Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3335
2025-11-18
Civiel recht
200.351.960_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voor de export gekochte auto is gestolen? Geen ontbinding of vernietiging van de koop.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.293 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.351.960/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellante,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. M.F. de Jong te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [xx] Automotive,
wonende te [woonplaats 2] en zaakdoende te [A] ,
geïntimeerde,
niet verschenen,
op het bij dagvaardingsexploot van 21 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 12 december 2024 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak 10884775 \ CV EXPL 24-421)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis van 12 december 2024.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van [appellante] met grieven, eiswijziging en producties A1 tot en met A4 en de conclusie van eis;
de rolaantekening dat tegen [geïntimeerde] verstek is verleend.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
3De beoordeling
Feiten
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
3.1.1
Een voor de Volvo V60, bouwjaar 2013, voorzien van kenteken [kenteken A] (hierna: auto) door het RDW afgegeven kentekenbewijs vermeldt 13 maart 2013 als datum van eerste toelating en 2 oktober 2014 als datum van eerste inschrijving in Nederland.
3.1.2
[geïntimeerde] heeft een onderneming in de handel en reparatie van auto’s. Op of omstreeks 14 april 2022 heeft [geïntimeerde] de auto gekocht van autohandelaar ASNV B.V.
3.1.3
Op 19 april 2022 heeft [geïntimeerde] de auto verkocht aan [appellante] voor € 9.750,-- inclusief btw. De door [geïntimeerde] van de koop opgemaakte factuur vermeldde:
“Aankoop export Volvo”.
Zoals [geïntimeerde] wist, heeft [appellante] de auto gekocht om deze te exporteren naar Letland.
3.1.4
Op 29 april 2022 is de auto aan [appellante] geleverd.
3.1.5
Op of omstreeks 2 mei 2022 is de auto door de Letse politie vanwege een internationale politiesignalering in beslag genomen.
3.1.6
Toen partijen geen overeenstemming konden bereiken over een door [appellante] verlangde terugbetaling van de koopsom, heeft [appellante] op 31 mei 2022 bij de politie aangifte gedaan van door [geïntimeerde] gepleegde oplichting.
3.1.7
Bij sommatiebrief van 22 augustus 2022 heeft de advocaat van [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven:
“(…) Gebleken is dat de Auto was gestolen in Portugal op 24 april 2018. Het kenteken wat bij de Auto zou behoren betreft [kenteken B] .
(…)
Al met al is er sprake van non-conformiteit, hetgeen een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst oplevert. Als gevolg daarvan is cliënte gerechtigd om de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden (…) en aanspraak te maken op aanvullende schadevergoeding (…). De aanvullende schadevergoeding bestaat uit de kosten die cliënte voor het inschakelen
van ondergetekende heeft moeten maken. (…) De advocaatkosten bedragen tot op heden € 1.000,-.
Langs deze weg ontbind ik de koopovereenkomst namens cliënte (…)”
3.1.8
In reactie op een herhaalde sommatiebrief van 5 september 2022 heeft [geïntimeerde] bij brief van 7 september 2022 geschreven:
“(…) De betreffende Volvo stond hier in NL
niet
geregistreerd als gestolen. De auto is ingeruild en kon ook gewoon gevrijwaard worden, nergens kregen wij melding dat dit een gestolen voertuig betreft. We hebben meerdere malen contact gehad met de RDW die dit raar verhaal vinden, ook zij vinden dat wij hier geen schuld in hebben. Er was dus niets aan de hand geweest als de auto hier in NL was gebleven.
(…)
Er zal meer onderzoek gedaan moeten worden wat er gebeurt is en bij wie.
Wij gaan dus geen betaling doen zonder dat er meer research gedaan wordt. (…)”
3.1.9
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
Geding bij de kantonrechter
3.2
In dit met de dagvaarding van 29 december 2023 ingeleide geding heeft [appellante] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de kantonrechter [geïntimeerde] zal veroordelen tot:
terugbetaling van € 9.750,-- als ongedaanmaking, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 augustus 2022;
betaling van primair: € 1.815,-- als aanvullende schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 november 2023,
subsidiair: € 1.043,60 aan buitengerechtelijke kosten;
betaling van primair: € 4.235,-- aan volledige proceskosten als aanvullende schadevergoeding,
subsidiair: € 4.235,-- aan volledige proceskosten vanwege misbruik van recht,
meer subsidiair: de proceskosten.
3.3
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in het beroepen vonnis van 12 december 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
Geding bij dit hof en nieuwe feiten
3.4
In dit met de dagvaarding van 21 februari 2025 ingeleide hoger beroep formuleert [appellante] tien grieven en concludeert, kort samengevat, dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende onder wijziging van eis:
I. de koopovereenkomst betreffende de auto primair: zal ontbinden,
subsidiair: zal vernietigen;
II. [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van € 9.750,-- aan koopsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2022;
III. [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van primair: € 1.815,-- aan aanvullende schadevergoeding vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 november 2023, subsidiair: € 1.043,60 aan buitengerechtelijke kosten;
IV. [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van primair: € 4.235,-- aan volledige proceskosten voor de eerste aanleg en € 4.235,-- aan volledige proceskosten voor het hoger beroep als aanvullende schadevergoeding,
subsidiair: € 4.235,-- aan volledige proceskosten voor de eerste aanleg en € 4.235,-- aan volledige proceskosten voor het hoger beroep vanwege misbruik van recht,
meer subsidiair: de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met wettelijke
rente;
(hierna: vorderingen I, II, III en IV).
3.5
[geïntimeerde] is niet verschenen in hoger beroep en tegen hem is verstek verleend.
Aan het hof voorliggende vorderingen en grieven
3.6
In hoger beroep is op grond van de artikelen 130 lid 1 jo. 353 lid 1 Rv en de in beginsel strenge tweeconclusieregel van artikel 347 lid 1 Rv uitgangspunt dat een partij alleen bij de eerste memorie de (grondslag van de) eis mag veranderen of vermeerderen. Tegen de in hoger beroep niet verschenen [geïntimeerde] is dat volgens de artikelen 130 lid 3 jo. 353 lid 1 Rv uitgesloten, tenzij de wijziging (tijdig) bij exploot aan de wederpartij kenbaar is gemaakt. Dit laatste is het geval, nu de eiswijziging is opgenomen in het appel(dagvaardings)exploot van 21 februari 2025 dat aan [geïntimeerde] in persoon is betekend. Hierdoor spitst het hoger beroep zich toe op de aan het hof voorliggende vorderingen I tot en met IV. Of deze vorderingen daarmee ook toewijsbaar zijn, is een andere kwestie en zal het hof hierna onderzoeken.
3.7
Nu [appellante] de koopovereenkomst voor de auto als consument heeft gesloten met de beroepsmatig handelende [geïntimeerde] en beide partijen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 17 lid 1 Verordening (EU) 1215/2012 rechtsmacht. De kantonrechter heeft terecht en onbestreden vastgesteld dat Nederlands recht van toepassing is. Bij gebreke van partijdebat hierover behoeven de rechtsmacht en het toepasselijke recht hier verder geen bespreking.
3.8
Door de grieven 1 en 3 betoogt [appellante] dat de kantonrechter in de feitenvaststelling een aantal feiten niet of niet juist heeft vermeld. Zelfs bij juistheid leidt dit evenwel nog niet tot andere (dan de door de kantonrechter gegeven) eindbeslissingen. Een rechterlijke feitenvaststelling pretendeert bovendien geen volledigheid, maar bevat een overzicht op hoofdlijnen van op basis van het partijdebat geselecteerde feiten die de rechter onbestreden en voor de beoordeling relevant oordeelt. Voorts onderzoekt het hof de relevante feiten zelf en stelt het hof zo nodig - onder de feitenvaststelling of elders in de beoordeling - zelfstandig vast welke feiten in hoger beroep tot uitgangspunt dienen.
3.9.1
Door de grieven 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 10 en met de eisvermeerdering legt [appellante] aan de in hoger beroep voorliggende vorderingen I tot en met IV in de kern het volgende ten grondslag.
3.9.2
Primair is de door [geïntimeerde] afgeleverde auto non-conform doordat die niet naar Letland kan worden geëxporteerd en bij invoering aldaar in beslag is genomen, omdat de auto op 24 april 2018 in Portugal is gestolen. Daardoor heeft [geïntimeerde] ook niet de onbezwaarde eigendom van de auto aan [appellante] overgedragen. [appellante] heeft de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, waardoor [geïntimeerde] de koopsom moet terugbetalen.
Subsidiair dient de koopovereenkomst te worden vernietigd omdat [appellante] en/of beide partijen hebben gedwaald over de mogelijkheid om de auto in Letland in te voeren en de verkrijging van de eigendom door [appellante] vrij van alle lasten en beperkingen. Als [appellante] had geweten dat de auto van diefstal afkomstig was, zou [appellante] de koopovereenkomst niet hebben gesloten, aldus nog steeds [appellante] .
3.10.1
Voor zover [appellante] in hoger beroep nieuwe standpunten inneemt, weerspreekt [geïntimeerde] die niet. De door de devolutie voorliggende weerspreking door [geïntimeerde] van reeds in eerste aanleg door [appellante] ingenomen standpunten, luidt in hoofdlijn als volgt.
3.10.2
[geïntimeerde] heeft te goeder trouw gehandeld en de auto bij verkrijging ook probleemloos kunnen vrijwaren. Omdat [appellante] aangaf de auto te kopen voor een vriend in Letland, heeft [geïntimeerde] na betaling de exportpapieren en een tijdelijke verzekering geregeld zodat er meteen mee naar Letland kon worden gereden.
Toen weken later werd aangegeven dat de auto in beslag is genomen omdat deze als gestolen geregistreerd staat in Portugal, heeft [geïntimeerde] alle mogelijke medewerking willen verlenen. De RDW gaf echter aan niets van de diefstal te weten en niet verder te kunnen helpen, dus wellicht is sprake van een verkeerde registratie in het buitenland. De auto is sinds 2014 een aantal malen probleemloos van eigenaar gewisseld. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat de auto al vanaf 2014 met een Nederlands kenteken in Nederland rondreed, terwijl dezelfde auto in 2018 in Portugal werd gestolen terwijl hij was voorzien van een Portugees kenteken. Ergens gaat er iets fout en [geïntimeerde] wordt daar slachtoffer van. Toen [geïntimeerde] aan [appellante] vroeg of ze daarom bij Letse of Portugese instanties zou willen navragen of een mogelijke verkeerde melding niet uit het systeem is gehaald, werd niets meer van [appellante] vernomen totdat haar advocaat [geïntimeerde] maanden later beschuldigde van heling. [geïntimeerde] heeft te goeder trouw gehandeld en [appellante] heeft er zelf voor gekozen om de auto te exporteren naar Letland. Als de auto in Nederland was gebleven, was er niets aan de hand geweest en hadden gedegen onderzoek kunnen worden gedaan, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
3.11
Het hof overweegt dat [appellante] alle in hoger beroep voorliggende vorderingen baseert op hetzelfde feit, namelijk dat de door [geïntimeerde] op 29 april 2022 aan haar geleverde auto die toen was voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken A], op 24 april 2018 in Portugal is gestolen terwijl hij was voorzien van een Portugees kenteken. Tegenover de door [geïntimeerde] gemotiveerd en met RDW-stukken onderbouwde betwisting, geeft [appellante] echter (nog steeds) niet de voor het eigen standpunt benodigde (nadere) onderbouwing en verduidelijking, wat wel van [appellante] had mogen worden verwacht. Zo licht [appellante] haar standpunt toe met een (kopie van een) beweerd proces-verbaal van de Letse politie, maar van dat (als productie 3 bij inleidende dagvaarding ingebrachte) stuk kan door meerdere duidelijk zichtbare (door post-its) afgeplakte delen niet worden vastgesteld wat de herkomst en status van het origineel is. Dat kan ook geenszins worden afgeleid uit de daarvan door [appellante] gepresenteerde (als productie 13 bij akte van 18 november 2024 ingebrachte) Nederlandse vertaling, van welke vertaling overigens niet blijkt van wie die afkomstig is. Die vertaling vermeldt bovendien twee opvallende afwijkingen ten opzichte van het (gekopieerde) origineel: [--] in plaats van [++] als beginletter(s) van het vermelde VIN-nummer en Zl in plaats van ZT in het vermelde Portugese kentekennummer.
Ook van het door [appellante] ter toelichting op haar standpunt (als productie 11 bij akte van 18 november 2024) ingebrachte (kopie van een) officieel ogend stuk d.d. 11 november 2024 wordt niet duidelijk wat de herkomst en status van het origineel is. Ook dit kan niet worden afgeleid uit de daarvan door [appellante] gepresenteerde (als productie 12 bij akte van 18 november 2024 ingebrachte) Nederlandse vertaling, van welke vertaling eveneens niet blijkt van wie die afkomstig is. Ook deze vertaling bevat trouwens een opvallende afwijking ten opzichte van het (gekopieerde) origineel: 3411 in plaats van 31411 als afsluitende cijferreeks van het vermelde VIN-nummer.
Bewijsaanbod
3.12
Nu [appellante] gelet op het voorgaande niet aan haar stelplicht voldoet en geen concreet op dat (onder al haar vorderingen liggende) feit gericht bewijsaanbod doet, komt het hof niet toe aan wat [appellante] verder nog te bewijzen aanbiedt.
Slotsom
3.13
Reeds dit alles doet het hof concluderen dat de grieven 1 en 3 tot niets kunnen leiden en dat de tegen het beroepen vonnis aangevoerde grieven 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 10 falen. Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd en de aan het hof voorliggende vorderingen I tot en met IV dienen te worden afgewezen.
Doordat het beroepen vonnis in stand blijft, is [appellante] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld en faalt de daartegen gerichte grief 9. Omdat [appellante] ook in dit hoger beroep ongelijk krijgt, zal [appellante] in de proceskosten van dit beroep worden veroordeeld, maar die kosten aan de zijde van de in rechte niet verschenen [geïntimeerde] worden begroot op nihil. Het hof beslist nu als volgt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 12 december 2024;
veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] ten bedrage van € 0,-- voor dit hoger beroep;
wijst het in hoger beroep door [appellante] meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.351.960/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellante,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. M.F. de Jong te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [xx] Automotive,
wonende te [woonplaats 2] en zaakdoende te [A] ,
geïntimeerde,
niet verschenen,
op het bij dagvaardingsexploot van 21 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 12 december 2024 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak 10884775 \ CV EXPL 24-421)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis van 12 december 2024.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van [appellante] met grieven, eiswijziging en producties A1 tot en met A4 en de conclusie van eis;
de rolaantekening dat tegen [geïntimeerde] verstek is verleend.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
3De beoordeling
Feiten
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
3.1.1
Een voor de Volvo V60, bouwjaar 2013, voorzien van kenteken [kenteken A] (hierna: auto) door het RDW afgegeven kentekenbewijs vermeldt 13 maart 2013 als datum van eerste toelating en 2 oktober 2014 als datum van eerste inschrijving in Nederland.
3.1.2
[geïntimeerde] heeft een onderneming in de handel en reparatie van auto’s. Op of omstreeks 14 april 2022 heeft [geïntimeerde] de auto gekocht van autohandelaar ASNV B.V.
3.1.3
Op 19 april 2022 heeft [geïntimeerde] de auto verkocht aan [appellante] voor € 9.750,-- inclusief btw. De door [geïntimeerde] van de koop opgemaakte factuur vermeldde:
“Aankoop export Volvo”.
Zoals [geïntimeerde] wist, heeft [appellante] de auto gekocht om deze te exporteren naar Letland.
3.1.4
Op 29 april 2022 is de auto aan [appellante] geleverd.
3.1.5
Op of omstreeks 2 mei 2022 is de auto door de Letse politie vanwege een internationale politiesignalering in beslag genomen.
3.1.6
Toen partijen geen overeenstemming konden bereiken over een door [appellante] verlangde terugbetaling van de koopsom, heeft [appellante] op 31 mei 2022 bij de politie aangifte gedaan van door [geïntimeerde] gepleegde oplichting.
3.1.7
Bij sommatiebrief van 22 augustus 2022 heeft de advocaat van [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven:
“(…) Gebleken is dat de Auto was gestolen in Portugal op 24 april 2018. Het kenteken wat bij de Auto zou behoren betreft [kenteken B] .
(…)
Al met al is er sprake van non-conformiteit, hetgeen een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst oplevert. Als gevolg daarvan is cliënte gerechtigd om de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden (…) en aanspraak te maken op aanvullende schadevergoeding (…). De aanvullende schadevergoeding bestaat uit de kosten die cliënte voor het inschakelen
van ondergetekende heeft moeten maken. (…) De advocaatkosten bedragen tot op heden € 1.000,-.
Langs deze weg ontbind ik de koopovereenkomst namens cliënte (…)”
3.1.8
In reactie op een herhaalde sommatiebrief van 5 september 2022 heeft [geïntimeerde] bij brief van 7 september 2022 geschreven:
“(…) De betreffende Volvo stond hier in NL
niet
geregistreerd als gestolen. De auto is ingeruild en kon ook gewoon gevrijwaard worden, nergens kregen wij melding dat dit een gestolen voertuig betreft. We hebben meerdere malen contact gehad met de RDW die dit raar verhaal vinden, ook zij vinden dat wij hier geen schuld in hebben. Er was dus niets aan de hand geweest als de auto hier in NL was gebleven.
(…)
Er zal meer onderzoek gedaan moeten worden wat er gebeurt is en bij wie.
Wij gaan dus geen betaling doen zonder dat er meer research gedaan wordt. (…)”
3.1.9
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
Geding bij de kantonrechter
3.2
In dit met de dagvaarding van 29 december 2023 ingeleide geding heeft [appellante] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de kantonrechter [geïntimeerde] zal veroordelen tot:
terugbetaling van € 9.750,-- als ongedaanmaking, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 augustus 2022;
betaling van primair: € 1.815,-- als aanvullende schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 november 2023,
subsidiair: € 1.043,60 aan buitengerechtelijke kosten;
betaling van primair: € 4.235,-- aan volledige proceskosten als aanvullende schadevergoeding,
subsidiair: € 4.235,-- aan volledige proceskosten vanwege misbruik van recht,
meer subsidiair: de proceskosten.
3.3
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in het beroepen vonnis van 12 december 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
Geding bij dit hof en nieuwe feiten
3.4
In dit met de dagvaarding van 21 februari 2025 ingeleide hoger beroep formuleert [appellante] tien grieven en concludeert, kort samengevat, dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende onder wijziging van eis:
I. de koopovereenkomst betreffende de auto primair: zal ontbinden,
subsidiair: zal vernietigen;
II. [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van € 9.750,-- aan koopsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2022;
III. [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van primair: € 1.815,-- aan aanvullende schadevergoeding vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 november 2023, subsidiair: € 1.043,60 aan buitengerechtelijke kosten;
IV. [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van primair: € 4.235,-- aan volledige proceskosten voor de eerste aanleg en € 4.235,-- aan volledige proceskosten voor het hoger beroep als aanvullende schadevergoeding,
subsidiair: € 4.235,-- aan volledige proceskosten voor de eerste aanleg en € 4.235,-- aan volledige proceskosten voor het hoger beroep vanwege misbruik van recht,
meer subsidiair: de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met wettelijke
rente;
(hierna: vorderingen I, II, III en IV).
3.5
[geïntimeerde] is niet verschenen in hoger beroep en tegen hem is verstek verleend.
Aan het hof voorliggende vorderingen en grieven
3.6
In hoger beroep is op grond van de artikelen 130 lid 1 jo. 353 lid 1 Rv en de in beginsel strenge tweeconclusieregel van artikel 347 lid 1 Rv uitgangspunt dat een partij alleen bij de eerste memorie de (grondslag van de) eis mag veranderen of vermeerderen. Tegen de in hoger beroep niet verschenen [geïntimeerde] is dat volgens de artikelen 130 lid 3 jo. 353 lid 1 Rv uitgesloten, tenzij de wijziging (tijdig) bij exploot aan de wederpartij kenbaar is gemaakt. Dit laatste is het geval, nu de eiswijziging is opgenomen in het appel(dagvaardings)exploot van 21 februari 2025 dat aan [geïntimeerde] in persoon is betekend. Hierdoor spitst het hoger beroep zich toe op de aan het hof voorliggende vorderingen I tot en met IV. Of deze vorderingen daarmee ook toewijsbaar zijn, is een andere kwestie en zal het hof hierna onderzoeken.
3.7
Nu [appellante] de koopovereenkomst voor de auto als consument heeft gesloten met de beroepsmatig handelende [geïntimeerde] en beide partijen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 17 lid 1 Verordening (EU) 1215/2012 rechtsmacht. De kantonrechter heeft terecht en onbestreden vastgesteld dat Nederlands recht van toepassing is. Bij gebreke van partijdebat hierover behoeven de rechtsmacht en het toepasselijke recht hier verder geen bespreking.
3.8
Door de grieven 1 en 3 betoogt [appellante] dat de kantonrechter in de feitenvaststelling een aantal feiten niet of niet juist heeft vermeld. Zelfs bij juistheid leidt dit evenwel nog niet tot andere (dan de door de kantonrechter gegeven) eindbeslissingen. Een rechterlijke feitenvaststelling pretendeert bovendien geen volledigheid, maar bevat een overzicht op hoofdlijnen van op basis van het partijdebat geselecteerde feiten die de rechter onbestreden en voor de beoordeling relevant oordeelt. Voorts onderzoekt het hof de relevante feiten zelf en stelt het hof zo nodig - onder de feitenvaststelling of elders in de beoordeling - zelfstandig vast welke feiten in hoger beroep tot uitgangspunt dienen.
3.9.1
Door de grieven 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 10 en met de eisvermeerdering legt [appellante] aan de in hoger beroep voorliggende vorderingen I tot en met IV in de kern het volgende ten grondslag.
3.9.2
Primair is de door [geïntimeerde] afgeleverde auto non-conform doordat die niet naar Letland kan worden geëxporteerd en bij invoering aldaar in beslag is genomen, omdat de auto op 24 april 2018 in Portugal is gestolen. Daardoor heeft [geïntimeerde] ook niet de onbezwaarde eigendom van de auto aan [appellante] overgedragen. [appellante] heeft de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, waardoor [geïntimeerde] de koopsom moet terugbetalen.
Subsidiair dient de koopovereenkomst te worden vernietigd omdat [appellante] en/of beide partijen hebben gedwaald over de mogelijkheid om de auto in Letland in te voeren en de verkrijging van de eigendom door [appellante] vrij van alle lasten en beperkingen. Als [appellante] had geweten dat de auto van diefstal afkomstig was, zou [appellante] de koopovereenkomst niet hebben gesloten, aldus nog steeds [appellante] .
3.10.1
Voor zover [appellante] in hoger beroep nieuwe standpunten inneemt, weerspreekt [geïntimeerde] die niet. De door de devolutie voorliggende weerspreking door [geïntimeerde] van reeds in eerste aanleg door [appellante] ingenomen standpunten, luidt in hoofdlijn als volgt.
3.10.2
[geïntimeerde] heeft te goeder trouw gehandeld en de auto bij verkrijging ook probleemloos kunnen vrijwaren. Omdat [appellante] aangaf de auto te kopen voor een vriend in Letland, heeft [geïntimeerde] na betaling de exportpapieren en een tijdelijke verzekering geregeld zodat er meteen mee naar Letland kon worden gereden.
Toen weken later werd aangegeven dat de auto in beslag is genomen omdat deze als gestolen geregistreerd staat in Portugal, heeft [geïntimeerde] alle mogelijke medewerking willen verlenen. De RDW gaf echter aan niets van de diefstal te weten en niet verder te kunnen helpen, dus wellicht is sprake van een verkeerde registratie in het buitenland. De auto is sinds 2014 een aantal malen probleemloos van eigenaar gewisseld. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat de auto al vanaf 2014 met een Nederlands kenteken in Nederland rondreed, terwijl dezelfde auto in 2018 in Portugal werd gestolen terwijl hij was voorzien van een Portugees kenteken. Ergens gaat er iets fout en [geïntimeerde] wordt daar slachtoffer van. Toen [geïntimeerde] aan [appellante] vroeg of ze daarom bij Letse of Portugese instanties zou willen navragen of een mogelijke verkeerde melding niet uit het systeem is gehaald, werd niets meer van [appellante] vernomen totdat haar advocaat [geïntimeerde] maanden later beschuldigde van heling. [geïntimeerde] heeft te goeder trouw gehandeld en [appellante] heeft er zelf voor gekozen om de auto te exporteren naar Letland. Als de auto in Nederland was gebleven, was er niets aan de hand geweest en hadden gedegen onderzoek kunnen worden gedaan, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
3.11
Het hof overweegt dat [appellante] alle in hoger beroep voorliggende vorderingen baseert op hetzelfde feit, namelijk dat de door [geïntimeerde] op 29 april 2022 aan haar geleverde auto die toen was voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken A], op 24 april 2018 in Portugal is gestolen terwijl hij was voorzien van een Portugees kenteken. Tegenover de door [geïntimeerde] gemotiveerd en met RDW-stukken onderbouwde betwisting, geeft [appellante] echter (nog steeds) niet de voor het eigen standpunt benodigde (nadere) onderbouwing en verduidelijking, wat wel van [appellante] had mogen worden verwacht. Zo licht [appellante] haar standpunt toe met een (kopie van een) beweerd proces-verbaal van de Letse politie, maar van dat (als productie 3 bij inleidende dagvaarding ingebrachte) stuk kan door meerdere duidelijk zichtbare (door post-its) afgeplakte delen niet worden vastgesteld wat de herkomst en status van het origineel is. Dat kan ook geenszins worden afgeleid uit de daarvan door [appellante] gepresenteerde (als productie 13 bij akte van 18 november 2024 ingebrachte) Nederlandse vertaling, van welke vertaling overigens niet blijkt van wie die afkomstig is. Die vertaling vermeldt bovendien twee opvallende afwijkingen ten opzichte van het (gekopieerde) origineel: [--] in plaats van [++] als beginletter(s) van het vermelde VIN-nummer en Zl in plaats van ZT in het vermelde Portugese kentekennummer.
Ook van het door [appellante] ter toelichting op haar standpunt (als productie 11 bij akte van 18 november 2024) ingebrachte (kopie van een) officieel ogend stuk d.d. 11 november 2024 wordt niet duidelijk wat de herkomst en status van het origineel is. Ook dit kan niet worden afgeleid uit de daarvan door [appellante] gepresenteerde (als productie 12 bij akte van 18 november 2024 ingebrachte) Nederlandse vertaling, van welke vertaling eveneens niet blijkt van wie die afkomstig is. Ook deze vertaling bevat trouwens een opvallende afwijking ten opzichte van het (gekopieerde) origineel: 3411 in plaats van 31411 als afsluitende cijferreeks van het vermelde VIN-nummer.
Bewijsaanbod
3.12
Nu [appellante] gelet op het voorgaande niet aan haar stelplicht voldoet en geen concreet op dat (onder al haar vorderingen liggende) feit gericht bewijsaanbod doet, komt het hof niet toe aan wat [appellante] verder nog te bewijzen aanbiedt.
Slotsom
3.13
Reeds dit alles doet het hof concluderen dat de grieven 1 en 3 tot niets kunnen leiden en dat de tegen het beroepen vonnis aangevoerde grieven 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 10 falen. Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd en de aan het hof voorliggende vorderingen I tot en met IV dienen te worden afgewezen.
Doordat het beroepen vonnis in stand blijft, is [appellante] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld en faalt de daartegen gerichte grief 9. Omdat [appellante] ook in dit hoger beroep ongelijk krijgt, zal [appellante] in de proceskosten van dit beroep worden veroordeeld, maar die kosten aan de zijde van de in rechte niet verschenen [geïntimeerde] worden begroot op nihil. Het hof beslist nu als volgt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 12 december 2024;
veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] ten bedrage van € 0,-- voor dit hoger beroep;
wijst het in hoger beroep door [appellante] meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.B. Smits en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer