Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3259

2025-11-11 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.349.183_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-11
Publicatiedatum
2025-11-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.349.183_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; ERF-Updates.nl 2026-0392; VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0392

Inhoudsindicatie

Erfrecht; artikel 7:177 BW: schenking des doods. Hebben er tijdens leven erflaatster aflossingen plaatsgevonden op de aan een broer gedane schenking des doods.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.102 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.349.183/01




arrest van 11 november 2025




in de zaak van





[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. M.J.M. Jansen-van Beek te Eindhoven,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. T.G.M. Scheers te Roermond.



op het bij exploot van dagvaarding van 25 november 2025 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 7 december 2022 en 28 augustus 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/385423 / HA ZA 22-490)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de hiervoor genoemde vonnissen.





2De kern van de zaak


Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van [appellant] en [geïntimeerde] , (hierna: erflaatster). De nalatenschap is in zoverre vereffend, dat alleen de vorderingen van [appellant] en [geïntimeerde] uit hoofde van een aan ieder van hen door erflaatster gedane ‘papieren’ schenking nog voldaan moeten worden. De vordering van [appellant] in dat verband bedraagt € 24.000,00. De hoogte van de vordering van [geïntimeerde] staat tussen partijen ter discussie en vormt de kern van het geschil in hoger beroep. [appellant] is namelijk van mening dat [geïntimeerde] tijdens het leven van erflaatster al een voorschot van € 16.600,00 op deze papieren schenking heeft ontvangen. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] dus nog maar recht op € 7.400,00. [geïntimeerde] is het hier niet mee eens en meent dat hij recht heeft op het volledige bedrag van 24.000,00. De rechtbank heeft [geïntimeerde] gelijk gegeven. Ook het hof zal [geïntimeerde] gelijk geven. Het hof zal hieronder toelichten hoe het tot dit oordeel komt.





3Het geding in hoger beroep


3.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep;


de memorie van grieven met producties;


de memorie van antwoord;


de op 2 september 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd;


de door [appellant] bij H12 formulier van 29 juli 2025 toegezonden productie 9, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;


de door [geïntimeerde] bij H12 formulier van 19 augustus 2025 toegezonden producties 1 tot en met 4, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.





3.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.





4De beoordeling


4.1.

De feiten



4.1.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.



4.1.2.
Erflaatster, moeder van [appellant] en [geïntimeerde] , is op 11 juli 2019 is overleden. Hun vader is geruime tijd daarvoor overleden.



4.1.3.
Erflaatster heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Op grond van het wettelijk versterferfrecht zijn [appellant] en [geïntimeerde] de enige erfgenamen van erflaatster, ieder voor 1/2e deel. [appellant] en [geïntimeerde] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Vanwege de beneficiaire aanvaarding dient de nalatenschap wettelijk vereffend te worden overeenkomstig afdeling 4.6.3 BW. Er zijn -anders dan de eventuele schulden aan de erfgenamen zelf- geen schulden meer van de nalatenschap.



4.1.4.

Bij de op 8 december 2008 opgemaakte notariële akte heeft erflaatster het volgende verklaard:
“[Erflaatster; toevoeging hof] verklaarde bij dezen schuldig te erkennen uit vrijgevigheid aan ieder van haar kinderen [ [appellant] en [geïntimeerde] ; toevoeging hof], die verklaarden deze schuldigerkenning uit vrijgevigheid aan te nemen een bedrag in geld groot vier en twintig duizend euro (€ 24.000,00) per kind, of in totaal acht en veertig duizend euro (€ 48.000,00), rentende zes procent (6 %) per jaar, te voldoen op een en dertig december van elk jaar, voor het eerst op eenendertig december tweeduizend negen over het sedert heden verstreken tijdvak, onder de volgende bepalingen:


1. Het verschuldigde is te allen tijde aflosbaar.


2. De schuldigerkende bedragen zijn opeisbaar:


a. zodra de schenker is overleden;


(…)


3. De schenkingen zijn vrijgesteld van inbreng in de nalatenschap van de schenker.”




4.1.5.
Erflaatster heeft tot 2012 aan zowel [appellant] als [geïntimeerde] € 1.440,00 rente in verband met de schuld uit hoofde van de papieren schenking betaald. Daarna heeft zij steeds aan [appellant] € 1.440,00 betaald en aan [geïntimeerde] € 610,00.




4.2.

De procedure in eerste aanleg, de procedure in hoger beroep en de omvang van het geschil in hoger beroep



4.2.1.
In eerste aanleg lagen de volgende vorderingen ter beoordeling voor:In conventie


vaststelling van de verdeling van de nalatenschap op de door [appellant] dan wel [geïntimeerde] voorgestelde wijze en te bepalen dat de ervenrekening dienovereenkomstig werd verdeeld tussen hen;


de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen medewerking te verlenen aan het opheffen van de blokkade op de ervenrekening, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en


de proceskosten.



In reconventie:



de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van 28 april 2021 met betrekking tot het scannen van twee ‘kleine Frankrijk fotoboekjes’ en drie andere fotoboeken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en


de proceskosten.





4.2.2.

De rechtbank heeft, bij uitvoerbaar verklaard vonnis:

in conventie:




de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vastgesteld;



[geïntimeerde] veroordeeld tot medewerking aan de opheffing van de blokkade op de ervenrekening;


bepaald dat ieder van de partijen gehouden is om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen;


het meer of anders gevorderde afgewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;



in reconventie:

- de vorderingen afgewezen;


in conventie en in reconventie:

de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.




4.2.3.
Volgens de rechtbank behoren tot de nalatenschap de volgende activa:


Banksaldo: € 9.129,61


Verkoopbrengst woning: € 202.518,26


Totaal: € 211.647,87





4.2.4.

Volgens de rechtbank heeft [appellant] niet gesteld dat erflaatster bedoeld heeft de betalingen aan te merken als een voorschot op de papieren schenking. Ook is niet gebleken dat de betalingen aangemerkt moeten worden als een lening van erflaatster aan [geïntimeerde] . Daarom hebben beide broers recht op € 24.000,00 uit hoofde van de papieren schenking en heeft [appellant] recht op betaling van in totaal € 3.149,84 (namelijk € 69,67 en € 3.080,45) vanwege voorgeschoten boedelkosten die vanuit de nalatenschap moeten worden vergoed.
Van het saldo van € 211.647,87 moeten eerst de door [appellant] voorgeschoten boedelkosten van in totaal € 3.149,84 worden voldaan. Dan resteert € 208.498,03. Vervolgens heeft ieder nog recht op € 24.000,00. Het saldo van € 160.498,03 dat dan nog resteert, wordt verdeeld overeenkomstig ieders gerechtigdheid tot de nalatenschap (50%), te weten € 80.249,02 ieder. Per saldo komt ieder dus de helft van € 208.498,03 toe. Dat is € 104.249,02. Ieder heeft een voorschot gehad van € 92.959,13, zodat [appellant] en [geïntimeerde] nog recht hebben op: € 11.289,89.
Partijen hebben verder nog een beslissing gevraagd over de verdeling en vordering wegens overbedeling van een aantal onroerende zaken (stoelen, tafel, plantenhanger en foto). Die vordering heeft de rechtbank afgewezen.




4.2.5.


[appellant] is het niet eens met dit vonnis en is met vijf grieven in hoger beroep gekomen. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld.
Met de grieven heeft [appellant] alleen de vraag voorgelegd of [geïntimeerde] , zoals [appellant] heeft gesteld, een voorschot van € 16.600,00 heeft ontvangen op de papieren schenking en of hij dus recht had op € 7.400,00 of op € 24.000,00. De afgewezen vordering tot verdeling van een aantal activa, de toegewezen vordering tot opheffing van de ervenrekening en de afgewezen vordering in reconventie van [geïntimeerde] met betrekking tot de fotoboeken zijn niet meer ter beoordeling voorgelegd.

[appellant] heeft in hoger beroep gevorderd:



vernietiging van het bestreden vonnis;


een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] recht heeft op een schenkingsbedrag van € 7.400,00;


veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van het teveel aan hem uitbetaalde bedrag van € 8.300,00;


veroordeling van [geïntimeerde] in proceskosten van het geding in beide instanties met wettelijke rente, en


het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4.2.6.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot:


niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] , dan wel afwijzing van de vorderingen;


veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.






4.3.

Ontvankelijkheid




[appellant] heeft tevens hoger beroep ingesteld van het tussenvonnis van 7 december 2022. In dat tussenvonnis heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast en iedere verdere beslissing aangehouden. Dit vonnis kan niet worden aangemerkt als een deelvonnis aangezien daarbij niet door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde is gemaakt. [appellant] heeft overigens ook geen grieven tegen dit tussenvonnis gericht. [appellant] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep tegen dit tussenvonnis.



4.4.

De papieren schenking



4.4.1.
Niet ter discussie staat dat de door erflaatster bij notariële akte van 8 december 2008 aan [appellant] en [geïntimeerde] gedane schenkingen van elk € 24.000,00 kwalificeren als een schenking in de zin van artikel 7:177 BW. Verder geldt dat [geïntimeerde] niet, althans niet gemotiveerd heeft betwist dat hij, toen erflaatster nog in leven was, een bedrag van € 16.600,00 van erflaatster heeft ontvangen.



4.4.2.
De discussie spitst zich toe op de vraag of erflaatster de betaling van genoemd bedrag van totaal € 16.600,00 aan [geïntimeerde] heeft bedoeld als een voorschot op de papieren schenking, zoals [appellant] heeft gesteld en [geïntimeerde] betwist. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar:


de belastingaangiften van erflaatster over 2009, 2012 en 2013, opgesteld door de boekhouder (productie 9), waarop te zien is dat de restschuld van erflaatster aan [geïntimeerde] op 31 december 2009 € 24.000,00 bedraagt, op 1 januari 2011 € 12.000,00, op 31 januari 2011 € 8.000,00 en op 31 december 2013 € 8.000,00 terwijl deze aan [appellant] op al deze data telkens € 24.000,00 bedraagt;


de betaalde rentebedragen (productie 20 bij dagvaarding eerste aanleg), waaruit blijkt dat conform de akte van schenking beide broers aanvankelijk in de jaren 2009, 2010 en 2011 jaarlijks een rente van 6%, zijnde € 1.440,00 hebben ontvangen maar dat [geïntimeerde] vanaf 2012 een lager bedrag aan rente (€ 610,00) heeft ontvangen;


- dat erflaatster altijd wilde dat beide broers ieder precies hetzelfde kregen.
Volgens [appellant] is door de betalingen aan [geïntimeerde] de schuld van erflaatster uit hoofde van de schuldigerkenning afgenomen. Daardoor hoefde zij minder rente te vergoeden aan [geïntimeerde] , hetgeen zij heeft gedaan.



4.4.3.
Volgens [geïntimeerde] staan de bedragen die hij gedurende het leven van erflaatster heeft ontvangen, los van de papieren schenking. Erflaatster heeft hem financieel bijgestaan bij een juridische procedure ter zake het wijzigen van een bestemmingsplan van onroerend goed dat hem toebehoorde. Erflaatster wilde [geïntimeerde] hierbij financieel helpen en in dat verband is nimmer besproken dat de door erflaatster betaalde bedragen een voorschot zouden zijn op de papieren schenking. Volgens [geïntimeerde] was het bovendien [appellant] die erflaatster heeft verzocht een dergelijke papieren schenking aan hen te doen. Erflaatster zat hier helemaal niet op te wachten. Verder heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat de door erflaatster aan [geïntimeerde] betaalde bedragen niet corresponderen met de in haar aangiften vermelde verlaging van de schuld aan [geïntimeerde] . Immers, als er in 2009 € 4.000,00, in 2010 € 3.600,00 en in 2011 € 9.000,00 is betaald, dus totaal € 16.600,00 tot 2012, valt niet te verklaren dat in die aangifte staat dat op 1 januari 2012 de schuld aan ‘[geïntimeerde]’ nog € 12.000,00 is, dat deze per einde van dat jaar € 8.000,00 is en in 2013 nog steeds € 8.000,00 is. De schuld zou dan ultimo 2011 € 7.400,00 bedragen.



4.4.4.
Na de memorie van antwoord in hoger beroep heeft [geïntimeerde] dit verweer nog nader uitgewerkt en het volgende aangevoerd. Door de papieren schenking kwam [geïntimeerde] niet in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand, omdat zijn box-3 vermogen door deze vordering op erflaatster te hoog werd. In 2011 is twee keer een verzoek van zijn advocaat voor gefinancierde rechtsbijstand afgewezen. Omdat [geïntimeerde] door de papieren schenking dus benadeeld werd, terwijl hij zelf helemaal niet om deze papieren schenking gevraagd had, maar het juist [appellant] was die deze wilde, heeft erflaatster hem financieel willen bijstaan in de juridische procedure. Volgens [geïntimeerde] was dit om ongelijkheid tussen de broers te voorkomen. [geïntimeerde] werd immers benadeeld door deze papieren schenking. Om deze benadeling in de toekomst te voorkomen, heeft [geïntimeerde] na 2011 zijn box-3 vermogen zelf naar beneden gebracht totdat de vordering ongeveer € 11.000,00 euro bedroeg, althans een bedrag, waarover -rekening houdend met een verschuldigd rentepercentage van 6%- € 610,00 rente betaald moest worden. Op die manier kwam zijn box 3-vermogen alsnog onder de grens voor gesubsidieerde rechtsbijstand.



4.4.5.

Het hof beschouwt dit nadere betoog van [geïntimeerde] als een uitbreiding die in het verlengde ligt van hetgeen [geïntimeerde] reeds als verweer in de memorie van antwoord heeft aangevoerd. Er is daarom naar het oordeel van het hof geen strijd met de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel die de aan de oorspronkelijk verweerder toekomende bevoegdheid tot het uitbreiden van zijn verweren in die zin beperkt dat hij in beginsel niet later dan in de memorie van antwoord een nieuw verweer mag aanvoeren. Maar ook als dit wel als een nieuw verweer zou moeten worden aangemerkt, acht het hof dit nog steeds toelaatbaar, omdat [appellant] ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat het verweer wordt uitgebreid. [appellant] is hier immers uitgebreid inhoudelijk op ingegaan en heeft de lezing van [geïntimeerde] zelfs (grotendeels) bevestigd. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is het hof niet gebleken.

[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat [geïntimeerde] hem had verteld dat hij zijn box 3-vermogen naar beneden had bijgesteld en dat [appellant] toen heeft gezegd dat het dan in de aangiften van erflaatster ook moest kloppen. [appellant] heeft toen tegen de accountant van erflaatster -die overigens ook de aangiften voor [appellant] zakelijk en privé verzorgde- gezegd dat hij de aangiften van erflaatster ook moest aanpassen. Volgens [appellant] heeft hij tegen de boekhouder gezegd dat dit moest gebeuren, omdat “dat is wat [geïntimeerde] wilde”. Het was, aldus [appellant] “[geïntimeerde] zijn wens” en [appellant] begreep dit ook. Het was [appellant] die deze opdracht aan de accountant gaf, omdat “je erflaatster geen cijfers voor hoefde te leggen”. Die begreep zij niet. Ook haar bancaire overschrijvingen, zoals de rentebetalingen, deed zij niet zelf. Dat deed de echtgenote van [appellant] . [appellant] heeft verder verklaard dat het [geïntimeerde] was die heeft gezegd dat de rente dan voortaan € 610,00 zou zijn. [appellant] heeft dit niet nagerekend. Vanaf dat moment is het altijd € 610,00 geweest en dat is zo gebleven. In spreektaal hebben [appellant] en [geïntimeerde] het altijd over dit bedrag gehad.




4.4.6.
Het hof is van oordeel dat in dit licht bezien de aangiften van erflaatster waarnaar [appellant] heeft verwezen en de verlaging van de rentebedragen niet de conclusie rechtvaardigen dat erflaatster met de betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag € 16.600,00 (in totaal) een aflossing op de papieren schenking heeft beoogd. Het was immers [appellant] die de accountant opdracht heeft gegeven om de schuld aan [geïntimeerde] op de aangiften van erflaatster te verlagen naar aanleiding van een mededeling van [geïntimeerde] dat hij, [geïntimeerde] , de hoogte van zijn vordering op erflaatster in zijn eigen aangifte had verlaagd. Uit de verklaring van [appellant] blijkt dat erflaatster hier helemaal niet bij betrokken is geweest. Sterker nog, zij begreep niets van cijfers en zij deed al jaren haar eigen bankoverschrijvingen -waaronder de rentebetalingen- niet meer zelf. De verlaging van de schuld evenals de verlaging van de aan [geïntimeerde] betaalde rente zeggen daarom op zichzelf niets over hetgeen erflaatster heeft bedoeld, althans niet zonder nadere concrete feiten of omstandigheden. Dit wordt niet anders door het feit dat ook [geïntimeerde] zijn vordering in zijn aangiften heeft verlaagd. [geïntimeerde] heeft daarover immers verklaard dat dit verband hield met eerdere afwijzingen van zijn aanvragen om voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking te komen, hetgeen wordt ondersteund door de door hem overgelegde brieven van de Raad voor rechtsbijstand van 27 juni 2011 en 26 september 2011 waarin door zijn advocaat gedane verzoeken om voor een toevoeging in aanmerking te komen, zijn afgewezen. Daarbij komt dat [appellant] heeft bevestigd dat [geïntimeerde] indertijd tegen hem heeft gezegd dat de verlaging van zijn box 3-vermogen verband hield met de afwijzing van gefinancierde rechtsbijstand en dat [appellant] hier ook wel begrip voor had. Daarbij komt dat de door erflaatster betaalde bedragen afwijken van de bedragen waarmee de schuld in de aangiften van erflaatster is verlaagd. Als het de bedoeling van erflaatster was geweest om de betalingen aan [geïntimeerde] een voorschot op de papieren schenking te laten zijn, had het voor de hand gelegen dat dit door de boekhouder op correcte wijze was doorgevoerd. Overige concrete feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het de bedoeling van erflaatster is geweest om de betaling aan [geïntimeerde] als een voorschot op de papieren schenking te laten zijn, zijn niet gesteld en ook niet anderszins gebleken.



4.4.7.
De stelling van [appellant] dat het niet anders kan dan dat de bedragen als ‘voorschot’ op de papieren schenking hebben te gelden, omdat erflaatster altijd wilde dat beide broers ieder precies hetzelfde kregen, kan hem daarbij niet baten. Nog daargelaten dat hij dit niet verder heeft onderbouwd, heeft [geïntimeerde] daarover verklaard dat met de betaling van deze bedragen aan hem juist een ongelijkheid werd opgeheven, te weten de benadeling doordat hij door de papieren schenking niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam.



4.4.8.
Al met al is het hof van oordeel dat [appellant] onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] een bedrag van € 16.600,00 uit hoofde van de papieren schenking heeft ontvangen. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan bewijslevering, nog daargelaten dat [appellant] geen bewijs heeft aangeboden.




4.5.

Slotsom



4.5.1.
De conclusie is dat het hof van oordeel is dat de grieven van [appellant] falen en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.



4.5.2.
Het voorgaande betekent dat het hof:



[appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het tussenvonnis van 7 december 2022;


het bestreden vonnis van 28 augustus 2024, voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen, zal bekrachtigen en


de vorderingen van [appellant] zal afwijzen.






4.6.

Proceskosten



Nu partijen familie van elkaar zijn, zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren, zoals hierna is vermeld.







5De uitspraak


Het hof:



verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 7 december 2022;
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 28 augustus 2024, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;



wijst de vorderingen in hoger beroep af;



compenseert de proceskosten tussen partijen in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, C.N.M. Antens en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2025.




griffier rolraadsheer