Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3336
2025-11-18
Civiel recht
200.353.476_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur voor korte tijd. Vaststellingsovereenkomst gesloten?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.919 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.353.476/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,
2. [appellante sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna: [appellant sub 1] en/of [appellante sub 2] , tezamen [appellanten] ,
advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond, gemeente Stein,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande te Rijswijk ZH,
op het bij dagvaardingsexploot van 4 april 2025 ingeleide hoger beroep van de mondelinge uitspraak in kort geding van de kantonrechter als voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [A] , van 10 maart 2025 tussen [appellanten] als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser.
1Het geding in eerste aanleg (zaak 11535052 \ VV EXPL 25-13)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis van 10 maart 2025.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten] ;
- de rolaantekeningen dat tegen [geïntimeerde] verstek is verleend, maar dat zich later voor [geïntimeerde] een procesvertegenwoordiger heeft gesteld;
de door [appellanten] genomen memorie van grieven;
de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord, met productie VIII.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
3De beoordeling
Feiten
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
3.1.1
In maart 2024 zocht (het college van burgemeester en wethouders van) de gemeente [A] (hierna: de gemeente) voor een overbruggingsperiode van 20 maart 2024 tot en met 30 september 2024 een tijdelijk verblijf voor het gezin van [appellanten]
3.1.2
Bij in maart 2024 gesloten huurovereenkomst heeft [geïntimeerde] de woning [adres] (hierna: de woning) voor de periode van 20 maart 2024 tot en met 30 september 2024 aan [appellanten] verhuurd. De daarvan door partijen opgemaakte en ondertekende schriftelijke overeenkomst (hierna: Huurcontract) vermeldt, zakelijk weergegeven, in:
- artikel 7:
“Het is uitdrukkelijk de intentie van partijen om een tijdelijke huurovereenkomst voor de duur van 6 maanden en 11 dagen te sluiten die van rechtswege zal eindigen zoals bedoeld in art. 7:228 lid 1 BW jo. art 7:271 lid 1. tweede volzin. BW.”
- artikel 12:
“(…) Per betaalperiode van 6 maanden en 11 dagen bedraagt:
de huurprijs incl. servicekosten voor 6 maanden en 11 dagen € 9701,50 (…)”
3.1.3
De gemeente heeft de voor de periode van 20 maart 2024 tot en met 30 september 2024 voor de woning verschuldigde vergoedingen op 19 maart 2024 in één betaling voor de gehele huurperiode aan [geïntimeerde] vooruitbetaald.
3.1.4
Bij brief van 31 augustus 2024 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] geschreven:
“Zoals jullie weten verloopt het huidige huurcontract op 30 september 2024. Het contract zal daarna door mij niet worden verlengd. Wat betreft de afhandeling wil ik jullie vragen om het pand op eerder genoemde datum leeg en schoon op te leveren waarnaar de borg zal worden voldaan.
Ik wil jullie bedanken voor de prettige samenwerking en hoop dat jullie een passend alternatief kunnen vinden. Alle goeds.”
3.1.5
Bij brief van 24 september 2024 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] geschreven:
“Middels dit schrijven wil ik u er nogmaals aan herinneren dat de huurovereenkomst zoals die is ondertekend in maart 2024 expliciet vermeld dat deze van tijdelijke aard is. De tijdelijke huurovereenkomst heeft als einddatum 30 september 2024. Derhalve verzoek ik u het pand aan [adres] op deze datum leeg en schoon op te leveren. (…)”
3.1.6
[appellanten] zijn de woning na 1 oktober 2024 blijven bewonen zonder dat daarvoor bedragen aan [geïntimeerde] zijn betaald voor huur en/of servicekosten.
3.1.7
Bij brief van 19 december 2024 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] aan (de advocaat van) [appellanten] geschreven:
“(…) Mijn cliënt heeft aan uw cliënten herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat het gebruik van de woning eindigt op 30 september 2024 en dat dit niet verlengd zal worden. Mijn cliënt heeft uw cliënten verzocht om de woning te ontruimen, maar tot op heden weigeren uw cliënten dat. Dit klemt temeer, nu door uw cliënten niets wordt betaald voor het gebruik van de woning.
(…)
Ik heb van cliënt inmiddels opdracht gekregen om in kort geding ontruiming van de woning te vorderen, omdat uw cliënten onrechtmatig in de woning verblijven.
Voor het geval de voorzieningenrechter voorlopig zou aannemen dat niet is vast komen te staan dat uw cliënten onrechtmatig in de woning verblijven - quod non -, zal cliënt subsidiair ontruiming vorderen vanwege het feit dat uw cliënten helemaal niets betalen voor het gebruik van de woning.
(…)
Ik stel uw cliënten in de gelegenheid om mij binnen vijf dagen na heden te bevestigen dat zij de woning per omgaande zullen ontruimen. Indien uw cliënten daartoe niet bereid zijn, ontvang ik binnen voormelde termijn graag de verhinderdata van u en uw cliënten over de komende acht weken zodat ik een datum voor een kort geding kan aanvragen. (…)”
3.1.8
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
Geding bij de kantonrechter
3.2
In dit met de dagvaarding van 21 februari 2025 ingeleide geding heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de kantonrechter [appellanten] zal veroordelen tot:
ontruiming van de woning binnen twee dagen en op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag tot een maximum van € 25.000,--;
hoofdelijke betaling van een contractuele boete van € 60,-- per dag ingaande 1 oktober 2024 tot de datum van ontruiming;
hoofdelijke betaling van € 1.525,-- per maand:
primair: aan schade- of gebruiksvergoeding ingaande 1 oktober 2024 tot de
datum van ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente,
subsidiair: aan huur ingaande 1 oktober 2024 tot de datum van
ontruiming, te vermeerderen met contractuele rente van 1% per maand ex
artikel 15 Huurcontract;
(hierna: vorderingen 1, 2 en 3), met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
3.3
Ondanks door [appellanten] gevoerd verweer heeft de kantonrechter in het beroepen kortgedingvonnis in het dictum:
I. [appellanten] veroordeeld tot ontruiming van de woning per 1 april 2025;
II. [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 1.525,-- per maand aan schadevergoeding vanaf 1 oktober 2024 tot de dag van ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente,
(hierna: veroordelingen I en II), met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
Geding bij dit hof en nieuwe feiten
3.4
Op 1 april 2025 waren [appellanten] uit de woning vertrokken.
3.5
In dit met de dagvaarding van 4 april 2025 ingeleide hoger beroep formuleren [appellanten] drie grieven en concluderen, kort samengevat, dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.6
In de op 8 juli 2025 genomen memorie weerspreekt [geïntimeerde] de grieven en concludeert [geïntimeerde] , kort weergegeven, dat het hof het beroepen vonnis zal bekrachtigen en het hoger beroep zal verwerpen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
Aan het hof voorliggende vorderingen en grieven
3.7
Bij gebreke van een daartegen ingesteld incidenteel hoger beroep liggen vordering 2 en het door de kantonrechter afgewezen deel van de aan [geïntimeerde] toegewezen vorderingen 1 en 3 niet ter beoordeling aan het hof voor. Dit hoger beroep spitst zich toe op de vorderingen 1 en 3 van [geïntimeerde] zoals de kantonrechter die onder veroordelingen I en II heeft toegewezen, hierna kort aangeduid als veroordeling I tot ontruiming van de woning per 1 april 2025 en veroordeling II tot betaling van € 1.525,-- per maand aan schadevergoeding vanaf 1 oktober 2024 tot de dag van ontruiming.
3.8
Het hof oordeelt het voor kort geding vereiste spoedeisend belang bij die voorliggende vorderingen van [geïntimeerde] nu nog steeds aanwezig. Dat spoedeisend belang volgt al uit de door [geïntimeerde] ingeroepen bescherming tegen de onrechtmatige inbreuk door [appellanten] op zijn eigendomsrecht door zonder recht of titel gebruik te blijven maken van zijn woning en de daardoor aan [geïntimeerde] berokkende schade.
In dit kort geding dient het hof te oordelen op basis van alle omstandigheden van het geval, naar de actuele toestand en een afweging van de belangen van partijen, mede in het licht van de aard van de zaak, een voorlopige beoordeling van de zaak en actuele (ook na het beroepen vonnis voorgevallen) feiten en omstandigheden. Voor zover het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij de gevorderde ontruiming inmiddels is vervallen, ontneemt dat niet het belang bij een beoordeling in hoger beroep en laat dat onverlet dat het hof moet beslissen over de door de kantonrechter definitief uitgesproken proceskostenbeslissing. Daartoe moet het hof onderzoeken of de door de kantonrechter toegewezen voorzieningen terecht zijn toegewezen, met inachtneming van de grieven, het in hoger beroep gevoerde debat en naar de actuele situatie. Het hof zal de toewijsbaarheid van de voorliggende vorderingen van [geïntimeerde] in kort geding hierna onderzoeken.
3.9
[geïntimeerde] legt aan de voorliggende vorderingen in de kern het volgende ten grondslag. Ter overbrugging van hun problematische woonsituatie zocht de gemeente voor het gezin van [appellanten] een tijdelijke oplossing. [geïntimeerde] heeft de woning toen voor korte tijd aan [appellanten] verhuurd. Tegen het einde van de huurperiode verzochten [appellanten] om de verlenging van de overeenkomst, maar [geïntimeerde] was daartoe uiteindelijk niet bereid. Ondanks dat meermalen is aangegeven dat de huurovereenkomst op 30 september 2024 eindigt en dat [appellanten] de woning dan dienden te hebben ontruimd, zijn [appellanten] de woning na 1 oktober 2024 zonder recht of titel blijven gebruiken zonder daarvoor iets te betalen. De gemeente bood ook geen oplossing. Toen partijen geen minnelijke oplossing ter ontruiming bereikten, zag [geïntimeerde] zich genoodzaakt tot dit kort geding, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
3.10
Als onbestreden oordelen van de kantonrechter dient (ook) in hoger beroep tot uitgangspunt dat de huurovereenkomst op 30 september 2024 is geëindigd. Vast staat dat [appellanten] eerst op 1 april 2025 uit de woning waren vertrokken.
3.11
Met grief 1 keren [appellanten] zich tegen veroordeling I tot ontruiming van de woning per 1 april 2025. Hiertoe voeren [appellanten] het verweer dat het procesbelang van [geïntimeerde] bij de onderliggende vordering tot ontruiming ten tijde van het beroepen vonnis al vervallen was, omdat hun datum van vertrek uit de woning al vast stond en partijen op 28 januari 2025 al een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarin [appellanten] akkoord waren gegaan met hun vertrek uit de woning per 1 april 2025.
Met grief 2 komen [appellanten] op tegen veroordeling II tot betaling van € 1.525,-- per maand aan schadevergoeding vanaf 1 oktober 2024 tot de dag van ontruiming. In dit verband voeren [appellanten] als verweer aan:
primair dat de veroordeling indruist tegen de vaststellingsovereenkomst waarin een door hen te betalen bedrag van maximaal € 3.000,-- was overeengekomen,
subsidiair: dat de kortgedingrechter niet in staat is om de (hoogte van de) huurprijs te bepalen.
3.12
Het door [appellanten] opgeworpen verweer dat partijen op 28 januari 2025 al waren overeengekomen dat [appellanten] per 1 april 2025 uit de woning zouden vertrekken, maakt echter - zelfs bij juistheid - nog niet dat [geïntimeerde] onvoldoende (in rechte te respecteren) belang heeft bij de vordering tot ontruiming van de woning per 1 april 2025. Dat [geïntimeerde] voldoende belang bij die ingestelde vordering heeft, wordt in beginsel verondersteld. Bovendien bestond de reële mogelijkheid dat [appellanten] zich niet aan een dergelijke afspraak zouden houden.
3.13
Voor zover [appellanten] beweren dat partijen op 28 januari 2025 al een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarin [appellanten] akkoord waren gegaan met hun vertrek uit de woning per 1 april 2025 en waarin een door hen te betalen bedrag van maximaal € 3.000,-- was overeengekomen, is die als verweer ingeroepen vaststellings- overeenkomst overigens niet voldoende aannemelijk geworden. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] betoogd dat [appellanten] in het kader van schikkingsonderhandelingen wel een dergelijk aanbod hebben gedaan, maar dat partijen nimmer een minnelijke regeling hebben getroffen. [geïntimeerde] heeft toen in het bijzonder betoogd dat partijen:
“(…) hebben (…) getracht om op minnelijke wijze afspraken te maken over de ontruiming van de woning, maar dat is niet gelukt. Gedaagden hebben voorgesteld om de woning op 1 april a.s. te ontruimen tegen betaling van een schamele vergoeding van € 3.000,00 voor zes maanden. De advocaat van eiser heeft vervolgens ter voorkoming van een kort gedingprocedure en de daaraan verbonden kosten een passende vaststellingsovereenkomst opgesteld waarin de nodige waarborgen met betrekking tot het vertrek en de betaling van gedaagden waren opgenomen, maar gedaagden hebben deze niet binnen een redelijke termijn ondertekend. Eiser is daarom niet langer bereid om een regeling te treffen met gedaagden. Eiser heeft geen enkel vertrouwen meer in de bereidheid van gedaagden om binnen afzienbare tijd uit de woning te vertrekken.” (inleidende dagvaarding alinea 1.5.2).
Ook in hoger beroep weerspreken [appellanten] dit betoog onvoldoende. [appellanten] verwijzen voor de gestelde overeenstemming naar de e-mail van 28 januari 2025 waarin (de advocaat van) [appellanten] aan (de advocaat van) [geïntimeerde] heeft geschreven:
“In navolging van mijn e-mail van afgelopen week kan ik u berichten dat cliënten akkoord zijn met de vaststellingsovereenkomst. Zou u enkel de datum waarop de huursom tot 1 april 2025 betaald dient te worden kunnen aanpassen, dan zorg ik dat u zowel een ondertekend exemplaar retour krijgt. Tevens zal ik erop toezien dat cliënten tijdig de overeengekomen som betalen.
Tevens hebben cliënten nogmaals toegezegd dat ze na verstrijken van deze termijn het gehuurde zullen verlaten.”
Hieruit volgt wel dat partijen schikkingsonderhandelingen hebben gevoerd, maar niet dat partijen uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, laat staan welke afspraken zij daartoe precies zouden hebben gemaakt.
Ook het onvoldoende weersproken feit dat [appellanten] een vervalst:
“(…) document aan de gemeente hebben toegestuurd, waaruit zou volgen dat eiser met een verlenging van de overeenkomst tot en met 31 maart 2025 en een aanpassing van de huurprijs zou hebben ingestemd (…)” (inleidende dagvaarding alinea 1.6)
welke vervalsing [appellanten] blijkens de daarbij (als productie 6) gevoegde stukken in diezelfde periode hebben opgemaakt althans verzonden, maakt het bestaan van de door [appellanten] gesuggereerde vaststellingsovereenkomst eerder onaannemelijk.
3.14
Het door [appellanten] gevoerde verweer dat de kortgedingrechter niet in staat is om de (hoogte van de) huurprijs te bepalen, laat onverlet dat dit kort geding gericht is op het verkrijgen van een voorlopige voorziening of ordemaatregel. Met dit verweer miskennen [appellanten] het voorlopige karakter van een beslissing in dit kort geding, waarmee dus niet de (hoogte van de) huurprijs definitief wordt bepaald. Nu [appellanten] niet hebben voldaan aan hun huurdersverplichting om de woning bij het einde van de huur op 30 september 2024 weer ter beschikking van [geïntimeerde] te stellen en deze zijn blijven gebruiken, mag [geïntimeerde] daarvoor in beginsel een vergoeding vorderen gelijk aan de huurprijs. Dat die huurprijs in dit geval feitelijk door de gemeente is betaald, maakt dit als zodanig niet anders.
3.15
Nu te verwachten valt dat de bodemrechter vergelijkbare vorderingen zal toewijzen, heeft de kantonrechter de veroordelingen I en II in kort geding terecht gegeven. In het licht van al het voorgaande komt het hof bij een afweging van de belangen van partijen niet tot een ander oordeel.
Slotsom
3.16
Nu wat verder nog is aangevoerd geen concrete feiten bevat die anders doen beslissen, komt het hof tot de slotsom dat de voorliggende vorderingen door de kantonrechter terecht zijn toegewezen en het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd voor zover dat in hoger beroep voorligt. Doordat het beroepen vonnis in stand blijft, zijn [appellanten] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld en faalt de daartegen gerichte grief 3.
De in dit hoger beroep ongelijk krijgende [appellanten] zullen in de proceskosten ervan worden veroordeeld. Het hof begroot de proceskosten voor het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 362,--
salaris advocaat € 1.214,-- (1 punt x tarief II HB)
nakosten € 178,-- (plus verhoging conform beslissing)
totaal € 1.754,--.
Dat [appellanten] tot betaling van de proceskosten zullen worden veroordeeld, maakt dat zij in beginsel ieder voor het geheel aansprakelijk en hoofdelijk zijn verbonden tot betaling daarvan. Onder toewijzing van de verlangde uitvoerbaarverklaring bij voorraad beslist het hof nu als volgt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 10 maart 2025 voor zover dat aan het hof voorligt;
veroordeelt [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hoofdelijk (zodat betaling door de één ook de ander zal bevrijden) om aan [geïntimeerde] te betalen de proceskosten ten bedrage van € 1.754,-- voor dit hoger beroep; als [appellanten] de proceskosten niet tijdig voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [appellanten] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, P.P.M. Rousseau en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.353.476/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,
2. [appellante sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna: [appellant sub 1] en/of [appellante sub 2] , tezamen [appellanten] ,
advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond, gemeente Stein,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande te Rijswijk ZH,
op het bij dagvaardingsexploot van 4 april 2025 ingeleide hoger beroep van de mondelinge uitspraak in kort geding van de kantonrechter als voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [A] , van 10 maart 2025 tussen [appellanten] als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser.
1Het geding in eerste aanleg (zaak 11535052 \ VV EXPL 25-13)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis van 10 maart 2025.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten] ;
- de rolaantekeningen dat tegen [geïntimeerde] verstek is verleend, maar dat zich later voor [geïntimeerde] een procesvertegenwoordiger heeft gesteld;
de door [appellanten] genomen memorie van grieven;
de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord, met productie VIII.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
3De beoordeling
Feiten
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
3.1.1
In maart 2024 zocht (het college van burgemeester en wethouders van) de gemeente [A] (hierna: de gemeente) voor een overbruggingsperiode van 20 maart 2024 tot en met 30 september 2024 een tijdelijk verblijf voor het gezin van [appellanten]
3.1.2
Bij in maart 2024 gesloten huurovereenkomst heeft [geïntimeerde] de woning [adres] (hierna: de woning) voor de periode van 20 maart 2024 tot en met 30 september 2024 aan [appellanten] verhuurd. De daarvan door partijen opgemaakte en ondertekende schriftelijke overeenkomst (hierna: Huurcontract) vermeldt, zakelijk weergegeven, in:
- artikel 7:
“Het is uitdrukkelijk de intentie van partijen om een tijdelijke huurovereenkomst voor de duur van 6 maanden en 11 dagen te sluiten die van rechtswege zal eindigen zoals bedoeld in art. 7:228 lid 1 BW jo. art 7:271 lid 1. tweede volzin. BW.”
- artikel 12:
“(…) Per betaalperiode van 6 maanden en 11 dagen bedraagt:
de huurprijs incl. servicekosten voor 6 maanden en 11 dagen € 9701,50 (…)”
3.1.3
De gemeente heeft de voor de periode van 20 maart 2024 tot en met 30 september 2024 voor de woning verschuldigde vergoedingen op 19 maart 2024 in één betaling voor de gehele huurperiode aan [geïntimeerde] vooruitbetaald.
3.1.4
Bij brief van 31 augustus 2024 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] geschreven:
“Zoals jullie weten verloopt het huidige huurcontract op 30 september 2024. Het contract zal daarna door mij niet worden verlengd. Wat betreft de afhandeling wil ik jullie vragen om het pand op eerder genoemde datum leeg en schoon op te leveren waarnaar de borg zal worden voldaan.
Ik wil jullie bedanken voor de prettige samenwerking en hoop dat jullie een passend alternatief kunnen vinden. Alle goeds.”
3.1.5
Bij brief van 24 september 2024 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] geschreven:
“Middels dit schrijven wil ik u er nogmaals aan herinneren dat de huurovereenkomst zoals die is ondertekend in maart 2024 expliciet vermeld dat deze van tijdelijke aard is. De tijdelijke huurovereenkomst heeft als einddatum 30 september 2024. Derhalve verzoek ik u het pand aan [adres] op deze datum leeg en schoon op te leveren. (…)”
3.1.6
[appellanten] zijn de woning na 1 oktober 2024 blijven bewonen zonder dat daarvoor bedragen aan [geïntimeerde] zijn betaald voor huur en/of servicekosten.
3.1.7
Bij brief van 19 december 2024 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] aan (de advocaat van) [appellanten] geschreven:
“(…) Mijn cliënt heeft aan uw cliënten herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat het gebruik van de woning eindigt op 30 september 2024 en dat dit niet verlengd zal worden. Mijn cliënt heeft uw cliënten verzocht om de woning te ontruimen, maar tot op heden weigeren uw cliënten dat. Dit klemt temeer, nu door uw cliënten niets wordt betaald voor het gebruik van de woning.
(…)
Ik heb van cliënt inmiddels opdracht gekregen om in kort geding ontruiming van de woning te vorderen, omdat uw cliënten onrechtmatig in de woning verblijven.
Voor het geval de voorzieningenrechter voorlopig zou aannemen dat niet is vast komen te staan dat uw cliënten onrechtmatig in de woning verblijven - quod non -, zal cliënt subsidiair ontruiming vorderen vanwege het feit dat uw cliënten helemaal niets betalen voor het gebruik van de woning.
(…)
Ik stel uw cliënten in de gelegenheid om mij binnen vijf dagen na heden te bevestigen dat zij de woning per omgaande zullen ontruimen. Indien uw cliënten daartoe niet bereid zijn, ontvang ik binnen voormelde termijn graag de verhinderdata van u en uw cliënten over de komende acht weken zodat ik een datum voor een kort geding kan aanvragen. (…)”
3.1.8
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
Geding bij de kantonrechter
3.2
In dit met de dagvaarding van 21 februari 2025 ingeleide geding heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de kantonrechter [appellanten] zal veroordelen tot:
ontruiming van de woning binnen twee dagen en op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag tot een maximum van € 25.000,--;
hoofdelijke betaling van een contractuele boete van € 60,-- per dag ingaande 1 oktober 2024 tot de datum van ontruiming;
hoofdelijke betaling van € 1.525,-- per maand:
primair: aan schade- of gebruiksvergoeding ingaande 1 oktober 2024 tot de
datum van ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente,
subsidiair: aan huur ingaande 1 oktober 2024 tot de datum van
ontruiming, te vermeerderen met contractuele rente van 1% per maand ex
artikel 15 Huurcontract;
(hierna: vorderingen 1, 2 en 3), met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
3.3
Ondanks door [appellanten] gevoerd verweer heeft de kantonrechter in het beroepen kortgedingvonnis in het dictum:
I. [appellanten] veroordeeld tot ontruiming van de woning per 1 april 2025;
II. [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 1.525,-- per maand aan schadevergoeding vanaf 1 oktober 2024 tot de dag van ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente,
(hierna: veroordelingen I en II), met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
Geding bij dit hof en nieuwe feiten
3.4
Op 1 april 2025 waren [appellanten] uit de woning vertrokken.
3.5
In dit met de dagvaarding van 4 april 2025 ingeleide hoger beroep formuleren [appellanten] drie grieven en concluderen, kort samengevat, dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.6
In de op 8 juli 2025 genomen memorie weerspreekt [geïntimeerde] de grieven en concludeert [geïntimeerde] , kort weergegeven, dat het hof het beroepen vonnis zal bekrachtigen en het hoger beroep zal verwerpen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
Aan het hof voorliggende vorderingen en grieven
3.7
Bij gebreke van een daartegen ingesteld incidenteel hoger beroep liggen vordering 2 en het door de kantonrechter afgewezen deel van de aan [geïntimeerde] toegewezen vorderingen 1 en 3 niet ter beoordeling aan het hof voor. Dit hoger beroep spitst zich toe op de vorderingen 1 en 3 van [geïntimeerde] zoals de kantonrechter die onder veroordelingen I en II heeft toegewezen, hierna kort aangeduid als veroordeling I tot ontruiming van de woning per 1 april 2025 en veroordeling II tot betaling van € 1.525,-- per maand aan schadevergoeding vanaf 1 oktober 2024 tot de dag van ontruiming.
3.8
Het hof oordeelt het voor kort geding vereiste spoedeisend belang bij die voorliggende vorderingen van [geïntimeerde] nu nog steeds aanwezig. Dat spoedeisend belang volgt al uit de door [geïntimeerde] ingeroepen bescherming tegen de onrechtmatige inbreuk door [appellanten] op zijn eigendomsrecht door zonder recht of titel gebruik te blijven maken van zijn woning en de daardoor aan [geïntimeerde] berokkende schade.
In dit kort geding dient het hof te oordelen op basis van alle omstandigheden van het geval, naar de actuele toestand en een afweging van de belangen van partijen, mede in het licht van de aard van de zaak, een voorlopige beoordeling van de zaak en actuele (ook na het beroepen vonnis voorgevallen) feiten en omstandigheden. Voor zover het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij de gevorderde ontruiming inmiddels is vervallen, ontneemt dat niet het belang bij een beoordeling in hoger beroep en laat dat onverlet dat het hof moet beslissen over de door de kantonrechter definitief uitgesproken proceskostenbeslissing. Daartoe moet het hof onderzoeken of de door de kantonrechter toegewezen voorzieningen terecht zijn toegewezen, met inachtneming van de grieven, het in hoger beroep gevoerde debat en naar de actuele situatie. Het hof zal de toewijsbaarheid van de voorliggende vorderingen van [geïntimeerde] in kort geding hierna onderzoeken.
3.9
[geïntimeerde] legt aan de voorliggende vorderingen in de kern het volgende ten grondslag. Ter overbrugging van hun problematische woonsituatie zocht de gemeente voor het gezin van [appellanten] een tijdelijke oplossing. [geïntimeerde] heeft de woning toen voor korte tijd aan [appellanten] verhuurd. Tegen het einde van de huurperiode verzochten [appellanten] om de verlenging van de overeenkomst, maar [geïntimeerde] was daartoe uiteindelijk niet bereid. Ondanks dat meermalen is aangegeven dat de huurovereenkomst op 30 september 2024 eindigt en dat [appellanten] de woning dan dienden te hebben ontruimd, zijn [appellanten] de woning na 1 oktober 2024 zonder recht of titel blijven gebruiken zonder daarvoor iets te betalen. De gemeente bood ook geen oplossing. Toen partijen geen minnelijke oplossing ter ontruiming bereikten, zag [geïntimeerde] zich genoodzaakt tot dit kort geding, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
3.10
Als onbestreden oordelen van de kantonrechter dient (ook) in hoger beroep tot uitgangspunt dat de huurovereenkomst op 30 september 2024 is geëindigd. Vast staat dat [appellanten] eerst op 1 april 2025 uit de woning waren vertrokken.
3.11
Met grief 1 keren [appellanten] zich tegen veroordeling I tot ontruiming van de woning per 1 april 2025. Hiertoe voeren [appellanten] het verweer dat het procesbelang van [geïntimeerde] bij de onderliggende vordering tot ontruiming ten tijde van het beroepen vonnis al vervallen was, omdat hun datum van vertrek uit de woning al vast stond en partijen op 28 januari 2025 al een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarin [appellanten] akkoord waren gegaan met hun vertrek uit de woning per 1 april 2025.
Met grief 2 komen [appellanten] op tegen veroordeling II tot betaling van € 1.525,-- per maand aan schadevergoeding vanaf 1 oktober 2024 tot de dag van ontruiming. In dit verband voeren [appellanten] als verweer aan:
primair dat de veroordeling indruist tegen de vaststellingsovereenkomst waarin een door hen te betalen bedrag van maximaal € 3.000,-- was overeengekomen,
subsidiair: dat de kortgedingrechter niet in staat is om de (hoogte van de) huurprijs te bepalen.
3.12
Het door [appellanten] opgeworpen verweer dat partijen op 28 januari 2025 al waren overeengekomen dat [appellanten] per 1 april 2025 uit de woning zouden vertrekken, maakt echter - zelfs bij juistheid - nog niet dat [geïntimeerde] onvoldoende (in rechte te respecteren) belang heeft bij de vordering tot ontruiming van de woning per 1 april 2025. Dat [geïntimeerde] voldoende belang bij die ingestelde vordering heeft, wordt in beginsel verondersteld. Bovendien bestond de reële mogelijkheid dat [appellanten] zich niet aan een dergelijke afspraak zouden houden.
3.13
Voor zover [appellanten] beweren dat partijen op 28 januari 2025 al een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarin [appellanten] akkoord waren gegaan met hun vertrek uit de woning per 1 april 2025 en waarin een door hen te betalen bedrag van maximaal € 3.000,-- was overeengekomen, is die als verweer ingeroepen vaststellings- overeenkomst overigens niet voldoende aannemelijk geworden. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] betoogd dat [appellanten] in het kader van schikkingsonderhandelingen wel een dergelijk aanbod hebben gedaan, maar dat partijen nimmer een minnelijke regeling hebben getroffen. [geïntimeerde] heeft toen in het bijzonder betoogd dat partijen:
“(…) hebben (…) getracht om op minnelijke wijze afspraken te maken over de ontruiming van de woning, maar dat is niet gelukt. Gedaagden hebben voorgesteld om de woning op 1 april a.s. te ontruimen tegen betaling van een schamele vergoeding van € 3.000,00 voor zes maanden. De advocaat van eiser heeft vervolgens ter voorkoming van een kort gedingprocedure en de daaraan verbonden kosten een passende vaststellingsovereenkomst opgesteld waarin de nodige waarborgen met betrekking tot het vertrek en de betaling van gedaagden waren opgenomen, maar gedaagden hebben deze niet binnen een redelijke termijn ondertekend. Eiser is daarom niet langer bereid om een regeling te treffen met gedaagden. Eiser heeft geen enkel vertrouwen meer in de bereidheid van gedaagden om binnen afzienbare tijd uit de woning te vertrekken.” (inleidende dagvaarding alinea 1.5.2).
Ook in hoger beroep weerspreken [appellanten] dit betoog onvoldoende. [appellanten] verwijzen voor de gestelde overeenstemming naar de e-mail van 28 januari 2025 waarin (de advocaat van) [appellanten] aan (de advocaat van) [geïntimeerde] heeft geschreven:
“In navolging van mijn e-mail van afgelopen week kan ik u berichten dat cliënten akkoord zijn met de vaststellingsovereenkomst. Zou u enkel de datum waarop de huursom tot 1 april 2025 betaald dient te worden kunnen aanpassen, dan zorg ik dat u zowel een ondertekend exemplaar retour krijgt. Tevens zal ik erop toezien dat cliënten tijdig de overeengekomen som betalen.
Tevens hebben cliënten nogmaals toegezegd dat ze na verstrijken van deze termijn het gehuurde zullen verlaten.”
Hieruit volgt wel dat partijen schikkingsonderhandelingen hebben gevoerd, maar niet dat partijen uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, laat staan welke afspraken zij daartoe precies zouden hebben gemaakt.
Ook het onvoldoende weersproken feit dat [appellanten] een vervalst:
“(…) document aan de gemeente hebben toegestuurd, waaruit zou volgen dat eiser met een verlenging van de overeenkomst tot en met 31 maart 2025 en een aanpassing van de huurprijs zou hebben ingestemd (…)” (inleidende dagvaarding alinea 1.6)
welke vervalsing [appellanten] blijkens de daarbij (als productie 6) gevoegde stukken in diezelfde periode hebben opgemaakt althans verzonden, maakt het bestaan van de door [appellanten] gesuggereerde vaststellingsovereenkomst eerder onaannemelijk.
3.14
Het door [appellanten] gevoerde verweer dat de kortgedingrechter niet in staat is om de (hoogte van de) huurprijs te bepalen, laat onverlet dat dit kort geding gericht is op het verkrijgen van een voorlopige voorziening of ordemaatregel. Met dit verweer miskennen [appellanten] het voorlopige karakter van een beslissing in dit kort geding, waarmee dus niet de (hoogte van de) huurprijs definitief wordt bepaald. Nu [appellanten] niet hebben voldaan aan hun huurdersverplichting om de woning bij het einde van de huur op 30 september 2024 weer ter beschikking van [geïntimeerde] te stellen en deze zijn blijven gebruiken, mag [geïntimeerde] daarvoor in beginsel een vergoeding vorderen gelijk aan de huurprijs. Dat die huurprijs in dit geval feitelijk door de gemeente is betaald, maakt dit als zodanig niet anders.
3.15
Nu te verwachten valt dat de bodemrechter vergelijkbare vorderingen zal toewijzen, heeft de kantonrechter de veroordelingen I en II in kort geding terecht gegeven. In het licht van al het voorgaande komt het hof bij een afweging van de belangen van partijen niet tot een ander oordeel.
Slotsom
3.16
Nu wat verder nog is aangevoerd geen concrete feiten bevat die anders doen beslissen, komt het hof tot de slotsom dat de voorliggende vorderingen door de kantonrechter terecht zijn toegewezen en het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd voor zover dat in hoger beroep voorligt. Doordat het beroepen vonnis in stand blijft, zijn [appellanten] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld en faalt de daartegen gerichte grief 3.
De in dit hoger beroep ongelijk krijgende [appellanten] zullen in de proceskosten ervan worden veroordeeld. Het hof begroot de proceskosten voor het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 362,--
salaris advocaat € 1.214,-- (1 punt x tarief II HB)
nakosten € 178,-- (plus verhoging conform beslissing)
totaal € 1.754,--.
Dat [appellanten] tot betaling van de proceskosten zullen worden veroordeeld, maakt dat zij in beginsel ieder voor het geheel aansprakelijk en hoofdelijk zijn verbonden tot betaling daarvan. Onder toewijzing van de verlangde uitvoerbaarverklaring bij voorraad beslist het hof nu als volgt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 10 maart 2025 voor zover dat aan het hof voorligt;
veroordeelt [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hoofdelijk (zodat betaling door de één ook de ander zal bevrijden) om aan [geïntimeerde] te betalen de proceskosten ten bedrage van € 1.754,-- voor dit hoger beroep; als [appellanten] de proceskosten niet tijdig voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [appellanten] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, P.P.M. Rousseau en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer