egypte kan blijven – en dat onduidelijk is wat het herstel van de moeder zal vragen en hoelang de herstelperiode zal zijn.
Gezien de betekening van het bestreden vonnis op 29 september 2025, dient de moeder op grond van dat vonnis uiterlijk op 29 december 2025 terug naar [D] te zijn verhuisd. Onder de gegeven omstandigheden kan dat van de moeder niet worden gevraagd.





3.17.
Een en ander leidt tot de conclusie van het hof dat aan de moeder vervangende toestemming zal worden verleend voor het verblijf met [kind A] in [C] in afwachting van de uitkomst in de bodemprocedure en dat het vordering van de vader om de moeder te gebieden op straffe van een dwangsom terug naar [D] te verhuizen, alsnog dient te worden afgewezen.



3.18.

Voorlopige wijziging zorgregeling



3.18.1.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de bestaande beperkte zorgregeling wil behouden als het hof beslist dat de moeder voorlopig in [C] mag blijven, ook al kan hij die regeling feitelijk niet nakomen. Het hof maakt uit de stukken op dat de moeder met haar voorstel om de regeling te wijzigen naar één volledige dag per 14 dagen (in plaats van een dagdeel per week) de vader tegemoet heeft willen komen in de reisbelasting. Nu de vader die regeling niet wil, zal het hof de vordering tot voorlopige wijzing van de zorgregeling afwijzen.




3.19.

Proceskosten



3.19.1.

Nu de moeder in de procedure in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, is voor een veroordeling van de moeder in de proceskosten evenmin plaats.
Het hof ziet bovendien in de familierechtelijke aard van de procedure aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





3.20.

Schorsing



3.20.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de moeder haar vordering in het incident tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis ingetrokken. Het hof leidt hieruit af dat de moeder haar gronden ten aanzien van die vordering niet langer handhaaft. Die vordering zal daarom worden afgewezen.




3.21.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.





4De uitspraak


Het hof:
in het incident en in de hoofdzaak:



vernietigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 september 2025 en in zoverre opnieuw rechtdoende:



bepaalt dat de moeder in afwachting van de uitkomst in de bodemprocedure met [kind A] in [C] mag wonen;



verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert tussen partijen de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit arrest is gewezen door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.M.D.M. van der Linden en M.A. Ossentjuk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 december 2025.




griffier rolraadsheer