Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3359

2025-11-25 Civiel recht 200.336.611_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-25
Publicatiedatum
2025-11-25
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.336.611_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; ERF-Updates.nl 2026-0384; VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0384

Inhoudsindicatie

erfrecht; nietige verdeling; invloed van rekening en verantwoording bewindvoerders tijdens leven van erflaatster op de vordering tot vaststelling van de nalatenschap vervolg op https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:514

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.980 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.336.611/01




arrest van 25 november 2025




in de zaak van





1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
hierna aan te duiden als [appellant sub 1] ,
2. [appellant sub 2],wonende te [woonplaats] ,
hierna aan te duiden als [appellant sub 2] ,
3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats] ,
hierna aan te duiden als [appellant sub 3] ,

4. [appellant sub 4] ,wonende te [woonplaats] ,

hierna aan te duiden als [appellant sub 4] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als de broers en zussen,
advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart te Breda,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. N.C. Bouman-de Vos te Geldermalsen,



als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 februari 2025 in het hoger beroep van het door de rechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/394500/HA ZA 22-72 gewezen vonnis van 20 september 2023.






5Het verloop van de procedure


5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenarrest van 25 februari 2025;


een op 8 april 2025 door de broers en zussen genomen akte;


een op 22 april 2025 door [geïntimeerde] genomen akte;


een op 27 mei 2025 door de broers en zussen genomen antwoordakte.





5.2.

Mr. Voorvaart heeft met een H5-formulier van 10 maart 2025 voor de rol van 11 maart 2025 uitstel gevraagd voor het nemen van de akte. In dat formulier heeft hij vermeld dat het een eenstemmig verzoek betrof. De rolraadsheer heeft geconstateerd dat die vermelding in strijd met de waarheid was en dat mr. Voorvaart namens de broers en zussen heeft gehandeld in strijd met het procesreglement (artikel 2.20 aanhef en onder a LPR).
De rolraadsheer heeft voorts medegedeeld dat het aan de behandelend kamer wordt overgelaten of hieraan een verdere gevolgtrekking moet worden verbonden. De griffier heeft dat met een Zivver-bericht (‘Veilig Mailen’ volgens het LPR) op 1 april 2025 namens de rolraadsheer aan beide advocaten gecommuniceerd.




5.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.





6De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep


6.1.
Het hof brengt eerst in herinnering dat het in deze zaak gaat om verdeling van de nalatenschap van moeder die op 3 februari 2018 is overleden. De broers en zussen hebben de nalatenschap verdeeld. De andere zus, [geïntimeerde] , heeft niets gekregen omdat [geïntimeerde] volgens de broers en zussen nog een schuld had aan moeder.



6.2.
Het hof heeft in het tussenarrest van 25 februari 2025 geoordeeld dat de verdeling nietig was omdat [geïntimeerde] niet bij de verdeling betrokken is geweest. De nalatenschap moet dus alsnog verdeeld worden. Daartoe is nodig dat wordt vastgesteld wat het vermogen was van moeder toen zij overleed en wat de invloed is geweest van het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gevoerde meerderjarigenbewind over de goederen van moeder voorafgaand aan haar overlijden. Het hof heeft beslist dat de broers en zussen daarover nog nadere informatie moeten verstrekken.



Reserveringen ten behoeve van kosten uitvaart (vorderingen VII en VIII van [geïntimeerde] )




6.3.1.
Het hof heeft in het tussenarrest van 25 februari 2025 over reserveringen ten behoeve van kosten uitvaart het volgende overwogen.



3.11.1.
In 2015 is van de bankrekening van moeder € 20.000,00 overgemaakt aan [appellant sub 1] en € 16.000,00 aan [appellant sub 2] met als omschrijving ‘zorg’. Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] bedoelt dat deze bedragen ten onrechte door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan het vermogen van moeder, althans aan de nalatenschap zijn onttrokken.



3.11.2.
Volgens de broers en zussen had dat te maken met de kosten van de uitvaart die naar verwachting hoog zouden zijn mede in verband met het verrichten van Hindoestaanse rituelen. Er was een uitvaartverzekering maar de verwachting was dat die bij lange na niet alle kosten zou dekken. Aangezien de bankrekeningen van erflaatster na haar overlijden zouden worden bevroren, leek het praktisch om deze bedragen te reserveren voor die kosten, zodat deze niet door de erfgenamen voorgeschoten zouden hoeven worden. Na het overlijden bleek de uitkering uit de uitvaartverzekering inderdaad niet toereikend te zijn, aldus de broers en zussen.



3.11.3.
Het hof overweegt dat de kosten van de uitvaart ten laste komen van de nalatenschap. Wanneer het standpunt van de broers en zussen juist is, dan moeten zij geacht worden te kunnen aantonen dat de hiervoor genoemde bedragen zijn gebruikt om de kosten van de uitvaart te betalen. Het hof zal de broers en zussen opdragen om inzicht te geven in de kosten van de uitvaart en aan te tonen dat die kosten zijn voldaan uit de hiervoor genoemde reserveringen, dus onder overlegging van bewijsstukken (facturen, betaalbewijzen, afschriften van bankrekeningen).


(…)




3.13.4.

Het hof zal de broers en zussen gebieden om de volgende documenten aan (de advocaat van) [geïntimeerde] te verstrekken:
(…)
d) de documenten die betrekking hebben op de uitvaartkosten.




6.3.2.
Het hof heeft de broers en zussen opgedragen om de documenten ter zake de uitvaartkosten ter griffie te deponeren onder gelijktijdige verstrekking van die documenten aan (de advocaat van) [geïntimeerde] .



6.3.3.
Het hof constateert dat de broers en zussen niet aan deze opdracht hebben voldaan. Zij hebben in hun akte na tussenarrest slechts aangevoerd wat er is uitgegeven aan de uitvaart, maar zij hebben geen documenten bij de papieren akte gevoegd (wel bij de digitale toezending van de akte) en de door hen genoemde documenten hebben zij (ondanks de duidelijke instructie) niet ter griffie gedeponeerd.



6.3.4.
Het hof ziet geen aanleiding om de broers en zussen alsnog te dwingen om de documenten met betrekking tot de uitvaartkosten op correcte wijze in het geding te brengen, omdat uit de door hen na het tussenarrest gegeven toelichting blijkt dat hun eerdere standpunt over dit onderwerp sowieso niet houdbaar is. Immers, de broers en zussen hebben na het tussenarrest aangevoerd dat de totale uitvaartkosten € 6.992,- waren, waarvan € 5.892,- is gedekt door de uitvaartverzekering. Volgens de broers en zussen is het bedrag dat zij daardoor tekort kwamen (€ 1.100,-) uit de boedel, en dus niet van de rekening(en) van [appellant sub 1] en/of [appellant sub 2] , voldaan. Dat bedrag staat in schril contrast met de bedragen die zijn overgemaakt van de bankrekening van moeder aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en die volgens de broers en zussen nodig waren om te reserveren voor de kosten van de uitvaart. Het hof volgt daarom het standpunt van [geïntimeerde] dat die beweerdelijke reserveringen ten onrechte door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan het vermogen van moeder, althans aan de nalatenschap zijn onttrokken.



6.3.5.
Het hof komt tot de conclusie dat [appellant sub 1] € 10.000,00 aan de nalatenschap dient te voldoen en dat [appellant sub 2] € 16.000,00 aan de nalatenschap moet voldoen.



Afgifte van documenten (grief 3 van de broers en zussen; vordering X van [geïntimeerde] )





6.4.1.
Het hof heeft in het tussenarrest van 25 februari 2025 over de afgifte van documenten onder meer (in 3.13.3 en 3.13.4) het volgende overwogen.


Gelet op de bereikte overeenstemming zijn de broers en zussen echter verplicht om zelf die stukken af te geven aan [geïntimeerde] . Volgens de broers en zussen hebben zij niet (meer) alle stukken. In dat geval dienen zij deze documenten bij de diverse banken en/of bij de rechtbank op te vragen.



Het hof zal de broers en zussen gebieden om de volgende documenten aan (de advocaat van) [geïntimeerde] te verstrekken:



a) alle afschriften van [rekeningnummer] vanaf 11 april 2013;



b) van [rekeningnummer 2] de volgende afschriften:
2013: april tot en met december;
2014: januari en februari; juli tot en met december;
2016: januari, 31 december;
2017: januari, 30 en 31 december;
2018: 1 tot en met 3 februari;



c) van [rekeningnummer 2] :
2013: april tot en met december;
2014: januari tot en met december;
2015: januari tot en met juli.



Het hof heeft over de wijze waarop partijen verder moeten procederen (in 3.16.1) het volgende overwogen:



Het hof draagt de broers en zussen op om:



- de in 3.13.4 genoemde gegevens met een akte ter griffie te deponeren (akte depot) onder gelijktijdige afgifte daarvan aan (de advocaat van) [geïntimeerde] . Dit bevel zal worden gegeven op grond van artikel 22 lid 1 Rv. Wanneer de broers en zussen niet aan dit bevel voldoen, dan zal het hof in overweging nemen om de broers en zussen tot betaling van dwangsommen te veroordelen totdat zij alsnog de betreffende documenten hebben afgegeven. Het hof wijst erop dat het ook de mogelijkheid heeft om uit een weigering de gevolgtrekking te maken die hij geraden acht (artikel 21 Rv).




6.4.2.

Het hof constateert dat de broers en zussen niet aan deze opdracht hebben voldaan.
De broers en zussen hebben bij hun digitale akte na tussenarrest uitsluitend verwezen naar digitaal bijgevoegde bestanden. Zij hebben die documenten, ondanks de duidelijke instructie, niet ter griffie gedeponeerd. Ook overigens (zonder die instructie) is dat niet op juiste wijze gebeurd, omdat de broers en zussen hebben gepoogd de bankafschriften in het geding te brengen met behulp van ‘we-transfer’. Daarvoor was geen toestemming verleend (artikel 11.8.5 LPR). Het hof heeft (vanwege veiligheidsredenen) de bestanden niet kunnen openen. Het hof heeft dus niet kunnen controleren of hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft opgemerkt, juist is. Dat het hof dat niet heeft kunnen controleren, dient gelet op het in de wind slaan van de duidelijke instructie van het hof, voor risico van de broers en zussen te komen. Het hof gaat er daarom vanuit dat [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd dat zij nog steeds niet heeft kunnen beschikken over:
a) alle afschriften van [rekeningnummer] vanaf 11 april 2013;
b) de afschriften van [rekeningnummer 3] over 2013: april tot en met december;
c) de afschriften van [rekeningnummer 2] spaarrekening over:
2013: april tot en met december;
2014: januari tot en met december;
2015: januari tot en met juli.




6.4.3.

Ten aanzien van de afschriften van de ING rekening (hiervoor onder a) hebben de broers en zussen gesteld dat deze meteen na aanvang van het bewind (in 2013) is opgeheven. Daarvan is (nog) geen bewijs bijgebracht. Als dit het geval is, kunnen er wellicht om die reden geen bankafschriften worden overgelegd. Dat brengt het hof tot de conclusie dat de broers en zussen:
- ofwel bewijs dienen over te leggen van de opheffing van die bankrekening (zoals al aan de kantonrechter zou zijn toegelicht) én een verklaring van de bank waaruit blijkt dat afschriften vanaf 11 april 2013 tot de opheffing na opheffing niet langer beschikbaar zijn,
- ofwel de betreffende bankafschriften dienen op te vragen en over te leggen.




6.4.4.

Het hof zal de broers en zussen veroordelen om alsnog deze gegevens te verstrekken op straffe van een dwangsom, omdat het nodig is om eerst over deze informatie te kunnen beschikken voordat de omvang van de nalatenschap kan worden bepaald en een voorstel tot verdeling kan worden gedaan. Het hof herhaalt dat zij gegevens bij de bank kunnen en moeten opvragen. [geïntimeerde] heeft een dwangsom gevorderd van € 500,- voor iedere dag dat de broers en zussen in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen.
Het hof zal daaraan een maximum verbinden van € 50.000,00.




De wijze waarop partijen verder moeten procederen





6.5.1.
Het hof zal nu eerst de broers en zussen veroordelen tot het verstrekken van de hiervoor genoemde bankafschriften (en/of bewijsstukken). De broers en zussen zullen dwangsommen moeten gaan betalen aan [geïntimeerde] wanneer zij niet aan die veroordeling voldoen.



6.5.2.
Wanneer [geïntimeerde] de bankafschriften (en/of bewijsstukken) heeft ontvangen dan kan zij een memorie uitlating vaststelling van de verdeling van de nalatenschap nemen. [geïntimeerde] dient dan een overzicht te geven van de omvang van de nalatenschap (met inachtneming van hetgeen al is beslist) en een voorstel te doen over de wijze van verdeling. Daarbij kan zij dan eventuele nieuwe informatie uit de verkregen documentatie betrekken. Vervolgens zullen de broers en zussen een antwoordmemorie mogen nemen, waarin ook zij een voorstel kunnen doen over de wijze van verdeling.



6.5.3.
Wanneer de broers en zussen de bankafschriften (en/of bewijsstukken) niet verstrekken en zij het maximum bedrag aan dwangsommen hebben verbeurd kan [geïntimeerde] een akte nemen, waarin zij kan aangeven welke gevolgen het hof daaraan volgens haar moet verbinden (bijvoorbeeld het opleggen van een nieuwe dwangsom). In dat geval mogen de broers en zussen in een antwoordakte daarop reageren.



6.5.4.
Het hof zal de zaak verwijzen naar een roldatum voor het nemen van ofwel een memorie als bedoeld in 6.5.2 ofwel een akte als bedoeld in 6.5.3 door [geïntimeerde] . [geïntimeerde] kan desgewenst vragen om een eerdere of latere roldatum.







7De uitspraak



Het hof:




op het principaal en incidenteel hoger beroep




7.1.

veroordeelt de broers en zussen om aan (de advocaat van) [geïntimeerde] de volgende documenten te verstrekken:
a) alle afschriften van [rekeningnummer] vanaf 11 april 2013 óf bewijsstukken van de opheffing van die rekening, indien ING verklaart dat die afschriften na opheffing niet langer beschikbaar zijn;
b) de afschriften van [rekeningnummer 3] over 2013: april tot en met december;
c) de afschriften van [rekeningnummer 2] spaarrekening over:
2013: april tot en met december;
2014: januari tot en met december;
2015: januari tot en met juli;
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de broers en zussen daarmee in gebreke blijven vanaf 28 dagen na betekening van dit arrest, met een maximum van € 50.000,00 en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;




7.2.
verwijst de zaak naar de rol van 28 april 2026 voor ofwel een door [geïntimeerde] te nemen memorie uitlating vaststelling van de verdeling met het in 6.5.2 omschreven doel, dan wel een door [geïntimeerde] te nemen akte met het in 6.5.3 genoemde doel, waarna de broers en zussen een antwoordmemorie dan wel een antwoordakte mogen nemen;



7.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.J.M. van Lanen en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 november 2025.



griffier rolraadsheer