Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3512
2025-12-09
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
200.340.801_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Rekening en verantwoording door kleindochter? Is er sprake van volmacht of financieel beheer?
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:1994:ZC1561 Hoge Raad 02-12-1994
- ECLI:NL:HR:1995:ZC1911 Hoge Raad 08-12-1995
- ECLI:NL:HR:2014:1089 Hoge Raad 09-05-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.039 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.340.801/01
arrest van 9 december 2025
in de zaak van
[appellante]
,
in haar hoedanigheid van executeur afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [persoon A],
kantoorhoudende te Arnhem,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te ’s-Hertogenbosch,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.R. Baetens te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 juni 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/386840 / HA ZA 22-576 gewezen vonnis van 31 januari 2024.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 18 juni 2024;
de akte uitlating mondelinge behandeling na aanbreng van 4 juni 2025;
een brief van de zijde van [geïntimeerde] ;
een brief van de zijde van [appellante] ;
de memorie van grieven met producties 1 tot en met 14;
de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep, met producties 15 tot en met 31;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
een usb-stick met ontbrekende bijlagen bij de memorie van grieven;
de producties 14 en 15 van de zijde van [appellante] die bij de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht;
de mondelinge behandeling.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de in de tussenarresten genoemde en hiervoor genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6De beoordeling
In principaal en incidenteel hoger beroep
De kern van het geschil
6.1.
Het gaat in deze zaak over de afwikkeling van de nalatenschap van [persoon A] . De vraag die voorligt is of [geïntimeerde] is gehouden om rekening en verantwoording af te leggen en of zij, al dan niet als gevolmachtigde, zonder toestemming bedragen aan de bankrekening van erflaatster heeft onttrokken en daarom onrechtmatig heeft gehandeld.
Het hof komt net als de rechtbank tot het oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat [geïntimeerde] gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen. Dat er sprake is van onrechtmatige onttrekkingen door [geïntimeerde] heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd.
De feiten
6.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.2.1.
Op 18 september 2003 is [persoon B] (hierna: erflater) overleden. Hij was op dat moment in algehele gemeenschap van goederen getrouwd met [persoon A] (hierna: erflaatster). Erflaatster is op 18 december 2019 in [A] overleden, en was op dat moment ongehuwd en niet als partner geregistreerd.
6.2.2.
Tijdens het huwelijk van erflater en erflaatster zijn vier kinderen geboren: [kind A] , [kind B] ,
[kind C] en [kind D] .
6.2.3.
Erflaatster had vijf kleinkinderen, te weten: [kleinkind A] en [kleinkind B] (dochters van [kind A] ), [kleinkind C] (zoon van [kind C] ), en [geïntimeerde] en [kleinkind D] (dochter en zoon van [kind D] ).
6.2.4.
Op 3 juli 2014 heeft erflaatster aan [kind A] een notariële volmacht gegeven voor het behartigen van haar financiële belangen.
6.2.5.
Op enig moment is het contact tussen [kind A] , [kind B] , en [kind C] enerzijds en erflaatster anderzijds verbroken, althans ernstig verminderd.
6.2.6.
Erflaatster heeft tot 20 augustus 2016 in haar koopwoning aan [adres] gewoond.
6.2.7.
Erflaatster heeft op 20 augustus 2016 een herseninfarct gehad, waarna zij - na een kort verblijf in een revalidatiecentrum - een appartement heeft bewoond van woonzorgorganisatie
Het Laar in [A] .
6.2.8.
Op 23 september 2016 heeft [kind A] de volmacht die erflaatster aan hem heeft gegeven doorgegeven aan [kind B] .
6.2.9.
Bij e-mail van 3 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] onder meer aan [kind B] en [kind C] geschreven:
‘Op aanvraag van oma heeft zij mij aangesteld als gevolmachtigde. Dit omdat ik altijd achter oma en haar belangen/keuzes zal staan zonder eigen belangen en die van mijn familie voorop te stellen, want er is maar een kant die ik kies, en dat is oma. Nu er weer een hoop gebeurd is afgelopen tijd wil oma nu een ding: rust.
Geen bezoek meer, geen contact, gewoon rust. Ze zit nog drie weken in Damast en er moet een hoop geregeld worden voor haar vertrek. Ze heeft zelf aangegeven hoe ze het wil hebben en dat is het enige wat telt toch?’
6.2.10.
[kind D] heeft in oktober 2016 een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis (hierna: VT)
vanwege de relatie tussen erflaatster en zijn broers.
6.2.11.
Korte tijd later heeft [kind B] een zorgmelding gedaan bij VT. Naar aanleiding van de zorgmelding heeft VT in een e-mail van 21 maart 2017 aan erflaatster bericht (productie 17 hoger beroep):
‘Het doet u verdriet dat u geen contact heeft met zonen [kind A] , [kind B] , [kind C] en hun kinderen.(…)
U vindt het erg dat uw zonen geprobeerd hebben u voor gek (wilsonbekwaam) te verklaren. Dat heeft u gelukkig kunnen terugdraaien. U vindt het ook erg dat [kind B] heeft uitgesproken dat u heeft gekozen voor één kind, en tegen drie kinderen. Dat is niet hoe u het voelt. (…) Ondanks dit alles bent u bereid om het contact te herstellen. U stelt wel voorwaarden aan het contact:
(Hof: dat de kinderen zelf contact opnemen, normaal en gezellig contact, stoppen met zwart maken of negatief praten over [kind D] en zijn gezin, geen oude koeien uit de sloot omdat dit emotioneel te belastend is, geld terug dat [kind A] , [kind C] en [kind D] van de rekening van erflaatster hebben gehaald).
U heeft in ons gesprek tevens te kennen gegeven over uw eigen geld te beschikken; er is niemand die u dwingt uitgaven te doen die u niet wenst. Veilig Thuis mag daarover contact opnemen met [bank A] ( [persoon C] ).
U heeft uw kleindochter [geïntimeerde] zelf gevraagd contactpersoon te zijn tussen u en de familieleden.’
6.2.12.
VT heeft daarna in de brief van 21 april 2017 het volgende aan [kind D] geschreven:
‘Veilig Thuis Midden-Brabant is een onderzoek gestart naar aanleiding van de zorgmelding door uw broer [kind B] over een vermoeden van geestelijke mishandeling en financiële uitbuiting van uw moeder door u.
Uit onderzoek door Veilig Thuis Midden-Brabant blijkt dat de zorgen niet worden bevestigd.
Het onderzoek heeft bestaan uit een gesprek met u, uw moeder en uw broer [kind B] . Daarnaast zijn de volgende informanten benaderd: [persoon C] van [bank A] en [persoon D] van [xx] Notariaat. Ook is [persoon E] van Het Laar eenmaal aangesloten bij onze gesprekken.
De informanten hebben bevestigd dat uw moeder wilsbekwaam is en zelf zorg draagt voor haar financiën. Er is niemand, behalve zij zelf bevoegd om financiële handelingen te doen.’
Op diezelfde datum heeft VT een brief met vergelijkbare inhoud naar erflaatster gestuurd.
6.2.13.
Bij testament van 17 november 2016 heeft erflaatster haar kleinkinderen tot haar enige erfgenamen benoemd en [geïntimeerde] samen met notaris [persoon F] (hierna: [persoon F] ) tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Op 17 november 2016 heeft zij de eerder aan [kind A] verleende volmacht ingetrokken.
6.2.14.
[geïntimeerde] heeft de benoeming tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder niet aanvaard.
[persoon F] heeft dat wel gedaan.
6.2.15.
Alle kleinkinderen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. [kind A] , [kind B] en [kind C] hebben een beroep gedaan op de legitieme portie.
6.2.16.
In 2021 heeft [persoon F] [appellante] , notaris in [B] , als executeur-afwikkelings-bewindvoerder in zijn plaats gesteld, nadat [kind A] een klacht tegen hem had ingediend. [appellante]
heeft de indeplaatsstelling aanvaard.
6.2.17.
[persoon F] en [appellante] hebben [geïntimeerde] per e-mail gevraagd om bepaalde bestedingen en pinopnames vanaf de bankrekening van erflaatster toe te lichten. [geïntimeerde] heeft hierop gereageerd. [appellante] is vervolgens deze procedure gestart tegen [geïntimeerde] .
6.2.18.
In augustus 2024 is [kind A] overleden.
De vorderingen van partijen en de beslissingen van de rechtbank
6.3.1.
[appellante] heeft bij de rechtbank gevorderd om [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan de nalatenschap van een bedrag van € 46.212,11, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten van de procedure.
6.3.2.
Op hetgeen [appellante] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [geïntimeerde] gevoerde verweren zal het hof, voor zover in hoger beroep van belang, hierna ingaan.
6.3.3.
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd om [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans deze vordering van [appellante] af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.
6.3.4.
In het eindvonnis van 31 januari 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen en de kosten van de procedure gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank heeft geoordeeld:
a. dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van een wettelijke of uit een rechtshandeling voortvloeiende verplichting tot rekening en verantwoording;
b. dat [appellante] onvoldoende feiten heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat erflaatster tijdens haar leven niet meer in staat was haar eigen financiën te behartigen of daarop toezicht te houden en dat van beheer, en daarmee van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording dan ook geen sprake was;
c. dat niet gebleken is dat de geestelijke toestand van erflaatster na de berichtgeving van VT van 21 april 2017 dusdanig is verslechterd is dat erflaatster haar eigen financiën niet meer kon behartigen of daarop (toe)zicht kon houden;
d. dat ook als aangenomen moet worden dat sprake is geweest van beheer, het voorgaande betekent dat erflaatster geacht moet worden in staat te zijn geweest om de handelingen van [geïntimeerde] te overzien, zodat in beginsel moet worden aangenomen dat erflaatster instemde met de bestedingen en pinopnames;
e. dat [appellante] haar stellingen dat [geïntimeerde] betalingen en opnames ten behoeve van zichzelf heeft verricht die wat betreft hun aard en/of omvang niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster onvoldoende heeft onderbouwd;
f. dat [geïntimeerde] aan de hand van het overzicht (productie 7) voldoende concrete verklaringen heeft gegeven voor een groot deel van de ter discussie staande betalingen en pinopnames en dat [geïntimeerde] onweersproken heeft verklaard dat er ook nog kosten en lasten waren voor de koopwoning van erflaatster.
Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep
6.4.1.
[appellante] heeft in principaal hoger beroep vier grieven aangevoerd. Deze grieven richten zich kort gezegd tegen de hiervoor onder a tot en met f genoemde oordelen waaronder de oordelen dat [appellante] te weinig heeft gesteld:
- op grond waarvan kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] is gehouden om rekening en verantwoording af te leggen;
- die de conclusie rechtvaardigen dat erflaatster tijdens haar leven niet meer in staat was om haar eigen financiën te behartigen en daarop toezicht te houden.
Zij vordert het hof om, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen en voor zover beroep de vordering van [appellante] alsnog integraal toe te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
6.4.2.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep de grieven weersproken. Zij vordert [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar vorderingen af te wijzen, met bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg.
In incidenteel hoger beroep vordert zij veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.
6.4.3.
[appellante] vordert in incidenteel hoger beroep om, uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] af te wijzen.
De beoordeling in principaal hoger beroep
Is/was [geïntimeerde] gehouden tot het doen van rekening en verantwoording?
6.5.1.
[appellante] legt aan haar stelling dat [geïntimeerde] is/was gehouden om rekening en verantwoording af te leggen ten eerste ten grondslag dat [geïntimeerde] sinds oktober 2016 gevolmachtigde is van erflaatster en als zodanig handelt. Ter onderbouwing van deze stelling beroept zij zich op de inhoud van een e-mail van 3 oktober 2016 (zie hiervoor 6.2.9) van [geïntimeerde] aan [kind B] en [kind C] .
[appellante] baseert de verplichting van [geïntimeerde] om rekening en verantwoording af te leggen daarnaast op de stellingen dat erflaatster nooit zelfstandig haar financiën heeft beheerd anders dan - tot aan haar CVA - het pinnen van geld en dat zij daartoe ook niet in staat was gelet op de volgende feiten en omstandigheden. Tijdens het huwelijk voerde erflaters echtgenoot altijd het beheer over de financiën en na diens overlijden [kind A] . Erflaatster pinde geld waarmee zij haar boodschappen betaalde. De maandelijkse lasten voldeed [kind A] via een machtiging of Girokaarten. Behalve deze geldopnames bij [bank A] , waren er geen pinopnames. Er werd niet ingeteerd op spaargeld. Dit verandert als [geïntimeerde] in beeld komt. Volgens [appellante] was erflaatster niet in staat om haar financiën te overzien, laat staat haar bankafschriften te ontvangen, te bekijken, te controleren en in een map te bewaren en ook niet om een eventuele gevolmachtigde ter verantwoording te roepen. Erflaatster had een CVA gehad en woonde met een indicatie voor verblijf met zorg in zorgcentrum Het Laar. Zij was een kwetsbare, zeer afhankelijke dame en halfzijdig verlamd. Zij was functioneel analfabeet, kon nauwelijks Nederlands lezen en niet/slecht Nederlands schrijven. Zij was niet in staat om een eenvoudig formulier in te vullen en sprak met een zwaar Pools-Duits accent het Brabants dialect. Ter onderbouwing van deze stellingen verwijst [appellante] naar de ingesproken berichten/uitnodiging voor de verjaardag op de USB Stick en naar een pagina van de website van zorgcentrum Het Laar.
[appellante] beroept zich tot slot op het bestaan van een rekenings- en verantwoordingsplicht, omdat [geïntimeerde] naar aanleiding van het verzoek van [persoon F] om een toelichting op de bestedingen nooit heeft ontkend dat zij opnames van de bankrekening heeft gedaan en omdat er in haar ogen onverklaarbare opnames zijn of op een andere wijze geld werd besteed.
6.5.2.
[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellante] weersproken. Zij heeft aangevoerd dat zij steeds met klem heeft ontkend het financiële beheer over het vermogen van erflaatster te hebben gevoerd. Om die reden meent [geïntimeerde] niet gehouden te zijn tot enige rekening en verantwoording jegens de executeur. Van een financiële volmacht was geen sprake. Erflaatster was prima in staat om haar eigen financiën te behartigen en daarop toezicht te houden. Tijdens het beheer van [kind A] pinde hij geld voor erflaatster en gaf hij haar dit geld (zoals blijkt uit productie 22 eerste aanleg, zijnde een e-mail van [appellante] aan [kind D] , [geïntimeerde] en [kleinkind D] ). Erflaatster beschikte in die periode niet zelf over een betaalpas. Na intrekking van de volmacht aan [kind A] , kreeg erflaatster zelf weer de beschikking over haar financiën en daarmee haar betaalpas terug. Het is niet juist dat zij slecht Nederlands sprak. Erflaatster zat in een rolstoel maar was niet halfzijdig verlamd en was in staat om haar bankafschriften in te zien en te controleren. Erflaatster woonde zelfstandig in Het Laar en kon desgewenst gebruik maken van thuiszorg en bepaalde faciliteiten en activiteiten.
6.5.3.
Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen als tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan op grond waarvan de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (zie HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274).
Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (zie HR 9 mei 2024, ECLI:NL:HR:2014:1089, rov. 3.6).
6.5.4.
Het hof dient daarom te beoordelen of sprake is van een uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht voortvloeiende rechtsverhouding tussen erflaatster en [geïntimeerde] op grond waarvan [geïntimeerde] is/was gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording.
De bewijslast hiervoor rust op [appellante] . Zij beroept zich (slechts) op het rechtsgevolg.
Dat sprake is van een op de wet gegronde rechtsverhouding die verplicht tot een algehele rekening en verantwoording is gesteld noch gebleken. [appellante] stelt enerzijds dat [geïntimeerde] het beheer van de financiën had op basis van een volmacht en anderzijds - samengevat - dat [geïntimeerde] het beheer heeft gevoerd gelet op de feitelijke gang van zaken, omdat erflaatster dit niet kon en vanwege het verloop van de bankrekeningen tijdens en na de volmacht van [kind A] .
Volmacht
6.5.5.1. Niet gesteld is dat erflaatster een schriftelijke volmacht aan [geïntimeerde] heeft gegeven om haar financiën te beheren. De vraag is of sprake was van een mondelinge volmacht. Anders dan [appellante] meent, kan naar het oordeel van het hof uit de e-mail van 3 oktober 2016 niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] aangeeft gevolmachtigde te zijn én als zodanig erflaatsters financiën te behartigen. Voor deze conclusie bieden de bewoordingen in voormelde e-mail (zie 6.2.9.):
‘Dit omdat ik altijd achter oma en haar belangen/keuzes zal staan zonder eigen belangen en die van mijn familie voorop te stellen. Nu er weer een hoop gebeurd is afgelopen tijd wil oma nu een ding: rust. Geen bezoek meer, geen contact, gewoon rust. Ze zit nog drie weken in Damast en er moet een hoop geregeld worden voor haar vertrek. Ze heeft zelf aangegeven hoe ze het wil hebben en dat is het enige wat telt toch?’ geen aanknopingspunten.
Deze bewoordingen ondersteunen daarentegen wel de toelichting van [geïntimeerde] dat erflaatster haar heeft gevraagd contactpersoon te zijn binnen de intussen gebrouilleerde familie, hetgeen binnen de familie door in ieder geval [kind C] ook zo is begrepen (productie 18 hoger beroep) en zoals ook blijkt uit de brief van VT (zie hiervoor onder 6.2.11). De strekking en inhoud van de e-mail duiden er op dat het verzoek van erflaatster aan [geïntimeerde] om als contactpersoon op te treden erop gericht was om rust te verkrijgen in haar laatste periode in Damast, meer in het bijzonder door - in ieder in eerste instantie - af te zien van het afleggen van bezoeken door de familie. De verwijzing door [appellante] tijdens de mondelinge behandeling naar productie 6 bij de conclusie van antwoord (een schrijven van notariskantoor [xx] ), waarin staat: “Conclusie: vanaf bedoelde herroeping is er geen formele volmacht aan iemand afgegeven. Dat laat overigens wel de bewering dat jij de bewindvoerder was (aan de familie) onverlet” leidt niet tot een andere oordeel. Voor zover daarmee wordt verwezen naar de e-mail van [geïntimeerde] van 3 oktober 2016 geldt dat in die e-mail een dergelijke mededeling niet kan worden gelezen. Of en op welk ander moment een mededeling met die strekking zou zijn gedaan, is niet gesteld. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] voor het bestaan van (een verplichting tot rekening en verantwoording op grond van) een volmacht tot beheer van de financiën van erflaatster onvoldoende heeft gesteld.
Feitelijk beheer financiën
6.5.5.2. Ook uit de feitelijke gang van zaken kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] het beheer over de financiën/het vermogen van erflaatster heeft gevoerd om de hierna volgende redenen. [appellante] voert geen concrete feiten en omstandigheden aan waaruit blijkt dat [geïntimeerde] degene was die steeds feitelijk de financiële transacties uitvoerde, betalingen deed en geld pinde, of daarop toezag. Dat heeft [geïntimeerde] ook betwist.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat uit een vergelijking van haar rekening en die van erflaatster blijkt dat er opnames/betalingen zijn gedaan van de rekening van erflaatster, terwijl [geïntimeerde] elders was. [appellante] heeft dit niet weersproken. Integendeel zij heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend geen bewijs te hebben voor haar stelling dat [geïntimeerde] alle bedragen heeft gepind en niet te weten wie de pinpas in de pinautomaat heeft gedaan. Daarmee staat voldoende vast dat behalve [geïntimeerde] ook derden, onder wie bijvoorbeeld [kind D] , zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, met/voor erflaatster opnames hebben gedaan. Niet betwist is dat erflaatster één bankpas had. Deze kan gelet op het vorenstaande niet voortdurend in het bezit van [geïntimeerde] zijn geweest. Deze lag volgens hetgeen [geïntimeerde] onbetwist heeft aangevoerd bij erflaatster in een la. Alleen al om die redenen gaan de stellingen van [appellante] - die erop neerkomen dat uit het soort opnames of het verloop van bankrekeningen kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] het feitelijke beheer over de financiën van erflaatster had - niet op. In het licht hiervan kunnen de overige hierop ziende stellingen van [appellante] onbesproken blijven.
[geïntimeerde] heeft daarnaast onder meer als verweer aangevoerd dat erflaatster na intrekking van de volmacht aan [kind A] met [persoon C] van [bank A] de afspraak had dat voor niet reguliere boekingen een handtekening van erflaatster nodig was, dat bijzondere opnames enkel telefonisch door haar konden worden gedaan en dat erflaatster in overleg met haar geld heeft opgestuurd naar haar zieke zus in Oekraïne in die zin dat erflaatster eerst een testbedrag van € 50,-- (productie 25) heeft verzonden waarvan een foto is gemaakt (productie 26) in voorgefrankeerde en geadresseerde enveloppen. [appellante] heeft deze verweren niet althans onvoldoende weersproken. [appellante] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat zij geen navraag heeft gedaan bij [persoon C] over de feitelijke gang van zaken. Zij heeft weliswaar bewijs aangeboden door het horen van [persoon C] over de wijze waarop de financiën van erflaatster (tot haar CVA) beheerd werden maar daarvoor heeft zij in het licht van het vorenstaande en het debat van partijen te weinig gesteld. Zij betwist immers niet de wijze waarop [persoon C] betrokken was en heeft op geen enkele wijze toegelicht wat de rol van [geïntimeerde] in dit verband dan zou zijn geweest. Zij heeft niet voldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] in de betreffende periode structureel vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd.
Dat [geïntimeerde] na het overlijden van erflaatster de vragen van notaris [persoon F] over de transacties heeft getracht te beantwoorden kan, anders dan [appellante] lijkt te veronderstellen, niet als een erkenning van het gestelde beheer worden aangemerkt.
6.5.5.3. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat zij wel eens in opdracht van erflaatster pinopnames heeft gedaan, maar dit leidt niet tot een andere conclusie. Uit het gegeven dat [geïntimeerde] in opdracht van erflaatster (al dan niet in het bijzijn van erflaatster) incidenteel pinopnames heeft gedaan, vloeit geen algehele plicht tot rekening en verantwoording voort voor de door [appellante] genoemde bedragen, zeker niet ten overstaan van erflaatsters erfgenamen. Dit gegeven zou hoogstens kunnen leiden tot een plicht tot rekening en verantwoording voor de desbetreffende opdracht door [geïntimeerde] aan erflaatster zelf, als al zou kunnen worden vastgesteld om welke opnames het precies gaat, en aan de erfgenamen hoogstens als erflaatster niet in staat was om haar wil te bepalen en niet in staat was de uitgaven te overzien of een derde ter verantwoording te roepen of indien sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden.
6.5.5.4. [appellante] heeft - tegenover de toelichting van [geïntimeerde] over de toestand van erflaatster en de betwisting door [geïntimeerde] van de stelling dat zij de financiën van erflaatster heeft beheerd - ook onvoldoende gesteld voor haar standpunt dat erflaatster zelf nooit/niet in staat was haar financiën te beheren, deze te overzien of een derde tot verantwoording te roepen.
Uit de door [geïntimeerde] als productie 15 in hoger beroep overgelegde e-mail van [kind A] aan [kind D] blijkt het tegendeel. In deze e-mail van 15 mei 2013 staat immers:
‘Ik ga niet over haar geld en wil dat ook graag zo nog lang houden, ze kan zelf nog haar financiën regelen. De enige met wie er daadwerkelijk iets te bespreken valt is ons moeder zelf, ik begreep van je dat je dat ook al gedaan had.’
Deze verklaring van [kind A] sluit aan bij de verslaglegging van VT van 21 maart 2017 waarin staat dat erflaatster te kennen heeft gegeven over haar eigen geld te beschikken en dat niemand haar dwingt uitgaven te doen die zij niet wenst.
Daarbij komt dat erflaatster in 2017 door een VIA-arts wilsbekwaam is beoordeeld en in 2017 de volmacht aan [kind A] en [kind B] heeft ingetrokken op advies van [bank A] .
De door [appellante] aangevoerde omstandigheden (zoals vergevorderde leeftijd, wonen in Het Laar, rolstoel gebondenheid, niet kunnen bankieren en niet zelf willen bankieren en overige persoonlijke omstandigheden en de overgelegde USB-stick met ingesproken uitnodiging voor verjaardag) zijn ontoereikend om het tegendeel aan te nemen en ook om aan te nemen dat de lichamelijke en/of geestelijke toestand van erflaatster na de CVA zodanig is/zijn verslechterd dat erflaatster niet (meer) in staat was tot beheer van haar financiën, deze te overzien of een derde tot verantwoording te roepen. Het is niet aan [appellante] zelf, en al helemaal niet zonder overleg met bij erflaatster betrokken personen, om te concluderen dat erflaatster wilsonbekwaam was ten aanzien van (beheer over) haar financiën.
Van [appellante] had mogen worden verwacht dat zij haar stellingen nader en voldoende concreet had onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van zorgcentrum Het Laar te [A] en/of een arts, te meer omdat zij zelf erflaatster niet kende en [kind A] noch [kind B] noch [kind C] noch hun kinderen [appellante] daarover voldoende hebben kunnen informeren. Nergens uit blijkt dat zij na de betrokkenheid van veilig thuis in 2017 het verbroken contact met hun moeder/oma hebben hersteld en op regelmatige basis contact hebben gehad. Voor zover [appellante] het tegendeel beweert, had het op haar weg gelegen concreet te onderbouwen hoe en wanneer dat contact plaatsvond. Het hof komt dan ook niet toe aan het bewijsaanbod van [appellante] op dit punt (het horen van [kind B] en [kind C] en de zorgcoördinator van Het Laar in verband met de situatie van erflaatster of de wijze waarop de financiën van erflaatster (tot haar CVA) werden beheerd), omdat zij te weinig heeft gesteld. Haar betoog is vrijwel geheel gebaseerd op aannames.
Zoals de rechtbank heeft overwogen is gesteld noch gebleken dat voor erflaatster ooit een beschermingsmaatregel als meerderjarigenbewind of curatele is ingesteld of dat de wilsbekwaamheid van erflaatster vanwege haar (geestelijke) toestand sowieso ter discussie heeft gestaan.
Voor zover [appellante] zich beroept op misbruik van omstandigheden, gaat het hof hieraan voorbij, omdat [appellante] daarvoor enkel stelt dat schaamteloos misbruik is gemaakt van de bankrekening van erflaatster en ter onderbouwing daarvan verwijst naar haar ingenomen - en door het hof verworpen - stellingen.
Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellante] om te bewijzen dat erflaatster niet zelf de bankafschriften van tijd tot tijd bekeek en zelf in een map bewaarde en dat zij daartoe na haar CVA niet in staat was door het doen horen van [kind C] en [kind B] . Het hof komt niet toe aan dit bewijsaanbod, omdat dit niet relevant is. Zelfs als zou komen vast te staan dat zij niet zelf de bankafschriften van tijd tot tijd bekeek of deze zelf in een map bewaarde, dan betekent dat niet dat erflaatster zelf niet in staat was haar financiën te beheren of een derde ter verantwoording te roepen.
6.5.5.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [geïntimeerde] niet gehouden is/was om rekening en verantwoording af te leggen. Daaruit volgt ook dat de conclusie van [appellante] dat alle door [geïntimeerde] niet toereikend verklaarde bankopnamen en bestedingen als onrechtmatig door haar onttrokken moeten worden aangemerkt, een toereikende grondslag ontbeert. Dat betekent dat de grieven overigens onbesproken kunnen blijven en dat de grondslag voor toewijzing van de vordering tot betaling van € 46.212,11 ontbreekt.
De beoordeling in incidenteel hoger beroep
Proceskostenveroordeling in eerste aanleg.
6.6.1.
[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, gelet op de relatie tussen partijen onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 237 Rv.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij kosten voor juridische bijstand heeft moeten maken. [appellante] wordt duidelijk gevoed door het standpunt van drie van de vier zonen van erflaatster, die schuldeisers van de nalatenschap maar geen erfgenamen van erflaatster zijn. [appellante] heeft geweigerd het gesprek met haar te gaan, ook na het vonnis, en heeft daardoor een zorgvuldigheidsnorm geschonden en haar objectiviteit in diskrediet gebracht. Omdat [appellante] ook notaris is, rust op haar een zware zorgvuldigheidsplicht. Daarbij komt dat tussen [appellante] en [geïntimeerde] geen familieband bestaat en de banden met de familie gebrouilleerd zijn.
6.6.2.
[appellante] voert verweer.
6.6.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 237 Rv wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten. De kosten mogen geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten, geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten heeft aanwendde of veroorzaakte.
Anders dan de rechtbank zal het hof [appellante] overeenkomstig de hoofdregel als de in het ongelijk gesteld partij veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg.
Deze kosten zullen worden vastgesteld op:
griffierechten € 1.301,00
salaris advocaat € 2.957,00 + (2,5 punten x tarief IV = € 1.183,00)
Totaal € 4.258,50
Conclusie
6.7.
De grieven in principaal hoger beroep falen dan wel kunnen onbesproken blijven en de grief in incidenteel hoger beroep slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen ten aanzien van de compensatie van de proceskosten en overigens bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep veroordelen in de kosten van de procedure.
De kosten voor de procedure in principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen vastgesteld worden op:
griffierechten € 798,00
salaris advocaat € 6.639,00 (3 punt(en) x tarief IV = € 2.213,00)
nakosten € 178,00 +
Totaal € 7.615,00
7De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats
’s-Hertogenbosch) van 31 januari 2024 voor zover daarin de kosten van de procedure zijn gecompenseerd;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in eerste aanleg van [geïntimeerde] van € 4.258,50;
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats ’s-Hertogenbosch) van 31 januari 2024 voor het overige;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep van [geïntimeerde] van
€ 7.615,00 te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.J. Peters , J.J.M. van Lanen en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 december 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.340.801/01
arrest van 9 december 2025
in de zaak van
[appellante]
,
in haar hoedanigheid van executeur afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [persoon A],
kantoorhoudende te Arnhem,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te ’s-Hertogenbosch,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.R. Baetens te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 juni 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/386840 / HA ZA 22-576 gewezen vonnis van 31 januari 2024.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 18 juni 2024;
de akte uitlating mondelinge behandeling na aanbreng van 4 juni 2025;
een brief van de zijde van [geïntimeerde] ;
een brief van de zijde van [appellante] ;
de memorie van grieven met producties 1 tot en met 14;
de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep, met producties 15 tot en met 31;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
een usb-stick met ontbrekende bijlagen bij de memorie van grieven;
de producties 14 en 15 van de zijde van [appellante] die bij de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht;
de mondelinge behandeling.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de in de tussenarresten genoemde en hiervoor genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6De beoordeling
In principaal en incidenteel hoger beroep
De kern van het geschil
6.1.
Het gaat in deze zaak over de afwikkeling van de nalatenschap van [persoon A] . De vraag die voorligt is of [geïntimeerde] is gehouden om rekening en verantwoording af te leggen en of zij, al dan niet als gevolmachtigde, zonder toestemming bedragen aan de bankrekening van erflaatster heeft onttrokken en daarom onrechtmatig heeft gehandeld.
Het hof komt net als de rechtbank tot het oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat [geïntimeerde] gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen. Dat er sprake is van onrechtmatige onttrekkingen door [geïntimeerde] heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd.
De feiten
6.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.2.1.
Op 18 september 2003 is [persoon B] (hierna: erflater) overleden. Hij was op dat moment in algehele gemeenschap van goederen getrouwd met [persoon A] (hierna: erflaatster). Erflaatster is op 18 december 2019 in [A] overleden, en was op dat moment ongehuwd en niet als partner geregistreerd.
6.2.2.
Tijdens het huwelijk van erflater en erflaatster zijn vier kinderen geboren: [kind A] , [kind B] ,
[kind C] en [kind D] .
6.2.3.
Erflaatster had vijf kleinkinderen, te weten: [kleinkind A] en [kleinkind B] (dochters van [kind A] ), [kleinkind C] (zoon van [kind C] ), en [geïntimeerde] en [kleinkind D] (dochter en zoon van [kind D] ).
6.2.4.
Op 3 juli 2014 heeft erflaatster aan [kind A] een notariële volmacht gegeven voor het behartigen van haar financiële belangen.
6.2.5.
Op enig moment is het contact tussen [kind A] , [kind B] , en [kind C] enerzijds en erflaatster anderzijds verbroken, althans ernstig verminderd.
6.2.6.
Erflaatster heeft tot 20 augustus 2016 in haar koopwoning aan [adres] gewoond.
6.2.7.
Erflaatster heeft op 20 augustus 2016 een herseninfarct gehad, waarna zij - na een kort verblijf in een revalidatiecentrum - een appartement heeft bewoond van woonzorgorganisatie
Het Laar in [A] .
6.2.8.
Op 23 september 2016 heeft [kind A] de volmacht die erflaatster aan hem heeft gegeven doorgegeven aan [kind B] .
6.2.9.
Bij e-mail van 3 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] onder meer aan [kind B] en [kind C] geschreven:
‘Op aanvraag van oma heeft zij mij aangesteld als gevolmachtigde. Dit omdat ik altijd achter oma en haar belangen/keuzes zal staan zonder eigen belangen en die van mijn familie voorop te stellen, want er is maar een kant die ik kies, en dat is oma. Nu er weer een hoop gebeurd is afgelopen tijd wil oma nu een ding: rust.
Geen bezoek meer, geen contact, gewoon rust. Ze zit nog drie weken in Damast en er moet een hoop geregeld worden voor haar vertrek. Ze heeft zelf aangegeven hoe ze het wil hebben en dat is het enige wat telt toch?’
6.2.10.
[kind D] heeft in oktober 2016 een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis (hierna: VT)
vanwege de relatie tussen erflaatster en zijn broers.
6.2.11.
Korte tijd later heeft [kind B] een zorgmelding gedaan bij VT. Naar aanleiding van de zorgmelding heeft VT in een e-mail van 21 maart 2017 aan erflaatster bericht (productie 17 hoger beroep):
‘Het doet u verdriet dat u geen contact heeft met zonen [kind A] , [kind B] , [kind C] en hun kinderen.(…)
U vindt het erg dat uw zonen geprobeerd hebben u voor gek (wilsonbekwaam) te verklaren. Dat heeft u gelukkig kunnen terugdraaien. U vindt het ook erg dat [kind B] heeft uitgesproken dat u heeft gekozen voor één kind, en tegen drie kinderen. Dat is niet hoe u het voelt. (…) Ondanks dit alles bent u bereid om het contact te herstellen. U stelt wel voorwaarden aan het contact:
(Hof: dat de kinderen zelf contact opnemen, normaal en gezellig contact, stoppen met zwart maken of negatief praten over [kind D] en zijn gezin, geen oude koeien uit de sloot omdat dit emotioneel te belastend is, geld terug dat [kind A] , [kind C] en [kind D] van de rekening van erflaatster hebben gehaald).
U heeft in ons gesprek tevens te kennen gegeven over uw eigen geld te beschikken; er is niemand die u dwingt uitgaven te doen die u niet wenst. Veilig Thuis mag daarover contact opnemen met [bank A] ( [persoon C] ).
U heeft uw kleindochter [geïntimeerde] zelf gevraagd contactpersoon te zijn tussen u en de familieleden.’
6.2.12.
VT heeft daarna in de brief van 21 april 2017 het volgende aan [kind D] geschreven:
‘Veilig Thuis Midden-Brabant is een onderzoek gestart naar aanleiding van de zorgmelding door uw broer [kind B] over een vermoeden van geestelijke mishandeling en financiële uitbuiting van uw moeder door u.
Uit onderzoek door Veilig Thuis Midden-Brabant blijkt dat de zorgen niet worden bevestigd.
Het onderzoek heeft bestaan uit een gesprek met u, uw moeder en uw broer [kind B] . Daarnaast zijn de volgende informanten benaderd: [persoon C] van [bank A] en [persoon D] van [xx] Notariaat. Ook is [persoon E] van Het Laar eenmaal aangesloten bij onze gesprekken.
De informanten hebben bevestigd dat uw moeder wilsbekwaam is en zelf zorg draagt voor haar financiën. Er is niemand, behalve zij zelf bevoegd om financiële handelingen te doen.’
Op diezelfde datum heeft VT een brief met vergelijkbare inhoud naar erflaatster gestuurd.
6.2.13.
Bij testament van 17 november 2016 heeft erflaatster haar kleinkinderen tot haar enige erfgenamen benoemd en [geïntimeerde] samen met notaris [persoon F] (hierna: [persoon F] ) tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Op 17 november 2016 heeft zij de eerder aan [kind A] verleende volmacht ingetrokken.
6.2.14.
[geïntimeerde] heeft de benoeming tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder niet aanvaard.
[persoon F] heeft dat wel gedaan.
6.2.15.
Alle kleinkinderen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. [kind A] , [kind B] en [kind C] hebben een beroep gedaan op de legitieme portie.
6.2.16.
In 2021 heeft [persoon F] [appellante] , notaris in [B] , als executeur-afwikkelings-bewindvoerder in zijn plaats gesteld, nadat [kind A] een klacht tegen hem had ingediend. [appellante]
heeft de indeplaatsstelling aanvaard.
6.2.17.
[persoon F] en [appellante] hebben [geïntimeerde] per e-mail gevraagd om bepaalde bestedingen en pinopnames vanaf de bankrekening van erflaatster toe te lichten. [geïntimeerde] heeft hierop gereageerd. [appellante] is vervolgens deze procedure gestart tegen [geïntimeerde] .
6.2.18.
In augustus 2024 is [kind A] overleden.
De vorderingen van partijen en de beslissingen van de rechtbank
6.3.1.
[appellante] heeft bij de rechtbank gevorderd om [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan de nalatenschap van een bedrag van € 46.212,11, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten van de procedure.
6.3.2.
Op hetgeen [appellante] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [geïntimeerde] gevoerde verweren zal het hof, voor zover in hoger beroep van belang, hierna ingaan.
6.3.3.
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd om [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans deze vordering van [appellante] af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.
6.3.4.
In het eindvonnis van 31 januari 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen en de kosten van de procedure gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank heeft geoordeeld:
a. dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van een wettelijke of uit een rechtshandeling voortvloeiende verplichting tot rekening en verantwoording;
b. dat [appellante] onvoldoende feiten heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat erflaatster tijdens haar leven niet meer in staat was haar eigen financiën te behartigen of daarop toezicht te houden en dat van beheer, en daarmee van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording dan ook geen sprake was;
c. dat niet gebleken is dat de geestelijke toestand van erflaatster na de berichtgeving van VT van 21 april 2017 dusdanig is verslechterd is dat erflaatster haar eigen financiën niet meer kon behartigen of daarop (toe)zicht kon houden;
d. dat ook als aangenomen moet worden dat sprake is geweest van beheer, het voorgaande betekent dat erflaatster geacht moet worden in staat te zijn geweest om de handelingen van [geïntimeerde] te overzien, zodat in beginsel moet worden aangenomen dat erflaatster instemde met de bestedingen en pinopnames;
e. dat [appellante] haar stellingen dat [geïntimeerde] betalingen en opnames ten behoeve van zichzelf heeft verricht die wat betreft hun aard en/of omvang niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster onvoldoende heeft onderbouwd;
f. dat [geïntimeerde] aan de hand van het overzicht (productie 7) voldoende concrete verklaringen heeft gegeven voor een groot deel van de ter discussie staande betalingen en pinopnames en dat [geïntimeerde] onweersproken heeft verklaard dat er ook nog kosten en lasten waren voor de koopwoning van erflaatster.
Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep
6.4.1.
[appellante] heeft in principaal hoger beroep vier grieven aangevoerd. Deze grieven richten zich kort gezegd tegen de hiervoor onder a tot en met f genoemde oordelen waaronder de oordelen dat [appellante] te weinig heeft gesteld:
- op grond waarvan kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] is gehouden om rekening en verantwoording af te leggen;
- die de conclusie rechtvaardigen dat erflaatster tijdens haar leven niet meer in staat was om haar eigen financiën te behartigen en daarop toezicht te houden.
Zij vordert het hof om, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen en voor zover beroep de vordering van [appellante] alsnog integraal toe te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
6.4.2.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep de grieven weersproken. Zij vordert [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar vorderingen af te wijzen, met bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg.
In incidenteel hoger beroep vordert zij veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.
6.4.3.
[appellante] vordert in incidenteel hoger beroep om, uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] af te wijzen.
De beoordeling in principaal hoger beroep
Is/was [geïntimeerde] gehouden tot het doen van rekening en verantwoording?
6.5.1.
[appellante] legt aan haar stelling dat [geïntimeerde] is/was gehouden om rekening en verantwoording af te leggen ten eerste ten grondslag dat [geïntimeerde] sinds oktober 2016 gevolmachtigde is van erflaatster en als zodanig handelt. Ter onderbouwing van deze stelling beroept zij zich op de inhoud van een e-mail van 3 oktober 2016 (zie hiervoor 6.2.9) van [geïntimeerde] aan [kind B] en [kind C] .
[appellante] baseert de verplichting van [geïntimeerde] om rekening en verantwoording af te leggen daarnaast op de stellingen dat erflaatster nooit zelfstandig haar financiën heeft beheerd anders dan - tot aan haar CVA - het pinnen van geld en dat zij daartoe ook niet in staat was gelet op de volgende feiten en omstandigheden. Tijdens het huwelijk voerde erflaters echtgenoot altijd het beheer over de financiën en na diens overlijden [kind A] . Erflaatster pinde geld waarmee zij haar boodschappen betaalde. De maandelijkse lasten voldeed [kind A] via een machtiging of Girokaarten. Behalve deze geldopnames bij [bank A] , waren er geen pinopnames. Er werd niet ingeteerd op spaargeld. Dit verandert als [geïntimeerde] in beeld komt. Volgens [appellante] was erflaatster niet in staat om haar financiën te overzien, laat staat haar bankafschriften te ontvangen, te bekijken, te controleren en in een map te bewaren en ook niet om een eventuele gevolmachtigde ter verantwoording te roepen. Erflaatster had een CVA gehad en woonde met een indicatie voor verblijf met zorg in zorgcentrum Het Laar. Zij was een kwetsbare, zeer afhankelijke dame en halfzijdig verlamd. Zij was functioneel analfabeet, kon nauwelijks Nederlands lezen en niet/slecht Nederlands schrijven. Zij was niet in staat om een eenvoudig formulier in te vullen en sprak met een zwaar Pools-Duits accent het Brabants dialect. Ter onderbouwing van deze stellingen verwijst [appellante] naar de ingesproken berichten/uitnodiging voor de verjaardag op de USB Stick en naar een pagina van de website van zorgcentrum Het Laar.
[appellante] beroept zich tot slot op het bestaan van een rekenings- en verantwoordingsplicht, omdat [geïntimeerde] naar aanleiding van het verzoek van [persoon F] om een toelichting op de bestedingen nooit heeft ontkend dat zij opnames van de bankrekening heeft gedaan en omdat er in haar ogen onverklaarbare opnames zijn of op een andere wijze geld werd besteed.
6.5.2.
[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellante] weersproken. Zij heeft aangevoerd dat zij steeds met klem heeft ontkend het financiële beheer over het vermogen van erflaatster te hebben gevoerd. Om die reden meent [geïntimeerde] niet gehouden te zijn tot enige rekening en verantwoording jegens de executeur. Van een financiële volmacht was geen sprake. Erflaatster was prima in staat om haar eigen financiën te behartigen en daarop toezicht te houden. Tijdens het beheer van [kind A] pinde hij geld voor erflaatster en gaf hij haar dit geld (zoals blijkt uit productie 22 eerste aanleg, zijnde een e-mail van [appellante] aan [kind D] , [geïntimeerde] en [kleinkind D] ). Erflaatster beschikte in die periode niet zelf over een betaalpas. Na intrekking van de volmacht aan [kind A] , kreeg erflaatster zelf weer de beschikking over haar financiën en daarmee haar betaalpas terug. Het is niet juist dat zij slecht Nederlands sprak. Erflaatster zat in een rolstoel maar was niet halfzijdig verlamd en was in staat om haar bankafschriften in te zien en te controleren. Erflaatster woonde zelfstandig in Het Laar en kon desgewenst gebruik maken van thuiszorg en bepaalde faciliteiten en activiteiten.
6.5.3.
Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen als tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan op grond waarvan de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (zie HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274).
Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (zie HR 9 mei 2024, ECLI:NL:HR:2014:1089, rov. 3.6).
6.5.4.
Het hof dient daarom te beoordelen of sprake is van een uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht voortvloeiende rechtsverhouding tussen erflaatster en [geïntimeerde] op grond waarvan [geïntimeerde] is/was gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording.
De bewijslast hiervoor rust op [appellante] . Zij beroept zich (slechts) op het rechtsgevolg.
Dat sprake is van een op de wet gegronde rechtsverhouding die verplicht tot een algehele rekening en verantwoording is gesteld noch gebleken. [appellante] stelt enerzijds dat [geïntimeerde] het beheer van de financiën had op basis van een volmacht en anderzijds - samengevat - dat [geïntimeerde] het beheer heeft gevoerd gelet op de feitelijke gang van zaken, omdat erflaatster dit niet kon en vanwege het verloop van de bankrekeningen tijdens en na de volmacht van [kind A] .
Volmacht
6.5.5.1. Niet gesteld is dat erflaatster een schriftelijke volmacht aan [geïntimeerde] heeft gegeven om haar financiën te beheren. De vraag is of sprake was van een mondelinge volmacht. Anders dan [appellante] meent, kan naar het oordeel van het hof uit de e-mail van 3 oktober 2016 niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] aangeeft gevolmachtigde te zijn én als zodanig erflaatsters financiën te behartigen. Voor deze conclusie bieden de bewoordingen in voormelde e-mail (zie 6.2.9.):
‘Dit omdat ik altijd achter oma en haar belangen/keuzes zal staan zonder eigen belangen en die van mijn familie voorop te stellen. Nu er weer een hoop gebeurd is afgelopen tijd wil oma nu een ding: rust. Geen bezoek meer, geen contact, gewoon rust. Ze zit nog drie weken in Damast en er moet een hoop geregeld worden voor haar vertrek. Ze heeft zelf aangegeven hoe ze het wil hebben en dat is het enige wat telt toch?’ geen aanknopingspunten.
Deze bewoordingen ondersteunen daarentegen wel de toelichting van [geïntimeerde] dat erflaatster haar heeft gevraagd contactpersoon te zijn binnen de intussen gebrouilleerde familie, hetgeen binnen de familie door in ieder geval [kind C] ook zo is begrepen (productie 18 hoger beroep) en zoals ook blijkt uit de brief van VT (zie hiervoor onder 6.2.11). De strekking en inhoud van de e-mail duiden er op dat het verzoek van erflaatster aan [geïntimeerde] om als contactpersoon op te treden erop gericht was om rust te verkrijgen in haar laatste periode in Damast, meer in het bijzonder door - in ieder in eerste instantie - af te zien van het afleggen van bezoeken door de familie. De verwijzing door [appellante] tijdens de mondelinge behandeling naar productie 6 bij de conclusie van antwoord (een schrijven van notariskantoor [xx] ), waarin staat: “Conclusie: vanaf bedoelde herroeping is er geen formele volmacht aan iemand afgegeven. Dat laat overigens wel de bewering dat jij de bewindvoerder was (aan de familie) onverlet” leidt niet tot een andere oordeel. Voor zover daarmee wordt verwezen naar de e-mail van [geïntimeerde] van 3 oktober 2016 geldt dat in die e-mail een dergelijke mededeling niet kan worden gelezen. Of en op welk ander moment een mededeling met die strekking zou zijn gedaan, is niet gesteld. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] voor het bestaan van (een verplichting tot rekening en verantwoording op grond van) een volmacht tot beheer van de financiën van erflaatster onvoldoende heeft gesteld.
Feitelijk beheer financiën
6.5.5.2. Ook uit de feitelijke gang van zaken kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] het beheer over de financiën/het vermogen van erflaatster heeft gevoerd om de hierna volgende redenen. [appellante] voert geen concrete feiten en omstandigheden aan waaruit blijkt dat [geïntimeerde] degene was die steeds feitelijk de financiële transacties uitvoerde, betalingen deed en geld pinde, of daarop toezag. Dat heeft [geïntimeerde] ook betwist.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat uit een vergelijking van haar rekening en die van erflaatster blijkt dat er opnames/betalingen zijn gedaan van de rekening van erflaatster, terwijl [geïntimeerde] elders was. [appellante] heeft dit niet weersproken. Integendeel zij heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend geen bewijs te hebben voor haar stelling dat [geïntimeerde] alle bedragen heeft gepind en niet te weten wie de pinpas in de pinautomaat heeft gedaan. Daarmee staat voldoende vast dat behalve [geïntimeerde] ook derden, onder wie bijvoorbeeld [kind D] , zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, met/voor erflaatster opnames hebben gedaan. Niet betwist is dat erflaatster één bankpas had. Deze kan gelet op het vorenstaande niet voortdurend in het bezit van [geïntimeerde] zijn geweest. Deze lag volgens hetgeen [geïntimeerde] onbetwist heeft aangevoerd bij erflaatster in een la. Alleen al om die redenen gaan de stellingen van [appellante] - die erop neerkomen dat uit het soort opnames of het verloop van bankrekeningen kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] het feitelijke beheer over de financiën van erflaatster had - niet op. In het licht hiervan kunnen de overige hierop ziende stellingen van [appellante] onbesproken blijven.
[geïntimeerde] heeft daarnaast onder meer als verweer aangevoerd dat erflaatster na intrekking van de volmacht aan [kind A] met [persoon C] van [bank A] de afspraak had dat voor niet reguliere boekingen een handtekening van erflaatster nodig was, dat bijzondere opnames enkel telefonisch door haar konden worden gedaan en dat erflaatster in overleg met haar geld heeft opgestuurd naar haar zieke zus in Oekraïne in die zin dat erflaatster eerst een testbedrag van € 50,-- (productie 25) heeft verzonden waarvan een foto is gemaakt (productie 26) in voorgefrankeerde en geadresseerde enveloppen. [appellante] heeft deze verweren niet althans onvoldoende weersproken. [appellante] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat zij geen navraag heeft gedaan bij [persoon C] over de feitelijke gang van zaken. Zij heeft weliswaar bewijs aangeboden door het horen van [persoon C] over de wijze waarop de financiën van erflaatster (tot haar CVA) beheerd werden maar daarvoor heeft zij in het licht van het vorenstaande en het debat van partijen te weinig gesteld. Zij betwist immers niet de wijze waarop [persoon C] betrokken was en heeft op geen enkele wijze toegelicht wat de rol van [geïntimeerde] in dit verband dan zou zijn geweest. Zij heeft niet voldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] in de betreffende periode structureel vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd.
Dat [geïntimeerde] na het overlijden van erflaatster de vragen van notaris [persoon F] over de transacties heeft getracht te beantwoorden kan, anders dan [appellante] lijkt te veronderstellen, niet als een erkenning van het gestelde beheer worden aangemerkt.
6.5.5.3. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat zij wel eens in opdracht van erflaatster pinopnames heeft gedaan, maar dit leidt niet tot een andere conclusie. Uit het gegeven dat [geïntimeerde] in opdracht van erflaatster (al dan niet in het bijzijn van erflaatster) incidenteel pinopnames heeft gedaan, vloeit geen algehele plicht tot rekening en verantwoording voort voor de door [appellante] genoemde bedragen, zeker niet ten overstaan van erflaatsters erfgenamen. Dit gegeven zou hoogstens kunnen leiden tot een plicht tot rekening en verantwoording voor de desbetreffende opdracht door [geïntimeerde] aan erflaatster zelf, als al zou kunnen worden vastgesteld om welke opnames het precies gaat, en aan de erfgenamen hoogstens als erflaatster niet in staat was om haar wil te bepalen en niet in staat was de uitgaven te overzien of een derde ter verantwoording te roepen of indien sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden.
6.5.5.4. [appellante] heeft - tegenover de toelichting van [geïntimeerde] over de toestand van erflaatster en de betwisting door [geïntimeerde] van de stelling dat zij de financiën van erflaatster heeft beheerd - ook onvoldoende gesteld voor haar standpunt dat erflaatster zelf nooit/niet in staat was haar financiën te beheren, deze te overzien of een derde tot verantwoording te roepen.
Uit de door [geïntimeerde] als productie 15 in hoger beroep overgelegde e-mail van [kind A] aan [kind D] blijkt het tegendeel. In deze e-mail van 15 mei 2013 staat immers:
‘Ik ga niet over haar geld en wil dat ook graag zo nog lang houden, ze kan zelf nog haar financiën regelen. De enige met wie er daadwerkelijk iets te bespreken valt is ons moeder zelf, ik begreep van je dat je dat ook al gedaan had.’
Deze verklaring van [kind A] sluit aan bij de verslaglegging van VT van 21 maart 2017 waarin staat dat erflaatster te kennen heeft gegeven over haar eigen geld te beschikken en dat niemand haar dwingt uitgaven te doen die zij niet wenst.
Daarbij komt dat erflaatster in 2017 door een VIA-arts wilsbekwaam is beoordeeld en in 2017 de volmacht aan [kind A] en [kind B] heeft ingetrokken op advies van [bank A] .
De door [appellante] aangevoerde omstandigheden (zoals vergevorderde leeftijd, wonen in Het Laar, rolstoel gebondenheid, niet kunnen bankieren en niet zelf willen bankieren en overige persoonlijke omstandigheden en de overgelegde USB-stick met ingesproken uitnodiging voor verjaardag) zijn ontoereikend om het tegendeel aan te nemen en ook om aan te nemen dat de lichamelijke en/of geestelijke toestand van erflaatster na de CVA zodanig is/zijn verslechterd dat erflaatster niet (meer) in staat was tot beheer van haar financiën, deze te overzien of een derde tot verantwoording te roepen. Het is niet aan [appellante] zelf, en al helemaal niet zonder overleg met bij erflaatster betrokken personen, om te concluderen dat erflaatster wilsonbekwaam was ten aanzien van (beheer over) haar financiën.
Van [appellante] had mogen worden verwacht dat zij haar stellingen nader en voldoende concreet had onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van zorgcentrum Het Laar te [A] en/of een arts, te meer omdat zij zelf erflaatster niet kende en [kind A] noch [kind B] noch [kind C] noch hun kinderen [appellante] daarover voldoende hebben kunnen informeren. Nergens uit blijkt dat zij na de betrokkenheid van veilig thuis in 2017 het verbroken contact met hun moeder/oma hebben hersteld en op regelmatige basis contact hebben gehad. Voor zover [appellante] het tegendeel beweert, had het op haar weg gelegen concreet te onderbouwen hoe en wanneer dat contact plaatsvond. Het hof komt dan ook niet toe aan het bewijsaanbod van [appellante] op dit punt (het horen van [kind B] en [kind C] en de zorgcoördinator van Het Laar in verband met de situatie van erflaatster of de wijze waarop de financiën van erflaatster (tot haar CVA) werden beheerd), omdat zij te weinig heeft gesteld. Haar betoog is vrijwel geheel gebaseerd op aannames.
Zoals de rechtbank heeft overwogen is gesteld noch gebleken dat voor erflaatster ooit een beschermingsmaatregel als meerderjarigenbewind of curatele is ingesteld of dat de wilsbekwaamheid van erflaatster vanwege haar (geestelijke) toestand sowieso ter discussie heeft gestaan.
Voor zover [appellante] zich beroept op misbruik van omstandigheden, gaat het hof hieraan voorbij, omdat [appellante] daarvoor enkel stelt dat schaamteloos misbruik is gemaakt van de bankrekening van erflaatster en ter onderbouwing daarvan verwijst naar haar ingenomen - en door het hof verworpen - stellingen.
Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellante] om te bewijzen dat erflaatster niet zelf de bankafschriften van tijd tot tijd bekeek en zelf in een map bewaarde en dat zij daartoe na haar CVA niet in staat was door het doen horen van [kind C] en [kind B] . Het hof komt niet toe aan dit bewijsaanbod, omdat dit niet relevant is. Zelfs als zou komen vast te staan dat zij niet zelf de bankafschriften van tijd tot tijd bekeek of deze zelf in een map bewaarde, dan betekent dat niet dat erflaatster zelf niet in staat was haar financiën te beheren of een derde ter verantwoording te roepen.
6.5.5.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [geïntimeerde] niet gehouden is/was om rekening en verantwoording af te leggen. Daaruit volgt ook dat de conclusie van [appellante] dat alle door [geïntimeerde] niet toereikend verklaarde bankopnamen en bestedingen als onrechtmatig door haar onttrokken moeten worden aangemerkt, een toereikende grondslag ontbeert. Dat betekent dat de grieven overigens onbesproken kunnen blijven en dat de grondslag voor toewijzing van de vordering tot betaling van € 46.212,11 ontbreekt.
De beoordeling in incidenteel hoger beroep
Proceskostenveroordeling in eerste aanleg.
6.6.1.
[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, gelet op de relatie tussen partijen onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 237 Rv.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij kosten voor juridische bijstand heeft moeten maken. [appellante] wordt duidelijk gevoed door het standpunt van drie van de vier zonen van erflaatster, die schuldeisers van de nalatenschap maar geen erfgenamen van erflaatster zijn. [appellante] heeft geweigerd het gesprek met haar te gaan, ook na het vonnis, en heeft daardoor een zorgvuldigheidsnorm geschonden en haar objectiviteit in diskrediet gebracht. Omdat [appellante] ook notaris is, rust op haar een zware zorgvuldigheidsplicht. Daarbij komt dat tussen [appellante] en [geïntimeerde] geen familieband bestaat en de banden met de familie gebrouilleerd zijn.
6.6.2.
[appellante] voert verweer.
6.6.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 237 Rv wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten. De kosten mogen geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten, geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten heeft aanwendde of veroorzaakte.
Anders dan de rechtbank zal het hof [appellante] overeenkomstig de hoofdregel als de in het ongelijk gesteld partij veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg.
Deze kosten zullen worden vastgesteld op:
griffierechten € 1.301,00
salaris advocaat € 2.957,00 + (2,5 punten x tarief IV = € 1.183,00)
Totaal € 4.258,50
Conclusie
6.7.
De grieven in principaal hoger beroep falen dan wel kunnen onbesproken blijven en de grief in incidenteel hoger beroep slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen ten aanzien van de compensatie van de proceskosten en overigens bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep veroordelen in de kosten van de procedure.
De kosten voor de procedure in principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen vastgesteld worden op:
griffierechten € 798,00
salaris advocaat € 6.639,00 (3 punt(en) x tarief IV = € 2.213,00)
nakosten € 178,00 +
Totaal € 7.615,00
7De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats
’s-Hertogenbosch) van 31 januari 2024 voor zover daarin de kosten van de procedure zijn gecompenseerd;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in eerste aanleg van [geïntimeerde] van € 4.258,50;
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats ’s-Hertogenbosch) van 31 januari 2024 voor het overige;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep van [geïntimeerde] van
€ 7.615,00 te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.J. Peters , J.J.M. van Lanen en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 december 2025.
griffier rolraadsheer