Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3329
2025-11-18
Civiel recht; Arbeidsrecht
200.338.325_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Pensioenrecht; uitleg werkingssfeer verplichtstellingsbesluit Bpf MITT; aanhouding totdat de Hoge Raad heeft geoordeeld over https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2339 zie https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1000 (Hazet)
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2023:1622 Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:HR:2003:AF3422 Hoge Raad 11-04-2003
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2339 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (36.048 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.325/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
Speer Reclame en Communicatie B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Speer,
advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,
de vereniging [xx] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevoegde partij aan de zijde van Speer,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. R.P.L.H. Burger te Rotterdam,
tegen
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Bfp Mitt,
advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 juli 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 10298317 CV ECPL23-291 gewezen vonnis van 20 december 2023.
5Het verdere verloop van de procedure
5.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 9 juli 2024, waarin het hof [xx] toegelaten heeft als gevoegde partij aan de zijde van Speer;
de memorie van grieven van Speer met eiswijziging en producties;
de memorie van [xx] met producties;
de memorie van antwoord van Bpf Mitt op de memorie van grieven van Speer;
de memorie van antwoord van Bpf Mitt op de memorie van [xx] ;
de door Speer toegezonden producties 50 en 51 en de door [xx] toegezonden productie 6 tot en met 8, die partijen bij de mondelinge behandeling in het geding hebben gebracht en waarvan aan hen akte is verleend;
de op 23 september 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij alle partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6De beoordeling
6.1.
De samenvatting
6.1.1.
Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of Speer valt onder de werkingssfeer van het Besluit tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur- en Tapijt- en Textielindustrie. Als dat het geval is, dan heeft dat tot gevolg dat Speer gegevens moet verstrekken en pensioenpremies moet afdragen aan Bpf Mitt. Volgens Speer valt zij niet onder de werkingssfeer, omdat zij slechts voor een zeer gering deel van haar omzet activiteiten verricht die onder de werkingssfeer vallen. Verder beroept zij zich op twee uitzonderingsbepalingen. Bfp Mitt heeft dit bestreden.
6.1.2.
Het hof komt tot het oordeel dat Speer geen beroep toekomt op de uitzonderingsbepalingen. Dit betekent dat het hof moet beoordelen of er aanleiding is te oordelen dat Speer -ondanks het feit dat zij Mitt-activiteiten verricht- toch niet onder de werkingssfeer valt. Hierover loopt al een procedure in cassatie. Het hof zal de beoordeling van dit hoger beroep daarom verder aanhouden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in die cassatieprocedure.
6.2.
De feiten
6.2.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
6.2.2.
Speer is blijkens het handelsregister opgericht op 26 februari 2007 en houdt zich volgens dat register bezig met het verlenen van diensten op het gebied van reclame en communicatie, ontwerp en uitvoering van signing projecten, beletteren en folieverwerking. Er werken ongeveer 25 werknemers bij Speer.
6.2.3.
[xx] is de werkgevers- en belangenvereniging voor het signbedrijf. De signbranche houdt zich onder andere bezig met ontwerp en uitvoering van binnen- en buitenreclame, huisstijlen en dergelijke. [xx] heeft ongeveer 500 leden en is representatief in de signbranche.
6.2.4.
Bpf Mitt is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000).
6.2.5.
Bij besluit van 5 december 1975, nr. 44896A, Stcrt. 1976, nr. 5 werd overgegaan tot het verplicht stellen van deelneming in Bpf Mitt voor werknemers die werkzaam zijn bij werkgevers die vallen onder de werkingssfeer van dit besluit. Dit verplichtstellingsbesluit is meermaals gewijzigd. Voor zover in deze procedure relevant gaat het om de gewijzigde besluiten van 31 mei 2010 (Stcrt. 3 juni 2010, nr. 8494), 9 maart 2015 (Stcrt. 2015, 12 maart 2015, nr. 7175), 5 januari 2016 (Stcrt. 2016, 7 januari 2016, nr. 766) en 1 februari 2018 (Stcrt. 2018, 6 februari 2018, nr. 6910).
6.2.6.
Voor zover in dit hoger beroep relevant, is in deze verplichtstellingsbesluiten (die in dit opzicht gelijkluidend zijn) het volgende bepaald:
“De deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie is verplicht gesteld voor de werknemers (…) die werkzaam zijn bij een werkgever in de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (…)
Wordende te dezen verstaan onder:
1. Werknemer: (…)
2. Werkgever:
De werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon die in zijn in Nederland gevestigde onderneming of afdeling(en) van zijn onderneming het Mode-, Interieur-, Tapijt- of Textielindustriebedrijf (…) uitoefent.
3. Tapijt- en Textielindustrie:
(…)
4. Mode- en Interieurindustrie:onder Mode- en Interieurindustrie moet worden verstaan:
het vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of het ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen of hetgeen ter vervanging daarvan dient, zoals: gerubberd doek, plastic, leder, bont en dergelijke, tot een ge- of verbruiksvoorwerp dan wel halffabrikaten daarvan, met inbegrip van in Nederland gevestigde gordijnateliers, alles met uitzondering van ondernemingen:
I. I. waarin de verwerking geschiedt door detailhandelsondernemingen, die uitsluitend de in de detailhandel gebruikelijke bewerkingen verrichten;
II. II. die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen, waarvan de verwerkte textielstukgoederen, of hetgeen ter vervanging daarvan dient, niet een overwegend bestanddeel uitmaken, zoals schoen-, matrassen- en meubelfabrieken;
III. III. die in hoofdzaak artikelen vervaardigen, ter zake waarvan de algemeen verbindend verklaarde CAO voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie (…) dan wel een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van: zeilmaker; dekkledenvervaardiger; dekkledenverhuur; scheepstuiger; scheepsbenodigdheden handelaar, en/of folieverwerker, dan wel waarop onderdeel 3 van toepassing is;
IV. IV. die in hoofdzaak het maatkledingbedrijf uitoefenen.Van vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken is sprake als een onderneming één of meer van de fasen van de voortbrengingscyclus (van ontwerp tot en met verzendklaar maken) van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen verricht en/of in zijn opdracht door derden laat verrichten.
(…)”.
Het hof zal deze verplichtstellingsbesluiten hierna steeds in enkelvoud aanduiden.
6.2.7.
Bij brief van 24 mei 2016 heeft Bpf Mitt aan een werkgever die lid is van [xx] -niet zijnde Speer- het volgende geschreven:
“(…)
In ons telefoongesprek deelde u mee bezwaar te maken tegen aansluiting bij de MITT. (…)
Uw bedrijf houdt zich bezig met (grootformaat) printen op diverse materialen, maar (nagenoeg) geen textiel. Uw bedrijf houdt zich niet bezig met het bedrukken van textielgroepen, zoals vlaggen, spandoeken, banieren e.d.. U veronderstelde dat mogelijk verwarring is ontstaan, omdat uw onderneming is overgenomen door [naam weggelakt; toevoeging hof].
Op basis van deze informatie is de Vakraad MITT bij nadere overweging van oordeel dat uw
bedrijf niet valt onder de werkingssfeer van de CAO MITT en sociale fondsen MITT. De
telefonisch verstrekte informatie wijkt gedeeltelijk af van de onderzoeksinformatie van AZL
waaruit viel af te leiden dat uw bedrijf zich bezig houdt met het bedrukken van vlaggen e.d..
Wij zullen de CAO-registratie en aansluiting van [naam weggelakt; toevoeging hof] dan ook annuleren. (…).”
6.2.8.
Bij brief van 16 september 2020 heeft Bpf Mitt aan Speer meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2015 onder de werkingssfeer van het Bpf Mitt valt.
6.3.
De procedure in eerste aanleg
6.3.1.
Speer heeft deze procedure aanhangig gemaakt en (samengevat weergegeven) gevorderd:
primair:
een verklaring voor recht dat Speer nooit onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit heeft gevallen;
een verklaring voor recht dat Speer met haar huidige werkzaamheden niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt;
subsidiair
3. een verklaring voor recht dat Speer niet hoeft deel te nemen in het bedrijfstak-pensioenfonds van Bfp Mitt, althans tot de datum van staken van het aanbrengen van afbeeldingen op kledingstukken, maar ook in dat geval pas vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf september 2020, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, althans alleen met haar (oud-)werknemers die zich bezig houden (hielden) met het bedrukken van textiel;
meer subsidiair
4. Bpf Mitt te veroordelen vrijstelling te verlenen van deelname in het bedrijfstakpensioenfonds;
subsidiair en meer subsidiair
5. als de kantonrechter oordeelt dat Speer onder de werkingssfeer valt, een verklaring voor recht dat de bepalingen in het Uitvoeringsreglement ter zake rente en buitengerechtelijke incassokosten onverbindend zijn, althans moeten worden beperkt tot de wettelijke rente van art. 6:119 BW en de buitengerechtelijke incassokosten volgens de staffel gepubliceerd op rechtspraak.nl;
primair, subsidiair en meer subsidiair
6. Bfp Mitt in de proceskosten te veroordelen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.3.2.
Bpf Mitt heeft in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. Verder heeft zij een eis in reconventie ingesteld en (samengevat weergegeven) het volgende gevorderd:
voor recht te verklaren dat Speer vanaf 1 januari 2015 valt onder de werkingssfeer van de verplichtstelling, zodat zij deze vanaf die datum moet naleven;
Speer te veroordelen tot betaling van € 43.400,00 aan Bpf Mitt te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke handelsrente vanaf 25 november 2022;
Speer te veroordelen tot elektronische verstrekking van werknemersgegevens van werknemers die vanaf 1 januari 2015 in dienst zijn (geweest) bij Speer op straffe van verbeurte van een dwangsom;
Speer te veroordelen aan Bpf Mitt een controleverklaring van een registeraccountant te verstrekken waarin de registeraccountant een goedkeurend oordeel uitspreekt over de juistheid en volledigheid van de werknemersgegevens die Speer Reclame op grond van de veroordeling onder 3. heeft verstrekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
voor recht te verklaren dat als uit de gegevens genoemd hiervoor onder 3. en 4. blijkt dat de door Speer verschuldigde premie, rente en kosten hoger is dan het bedrag van € 43.400,00 Speer verplicht is dat hogere bedrag te betalen aan Bpf Mitt.
Bpf Mitt heeft verder in conventie en in reconventie gevorderd Speer in de proceskosten te veroordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
6.3.3.
Speer heeft in reconventie geconcludeerd tot afwijzing van alle vorderingen van Bfp Mitt en in conventie en reconventie gevorderd Bfp Mitt te veroordelen in de proceskosten conform liquidatietarief x 1,5, te vermeerderen met de werkelijke kosten van het
accountantsrapport.
6.3.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Speer afgewezen en die van Bpf Mitt nagenoeg volledig toegewezen.
Het oordeel van de kantonrechter komt er in de kern op neer dat Speer onder het Verplichtstellingsbesluit valt, omdat vast staat dat Speer voor een klein deel textiel zelf bewerkt en het Verplichtstellingsbesluit geen ondergrens kent.
6.4.
De procedure in hoger beroep
6.4.1.
Het hoger beroep van Speer strekt, na wijziging van haar eis, tot vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en in reconventie, tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van Speer en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Bpf Mitt.
Daarnaast heeft Speer, in de vorm van een vermeerdering van eis, ongedaanmaking gevorderd van het bestreden vonnis in die zin dat het hof Bpf Mitt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest veroordeelt tot:
i) terugbetaling aan Speer van al hetgeen Speer op grond van het vonnis aan Bfp Mitt heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
ii) uitreiking aan Speer van de met de veroordeling onder 3. corresponderende creditfacturen;
beide op straffe van een dwangsom met een maximum van EUR 317.000,00.
Tot slot heeft zij gevorderd Bfp Mitt te veroordelen in de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand in beide instanties, althans in tweemaal de geliquideerde proceskosten in beide instanties.
6.4.2.
[xx] heeft als gevoegde partij alle stellingen en argumenten van Speer onderschreven. Zij heeft eveneens tot vernietiging van het bestreden vonnis geconcludeerd en gevorderd, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, alle (gewijzigde) vorderingen van Speer toe te wijzen en de vorderingen van Bpf Mitt af te wijzen, met veroordeling van Bfp Mitt in de kosten van het hoger beroep, met uitzondering van de kosten van het incident.
6.4.3.
Bfp Mitt heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Speer en [xx] , zoals in hoger beroep geformuleerd met -uitvoerbaar bij voorraad te verklaren- veroordeling van Speer en [xx] in de proceskosten.
6.5.
Valt Speer onder de werking van het Verplichtstellingsbesluit?
6.5.1.
De kernvraag die partijen verdeeld houdt is of Speer onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt.
6.5.2.
Naar vaste rechtspraak moeten verplichtstellingsbesluiten worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde cao norm. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De Hoge Raad heeft dat als volgt geformuleerd (HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1622):
Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende tot uitgangspunt. Het verplichtstellingsbesluit is recht in de zin van art. 79 RO en moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. Een en ander geldt op overeenkomstige wijze voor andere regelingen dan een cao die aan de hand van de cao-norm moeten worden uitgelegd.
6.5.3.
Speer houdt zich bezig met het verwerken (snijden, beprinten, monteren) van polyesterfolie. Zij koopt hiertoe per jaar ongeveer € 500.000,00 ruw foliemateriaal in en levert folieproducten aan klanten. Deze folieproducten zijn met name, maar niet uitsluitend, zogeheten transfers. Transfers zijn vellen polyester folie waarop met inkt een afbeelding of tekst is aangebracht die door middel van warmte kan worden overgebracht op textiel. Aan de productie van transfers zelf komt geen textiel te pas. Speer levert de folietransfers met de door Speer daarop aangebrachte inkt aan haar klanten. De klanten van Speer persen deze folietransfers met inkt vervolgens zelf op de gewenste ondergrond (in de regel textiel). Dat gaat buiten Speer om. De afbeelding of tekst moet, als dit door de klant wordt aangeleverd, doorgaans nog technisch bewerkt worden voordat het op het folie gedrukt kan worden. Dat zijn werkzaamheden die Speer verricht. Ook komt het voor dat Speer gevraagd wordt het ontwerp te verzorgen. Ook dat behoort dan tot haar werkzaamheden.
Andere folieproducten die Speer vervaardigt zijn folie voor bewegwijzering, waarschuwingsborden, parkeerborden, voertuig-wrapping, raamfolies, veiligheidsfolies, stickers, (auto)beletteringen enz. Ook advisering met betrekking tot zogeheten “technische” folies hoort bij het producten- en dienstenpakket van Speer.
Daarnaast bedrukt Speer zelf textiel, zoals kledingstukken. Vlaggen koopt zij bedrukt in, waarbij het wel Speer is die de opdracht aan een derde geeft om de vlag te bedrukken. Die vlaggen verkoopt Speer, samen met vlaggenmasten en palen, door.
6.5.4.
Niet in geschil is dat deze laatstgenoemde werkzaamheden, waarbij Speer dus zelf textiel bedrukt of laat bedrukken, activiteiten zijn die onder de definitie van het Verplichtstellingsbesluit vallen (hierna aan te duiden als de Mitt-activiteiten). Volgens Speer gaat het hier echter om zeer klein deel van de totale omzet, dat in de jaren 2016-2023 schommelde tussen de 1% en 2% en inmiddels nog maar 0,5% van de omzet omvat. Speer vindt dat het Verplichtstellingsbesluit zo moet worden uitgelegd dat er een ondergrens is en dat zij daarom niet onder de reikwijdte van het besluit valt. Daarnaast stelt Speer dat haar een beroep toekomt op de uitzonderingsbepalingen van artikel 4.II. en 4.III. van het Verplichtstellingsbesluit. Als het hof Speer hierin niet volgt, stelt Speer dat het beroep van Bfp Mitt op het Verplichtstellingsbesluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans dat Bfp Mitt misbruik van haar bevoegdheid maakt.
6.5.5.
Bfp Mitt stelt zich op het standpunt dat het er niet toe doet hoe gering de Mitt-activiteiten zijn, omdat het Verplichtstellingsbesluit geen ondergrens kent. Een dergelijke ondergrens kan ook niet via de toets van de redelijkheid en billijkheid worden toegevoegd. Overigens betwist zij het door Speer gestelde percentage dat met het (doen) bedrukken van textiel gemoeid is. Dat moet volgens Bfp Mitt, gelet op de presentatie op de website, een substantiëlere activiteit zijn dan Speer doet voorkomen. Verder heeft Bfp Mitt bezwaar gemaakt tegen het voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geuite beroep op artikel 4.II. en heeft zij overigens bestreden dat de in 4.II. en 4.III. genoemde uitzonderingen van toepassing zijn op Speer. Zij heeft betwist dat zij misbruik van haar bevoegdheid maakt.
6.5.6.
Het hof zal eerst het door Speer gedane beroep op de uitzonderingen beoordelen.
De uitzondering in artikel 4.II. van het Verplichtstellingsbesluit
6.5.7.
Het meest verstrekkende betoog van Bfp Mitt is dat het beroep op artikel 4.II. in strijd is met de twee-conclusie-regel. Volgens Speer is dat niet zo, omdat er sprake is van een voortbouwend argument. Het hof zal het oordeel hierover in het midden laten, omdat het beroep op artikel 4.II. naar het oordeel van het hof niet opgaat en het hof hierover helderheid wenst te scheppen. Deze uitzondering is geschreven voor ondernemingen die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen, waarin -kort gezegd- weliswaar textiel is verwerkt maar waarbij dat textiel niet een overwegend bestanddeel van het eindproduct uitmaakt. Als voorbeeld wordt een schoenfabriek gegeven. Zoals Speer zelf al aangeeft is daarvan bij haar geen sprake. Als het folie al als eindproduct kan worden gekwalificeerd, zoals Speer stelt, dan bevat dat eindproduct geen textiel. Dat Speer -ondanks het feit dat haar mogelijke eindproducten geen textiel bevatten- toch onder de reikwijdte van het Verplichtstellingsbesluit valt, terwijl een onderneming die een eindproduct maakt met weinig textiel er niet onder valt, is geen onaannemelijk rechtsgevolg. Dat betekent enkel dat Speer niet onder deze uitzondering valt, omdat die niet is geschreven voor ondernemingen die eindproducten maken waarin geen textiel verwerkt wordt. Dat de discussie bij Speer wel speelt, heeft niets te maken met deze uitzondering, maar alles met de hoofdregel en het feit dat Speer wel textiel zoals kledingstukken bewerkt en vlaggen doet bewerken.
6.5.8.
De conclusie is dat de uitzondering in artikel 4.II. niet van toepassing is.
De uitzondering in artikel 4.III. van het Verplichtstellingsbesluit
6.5.9.
Ook het beroep van Speer op artikel 4.III. gaat naar het oordeel van het hof niet op. Aan Speer kan worden toegegeven dat in artikel 4.III. niet met zoveel woorden is vermeld dat met ‘folieverwerker’ een folieverwerker in de zin van de CAO voor de Zeilmakerijen, dekkledenvervaardiging, dekkledenverhuur, scheepstuigerijen en scheepsbenodigdhedenhandel (hierna afgekort als: CAO voor de Zeilmakerijen) wordt bedoeld, zoals Bpf Mitt stelt. Er staat namelijk enkel ‘folieverwerker’ zonder dat verwezen wordt naar de CAO voor de Zeilmakerijen, terwijl er wél expliciet wordt verwezen naar de CAO voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie. Het enkele feit dat in deze tekst niet wordt vermeld dat de folieverwerker in de zin van een bepaalde CAO bedoeld wordt en dat om die reden dit onduidelijk voor Speer is of kan zijn, betekent echter nog niet zonder meer dat deze uitzondering ten gunste van Speer moet worden uitgelegd. Een dergelijke uitleg sluit niet goed aan bij de cao-norm (zie HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3422, r.o. 3.5.)
6.5.10.
De uitleg die Speer voorstaat komt erop neer dat een onderneming zoals Speer, die 60% van de totale omzet uit de verwerking van folie genereert, ondanks het feit dat zij -zij het in geringe mate- textiel bewerkt, niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt terwijl een onderneming die een andere hoofdactiviteit verricht die niets met textiel te maken heeft en niet wordt genoemd in artikel 4.III. en daarmee 60% van de omzet genereert, wel daaronder zou vallen als deze onderneming daarnaast in dezelfde mate textiel als Speer bewerkt. Zonder dat duidelijk is waarin folieverwerkers zich op dit punt onderscheiden van die andere ondernemingen en dus zonder duidelijke rechtvaardiging voor een dergelijke uitzonderingspositie voor folieverwerkers, acht het hof dit een onaannemelijk rechtsgevolg. Verder weegt voor het hof zwaar dat de uitzondering zoals deze in artikel 4.III. is geformuleerd exact, ook in deze volgorde, overeenkomt met de tekst van artikel 1a (de Werkingssfeerbepaling) van de CAO voor de Zeilmakerijen. De uitzondering in artikel 4.III. van het Verplichtstellingsbesluit van Bfp Mitt is als volgt omschreven:
“een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van: zeilmaker; dekkledenvervaardiger; dekkledenverhuur; scheepstuiger; scheepsbenodigdheden handelaar, en/of folieverwerker”,
en in de CAO voor de Zeilmakerij is deze als volgt omschreven:
“De bepalingen van deze CAO zijn van toepassing op alle werknemers die in dienst zijn bij een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van:
a. zeilmaker;
b. dekkledenvervaardiger;
c. dekkledenverhuur;
d. scheepstuiger;
e. scheepsbenodigdhedenhandelaar, en/of
f. folieverwerker”.
Dat aansluiting met / uitsluiting van het Verplichtstellingsbesluit van Bfp Mitt is beoogd blijkt bovendien uit het feit dat de CAO voor de Zeilmakerijen van haar werkingssfeer uitsluit werknemers die in dienst zijn van een onderneming die valt onder de werkingssfeer van de CAO voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie. Deze CAO’s sluiten elkaar dus uit (zie onder andere de CAO voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie die bij besluit van 2 juli 2015, Stcrt. 2015, 6 juli 2015, nummer 15308, algemeen verbindend is verklaard), terwijl de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit aansluit bij de CAO voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie. Kortom, de werkingssfeerbepalingen van beide CAO’s komen tekstueel sterk overeen met de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit.
Zoals hiervoor al is overwogen ontbreekt in de tekst van het Verplichtstellingsbesluit het woord ‘CAO’. Dat woord is wel vermeld voorafgaande aan de Schoen-, Leder-, en Lederwarenindustrie. Gelet op de constructie van de tekst -een opsomming van ‘iets’ met leer, gevolgd door een opsomming van ‘iets’ met scheepvaart- kon en moest het Speer duidelijk zijn dat ook hiermee werd gedoeld op een CAO.
Speer is folieverwerker, maar zij is geen folieverwerker in de zin van de CAO voor de Zeilmakerijen, althans zij heeft te weinig aangevoerd om daar vanuit te kunnen gaan.
6.5.11.
De conclusie is dat de uitzondering in artikel 4.III. ook niet van toepassing is.
Ondergrens
6.5.12.
Dit betekent dat het hof het principiële punt dat partijen verdeeld houdt moet beoordelen, te weten of het Verplichtstellingsbesluit zo moet worden uitgelegd dat er een ondergrens geldt en, als moet worden aangenomen dat dit zo is, wat de omvang van de Mitt-activiteiten dan is.
6.5.13.
In een eerder arrest heeft dit hof over het Verplichtstellingsbesluit van Bpf Mitt -kort gezegd- geoordeeld dat het Verplichtstellingsbesluit geen hoofdzaakcriterium kent en dat dit -ondanks dat de betreffende onderneming slechts een gering deel van de omzet behaalde met bedrijfsactiviteiten die onder de werkingssfeer vielen, niet tot de conclusie leidde dat de betreffende onderneming daarom niet onder de werkingssfeer viel. Wel heeft het hof in die uitspraak het beroep van de betreffende onderneming op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aanvaard en op die grond geoordeeld dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf Mitt zich beroept op het Verplichtstellingsbesluit (zie het arrest van 16 juli 2024; ECLI:NL:GHSHE:2024:2339).
6.5.14.
Tegen dat arrest, en meer specifiek tegen (onder andere) deze overwegingen, loopt een procedure in cassatie. Op 12 september 2025 heeft Advocaat-Generaal B.F. Assink (hierna: de A-G) geconcludeerd tot vernietiging van dat arrest.
6.5.15.
Het hof ziet aanleiding om alle verdere beslissingen, waaronder ook de beoordeling van de bezwaren van [xx] , aan te houden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad.
6.5.16.
Wel ziet het hof aanleiding om alvast het volgende te overwegen met betrekking tot het percentage van de omzet dat met de Mitt-activiteiten gemoeid is. Voor zover Bfp Mitt zich in hoger beroep nog op het standpunt zou stellen dat het enkele ontwerpen van logo’s en de productie van transfers activiteiten zijn die onder de werking van het Verplichtstellingsbesluit vallen, volgt het hof Bfp Mitt hierin niet. Deze transfers (folies) worden immers verkocht aan de klant en het is de klant zelf die deze transfers verwerkt. Daarom is geen sprake van het verrichten van een fase van de voortbrengingscyclus van kleding, kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen, zoals beschreven onder 4.IV., tweede volzin, van het Verplichtstellingsbesluit.
6.5.17.
Speer heeft becijferd dat met het zelf bedrukken van textiel in de jaren 2015 tot en met juni 2024 een omzet is gemoeid tussen de 0,8% en 2% en dat deze omzet op dit moment nog slechts 0,5% bedraagt. Zij heeft daartoe voor de periode vanaf 2016 verwezen naar rapporten van J.C. Scheffer AA, accountant bij [--] Accountants, niet zijnde de eigen accountant van Speer. Het als productie 26 overgelegde rapport ziet op de jaren 2016-2022. Dit rapport is aangevuld voor de jaren 2023 en 2024 met de als producties 38 en 39 overgelegde rapporten.
Volgens Bpf Mitt kloppen deze percentages niet.
6.5.18.
[--] Accountants heeft de omzet voor persen -dat volgens Speer ziet op het door haar bedrukken van textiel- bepaald aan de hand van een aantal nader genoemde grootboekkaarten en nader genoemde facturen. Het hof heeft -mede gelet op de wijze waarop [--] Accountants dit verantwoord heeft- geen aanleiding te veronderstellen dat deze omzetcijfers op zichzelf niet juist zijn. Echter is ter zitting in hoger beroep gebleken dat Speer -anders dan eerder was vermeld- in ieder geval zelf vlaggen laat bedrukken. Dit is in deze omzetcijfers niet verwerkt. Dit roept de vraag op hoe dit is verantwoord in de financiële administratie en waarom deze vlaggen niet zijn meegenomen in het door Speer becijferde percentage. Ook roept dit de vraag op of Speer andere Mitt-activiteiten verricht, die niet in de becijferde percentages zijn verwerkt. Zo heeft Bpf Mitt met verwijzing naar een vroegere versie van de website gewezen op de optie ‘Borduurlogo’s’, terwijl Speer zegt geen borduurbatches te hebben. Het is naar het oordeel van het hof aan Speer -in wiens domein deze gegevens liggen- helderheid te verschaffen hoe zich dit verhoudt tot haar (voormalige) website en welke persactiviteiten zijn inbegrepen in de door haar gepresenteerde cijfers. Daarbij merkt het hof op dat het enkele feit dat op de website regelmatig het woord ‘bedrukken’ voorkomt, op zichzelf niet betekent dat Speer een substantieel deel van haar omzet uit het (doen) bedrukken genereert. Het doel van de transfers / folies is immers dat deze worden gebruikt door de klant om onder andere textielstukgoederen te bedrukken. Dit betekent dus niet automatisch dat Speer dit zelf doet. Hetzelfde geldt voor de verwijzingen naar transferactiviteiten. Ook de omstandigheid dat Speer in het verleden heeft geadverteerd met het zelf bedrukken van textiel rechtvaardigt die conclusie niet, omdat zij zelf ook aangeeft dat zij dit deed. Het hof zal Speer niet nu al opdracht geven om voornoemde helderheid te verschaffen, maar eerst het oordeel van de Hoge Raad afwachten of dit relevant is.
6.6.
Het verdere verloop van de procedure
Het hof zal om proceseconomische redenen de zaak doorhalen op de rol, met de bepaling dat de meest gerede partij de zaak opnieuw kan opbrengen nadat de cassatieprocedure bij de Hoge Raad is geëindigd. Alle partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de invloed van de uitkomst van die cassatieprocedure in dit hoger beroep, waarna alle partijen met een antwoordakte op elkaars standpunt kunnen reageren.
Indien - naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad - de (geringe) omvang van de omzet relevant wordt, draagt het hof Speer op om gegevens aan te leveren als bedoeld in 6.5.18. In de antwoord-akte kunnen Bfp Mitt en [xx] hierop dan reageren.
Indien de uitkomst van de cassatieprocedure voor partijen aanleiding is om een regeling in der minne te beproeven, dan verzoekt het hof partijen om het hof daarvan in kennis te stellen, zodat duidelijk is waarom de zaak niet opnieuw wordt opgebracht.
7De uitspraak
Het hof:
7.1.
bepaalt dat de zaak wordt doorgehaald op de rol van vandaag;
7.2.
bepaalt dat de meest gerede partij de zaak opnieuw kan opbrengen, nadat de cassatieprocedure bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof Den Bosch van 16 juli 2024 is beëindigd;
7.3.
bepaalt dat, nadat de zaak opnieuw zal zijn opgebracht, alle partijen een ‘akte uitlating arrest Hoge Raad’ kunnen nemen met het in 6.6. genoemde doel, waarna alle partijen met een antwoordakte op elkaars standpunt kunnen reageren;
7.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, M. van Ham en A.W. Rutten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.325/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
Speer Reclame en Communicatie B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Speer,
advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,
de vereniging [xx] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevoegde partij aan de zijde van Speer,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. R.P.L.H. Burger te Rotterdam,
tegen
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Bfp Mitt,
advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 juli 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 10298317 CV ECPL23-291 gewezen vonnis van 20 december 2023.
5Het verdere verloop van de procedure
5.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 9 juli 2024, waarin het hof [xx] toegelaten heeft als gevoegde partij aan de zijde van Speer;
de memorie van grieven van Speer met eiswijziging en producties;
de memorie van [xx] met producties;
de memorie van antwoord van Bpf Mitt op de memorie van grieven van Speer;
de memorie van antwoord van Bpf Mitt op de memorie van [xx] ;
de door Speer toegezonden producties 50 en 51 en de door [xx] toegezonden productie 6 tot en met 8, die partijen bij de mondelinge behandeling in het geding hebben gebracht en waarvan aan hen akte is verleend;
de op 23 september 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij alle partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6De beoordeling
6.1.
De samenvatting
6.1.1.
Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of Speer valt onder de werkingssfeer van het Besluit tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur- en Tapijt- en Textielindustrie. Als dat het geval is, dan heeft dat tot gevolg dat Speer gegevens moet verstrekken en pensioenpremies moet afdragen aan Bpf Mitt. Volgens Speer valt zij niet onder de werkingssfeer, omdat zij slechts voor een zeer gering deel van haar omzet activiteiten verricht die onder de werkingssfeer vallen. Verder beroept zij zich op twee uitzonderingsbepalingen. Bfp Mitt heeft dit bestreden.
6.1.2.
Het hof komt tot het oordeel dat Speer geen beroep toekomt op de uitzonderingsbepalingen. Dit betekent dat het hof moet beoordelen of er aanleiding is te oordelen dat Speer -ondanks het feit dat zij Mitt-activiteiten verricht- toch niet onder de werkingssfeer valt. Hierover loopt al een procedure in cassatie. Het hof zal de beoordeling van dit hoger beroep daarom verder aanhouden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in die cassatieprocedure.
6.2.
De feiten
6.2.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
6.2.2.
Speer is blijkens het handelsregister opgericht op 26 februari 2007 en houdt zich volgens dat register bezig met het verlenen van diensten op het gebied van reclame en communicatie, ontwerp en uitvoering van signing projecten, beletteren en folieverwerking. Er werken ongeveer 25 werknemers bij Speer.
6.2.3.
[xx] is de werkgevers- en belangenvereniging voor het signbedrijf. De signbranche houdt zich onder andere bezig met ontwerp en uitvoering van binnen- en buitenreclame, huisstijlen en dergelijke. [xx] heeft ongeveer 500 leden en is representatief in de signbranche.
6.2.4.
Bpf Mitt is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000).
6.2.5.
Bij besluit van 5 december 1975, nr. 44896A, Stcrt. 1976, nr. 5 werd overgegaan tot het verplicht stellen van deelneming in Bpf Mitt voor werknemers die werkzaam zijn bij werkgevers die vallen onder de werkingssfeer van dit besluit. Dit verplichtstellingsbesluit is meermaals gewijzigd. Voor zover in deze procedure relevant gaat het om de gewijzigde besluiten van 31 mei 2010 (Stcrt. 3 juni 2010, nr. 8494), 9 maart 2015 (Stcrt. 2015, 12 maart 2015, nr. 7175), 5 januari 2016 (Stcrt. 2016, 7 januari 2016, nr. 766) en 1 februari 2018 (Stcrt. 2018, 6 februari 2018, nr. 6910).
6.2.6.
Voor zover in dit hoger beroep relevant, is in deze verplichtstellingsbesluiten (die in dit opzicht gelijkluidend zijn) het volgende bepaald:
“De deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie is verplicht gesteld voor de werknemers (…) die werkzaam zijn bij een werkgever in de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (…)
Wordende te dezen verstaan onder:
1. Werknemer: (…)
2. Werkgever:
De werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon die in zijn in Nederland gevestigde onderneming of afdeling(en) van zijn onderneming het Mode-, Interieur-, Tapijt- of Textielindustriebedrijf (…) uitoefent.
3. Tapijt- en Textielindustrie:
(…)
4. Mode- en Interieurindustrie:onder Mode- en Interieurindustrie moet worden verstaan:
het vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of het ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen of hetgeen ter vervanging daarvan dient, zoals: gerubberd doek, plastic, leder, bont en dergelijke, tot een ge- of verbruiksvoorwerp dan wel halffabrikaten daarvan, met inbegrip van in Nederland gevestigde gordijnateliers, alles met uitzondering van ondernemingen:
I. I. waarin de verwerking geschiedt door detailhandelsondernemingen, die uitsluitend de in de detailhandel gebruikelijke bewerkingen verrichten;
II. II. die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen, waarvan de verwerkte textielstukgoederen, of hetgeen ter vervanging daarvan dient, niet een overwegend bestanddeel uitmaken, zoals schoen-, matrassen- en meubelfabrieken;
III. III. die in hoofdzaak artikelen vervaardigen, ter zake waarvan de algemeen verbindend verklaarde CAO voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie (…) dan wel een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van: zeilmaker; dekkledenvervaardiger; dekkledenverhuur; scheepstuiger; scheepsbenodigdheden handelaar, en/of folieverwerker, dan wel waarop onderdeel 3 van toepassing is;
IV. IV. die in hoofdzaak het maatkledingbedrijf uitoefenen.Van vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken is sprake als een onderneming één of meer van de fasen van de voortbrengingscyclus (van ontwerp tot en met verzendklaar maken) van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen verricht en/of in zijn opdracht door derden laat verrichten.
(…)”.
Het hof zal deze verplichtstellingsbesluiten hierna steeds in enkelvoud aanduiden.
6.2.7.
Bij brief van 24 mei 2016 heeft Bpf Mitt aan een werkgever die lid is van [xx] -niet zijnde Speer- het volgende geschreven:
“(…)
In ons telefoongesprek deelde u mee bezwaar te maken tegen aansluiting bij de MITT. (…)
Uw bedrijf houdt zich bezig met (grootformaat) printen op diverse materialen, maar (nagenoeg) geen textiel. Uw bedrijf houdt zich niet bezig met het bedrukken van textielgroepen, zoals vlaggen, spandoeken, banieren e.d.. U veronderstelde dat mogelijk verwarring is ontstaan, omdat uw onderneming is overgenomen door [naam weggelakt; toevoeging hof].
Op basis van deze informatie is de Vakraad MITT bij nadere overweging van oordeel dat uw
bedrijf niet valt onder de werkingssfeer van de CAO MITT en sociale fondsen MITT. De
telefonisch verstrekte informatie wijkt gedeeltelijk af van de onderzoeksinformatie van AZL
waaruit viel af te leiden dat uw bedrijf zich bezig houdt met het bedrukken van vlaggen e.d..
Wij zullen de CAO-registratie en aansluiting van [naam weggelakt; toevoeging hof] dan ook annuleren. (…).”
6.2.8.
Bij brief van 16 september 2020 heeft Bpf Mitt aan Speer meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2015 onder de werkingssfeer van het Bpf Mitt valt.
6.3.
De procedure in eerste aanleg
6.3.1.
Speer heeft deze procedure aanhangig gemaakt en (samengevat weergegeven) gevorderd:
primair:
een verklaring voor recht dat Speer nooit onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit heeft gevallen;
een verklaring voor recht dat Speer met haar huidige werkzaamheden niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt;
subsidiair
3. een verklaring voor recht dat Speer niet hoeft deel te nemen in het bedrijfstak-pensioenfonds van Bfp Mitt, althans tot de datum van staken van het aanbrengen van afbeeldingen op kledingstukken, maar ook in dat geval pas vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf september 2020, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, althans alleen met haar (oud-)werknemers die zich bezig houden (hielden) met het bedrukken van textiel;
meer subsidiair
4. Bpf Mitt te veroordelen vrijstelling te verlenen van deelname in het bedrijfstakpensioenfonds;
subsidiair en meer subsidiair
5. als de kantonrechter oordeelt dat Speer onder de werkingssfeer valt, een verklaring voor recht dat de bepalingen in het Uitvoeringsreglement ter zake rente en buitengerechtelijke incassokosten onverbindend zijn, althans moeten worden beperkt tot de wettelijke rente van art. 6:119 BW en de buitengerechtelijke incassokosten volgens de staffel gepubliceerd op rechtspraak.nl;
primair, subsidiair en meer subsidiair
6. Bfp Mitt in de proceskosten te veroordelen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.3.2.
Bpf Mitt heeft in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. Verder heeft zij een eis in reconventie ingesteld en (samengevat weergegeven) het volgende gevorderd:
voor recht te verklaren dat Speer vanaf 1 januari 2015 valt onder de werkingssfeer van de verplichtstelling, zodat zij deze vanaf die datum moet naleven;
Speer te veroordelen tot betaling van € 43.400,00 aan Bpf Mitt te vermeerderen met rente gelijk aan de wettelijke handelsrente vanaf 25 november 2022;
Speer te veroordelen tot elektronische verstrekking van werknemersgegevens van werknemers die vanaf 1 januari 2015 in dienst zijn (geweest) bij Speer op straffe van verbeurte van een dwangsom;
Speer te veroordelen aan Bpf Mitt een controleverklaring van een registeraccountant te verstrekken waarin de registeraccountant een goedkeurend oordeel uitspreekt over de juistheid en volledigheid van de werknemersgegevens die Speer Reclame op grond van de veroordeling onder 3. heeft verstrekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
voor recht te verklaren dat als uit de gegevens genoemd hiervoor onder 3. en 4. blijkt dat de door Speer verschuldigde premie, rente en kosten hoger is dan het bedrag van € 43.400,00 Speer verplicht is dat hogere bedrag te betalen aan Bpf Mitt.
Bpf Mitt heeft verder in conventie en in reconventie gevorderd Speer in de proceskosten te veroordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
6.3.3.
Speer heeft in reconventie geconcludeerd tot afwijzing van alle vorderingen van Bfp Mitt en in conventie en reconventie gevorderd Bfp Mitt te veroordelen in de proceskosten conform liquidatietarief x 1,5, te vermeerderen met de werkelijke kosten van het
accountantsrapport.
6.3.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Speer afgewezen en die van Bpf Mitt nagenoeg volledig toegewezen.
Het oordeel van de kantonrechter komt er in de kern op neer dat Speer onder het Verplichtstellingsbesluit valt, omdat vast staat dat Speer voor een klein deel textiel zelf bewerkt en het Verplichtstellingsbesluit geen ondergrens kent.
6.4.
De procedure in hoger beroep
6.4.1.
Het hoger beroep van Speer strekt, na wijziging van haar eis, tot vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en in reconventie, tot het alsnog toewijzen van de vorderingen van Speer en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Bpf Mitt.
Daarnaast heeft Speer, in de vorm van een vermeerdering van eis, ongedaanmaking gevorderd van het bestreden vonnis in die zin dat het hof Bpf Mitt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest veroordeelt tot:
i) terugbetaling aan Speer van al hetgeen Speer op grond van het vonnis aan Bfp Mitt heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
ii) uitreiking aan Speer van de met de veroordeling onder 3. corresponderende creditfacturen;
beide op straffe van een dwangsom met een maximum van EUR 317.000,00.
Tot slot heeft zij gevorderd Bfp Mitt te veroordelen in de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand in beide instanties, althans in tweemaal de geliquideerde proceskosten in beide instanties.
6.4.2.
[xx] heeft als gevoegde partij alle stellingen en argumenten van Speer onderschreven. Zij heeft eveneens tot vernietiging van het bestreden vonnis geconcludeerd en gevorderd, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, alle (gewijzigde) vorderingen van Speer toe te wijzen en de vorderingen van Bpf Mitt af te wijzen, met veroordeling van Bfp Mitt in de kosten van het hoger beroep, met uitzondering van de kosten van het incident.
6.4.3.
Bfp Mitt heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Speer en [xx] , zoals in hoger beroep geformuleerd met -uitvoerbaar bij voorraad te verklaren- veroordeling van Speer en [xx] in de proceskosten.
6.5.
Valt Speer onder de werking van het Verplichtstellingsbesluit?
6.5.1.
De kernvraag die partijen verdeeld houdt is of Speer onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt.
6.5.2.
Naar vaste rechtspraak moeten verplichtstellingsbesluiten worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde cao norm. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De Hoge Raad heeft dat als volgt geformuleerd (HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1622):
Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende tot uitgangspunt. Het verplichtstellingsbesluit is recht in de zin van art. 79 RO en moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. Een en ander geldt op overeenkomstige wijze voor andere regelingen dan een cao die aan de hand van de cao-norm moeten worden uitgelegd.
6.5.3.
Speer houdt zich bezig met het verwerken (snijden, beprinten, monteren) van polyesterfolie. Zij koopt hiertoe per jaar ongeveer € 500.000,00 ruw foliemateriaal in en levert folieproducten aan klanten. Deze folieproducten zijn met name, maar niet uitsluitend, zogeheten transfers. Transfers zijn vellen polyester folie waarop met inkt een afbeelding of tekst is aangebracht die door middel van warmte kan worden overgebracht op textiel. Aan de productie van transfers zelf komt geen textiel te pas. Speer levert de folietransfers met de door Speer daarop aangebrachte inkt aan haar klanten. De klanten van Speer persen deze folietransfers met inkt vervolgens zelf op de gewenste ondergrond (in de regel textiel). Dat gaat buiten Speer om. De afbeelding of tekst moet, als dit door de klant wordt aangeleverd, doorgaans nog technisch bewerkt worden voordat het op het folie gedrukt kan worden. Dat zijn werkzaamheden die Speer verricht. Ook komt het voor dat Speer gevraagd wordt het ontwerp te verzorgen. Ook dat behoort dan tot haar werkzaamheden.
Andere folieproducten die Speer vervaardigt zijn folie voor bewegwijzering, waarschuwingsborden, parkeerborden, voertuig-wrapping, raamfolies, veiligheidsfolies, stickers, (auto)beletteringen enz. Ook advisering met betrekking tot zogeheten “technische” folies hoort bij het producten- en dienstenpakket van Speer.
Daarnaast bedrukt Speer zelf textiel, zoals kledingstukken. Vlaggen koopt zij bedrukt in, waarbij het wel Speer is die de opdracht aan een derde geeft om de vlag te bedrukken. Die vlaggen verkoopt Speer, samen met vlaggenmasten en palen, door.
6.5.4.
Niet in geschil is dat deze laatstgenoemde werkzaamheden, waarbij Speer dus zelf textiel bedrukt of laat bedrukken, activiteiten zijn die onder de definitie van het Verplichtstellingsbesluit vallen (hierna aan te duiden als de Mitt-activiteiten). Volgens Speer gaat het hier echter om zeer klein deel van de totale omzet, dat in de jaren 2016-2023 schommelde tussen de 1% en 2% en inmiddels nog maar 0,5% van de omzet omvat. Speer vindt dat het Verplichtstellingsbesluit zo moet worden uitgelegd dat er een ondergrens is en dat zij daarom niet onder de reikwijdte van het besluit valt. Daarnaast stelt Speer dat haar een beroep toekomt op de uitzonderingsbepalingen van artikel 4.II. en 4.III. van het Verplichtstellingsbesluit. Als het hof Speer hierin niet volgt, stelt Speer dat het beroep van Bfp Mitt op het Verplichtstellingsbesluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans dat Bfp Mitt misbruik van haar bevoegdheid maakt.
6.5.5.
Bfp Mitt stelt zich op het standpunt dat het er niet toe doet hoe gering de Mitt-activiteiten zijn, omdat het Verplichtstellingsbesluit geen ondergrens kent. Een dergelijke ondergrens kan ook niet via de toets van de redelijkheid en billijkheid worden toegevoegd. Overigens betwist zij het door Speer gestelde percentage dat met het (doen) bedrukken van textiel gemoeid is. Dat moet volgens Bfp Mitt, gelet op de presentatie op de website, een substantiëlere activiteit zijn dan Speer doet voorkomen. Verder heeft Bfp Mitt bezwaar gemaakt tegen het voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geuite beroep op artikel 4.II. en heeft zij overigens bestreden dat de in 4.II. en 4.III. genoemde uitzonderingen van toepassing zijn op Speer. Zij heeft betwist dat zij misbruik van haar bevoegdheid maakt.
6.5.6.
Het hof zal eerst het door Speer gedane beroep op de uitzonderingen beoordelen.
De uitzondering in artikel 4.II. van het Verplichtstellingsbesluit
6.5.7.
Het meest verstrekkende betoog van Bfp Mitt is dat het beroep op artikel 4.II. in strijd is met de twee-conclusie-regel. Volgens Speer is dat niet zo, omdat er sprake is van een voortbouwend argument. Het hof zal het oordeel hierover in het midden laten, omdat het beroep op artikel 4.II. naar het oordeel van het hof niet opgaat en het hof hierover helderheid wenst te scheppen. Deze uitzondering is geschreven voor ondernemingen die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen, waarin -kort gezegd- weliswaar textiel is verwerkt maar waarbij dat textiel niet een overwegend bestanddeel van het eindproduct uitmaakt. Als voorbeeld wordt een schoenfabriek gegeven. Zoals Speer zelf al aangeeft is daarvan bij haar geen sprake. Als het folie al als eindproduct kan worden gekwalificeerd, zoals Speer stelt, dan bevat dat eindproduct geen textiel. Dat Speer -ondanks het feit dat haar mogelijke eindproducten geen textiel bevatten- toch onder de reikwijdte van het Verplichtstellingsbesluit valt, terwijl een onderneming die een eindproduct maakt met weinig textiel er niet onder valt, is geen onaannemelijk rechtsgevolg. Dat betekent enkel dat Speer niet onder deze uitzondering valt, omdat die niet is geschreven voor ondernemingen die eindproducten maken waarin geen textiel verwerkt wordt. Dat de discussie bij Speer wel speelt, heeft niets te maken met deze uitzondering, maar alles met de hoofdregel en het feit dat Speer wel textiel zoals kledingstukken bewerkt en vlaggen doet bewerken.
6.5.8.
De conclusie is dat de uitzondering in artikel 4.II. niet van toepassing is.
De uitzondering in artikel 4.III. van het Verplichtstellingsbesluit
6.5.9.
Ook het beroep van Speer op artikel 4.III. gaat naar het oordeel van het hof niet op. Aan Speer kan worden toegegeven dat in artikel 4.III. niet met zoveel woorden is vermeld dat met ‘folieverwerker’ een folieverwerker in de zin van de CAO voor de Zeilmakerijen, dekkledenvervaardiging, dekkledenverhuur, scheepstuigerijen en scheepsbenodigdhedenhandel (hierna afgekort als: CAO voor de Zeilmakerijen) wordt bedoeld, zoals Bpf Mitt stelt. Er staat namelijk enkel ‘folieverwerker’ zonder dat verwezen wordt naar de CAO voor de Zeilmakerijen, terwijl er wél expliciet wordt verwezen naar de CAO voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie. Het enkele feit dat in deze tekst niet wordt vermeld dat de folieverwerker in de zin van een bepaalde CAO bedoeld wordt en dat om die reden dit onduidelijk voor Speer is of kan zijn, betekent echter nog niet zonder meer dat deze uitzondering ten gunste van Speer moet worden uitgelegd. Een dergelijke uitleg sluit niet goed aan bij de cao-norm (zie HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3422, r.o. 3.5.)
6.5.10.
De uitleg die Speer voorstaat komt erop neer dat een onderneming zoals Speer, die 60% van de totale omzet uit de verwerking van folie genereert, ondanks het feit dat zij -zij het in geringe mate- textiel bewerkt, niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt terwijl een onderneming die een andere hoofdactiviteit verricht die niets met textiel te maken heeft en niet wordt genoemd in artikel 4.III. en daarmee 60% van de omzet genereert, wel daaronder zou vallen als deze onderneming daarnaast in dezelfde mate textiel als Speer bewerkt. Zonder dat duidelijk is waarin folieverwerkers zich op dit punt onderscheiden van die andere ondernemingen en dus zonder duidelijke rechtvaardiging voor een dergelijke uitzonderingspositie voor folieverwerkers, acht het hof dit een onaannemelijk rechtsgevolg. Verder weegt voor het hof zwaar dat de uitzondering zoals deze in artikel 4.III. is geformuleerd exact, ook in deze volgorde, overeenkomt met de tekst van artikel 1a (de Werkingssfeerbepaling) van de CAO voor de Zeilmakerijen. De uitzondering in artikel 4.III. van het Verplichtstellingsbesluit van Bfp Mitt is als volgt omschreven:
“een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van: zeilmaker; dekkledenvervaardiger; dekkledenverhuur; scheepstuiger; scheepsbenodigdheden handelaar, en/of folieverwerker”,
en in de CAO voor de Zeilmakerij is deze als volgt omschreven:
“De bepalingen van deze CAO zijn van toepassing op alle werknemers die in dienst zijn bij een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van:
a. zeilmaker;
b. dekkledenvervaardiger;
c. dekkledenverhuur;
d. scheepstuiger;
e. scheepsbenodigdhedenhandelaar, en/of
f. folieverwerker”.
Dat aansluiting met / uitsluiting van het Verplichtstellingsbesluit van Bfp Mitt is beoogd blijkt bovendien uit het feit dat de CAO voor de Zeilmakerijen van haar werkingssfeer uitsluit werknemers die in dienst zijn van een onderneming die valt onder de werkingssfeer van de CAO voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie. Deze CAO’s sluiten elkaar dus uit (zie onder andere de CAO voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie die bij besluit van 2 juli 2015, Stcrt. 2015, 6 juli 2015, nummer 15308, algemeen verbindend is verklaard), terwijl de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit aansluit bij de CAO voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie. Kortom, de werkingssfeerbepalingen van beide CAO’s komen tekstueel sterk overeen met de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit.
Zoals hiervoor al is overwogen ontbreekt in de tekst van het Verplichtstellingsbesluit het woord ‘CAO’. Dat woord is wel vermeld voorafgaande aan de Schoen-, Leder-, en Lederwarenindustrie. Gelet op de constructie van de tekst -een opsomming van ‘iets’ met leer, gevolgd door een opsomming van ‘iets’ met scheepvaart- kon en moest het Speer duidelijk zijn dat ook hiermee werd gedoeld op een CAO.
Speer is folieverwerker, maar zij is geen folieverwerker in de zin van de CAO voor de Zeilmakerijen, althans zij heeft te weinig aangevoerd om daar vanuit te kunnen gaan.
6.5.11.
De conclusie is dat de uitzondering in artikel 4.III. ook niet van toepassing is.
Ondergrens
6.5.12.
Dit betekent dat het hof het principiële punt dat partijen verdeeld houdt moet beoordelen, te weten of het Verplichtstellingsbesluit zo moet worden uitgelegd dat er een ondergrens geldt en, als moet worden aangenomen dat dit zo is, wat de omvang van de Mitt-activiteiten dan is.
6.5.13.
In een eerder arrest heeft dit hof over het Verplichtstellingsbesluit van Bpf Mitt -kort gezegd- geoordeeld dat het Verplichtstellingsbesluit geen hoofdzaakcriterium kent en dat dit -ondanks dat de betreffende onderneming slechts een gering deel van de omzet behaalde met bedrijfsactiviteiten die onder de werkingssfeer vielen, niet tot de conclusie leidde dat de betreffende onderneming daarom niet onder de werkingssfeer viel. Wel heeft het hof in die uitspraak het beroep van de betreffende onderneming op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aanvaard en op die grond geoordeeld dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf Mitt zich beroept op het Verplichtstellingsbesluit (zie het arrest van 16 juli 2024; ECLI:NL:GHSHE:2024:2339).
6.5.14.
Tegen dat arrest, en meer specifiek tegen (onder andere) deze overwegingen, loopt een procedure in cassatie. Op 12 september 2025 heeft Advocaat-Generaal B.F. Assink (hierna: de A-G) geconcludeerd tot vernietiging van dat arrest.
6.5.15.
Het hof ziet aanleiding om alle verdere beslissingen, waaronder ook de beoordeling van de bezwaren van [xx] , aan te houden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad.
6.5.16.
Wel ziet het hof aanleiding om alvast het volgende te overwegen met betrekking tot het percentage van de omzet dat met de Mitt-activiteiten gemoeid is. Voor zover Bfp Mitt zich in hoger beroep nog op het standpunt zou stellen dat het enkele ontwerpen van logo’s en de productie van transfers activiteiten zijn die onder de werking van het Verplichtstellingsbesluit vallen, volgt het hof Bfp Mitt hierin niet. Deze transfers (folies) worden immers verkocht aan de klant en het is de klant zelf die deze transfers verwerkt. Daarom is geen sprake van het verrichten van een fase van de voortbrengingscyclus van kleding, kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen, zoals beschreven onder 4.IV., tweede volzin, van het Verplichtstellingsbesluit.
6.5.17.
Speer heeft becijferd dat met het zelf bedrukken van textiel in de jaren 2015 tot en met juni 2024 een omzet is gemoeid tussen de 0,8% en 2% en dat deze omzet op dit moment nog slechts 0,5% bedraagt. Zij heeft daartoe voor de periode vanaf 2016 verwezen naar rapporten van J.C. Scheffer AA, accountant bij [--] Accountants, niet zijnde de eigen accountant van Speer. Het als productie 26 overgelegde rapport ziet op de jaren 2016-2022. Dit rapport is aangevuld voor de jaren 2023 en 2024 met de als producties 38 en 39 overgelegde rapporten.
Volgens Bpf Mitt kloppen deze percentages niet.
6.5.18.
[--] Accountants heeft de omzet voor persen -dat volgens Speer ziet op het door haar bedrukken van textiel- bepaald aan de hand van een aantal nader genoemde grootboekkaarten en nader genoemde facturen. Het hof heeft -mede gelet op de wijze waarop [--] Accountants dit verantwoord heeft- geen aanleiding te veronderstellen dat deze omzetcijfers op zichzelf niet juist zijn. Echter is ter zitting in hoger beroep gebleken dat Speer -anders dan eerder was vermeld- in ieder geval zelf vlaggen laat bedrukken. Dit is in deze omzetcijfers niet verwerkt. Dit roept de vraag op hoe dit is verantwoord in de financiële administratie en waarom deze vlaggen niet zijn meegenomen in het door Speer becijferde percentage. Ook roept dit de vraag op of Speer andere Mitt-activiteiten verricht, die niet in de becijferde percentages zijn verwerkt. Zo heeft Bpf Mitt met verwijzing naar een vroegere versie van de website gewezen op de optie ‘Borduurlogo’s’, terwijl Speer zegt geen borduurbatches te hebben. Het is naar het oordeel van het hof aan Speer -in wiens domein deze gegevens liggen- helderheid te verschaffen hoe zich dit verhoudt tot haar (voormalige) website en welke persactiviteiten zijn inbegrepen in de door haar gepresenteerde cijfers. Daarbij merkt het hof op dat het enkele feit dat op de website regelmatig het woord ‘bedrukken’ voorkomt, op zichzelf niet betekent dat Speer een substantieel deel van haar omzet uit het (doen) bedrukken genereert. Het doel van de transfers / folies is immers dat deze worden gebruikt door de klant om onder andere textielstukgoederen te bedrukken. Dit betekent dus niet automatisch dat Speer dit zelf doet. Hetzelfde geldt voor de verwijzingen naar transferactiviteiten. Ook de omstandigheid dat Speer in het verleden heeft geadverteerd met het zelf bedrukken van textiel rechtvaardigt die conclusie niet, omdat zij zelf ook aangeeft dat zij dit deed. Het hof zal Speer niet nu al opdracht geven om voornoemde helderheid te verschaffen, maar eerst het oordeel van de Hoge Raad afwachten of dit relevant is.
6.6.
Het verdere verloop van de procedure
Het hof zal om proceseconomische redenen de zaak doorhalen op de rol, met de bepaling dat de meest gerede partij de zaak opnieuw kan opbrengen nadat de cassatieprocedure bij de Hoge Raad is geëindigd. Alle partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de invloed van de uitkomst van die cassatieprocedure in dit hoger beroep, waarna alle partijen met een antwoordakte op elkaars standpunt kunnen reageren.
Indien - naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad - de (geringe) omvang van de omzet relevant wordt, draagt het hof Speer op om gegevens aan te leveren als bedoeld in 6.5.18. In de antwoord-akte kunnen Bfp Mitt en [xx] hierop dan reageren.
Indien de uitkomst van de cassatieprocedure voor partijen aanleiding is om een regeling in der minne te beproeven, dan verzoekt het hof partijen om het hof daarvan in kennis te stellen, zodat duidelijk is waarom de zaak niet opnieuw wordt opgebracht.
7De uitspraak
Het hof:
7.1.
bepaalt dat de zaak wordt doorgehaald op de rol van vandaag;
7.2.
bepaalt dat de meest gerede partij de zaak opnieuw kan opbrengen, nadat de cassatieprocedure bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof Den Bosch van 16 juli 2024 is beëindigd;
7.3.
bepaalt dat, nadat de zaak opnieuw zal zijn opgebracht, alle partijen een ‘akte uitlating arrest Hoge Raad’ kunnen nemen met het in 6.6. genoemde doel, waarna alle partijen met een antwoordakte op elkaars standpunt kunnen reageren;
7.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, M. van Ham en A.W. Rutten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer