Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3700

2025-12-23 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.360.663_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-12-23
Publicatiedatum
2025-12-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep kort geding
Zaaknummer
200.360.663_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

verhuizing

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (30.723 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht


zaaknummer 200.360.663/01




arrest van 23 december 2025




in de zaak van





[appellante]
,
wonende in [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de moeder,
advocaat: mr. R.A.C. Snel,



tegen





[geïntimeerde]
,
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de vader,
advocaat: N.S. van der Werf,




op het bij exploot van dagvaarding van 17 oktober 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 30 september 2025, door de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, onder zaaknummer C/03/343982 / KG ZA 25-279 gewezen tussen appellante en geïntimeerde.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/343982 / KG ZA 25-279)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 30 september 2025.






2Het geding in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:



de dagvaarding in hoger beroep van 17 oktober 2025 van de zijde van de moeder met daarbij de memorie van grieven;


het procesdossier uit eerste aanleg;


de memorie van antwoord van 10 november 2025 van de zijde van de vader met producties;


het H12-formulier van de advocaat van de moeder van 21 november 2025, met producties 1-12;


het H3-formulier van de advocaat van de vader van 21 november 2025, met akte tot indiening van aanvullende productie 25;


het H12-formulier van de advocaat van de moeder, van 28 november 2025, met producties 13 en 14;


het H12-formulier van de advocaat van de vader, van 28 november 2025, met akte tot indiening van aanvullende productie met producties 26 en 27.





2.2.
In de zaak is een mondelinge behandeling bepaald. Deze is gehouden op 2 december 2025. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [persoon A] .



2.3.
Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [kind A] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met de voorzitter van het hof gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.


2.4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De beoordeling



3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.



3.2.

Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de ouders zijn de volgende nog
minderjarige kinderen geboren:

- [kind A] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
- [kind B] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .



3.3.
De vader heeft [kind A] en [kind B] erkend.



3.4.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind A] en [kind B] .



3.5.
De ouders hebben op 19 augustus 2024 een tussen hen gesloten ouderschapsplan ondertekend waarin zij onder meer zijn overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [kind A] en [kind B] bij de moeder is. Ook zijn er afspraken gemaakt over een eventuele verhuizing en de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. In het ouderschapsplan is opgenomen dat [kind A] voor 50% van de tijd bij beide ouders is (co-ouderschap) en [kind B] 15% bij vader is en 85% bij de moeder is. Sinds 25 mei 2025 geldt een regeling waarbij beide kinderen elke donderdagmiddag tot zondagochtend bij de vader verblijven.



De dagvaardingsprocedure in eerste aanleg





3.6.

In eerste aanleg heeft de vader gevorderd in conventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de moeder te verbieden dat zij met [kind A] en [kind B] zal verhuizen naar [A] , althans haar te verbieden zich met [kind A] en [kind B] te vestigen in een gemeente buiten een straal van 30 minuten (per auto) vanaf de gemeente [B] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom ter hoogte van € 50.000,-, te vermeerderen met een bedrag ter hoogte van € 1.000,- per dag, een dagdeel inbegrepen, dat de moeder niet voldoet aan het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis, tot een maximum van
€ 100.000,-, dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
II. indien de moeder al zou zijn verhuisd naar een gemeente buiten een straal van 30 minuten (per auto) vanaf de gemeente [B] , althans indien de moeder al zou zijn verhuisd naar [A] , de moeder te gebieden om binnen 7 dagen na afgifte van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis, dan wel een termijn die de voorzieningenrechter juist acht, terug te verhuizen naar de gemeente [B] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom ter hoogte van € 50.000,-, te vermeerderen met een bedrag ter hoogte van € 1.000,- per dag, een dagdeel inbegrepen, dat de moeder niet
voldoet aan het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis, tot een maximum van
€ 100.000,-, dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
III. de moeder te verbieden [kind A] in te schrijven op een andere middelbare school
dan [school A] in [B] ;
IV. indien de moeder [kind A] al zou hebben ingeschreven op een andere middelbare
school dan [school A] in [B] , de moeder te gebieden om binnen 7 dagen na afgifte van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis die inschrijving in te trekken c.q. ongedaan te maken en de moeder te veroordelen om op eerste verzoek van de vader medewerking te verlenen aan het inschrijven van [kind A] op [school A] in [B] en alle noodzakelijke handelingen in dat kader te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat de moeder met haar medewerking in gebreke blijft tot een maximum van € 50.000,-, dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
V. de moeder te verbieden [kind A] en [kind B] in te schrijven op een ander adres dan een adres in [B] , subsidiair een adres in een gemeente binnen een straal van 30 minuten (per auto) vanaf de gemeente [B] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 1.000,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 100.000,-, dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
VI. de moeder te gebieden een eventuele reeds gewijzigde inschrijving in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) van [kind A] en [kind B] ongedaan te maken en [kind A] en [kind B] opnieuw in te schrijven op het voormalige adres in [B] , subsidiair op een adres in een gemeente binnen een straal van 30 minuten (per auto) vanaf de gemeente [B] , meer subsidiair op het adres van de vader, zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 1.000,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 100.000,-, dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
VII. [kind A] en [kind B] voorlopig aan de vader toe te vertrouwen;
VIII. de moeder te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de procedure, waaronder de kosten van de advocaat van de vader, en de nakosten, te betalen aan de vader binnen 14 dagen na afgifte van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na afgifte van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
althans beslissingen te nemen, die de voorzieningenrechter in het belang van de [kind A] en [kind B] geraden acht.




3.7.

De moeder heeft verweer gevoerd in conventie en gevorderd de vader in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren bij gebreke aan een spoedeisend belang, subsidiair alle vorderingen af te wijzen en/of aan hem te ontzeggen met veroordeling van de vader in de
kosten van de procedure.
De moeder heeft in reconventie gevorderd:
I. aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [kind A] en [kind B] te kunnen verhuizen, althans de verhuizing te bekrachtigen en aan haar toestemming te verlenen om de kinderen te mogen inschrijven in het BRP;
II. aan haar vervangende toestemming te verlenen om [kind A] en [kind B] te kunnen
inschrijven op een school in [A] .




3.8.

Bij het bestreden vonnis in kort geding van 30 september 2025 heeft de voorzieningen-rechter de volgende beslissingen genomen:
De voorzieningenrechter in conventie:

- gebiedt de moeder om met de minderjarige [kind A] , geboren op


[geboortedatum] in [B] , en de minderjarige [kind B] , geboren op

[geboortedatum] in [B] , terug te verhuizen naar een adres gelegen binnen een straal van

30 minuten (per auto) van [adres A] , binnen acht weken na

de betekening van dit vonnis, op verbeurte van een eenmalige dwangsom ter hoogte van
€ 25.000,- plus een dwangsom van € 500,- voor elke dag of een deel daarvan dat de moeder
daarna dit gebod niet naleeft, met een maximum van € 50.000,-;

- gebiedt de moeder om de kinderen binnen acht weken na de betekening van dit

vonnis in te schrijven op een adres gelegen binnen een straal van 30 minuten (per auto) van

[adres A] , op verbeurte van een dwangsom van € 500,-
voor elke dag of een deel daarvan dat de moeder dit gebod niet naleeft, met een maximum
van € 25.000,-;

- gebiedt de moeder om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis de

inschrijving van [kind A] op [school B] in [A] in te trekken c.q. ongedaan
te maken en [kind A] in te schrijven op [school A] in [B] en alle noodzakelijke
handelingen in dat kader te verrichten, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor
elke dag of een deel daarvan dat de moeder (een van) deze geboden niet naleeft, met een
maximum van € 25.000,-;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen;
- compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen

kosten draagt.
De eis in reconventie van de moeder is vanwege strijd met de goede procesorde niet toegelaten, hierop heeft de voorzieningenrechter dus niet beslist.




Het verdere verloop





3.9.
Op 10 oktober 2025 is het bestreden vonnis aan de moeder betekend. De termijn van acht weken om te verhuizen zoals bepaald in het vonnis, verstrijkt derhalve op 5 december 2025.



3.10.
Bij vonnis van 5 november 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de dwangsom die is opgelegd onder 5.3 in het dictum van het bestreden vonnis van 30 september 2025, geschorst tot 5 december 2025.



3.11
Partijen hebben verklaard dat er op 20 oktober 2025 door de moeder een bodemprocedure is gestart aangaande de vervangende toestemming voor de verhuizing.



De dagvaardingsprocedure in hoger beroep





3.12.

De moeder vordert in hoger beroep:
dat het gerechtshof behaagt te vernietigen het vonnis van 30 september 2025 door de
voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, tussen partijen gewezen en opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
- de vorderingen aan de vader te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen;
kosten rechtens.
Niet in het petitum, maar wel in het processtuk vordert de moeder tevens de uitvoerbaarheid bij voorbaat van het vonnis te schorsen.




3.13.

De moeder voert het volgende aan. Het belang van de moeder bij schorsing is groter dan het belang van de vader bij de tenuitvoerlegging.
De vorderingen van de vader moeten verder worden afgewezen. De voorzieningenrechter heeft een aantal feiten onjuist vastgesteld. Zo verblijft alleen [kind B] iedere week van donderdagmiddag tot zondagochtend bij de vader. Tussen [kind A] en de vader is geen contact. Hoewel het juist is dat de moeder geen toestemming had van de vader om met de kinderen naar [A] te verhuizen en ze de vader ook niet expliciet hierover heeft geïnformeerd, heeft de moeder met de vader wel haar voornemen om een huis te gaan kopen in [A] besproken. De moeder kon namelijk geen passende woonruimte vinden in [B] en het was voor haar financieel niet haalbaar om nog langer in de huurwoning in [B] te blijven. De moeder heeft geen netwerk in [B] en de vader droeg financieel niet bij. Hierdoor ontstond een noodsituatie. In [A] heeft de moeder familie en kon ze wel passende woonruimte vinden. De contactregeling tussen de kinderen, althans de feitelijke regeling met [kind B] en de vader is door de verhuizing niet veranderd. De moeder vindt het niet in het belang van de kinderen om tijdelijk in een hotel/vakantiehuis te moeten verblijven. Bovendien verbeurt ze dan alsnog dwangsommen, omdat ze in dat geval de kinderen daar niet kan inschrijven. Zolang [kind A] niet in de gemeente [B] is ingeschreven, kan de moeder [kind A] ook niet inschrijven op een school in [B] . Een spoedige terugverhuizing naar [B] is niet in het belang van de kinderen. De moeder kan nergens heen.




3.14.
De vader concludeert, uitvoerbaar bij voorraad:
- het incident van de moeder ongegrond te verklaren, de vordering van de moeder in incident af te wijzen, althans de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het incident;
- in de hoofdzaak het hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren, de vorderingen van de moeder af te wijzen, althans de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, en het vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 30 september 2025 te bekrachtigen;
en in zowel het incident als de hoofdzaak de moeder te veroordelen in de proceskosten van de vader, waaronder in ieder geval de kosten van de advocaat van de vader en de te betalen nakosten, binnen14 dagen na betekening van het door het hof te wijzen arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag na 15e betekening van het te wijzen arrest tot de dag der algehele voldoening.



3.15.

De vader voert het volgende aan. De uitvoerbaar bij voorraadverklaring is door de rechtbank uitgebreid gemotiveerd. Dat heeft tot gevolg dat alleen een kennelijke misslag of feiten/omstandigheden waar de voorzieningenrechter geen rekening mee kon houden ten tijde van het uitspreken van het vonnis van belang zijn. De moeder heeft hier onvoldoende voor gesteld. Mocht het hof alsnog tot een belangenafweging komen, dan weegt het belang van de vader zwaarder dan het belang van de moeder.
De vader wil dat de moeder met de kinderen terugverhuist naar [B] . De vader heeft meerdere keren bezwaar gemaakt tegen een mogelijke verhuizing van de moeder en betwist dat de moeder hem heeft medegedeeld dat ze naar [A] zou gaan verhuizen. Er is geen overleg geweest. Er was bovendien voor de moeder geen noodzaak om naar [A] te verhuizen. Niet is gebleken dat de moeder niet in [B] kon blijven en alleen naar [A] kon verhuizen. De moeder kon de huurovereenkomst van de woning in [B] nog met een jaar verlengen. Niet is gebleken dat dit voor haar financieel niet mogelijk was. Bovendien heeft de vader aangeboden om de moeder financieel te ondersteunen.
Door de verhuizing staat de zorgregeling onder druk. Het co-ouderschap dat ouders voor ogen hadden is niet meer uitvoerbaar. [kind B] verblijft op dit moment iedere donderdagmiddag tot zondagavond bij de vader. Vanaf het moment dat [kind B] naar school gaat is dat niet meer mogelijk. [kind A] komt op dit moment niet bij de vader en wordt door de moeder niet gestimuleerd om contact te hebben met de vader. De onzekerheden die nu voor de moeder (en de kinderen) zijn ontstaan komen voor rekening van de moeder. Volgens de vader zijn er tijdelijke oplossingen denkbaar. Zo kunnen de kinderen bij de vader worden ingeschreven zolang de moeder nog geen vaste woonruimte in [B] heeft gevonden. De moeder kan [kind A] dan ook inschrijven op de theaterschool in [B] . De noodzaak van de dwangsommen is erin gelegen dat de moeder al is verhuisd en er een financiële prikkel moet zijn om terug te verhuizen.




3.16.
De raad brengt, samengevat, het volgende naar voren. Het is heel ongelukkig dat deze ouders zo ver uit elkaar wonen. De reistijd bedraagt 2,5 uur. Als dit zo blijft gaan [kind A] en [kind B] in de toekomst hun vader verliezen. Als [kind B] naar school gaat dan wordt het voor [kind B] heel zwaar als hij ook nog iedere week deze afstand moet reizen om zijn vader te kunnen zien. Bovendien is het absoluut onmogelijk om spontaan een extra moment bij de vader langs te gaan. De relatie tussen [kind A] en de vader staat onder druk. Als de beslissing wordt genomen dat de moeder moet terugverhuizen, zal de vader hier de schuld van krijgen. Het werken aan contactherstel tussen [kind A] en de vader is op deze grote afstand lastig. De ouders hadden beter met elkaar moeten overleggen toen de moeder wilde gaan verhuizen. Vanuit die situatie had dan eventueel een bodemprocedure gestart kunnen worden. Er is voor deze ouders werk aan de winkel. De relatiebreuk is nog niet zo lang geleden en dat maakt dit een hectische en verwarrende periode. Dat valt de ouders niet te verwijten.



De motivering van de beslissing in hoger beroep





4.1.
Het hof overweegt als volgt.



Schorsing uitvoerbaar bij voorraadverklaring:





4.2.
De moeder heeft geen belang bij haar vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het bestreden vonnis, nu het hof in onderhavig arrest in de hoofdzaak uitspraak doet. Het hof wijst het verzoek om schorsing daarom af.



Spoedeisend belang:





4.3.
In hoger beroep moet de rechter, net als in eerste aanleg, ambtshalve vaststellen of er, in dit geval, aan de zijde van de moeder sprake is van een actueel spoedeisend belang bij haar vordering (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002: AE3437). Hierbij maakt het niet uit of in eerste aanleg wel of niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3437).



4.4.
Een kort geding-procedure heeft tot doel het treffen van voorlopige ordemaatregelen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken wanneer het belang van een partij onmiddellijk handelen vereist en de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Tussen partijen is de spoedeisendheid niet in geschil. Het hof stelt vast dat de bodemprocedure op 20 oktober 2025 door de moeder is gestart en dat niet duidelijk is wanneer deze zaak op zitting zal komen. De uitkomst van die procedure kan niet worden afgewacht, gelet op de aard van deze procedure en de daarmee gepaard gaande zwaarwegende belangen van [kind A] en [kind B] .



De hoofdzaak





4.5.
Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Dat betekent dat de moeder terug dient te verhuizen met [kind A] en [kind B] naar (de omgeving van) [B] en dat de uitkomst van de bodemprocedure niet in [A] afgewacht mag worden. Het hof zal dit hieronder toelichten.



4.6.

Gebleken is dat de moeder na het verbreken van de relatie tussen de ouders met ingang van 1 augustus 2024 een huurwoning in [B] heeft betrokken. De vader is eveneens in [B] blijven wonen.
Voorts stelt het hof vast dat de ouders op 19 augustus 2024 een ouderschapsplan hebben ondertekend waarin zij afspraken hebben gemaakt over (onder meer) de zorgverdeling en dat zij daarin een co-ouderschap voor ogen hebben gehad. Vanaf 25 mei 2025 geldt een weekschema waarbij [kind A] en [kind B] iedere donderdagmiddag tot zondagochtend bij de vader verblijven. Uit artikel 2 van het tussen de ouders gesloten ouderschapsplan blijkt verder het volgende:




2.1

De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder en zullen op het adres van de moeder in de Gemeentelijke Basisadministratie (BPR) van de gemeente ingeschreven staan. Aan de moeder komt daarom het recht toe om de kinderbijslag en het kindgebonden budget te innen.



2.2

De ouders spreken de intentie uit om bij voorkeur dicht bij elkaar in de buurt te wonen vanwege het co-ouderschap met een maximale reisafstand van 30 minuten reizen (auto minuten).



2.3

De ouders zijn zich ervan bewust dat een verhuizing met medeneming van de kinderen naar een andere woonplaats naar de huidige stand van jurisprudentie en wetgeving, zonder toestemming van de andere, niet-verhuizende ouder of vervangende toestemming van de rechter niet mogelijk is. De ouders realiseren zich dat een verhuizing van één van hen, gevolgen kan hebben voor de afgesproken verdeling van verzorgings- en opvoedingstaken en dat zij om die reden bij een voorgenomen verhuizing voor één van hen (tijdig) vooraf met elkaar in overleg dienen te treden, reden waarom de ouders de navolgende afspraak (2.4 en 2.5) met elkaar hebben gemaakt:



2.4

Tevens komen de ouders overeen dat indien één van de ouders voornemens is te verhuizen en dit is ingegeven door het feit dat de voorgenomen verhuizing tot stand komt op verzoek van de/een werkgever (huidige of toekomstige) en een vereiste is voor het uitoefenen van baan dan wel functie, dat alsdan de ouders zich tot het uiterste zullen inspannen om te komen tot een nieuw passend zorgschema waarbij zoveel mogelijk de uitgangspunten als thans overeengekomen in stand dienen te blijven.



2.5

Indien de voorgenomen verhuizing wegens werk of anderszins niet verplicht is (gesteld), dan wel wordt er een functie geaccepteerd die een verhuizing tot gevolg heeft, dan zal de ouder die de verhuizing voor staat in overleg treden met de andere ouder om een nieuw zorgschema af te spreken, waarbij de ouder die niet zal verhuizen het recht heeft zijn of haar zorgtaken als thans omschreven zo min mogelijk te zien worden aangetast dan wel beperkt.




4.7.
Naar het oordeel van het hof hebben de ouders aldus heldere afspraken gemaakt over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een verhuizing van een ouder met de kinderen. Daarnaast hebben de ouders met elkaar afgesproken om op een maximale reisafstand van 30 minuten reizen (auto minuten) van elkaar te willen blijven wonen.



4.8.
De moeder heeft verklaard dat ze de woning in [B] aanvankelijk huurde voor de duur van één jaar, dat de huur verlengd kon worden maar dat de huurprijs na het verstrijken van die periode van één jaar verhoogd zou gaan worden en dat het voor haar financieel niet mogelijk was om die verhoging van de huurlasten te kunnen voldoen. Het hof stelt vast dat de moeder dit alles niet met stukken heeft onderbouwd. Daar staat bovendien tegenover dat de vader tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, net als in de procedure in eerste aanleg, heeft aangegeven dat hij bereid was om de moeder financieel te ondersteunen en dat hij dit ook daadwerkelijk tot mei 2025 heeft gedaan door een extra betaling van € 150,- aan moeder te voldoen bovenop de kinderalimentatie. De moeder heeft dit niet betwist. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat de moeder niet langer in haar huurwoning kon blijven.



4.9.
Voorts heeft de moeder aangevoerd dat ze op zoek is geweest naar een geschikte woning in [B] met ingang van april 2025, maar dat het haar niet lukte om een woning te vinden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de moeder vrij kort daarna, op 23 mei 2025, een koopovereenkomst heeft getekend voor een woning in [A] , dat de notariële levering op 11 juli 2025 heeft plaatsgevonden en dat de moeder en de kinderen met ingang van 14 juli 2025 ingeschreven zijn in de gemeente [A] . Het hof stelt vast dat de moeder geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de moeder in de periode daarvoor daadwerkelijk op huurwoningen in (de omgeving van) [B] heeft gereageerd, dan wel dat zij niet in staat was aldaar een koopwoning binnen haar budget van ruim € 400.000,- te vinden, op maximaal 30 autominuten reisafstand van de woning van de vader.



4.10.

De moeder erkent dat ze geen toestemming had van de vader voor de verhuizing naar [A] en dat ze de vader niet heeft geïnformeerd over de daadwerkelijke aankoop van het huis, noch over het moment van de verhuizing met de kinderen en hun nieuwe adres.
Het is het hof niet gebleken dat er sprake was van een dermate dringende reden dat de moeder een procedure hierover niet kon afwachten.




4.11.

De verhuizing heeft gevolgen voor het contact van de vader met de kinderen. Hoewel op dit moment de zorgregeling tussen de vader en [kind B] wekelijks wordt uitgevoerd van donderdagmiddag tot zondagavond, ziet het hof hier belemmeringen in voor de toekomst. [kind B] wordt op 18 juli 2026 vier jaar. Als hij naar school gaat, kan hij niet meer op donderdag naar de vader. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof erkend dat op termijn het contact op donderdag zal wegvallen. Het contact met de vader wordt dan dus minder en niet is gebleken dat er op een ander moment enige compensatie zal plaatsvinden. Spontane bezoeken worden bovendien onmogelijk. Daar komt bij dat het de vraag is of [kind B] blijvend te motiveren is om wekelijks twee keer deze forse reisafstand te moeten afleggen.
Ook voor het contact met [kind A] heeft de verhuizing gevolgen. Sinds de zomer van 2025 gaat zij weliswaar niet meer naar haar vader, maar ook voor (hulpverlening bij het) contactherstel is het van belang dat de ouders dichter bij elkaar wonen.
Het hof realiseert zich dat ook een terugverhuizing de nodige impact op de kinderen, met name [kind A] zal hebben. Dat maakt het voorgaande oordeel echter niet anders.




4.12.
Dit alles leidt ertoe dat het hof het bestreden vonnis aldus zal bekrachtigen. De moeder zal op de kortst mogelijke termijn een woning moeten zoeken in [B] of in de directe omgeving (op maximaal 30 autominuten van de vader) en [kind A] moeten inschrijven op [school A] in [B] . De vader heeft laten weten dat indien de moeder in eerste instantie een tijdelijk onderkomen betrekt, de kinderen op het adres van de vader ingeschreven kunnen worden. Het hof gaat ervan uit dat de ouders in onderling overleg afspraken maken over de eventuele financiële gevolgen hiervan (zoals voor het kindgebonden budget of de kinderbijslag).



4.13.

Het hof zal de dwangsommen in stand laten, nu de moeder reeds zonder toestemming is verhuisd en nog steeds in [A] verblijft met de kinderen, hetgeen een financiële prikkel noodzakelijk maakt.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij de dwangsommen die de moeder verbeurt ten gevolge van de beslissingen in het bestreden vonnis niet zal incasseren, ook niet met terugwerkende kracht, totdat het hof arrest zal wijzen.
Nu de moeder niet heeft verzocht om een nadere termijn om te kunnen verhuizen en het hof het in het belang van de kinderen acht dat de moeder de gelegenheid wordt geboden om daadwerkelijk te kunnen verhuizen, zal het hof bepalen dat de moeder de dwangsommen zal verbeuren vanaf vier weken na betekening van het arrest van het hof.




Proceskosten





4.14.
De proceskosten in hoger beroep zullen, zoals in de procedures als onderhavige gebruikelijk, worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.





5De uitspraak


Het hof:



in het incident en in de hoofdzaak:



bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 september 2025;



met dien verstande dat de door de voorzieningenrechter in het vonnis in kort geding van
30 september 2025 vastgestelde dwangsommen niet eerder verbeurd worden dan vier weken na betekening van dit arrest;



verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



wijst het meer of anders gevorderde af;



Dit arrest is gewezen door mrs. E.M.C. Dumoulin, A.M. Bossink en I. van Oosterhout en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 december 2025.




griffier rolraadsheer