Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3635
2025-12-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.352.068_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding, geen spoedeisend belang, proceskostenveroordeling.
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2002:AE3437 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2002
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.209 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.352.068/01
arrest van 16 december 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
appellante,
hierna aan te duiden als de moeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de vader,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers,
en
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de GI (Gecertificeerde Instelling),
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de raad.
op het bij exploot van dagvaarding van 24 december 2024 en bij herstelexploot van dagvaarding van 11 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van
4 december 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/427777 / KG ZA 24-507 gewezen tussen de moeder als eiseres en de vader en de GI als gedaagden.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/427777 / KG ZA 24-507)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 4 december 2024.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 24 december 2024 van de moeder;
het herstelexploot van 11 februari 2025 van de moeder;
de memorie van grieven van de moeder, met producties;
de memorie van antwoord van de vader, met productie;
het H12-formulier van de advocaat van de vader van 7 november 2025, met productie;
de memorie van antwoord van de GI, met producties;
het procesdossier uit eerste aanleg en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 20 november 2024, overgelegd door de moeder;
2.2.
In de zaak is een mondelinge behandeling bepaald. Deze is gehouden op 20 november 2025. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. J. Koenen (waarnemend advocaat) en voor wie als tolk in de Russische taal heeft opgetreden [persoon A] (tolknummer 17767);
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [persoon B] en [persoon C] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [persoon D] .
2.3.
Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [kind A] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken van de eerste aanleg en hetgeen op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht.
3De beoordeling
De feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.
Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader is geboren:
- [kind A] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] (hierna: [kind A] ).
3.3.
[kind A] is door de vader erkend.
3.4.
[kind A] is met ingang van 4 november 2019 onder toezicht gesteld van de GI tot
4 november 2020. [kind A] is opnieuw onder toezicht gesteld van de GI met ingang van
24 augustus 2023. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd en loopt op dit moment tot 5 december 2025. De laatste verlengingsbeslissing is door dit hof bekrachtigd bij beschikking van 28 augustus 2025. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat er ten aanzien van de ondertoezichtstelling opnieuw een verzoek tot verlenging is ingediend. De uitkomst van deze procedure is het hof op het moment van deze beschikking niet bekend.
3.5.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 21 april 2021 de ouders gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [kind A] . Deze beslissing is door het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 21 december 2022 bekrachtigd.
3.6.
[kind A] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 24 augustus 2023 gedurende dag en nacht uit huis geplaatst bij de vader.
3.7.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 14 februari 2024 de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de vader bepaald. De rechtbank heeft in die beslissing het verzoek van de vader tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag naar het eenhoofdig ouderlijk gezag afgewezen.
De dagvaardingsprocedure in eerste aanleg
3.8.
In eerste aanleg heeft de moeder gevorderd, om bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:
a: primair, te bepalen dat [kind A] voorlopig bij de moeder wordt geplaatst, en indien plaatsing bij de moeder niet mogelijk is, te gelasten dat [kind A] binnen het netwerk van de moeder wordt geplaatst, zodat zij niet langer wordt blootgesteld aan de onveilige situatie bij de vader;
b. subsidiair, de omgang vindt plaats zonder begeleiding van enige derde;
c. te bepalen dat de omgang tussen de moeder en [kind A] in de woning van de moeder mag plaatsvinden, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen termijn wanneer de omgang in de woning van de moeder mag plaatsvinden;
d. een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de moeder [kind A] bij zich mag hebben, ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur, althans een door de rechtbank te bepalen omgangsregeling, waarbij de vader [kind A] brengt en ophaalt;
e. te bepalen dat de moeder het recht heeft [kind A] in de zomervakantie gedurende een aaneengesloten periode van drie weken, de helft van de overige schoolvakanties bij zich te hebben, de helft van de feestdagen, oud en nieuw, Moederdag, verjaardag van [kind A] , verjaardag van moeder, brengen een dag voor verjaardag om 17.00 uur;
f. meer subsidiair: een zorgregeling vast te stellen, waarbij er binnen een maand wordt toegewerkt naar een regeling waarin [kind A] ieder weekend van vrijdag tot zondag bij de moeder verblijft en waarbij tevens de helft van de schoolvakanties bij de moeder wordt doorgebracht. De moeder stelt voor om de zorgregeling stapsgewijs op te bouwen, volgens het volgende schema:
- met ingang van 20 december 2024 wekelijks omgang tussen de moeder en [kind A] op woensdag en zondag van 14.00 uur tot 18.00 uur;
- met ingang van 20 januari 2024 wekelijks omgang tussen de moeder en [kind A] op woensdag van 14.00 uur tot 18.00 uur en zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur;
- met ingang van 20 februari 2024 wekelijks omgang tussen de moeder en [kind A] van vrijdag 15.00 uur tot zaterdag 19.00 uur;
- met ingang van 20 maart 2024 wekelijks omgang tussen de moeder en [kind A] van vrijdag 15.00 uur tot zondag 19.00 uur;
althans een door de rechtbank te bepalen omgangsregeling en opbouw;
g. te bepalen dat er in de moedertaal van de moeder mag worden gecommuniceerd tijdens de omgangsmomenten zonder enige beperking of belemmering;
h. te bepalen dat de moeder en [kind A] doordeweeks onbelemmerd en zonder de aanwezigheid van derden, vader via WhatApp, telefoon of beeldbellen contact met elkaar kunnen hebben, zonder enige restricties, althans een door de rechtbank vast te stellen contactregeling middels beeldbellen of andere vormen van communicatie;
i. meer, meer subsidiair, te bepalen dat de omgangsmomenten tussen [kind A] en de moeder iedere week onbegeleid plaatsvinden, gedurende minimaal vier uren, zonder restricties en waarbij de moeder vrij is om de invulling van deze omgangsmomenten te bepalen, op dagen en tijdstippen die in onderling overleg worden vastgesteld, althans dagen en tijdstippen die door de rechtbank worden bepaald;
j. nog meer subsidiair, te bepalen dat de omgangsmomenten zo spoedig mogelijk onbegeleid dienen plaats te vinden, en dat begeleide omgang uitsluitend wordt voortgezet zolang dit strikt noodzakelijk is. Onder “strikt noodzakelijk” dient te worden verstaan: alleen indien er gegronde, objectieve en op feiten gebaseerde zorgen bestaan over de veiligheid of het welzijn van [kind A] tijdens de omgang. Dit dient te worden onderbouwd met relevante documentatie en moet een einddatum bevatten, althans een door de rechtbank te bepalen termijn voor de begeleide omgang;
k. te bepalen dat een bijzondere curator wordt benoemd die de minderjarige in en buiten recht kan vertegenwoordigen in de bodemprocedure met zaaknummer 200.342.113/01;
l. te bepalen dat een onafhankelijke (forensische) BIG-geregistreerde kinderpsycholoog wordt benoemd, voor onderzoek naar [kind A] in de bodemprocedure met zaaknummer 200.342.113/01, waarbij de ouders hun volledige medewerking dienen te verlenen, bij gebreke waarvan de te geven beschikking in de plaats treedt van de medewerking van de ouders;
m. te bepalen dat de GI/de vader een geldig telefoonnummer (niet WhatsApp) van [kind A] aan de moeder bekend maakt; onder verbeurte van een dwangsom ad € 300,- voor iedere dag, een gedeelte daaronder begrepen, althans in goede justitie te bepalen bedrag;
n. met verbeurte van een dwangsom van € 300,- per dag, een gedeelte daaronder begrepen, althans in goede justitie te bepalen bedrag, indien de GI en de vader zich niet aan voornoemde regeling a, b, c, d, e, f, g, h, i en j houdt.
3.9.
De vader en de GI hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van de moeder en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen.
3.10.
Bij bestreden vonnis in kort geding van 4 december 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de moeder onder a t/m n afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
Het verdere verloop
3.11.
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 19 maart 2025 voornoemde beschikking van de rechtbank van 14 februari 2024 (zie hiervoor onder 3.7) bekrachtigd, waarmee de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de vader is gebleven.
3.12.
Bij beschikking van 26 september 2025 heeft de rechtbank de vader voortaan met het eenhoofdig gezag over [kind A] belast.
De verzoeken van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgverdeling / omgangsregeling zijn door de rechtbank afgewezen.
De dagvaardingsprocedure in hoger beroep
3.13.
De moeder vordert in hoger beroep om het vonnis van 4 december 2024 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de moeder alsnog toe te wijzen, alsook een onafhankelijk en grondig onderzoek te gelasten naar de signalen die [kind A] geeft en om passende beschermende maatregelen te treffen om het welzijn en de veiligheid van [kind A] te garanderen, op basis van de nieuwe feiten een herziening van de verblijfplaats van [kind A] noodzakelijk te maken en deze bij de moeder te bepalen met waarborgen dan wel in het netwerk van de moeder.
3.13.1.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de vorderingen onder a, f, k en l, zoals die zijn opgenomen in de dagvaarding in kort geding, ingetrokken. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verder verduidelijkt welke vordering(en) onder primair en/of subsidiair en/of meer subsidiair vallen.
Daarnaast heeft de moeder de volgende vorderingen ingetrokken, zoals door de moeder geformuleerd in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep:
“en om passende beschermende maatregelen te treffen om het welzijn en de veiligheid van [kind A] te garanderen, en op basis van de nieuwe feiten een herziening van de verblijfplaats van [kind A] noodzakelijk te maken en deze bij de moeder te bepalen met waarborgen dan wel in het netwerk van de moeder”.
3.13.2.
Dit betekent dat de vorderingen van de moeder, naar het hof begrijpt, in hoger beroep als volgt luiden (waarbij voor de leesbaarheid de oorspronkelijke nummers van de vorderingen worden weergegeven):
de moeder vordert in hoger beroep om het vonnis van 4 december 2024 te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de moeder alsnog toe te wijzen,
primair:
- de omgang vindt plaats zonder begeleiding van enige derde (oorspronkelijke vordering b);
- een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de moeder [kind A] bij zich mag hebben, ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur, althans een door het hof te bepalen omgangsregeling, waarbij de vader [kind A] brengt en haalt (oorspronkelijke vordering d);
subsidiair:
- te bepalen dat de omgangsmomenten tussen [kind A] en de moeder iedere week onbegeleid plaatsvinden, gedurende minimaal vier uren, zonder restricties en waarbij de moeder vrij is om de invulling van deze omgangsmomenten te bepalen, op dagen en tijdstippen die in onderling overleg worden vastgesteld, althans dagen en tijdstippen die door het hof worden bepaald (oorspronkelijke vordering i);
meer subsidiair:
- te bepalen dat de omgangsmomenten zo spoedig mogelijk onbegeleid dienen plaats te vinden, en dat begeleide omgang uitsluitend wordt voortgezet zolang dit strikt noodzakelijk is. Onder “strikt noodzakelijk” dient te worden verstaan: alleen indien er gegronde, objectieve en op feiten gebaseerde zorgen bestaan over de veiligheid of het welzijn van [kind A] tijdens de omgang. Dit dient te worden onderbouwd met relevante documentatie en moet een einddatum bevatten, althans een door het hof te bepalen termijn voor de begeleide omgang (oorspronkelijke vordering j);
in alle gevallen (zowel primair, subsidiair als meer subsidiair):
- te bepalen dat de omgang tussen de moeder en [kind A] in de woning van de moeder mag plaatsvinden, althans een door het hof in goede justitie te bepalen termijn wanneer de omgang in de woning van de moeder mag plaatsvinden (oorspronkelijke vordering c);
- te bepalen dat de moeder het recht heeft [kind A] in de zomervakantie gedurende een aaneengesloten periode van drie weken, de helft van de overige schoolvakanties bij zich te hebben, de helft van de feestdagen, oud en nieuw, Moederdag, verjaardag van [kind A] , verjaardag van moeder, brengen een dag voor verjaardag om 17.00 uur (oorspronkelijke vordering e);
- te bepalen dat er in de moedertaal van de moeder mag worden gecommuniceerd tijdens de omgangsmomenten zonder enige beperking of belemmering (oorspronkelijke vordering g);
- te bepalen dat de moeder en [kind A] doordeweeks onbelemmerd en zonder de aanwezigheid van derden, vader via WhatApp, telefoon of beeldbellen contact met elkaar kunnen hebben, zonder enige restricties, althans een door het hof vast te stellen contactregeling middels beeldbellen of andere vormen van communicatie (oorspronkelijke vordering h);
- te bepalen dat de GI/de vader een geldig telefoonnummer (niet WhatsApp) van [kind A] aan de moeder bekend maakt; onder verbeurte van een dwangsom ad € 300,- voor iedere dag, een gedeelte daaronder begrepen, althans in goede justitie te bepalen bedrag (oorspronkelijke vordering m);
- met verbeurte van een dwangsom van € 300,- per dag, een gedeelte daaronder begrepen, althans in goede justitie te bepalen bedrag, indien de GI en de vader zich niet aan voornoemde regeling b, c, d, e, g, h, i en j houdt (oorspronkelijke vordering n);
en, zoals in hoger beroep gevorderd, een onafhankelijk en grondig onderzoek te gelasten naar de signalen die [kind A] geeft.
3.13.3.
De moeder formuleert de volgende grieven. De moeder heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen. De moeder heeft concrete en recente signalen van onveiligheid van [kind A] naar voren gebracht die maken dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Ook is de spoedeisendheid gelegen in de wens van de moeder te komen tot contactherstel. De moeder wil bovendien omgang met [kind A] . Juist omdat de uitvoering van de omgang is gestagneerd, had de voorzieningenrechter moeten onderzoeken of een andere, lichtere omgangsvorm alsnog mogelijk was. Het is bovendien niet redelijk van de moeder te verlangen dat zij zich onderwerpt aan de regie van de GI die zij als partijdig en onduidelijk in haar handelen en motieven ervaart. Verder is van belang dat [kind A] een sterke wens heeft om bij haar moeder te wonen en contact met de moeder te hebben. Het is in dat verband ook belangrijk dat de moeder en [kind A] op een natuurlijke wijze kunnen communiceren in de door hen gedeelde moedertaal. De moeder kan zich daarom niet vinden in het controleren van de gesprekken zonder doel en eindpunt. Hier hoort ook bij dat de moeder een telefoonnummer krijgt van [kind A] zodat zij laagdrempelig kunnen communiceren. De moeder kan zich op dit moment niet conformeren aan het door de GI voorgestelde traject, omdat dit voor de moeder met haar werk niet valt te combineren. De moeder stelt voor dat de raad nader onderzoek doet naar de situatie.
3.14.
De vader concludeert dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter dient te bevestigen en dat de moeder in hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard althans dat dit beroep dient te worden afgewezen. Ook het verzoek van de moeder tot het instellen van een onderzoek naar [kind A] dient te worden afgewezen.
3.14.1.
De vader voert het volgende aan. De vader betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang. De vorderingen zijn achterhaald. De feiten en omstandigheden zijn sinds het vonnis veranderd. De moeder laat een stelselmatig patroon zien van beroep aantekenen tegen iedere beschikking. De vader en [kind A] leven bovendien constant in angst dat de moeder [kind A] opnieuw meeneemt naar het buitenland. De vader is niet tegen contact tussen [kind A] en de moeder. Het moet wel veilig zijn voor [kind A] . De vader wil dat er rust komt voor [kind A] en dat komt er alleen als de moeder mee gaat werken.
3.15.
De GI voert het volgende aan. Er is een plan opgesteld om het contact tussen de moeder en [kind A] op te bouwen, maar de moeder werkt daar niet aan mee en stelt daar eigen voorwaarden aan. De vraag is wat er nu nog verwacht kan worden van de GI met betrekking tot het realiseren van structureel contact tussen [kind A] en de moeder wanneer de moeder niet in staat is om de wensen van [kind A] te respecteren en zich te committeren aan de (onderbouwde) voorwaarden die de GI stelt.
3.16.
De raad voert het volgende aan. [kind A] is erg belast met loyaliteitsproblematiek en [kind A] weet dat de moeder wil horen dat het bij de vader niet goed is. Het is belangrijk dat de situatie waarin partijen verkeren stopt en dat de procedures stoppen. [kind A] wordt hiermee belast en moet rust krijgen. De raad adviseert de moeder om mee te werken met de GI om een vorm van contact te kunnen realiseren. Contact tussen de moeder en [kind A] is belangrijk, maar moet op een goede en veilige manier plaatsvinden. De raad ziet tenslotte geen reden voor een onderzoek zoals door de moeder is voorgesteld. De raad adviseert het hof alle vorderingen van de moeder af te wijzen.
De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.17.
Het hof overweegt als volgt.
Spoedeisend belang
3.18.
In hoger beroep moet de rechter, net als in eerste aanleg, ambtshalve vaststellen of er, in dit geval, aan de zijde van de moeder sprake is van een actueel spoedeisend belang bij haar vordering (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002: AE3437). Hierbij maakt het niet uit of in eerste aanleg wel of niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3437).
3.19.
Een kort geding-procedure heeft tot doel het treffen van voorlopige ordemaatregelen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken wanneer het belang van een partij onmiddellijk handelen vereist en de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
3.20.
Gebleken is dat er sinds het bestreden vonnis van 4 december 2024 twee uitspraken in bodemprocedures zijn gedaan die rechtstreeks verband houden met de vorderingen die thans door de moeder in het kader van deze kort geding-procedure aan het hof ter beoordeling voor zijn gelegd (kort gezegd: contact en omgang tussen de moeder en [kind A] en een te gelasten onderzoek).
Bij beschikking van 19 maart 2025 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 februari 2024 bekrachtigd waarin de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de vader is bepaald. Het verzoek van de moeder ten aanzien van, voor zover thans van belang, het gelasten van een NIFP-onderzoek dan wel het benoemen van een bijzondere curator is afgewezen.
Bij beschikking van 26 september 2025 heeft de rechtbank de vader met het eenhoofdig gezag over [kind A] belast. De verzoeken van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgverdeling/omgangsregeling zijn door de rechtbank afgewezen. In die laatste beschikking heeft de regchtbank overwogen dat contactherstel nog steeds onder regie van de GI moet plaatsvinden en niet, omdat de moeder weigert daaraan mee te werken, dan maar te bepalen dat [kind A] elk weekend bij de moeder is, zoals zij verzoekt.
Dit betekent dat er ten tijde van deze procedure in hoger beroep geen spoedeisend belang aanwezig is ten aanzien van de door de moeder ingediende vorderingen. Er is geen sprake van een situatie waarin onmiddellijk handelen vereist is. De moeder heeft geen belang meer bij de vorderingen die zij in deze procedure heeft ingediend. Het hof komt daarom niet toe aan de inhoudelijke behandeling van deze zaak.
Dit betekent dat het hof de vorderingen van de moeder zal afwijzen.
De proceskosten
3.21.
Het hof ziet aanleiding om, anders dan gebruikelijk in familierechtelijke zaken, de moeder te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de moeder deze procedure nodeloos blijven voeren. Het hof hanteert liquidatietarief II (in hoger beroep).
Het hof zal de moeder in de kosten van het hoger beroep van de vader veroordelen, zijnde:
salaris advocaat – 2 punten x € 1.214,- € 2.428,-
griffierecht € 349,-
totaal € 2.777,-
Het hof is niet duidelijk wat de proceskosten zijn aan de zijde van de GI, die zich niet laat vertegenwoordigen door een advocaat, daarom begroot het hof de proceskosten van de GI op nihil.
4De uitspraak
Het hof:
wijst de door de moeder ingediende vorderingen in hoger beroep af;
veroordeelt de moeder in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de vader op € 2.428,- aan salaris advocaat en op € 349,- aan griffierecht en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de GI op nihil;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.M. Goes, A.M. Bossink en M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 december 2025.
griffier rolraadsheer
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.352.068/01
arrest van 16 december 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
appellante,
hierna aan te duiden als de moeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de vader,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers,
en
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de GI (Gecertificeerde Instelling),
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de raad.
op het bij exploot van dagvaarding van 24 december 2024 en bij herstelexploot van dagvaarding van 11 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van
4 december 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/427777 / KG ZA 24-507 gewezen tussen de moeder als eiseres en de vader en de GI als gedaagden.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/427777 / KG ZA 24-507)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 4 december 2024.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 24 december 2024 van de moeder;
het herstelexploot van 11 februari 2025 van de moeder;
de memorie van grieven van de moeder, met producties;
de memorie van antwoord van de vader, met productie;
het H12-formulier van de advocaat van de vader van 7 november 2025, met productie;
de memorie van antwoord van de GI, met producties;
het procesdossier uit eerste aanleg en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 20 november 2024, overgelegd door de moeder;
2.2.
In de zaak is een mondelinge behandeling bepaald. Deze is gehouden op 20 november 2025. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. J. Koenen (waarnemend advocaat) en voor wie als tolk in de Russische taal heeft opgetreden [persoon A] (tolknummer 17767);
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [persoon B] en [persoon C] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [persoon D] .
2.3.
Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [kind A] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.4.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken van de eerste aanleg en hetgeen op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht.
3De beoordeling
De feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.
Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader is geboren:
- [kind A] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] (hierna: [kind A] ).
3.3.
[kind A] is door de vader erkend.
3.4.
[kind A] is met ingang van 4 november 2019 onder toezicht gesteld van de GI tot
4 november 2020. [kind A] is opnieuw onder toezicht gesteld van de GI met ingang van
24 augustus 2023. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd en loopt op dit moment tot 5 december 2025. De laatste verlengingsbeslissing is door dit hof bekrachtigd bij beschikking van 28 augustus 2025. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat er ten aanzien van de ondertoezichtstelling opnieuw een verzoek tot verlenging is ingediend. De uitkomst van deze procedure is het hof op het moment van deze beschikking niet bekend.
3.5.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 21 april 2021 de ouders gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [kind A] . Deze beslissing is door het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 21 december 2022 bekrachtigd.
3.6.
[kind A] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 24 augustus 2023 gedurende dag en nacht uit huis geplaatst bij de vader.
3.7.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 14 februari 2024 de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de vader bepaald. De rechtbank heeft in die beslissing het verzoek van de vader tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag naar het eenhoofdig ouderlijk gezag afgewezen.
De dagvaardingsprocedure in eerste aanleg
3.8.
In eerste aanleg heeft de moeder gevorderd, om bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:
a: primair, te bepalen dat [kind A] voorlopig bij de moeder wordt geplaatst, en indien plaatsing bij de moeder niet mogelijk is, te gelasten dat [kind A] binnen het netwerk van de moeder wordt geplaatst, zodat zij niet langer wordt blootgesteld aan de onveilige situatie bij de vader;
b. subsidiair, de omgang vindt plaats zonder begeleiding van enige derde;
c. te bepalen dat de omgang tussen de moeder en [kind A] in de woning van de moeder mag plaatsvinden, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen termijn wanneer de omgang in de woning van de moeder mag plaatsvinden;
d. een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de moeder [kind A] bij zich mag hebben, ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur, althans een door de rechtbank te bepalen omgangsregeling, waarbij de vader [kind A] brengt en ophaalt;
e. te bepalen dat de moeder het recht heeft [kind A] in de zomervakantie gedurende een aaneengesloten periode van drie weken, de helft van de overige schoolvakanties bij zich te hebben, de helft van de feestdagen, oud en nieuw, Moederdag, verjaardag van [kind A] , verjaardag van moeder, brengen een dag voor verjaardag om 17.00 uur;
f. meer subsidiair: een zorgregeling vast te stellen, waarbij er binnen een maand wordt toegewerkt naar een regeling waarin [kind A] ieder weekend van vrijdag tot zondag bij de moeder verblijft en waarbij tevens de helft van de schoolvakanties bij de moeder wordt doorgebracht. De moeder stelt voor om de zorgregeling stapsgewijs op te bouwen, volgens het volgende schema:
- met ingang van 20 december 2024 wekelijks omgang tussen de moeder en [kind A] op woensdag en zondag van 14.00 uur tot 18.00 uur;
- met ingang van 20 januari 2024 wekelijks omgang tussen de moeder en [kind A] op woensdag van 14.00 uur tot 18.00 uur en zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur;
- met ingang van 20 februari 2024 wekelijks omgang tussen de moeder en [kind A] van vrijdag 15.00 uur tot zaterdag 19.00 uur;
- met ingang van 20 maart 2024 wekelijks omgang tussen de moeder en [kind A] van vrijdag 15.00 uur tot zondag 19.00 uur;
althans een door de rechtbank te bepalen omgangsregeling en opbouw;
g. te bepalen dat er in de moedertaal van de moeder mag worden gecommuniceerd tijdens de omgangsmomenten zonder enige beperking of belemmering;
h. te bepalen dat de moeder en [kind A] doordeweeks onbelemmerd en zonder de aanwezigheid van derden, vader via WhatApp, telefoon of beeldbellen contact met elkaar kunnen hebben, zonder enige restricties, althans een door de rechtbank vast te stellen contactregeling middels beeldbellen of andere vormen van communicatie;
i. meer, meer subsidiair, te bepalen dat de omgangsmomenten tussen [kind A] en de moeder iedere week onbegeleid plaatsvinden, gedurende minimaal vier uren, zonder restricties en waarbij de moeder vrij is om de invulling van deze omgangsmomenten te bepalen, op dagen en tijdstippen die in onderling overleg worden vastgesteld, althans dagen en tijdstippen die door de rechtbank worden bepaald;
j. nog meer subsidiair, te bepalen dat de omgangsmomenten zo spoedig mogelijk onbegeleid dienen plaats te vinden, en dat begeleide omgang uitsluitend wordt voortgezet zolang dit strikt noodzakelijk is. Onder “strikt noodzakelijk” dient te worden verstaan: alleen indien er gegronde, objectieve en op feiten gebaseerde zorgen bestaan over de veiligheid of het welzijn van [kind A] tijdens de omgang. Dit dient te worden onderbouwd met relevante documentatie en moet een einddatum bevatten, althans een door de rechtbank te bepalen termijn voor de begeleide omgang;
k. te bepalen dat een bijzondere curator wordt benoemd die de minderjarige in en buiten recht kan vertegenwoordigen in de bodemprocedure met zaaknummer 200.342.113/01;
l. te bepalen dat een onafhankelijke (forensische) BIG-geregistreerde kinderpsycholoog wordt benoemd, voor onderzoek naar [kind A] in de bodemprocedure met zaaknummer 200.342.113/01, waarbij de ouders hun volledige medewerking dienen te verlenen, bij gebreke waarvan de te geven beschikking in de plaats treedt van de medewerking van de ouders;
m. te bepalen dat de GI/de vader een geldig telefoonnummer (niet WhatsApp) van [kind A] aan de moeder bekend maakt; onder verbeurte van een dwangsom ad € 300,- voor iedere dag, een gedeelte daaronder begrepen, althans in goede justitie te bepalen bedrag;
n. met verbeurte van een dwangsom van € 300,- per dag, een gedeelte daaronder begrepen, althans in goede justitie te bepalen bedrag, indien de GI en de vader zich niet aan voornoemde regeling a, b, c, d, e, f, g, h, i en j houdt.
3.9.
De vader en de GI hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van de moeder en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen.
3.10.
Bij bestreden vonnis in kort geding van 4 december 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de moeder onder a t/m n afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
Het verdere verloop
3.11.
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 19 maart 2025 voornoemde beschikking van de rechtbank van 14 februari 2024 (zie hiervoor onder 3.7) bekrachtigd, waarmee de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de vader is gebleven.
3.12.
Bij beschikking van 26 september 2025 heeft de rechtbank de vader voortaan met het eenhoofdig gezag over [kind A] belast.
De verzoeken van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgverdeling / omgangsregeling zijn door de rechtbank afgewezen.
De dagvaardingsprocedure in hoger beroep
3.13.
De moeder vordert in hoger beroep om het vonnis van 4 december 2024 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de moeder alsnog toe te wijzen, alsook een onafhankelijk en grondig onderzoek te gelasten naar de signalen die [kind A] geeft en om passende beschermende maatregelen te treffen om het welzijn en de veiligheid van [kind A] te garanderen, op basis van de nieuwe feiten een herziening van de verblijfplaats van [kind A] noodzakelijk te maken en deze bij de moeder te bepalen met waarborgen dan wel in het netwerk van de moeder.
3.13.1.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de vorderingen onder a, f, k en l, zoals die zijn opgenomen in de dagvaarding in kort geding, ingetrokken. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verder verduidelijkt welke vordering(en) onder primair en/of subsidiair en/of meer subsidiair vallen.
Daarnaast heeft de moeder de volgende vorderingen ingetrokken, zoals door de moeder geformuleerd in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep:
“en om passende beschermende maatregelen te treffen om het welzijn en de veiligheid van [kind A] te garanderen, en op basis van de nieuwe feiten een herziening van de verblijfplaats van [kind A] noodzakelijk te maken en deze bij de moeder te bepalen met waarborgen dan wel in het netwerk van de moeder”.
3.13.2.
Dit betekent dat de vorderingen van de moeder, naar het hof begrijpt, in hoger beroep als volgt luiden (waarbij voor de leesbaarheid de oorspronkelijke nummers van de vorderingen worden weergegeven):
de moeder vordert in hoger beroep om het vonnis van 4 december 2024 te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de moeder alsnog toe te wijzen,
primair:
- de omgang vindt plaats zonder begeleiding van enige derde (oorspronkelijke vordering b);
- een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de moeder [kind A] bij zich mag hebben, ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur, althans een door het hof te bepalen omgangsregeling, waarbij de vader [kind A] brengt en haalt (oorspronkelijke vordering d);
subsidiair:
- te bepalen dat de omgangsmomenten tussen [kind A] en de moeder iedere week onbegeleid plaatsvinden, gedurende minimaal vier uren, zonder restricties en waarbij de moeder vrij is om de invulling van deze omgangsmomenten te bepalen, op dagen en tijdstippen die in onderling overleg worden vastgesteld, althans dagen en tijdstippen die door het hof worden bepaald (oorspronkelijke vordering i);
meer subsidiair:
- te bepalen dat de omgangsmomenten zo spoedig mogelijk onbegeleid dienen plaats te vinden, en dat begeleide omgang uitsluitend wordt voortgezet zolang dit strikt noodzakelijk is. Onder “strikt noodzakelijk” dient te worden verstaan: alleen indien er gegronde, objectieve en op feiten gebaseerde zorgen bestaan over de veiligheid of het welzijn van [kind A] tijdens de omgang. Dit dient te worden onderbouwd met relevante documentatie en moet een einddatum bevatten, althans een door het hof te bepalen termijn voor de begeleide omgang (oorspronkelijke vordering j);
in alle gevallen (zowel primair, subsidiair als meer subsidiair):
- te bepalen dat de omgang tussen de moeder en [kind A] in de woning van de moeder mag plaatsvinden, althans een door het hof in goede justitie te bepalen termijn wanneer de omgang in de woning van de moeder mag plaatsvinden (oorspronkelijke vordering c);
- te bepalen dat de moeder het recht heeft [kind A] in de zomervakantie gedurende een aaneengesloten periode van drie weken, de helft van de overige schoolvakanties bij zich te hebben, de helft van de feestdagen, oud en nieuw, Moederdag, verjaardag van [kind A] , verjaardag van moeder, brengen een dag voor verjaardag om 17.00 uur (oorspronkelijke vordering e);
- te bepalen dat er in de moedertaal van de moeder mag worden gecommuniceerd tijdens de omgangsmomenten zonder enige beperking of belemmering (oorspronkelijke vordering g);
- te bepalen dat de moeder en [kind A] doordeweeks onbelemmerd en zonder de aanwezigheid van derden, vader via WhatApp, telefoon of beeldbellen contact met elkaar kunnen hebben, zonder enige restricties, althans een door het hof vast te stellen contactregeling middels beeldbellen of andere vormen van communicatie (oorspronkelijke vordering h);
- te bepalen dat de GI/de vader een geldig telefoonnummer (niet WhatsApp) van [kind A] aan de moeder bekend maakt; onder verbeurte van een dwangsom ad € 300,- voor iedere dag, een gedeelte daaronder begrepen, althans in goede justitie te bepalen bedrag (oorspronkelijke vordering m);
- met verbeurte van een dwangsom van € 300,- per dag, een gedeelte daaronder begrepen, althans in goede justitie te bepalen bedrag, indien de GI en de vader zich niet aan voornoemde regeling b, c, d, e, g, h, i en j houdt (oorspronkelijke vordering n);
en, zoals in hoger beroep gevorderd, een onafhankelijk en grondig onderzoek te gelasten naar de signalen die [kind A] geeft.
3.13.3.
De moeder formuleert de volgende grieven. De moeder heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen. De moeder heeft concrete en recente signalen van onveiligheid van [kind A] naar voren gebracht die maken dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Ook is de spoedeisendheid gelegen in de wens van de moeder te komen tot contactherstel. De moeder wil bovendien omgang met [kind A] . Juist omdat de uitvoering van de omgang is gestagneerd, had de voorzieningenrechter moeten onderzoeken of een andere, lichtere omgangsvorm alsnog mogelijk was. Het is bovendien niet redelijk van de moeder te verlangen dat zij zich onderwerpt aan de regie van de GI die zij als partijdig en onduidelijk in haar handelen en motieven ervaart. Verder is van belang dat [kind A] een sterke wens heeft om bij haar moeder te wonen en contact met de moeder te hebben. Het is in dat verband ook belangrijk dat de moeder en [kind A] op een natuurlijke wijze kunnen communiceren in de door hen gedeelde moedertaal. De moeder kan zich daarom niet vinden in het controleren van de gesprekken zonder doel en eindpunt. Hier hoort ook bij dat de moeder een telefoonnummer krijgt van [kind A] zodat zij laagdrempelig kunnen communiceren. De moeder kan zich op dit moment niet conformeren aan het door de GI voorgestelde traject, omdat dit voor de moeder met haar werk niet valt te combineren. De moeder stelt voor dat de raad nader onderzoek doet naar de situatie.
3.14.
De vader concludeert dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter dient te bevestigen en dat de moeder in hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard althans dat dit beroep dient te worden afgewezen. Ook het verzoek van de moeder tot het instellen van een onderzoek naar [kind A] dient te worden afgewezen.
3.14.1.
De vader voert het volgende aan. De vader betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang. De vorderingen zijn achterhaald. De feiten en omstandigheden zijn sinds het vonnis veranderd. De moeder laat een stelselmatig patroon zien van beroep aantekenen tegen iedere beschikking. De vader en [kind A] leven bovendien constant in angst dat de moeder [kind A] opnieuw meeneemt naar het buitenland. De vader is niet tegen contact tussen [kind A] en de moeder. Het moet wel veilig zijn voor [kind A] . De vader wil dat er rust komt voor [kind A] en dat komt er alleen als de moeder mee gaat werken.
3.15.
De GI voert het volgende aan. Er is een plan opgesteld om het contact tussen de moeder en [kind A] op te bouwen, maar de moeder werkt daar niet aan mee en stelt daar eigen voorwaarden aan. De vraag is wat er nu nog verwacht kan worden van de GI met betrekking tot het realiseren van structureel contact tussen [kind A] en de moeder wanneer de moeder niet in staat is om de wensen van [kind A] te respecteren en zich te committeren aan de (onderbouwde) voorwaarden die de GI stelt.
3.16.
De raad voert het volgende aan. [kind A] is erg belast met loyaliteitsproblematiek en [kind A] weet dat de moeder wil horen dat het bij de vader niet goed is. Het is belangrijk dat de situatie waarin partijen verkeren stopt en dat de procedures stoppen. [kind A] wordt hiermee belast en moet rust krijgen. De raad adviseert de moeder om mee te werken met de GI om een vorm van contact te kunnen realiseren. Contact tussen de moeder en [kind A] is belangrijk, maar moet op een goede en veilige manier plaatsvinden. De raad ziet tenslotte geen reden voor een onderzoek zoals door de moeder is voorgesteld. De raad adviseert het hof alle vorderingen van de moeder af te wijzen.
De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.17.
Het hof overweegt als volgt.
Spoedeisend belang
3.18.
In hoger beroep moet de rechter, net als in eerste aanleg, ambtshalve vaststellen of er, in dit geval, aan de zijde van de moeder sprake is van een actueel spoedeisend belang bij haar vordering (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002: AE3437). Hierbij maakt het niet uit of in eerste aanleg wel of niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3437).
3.19.
Een kort geding-procedure heeft tot doel het treffen van voorlopige ordemaatregelen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken wanneer het belang van een partij onmiddellijk handelen vereist en de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
3.20.
Gebleken is dat er sinds het bestreden vonnis van 4 december 2024 twee uitspraken in bodemprocedures zijn gedaan die rechtstreeks verband houden met de vorderingen die thans door de moeder in het kader van deze kort geding-procedure aan het hof ter beoordeling voor zijn gelegd (kort gezegd: contact en omgang tussen de moeder en [kind A] en een te gelasten onderzoek).
Bij beschikking van 19 maart 2025 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 februari 2024 bekrachtigd waarin de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de vader is bepaald. Het verzoek van de moeder ten aanzien van, voor zover thans van belang, het gelasten van een NIFP-onderzoek dan wel het benoemen van een bijzondere curator is afgewezen.
Bij beschikking van 26 september 2025 heeft de rechtbank de vader met het eenhoofdig gezag over [kind A] belast. De verzoeken van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgverdeling/omgangsregeling zijn door de rechtbank afgewezen. In die laatste beschikking heeft de regchtbank overwogen dat contactherstel nog steeds onder regie van de GI moet plaatsvinden en niet, omdat de moeder weigert daaraan mee te werken, dan maar te bepalen dat [kind A] elk weekend bij de moeder is, zoals zij verzoekt.
Dit betekent dat er ten tijde van deze procedure in hoger beroep geen spoedeisend belang aanwezig is ten aanzien van de door de moeder ingediende vorderingen. Er is geen sprake van een situatie waarin onmiddellijk handelen vereist is. De moeder heeft geen belang meer bij de vorderingen die zij in deze procedure heeft ingediend. Het hof komt daarom niet toe aan de inhoudelijke behandeling van deze zaak.
Dit betekent dat het hof de vorderingen van de moeder zal afwijzen.
De proceskosten
3.21.
Het hof ziet aanleiding om, anders dan gebruikelijk in familierechtelijke zaken, de moeder te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de moeder deze procedure nodeloos blijven voeren. Het hof hanteert liquidatietarief II (in hoger beroep).
Het hof zal de moeder in de kosten van het hoger beroep van de vader veroordelen, zijnde:
salaris advocaat – 2 punten x € 1.214,- € 2.428,-
griffierecht € 349,-
totaal € 2.777,-
Het hof is niet duidelijk wat de proceskosten zijn aan de zijde van de GI, die zich niet laat vertegenwoordigen door een advocaat, daarom begroot het hof de proceskosten van de GI op nihil.
4De uitspraak
Het hof:
wijst de door de moeder ingediende vorderingen in hoger beroep af;
veroordeelt de moeder in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de vader op € 2.428,- aan salaris advocaat en op € 349,- aan griffierecht en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de GI op nihil;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.M. Goes, A.M. Bossink en M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 december 2025.
griffier rolraadsheer