Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3166

2025-11-04 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht 200.350.838_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-04
Publicatiedatum
2025-11-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.350.838_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering ex artikel 351 Rv afgewezen. Het bestreden vonnis bevat geen evidente, direct duidelijke en redelijkerwijs niet voor discussie vatbare feitelijke of juridische misslag. Een belangenafweging valt niet in het voordeel van eiser in het incident uit.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.896 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.350.838/01




arrest van 4 november 2025




gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van





[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. P.J.L. Tacx te Someren,



tegen





[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. B.A.P. Sijben te Helmond,



als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 april 2025, in het hoger beroep van de vonnissen van 3 februari 2021 en 6 november 2024, alsmede van het herstelvonnis van 22 januari 2025, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/329593 / HA ZA 18-38 gewezen tussen appellant  [appellant]  als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, en geïntimeerde  [geïntimeerde]  als eiser in conventie, verweerder in reconventie.






5Het verloop van de procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:



het tussenarrest van 8 april 2025 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 19 juni 2025, waaruit blijkt dat een minnelijke regeling niet tot stand is gekomen;



[appellant] incidentele vordering tot schorsing ex artikel 351 Rv tevens memorie van grieven tevens wijziging van eis, met producties;


de memorie van antwoord in het incident tot schorsing van [geïntimeerde] , met producties.




Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.






6De beoordeling



In het incident




6.1.1.
Partijen, die broers zijn, waren vennoten van Belastingadviesbureau [xx] V.O.F., een administratie- en belastingadvieskantoor te [A] . De VOF is per 1 juli 2018 beëindigd. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de financiële afwikkeling van de vof. Daarover gaat de onderhavige procedure.



6.1.2.

Bij het bestreden eindvonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank, nadat een door haar benoemde deskundige (een accountant) een rapport had uitgebracht, beslissingen gegeven omtrent de vaststelling van de jaarrekening en de slotbalans en de wijze waarop de verdeling van de vof, het pand aan [adres] en (het saldo op) de gezamenlijke rekening dient plaats te vinden. Ook heeft de rechtbank bepaald wat er moet gebeuren ten aanzien van de administratie (de dossiers) van de vof. Partijen zijn veroordeeld om medewerking te verlenen aan de wijze waarop de rechtbank de verdeling heeft gelast.

[geïntimeerde] is in de kosten van één van de deskundigenberichten veroordeeld, voor het overige heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd.
Bij het herstelvonnis van 22 januari 2025 heeft de rechtbank op vordering van [geïntimeerde] het vonnis van 6 november 2024 op de voet van artikel 32 Rv aangevuld en alsnog (grotendeels) uitvoerbaar bij voorraad verklaard.




6.1.3.

[geïntimeerde] heeft als productie HB5 bij memorie van antwoord in het incident een dagvaarding van 9 juli 2025 in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, een vordering heeft ingesteld strekkende tot (kort gezegd) veroordeling van [appellant] om mee te werken aan de door de rechtbank gelaste verdeling, op straffe van verbeurte van dwangsommen.



6.2.


[appellant] vordert in het incident de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van 6 november 2014 (inclusief het herstelvonnis van 22 januari 2025) op de voet van artikel 351 Rv te schorsen totdat het hof eindarrest zal hebben gewezen, althans zodanig te beslissen zoals het hof in goede justitie mag vermenen te bepalen.

[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vordering in het incident aangevoerd dat het bestreden eindvonnis lijdt aan de volgende evidente feitelijke en juridische misslagen, zodat dat vonnis geen stand zal kunnen houden:



De rechtbank heeft miskend dat bij een beëindiging van een vof eerst de vereffening geheel moet zijn afgerond alvorens er kan worden toegekomen aan de verdeling van het vermogen. De vereffening is nu nog steeds niet afgerond, er moeten nog diverse beslissingen worden genomen ten aanzien van betalingsverplichtingen, schulden en een schuldoverneming.


De rechtbank heeft geen rekening gehouden met door de vof verrichte betalingen, zoals verzekeringen en bankkosten, na 2018.


In rechtsoverweging 3.3.21 heeft de rechtbank beslist dat een bedrag van € 3.900,- ten laste komt van de vof als voorschot salaris voor twee medewerkers. Die medewerkers waren echter niet in dienst van de vof.


Ten onrechte is 1 juli 2018 als peildatum gehanteerd. Er kan immers pas worden verdeeld indien en zodra de vereffeningsfase is afgerond. Verder moet in geval van een verdeling de waarde van de panden worden aangehouden die zo dicht mogelijk ligt tegen de feitelijke verdeling.


De door [appellant] gevorderde gebruiksvergoeding met betrekking tot het pand aan [adres B] vanaf 1 juli 2018 heeft de rechtbank ten onrechte afgewezen.


Ook dient de bij de beoordeling van de vordering toe te passen belangenafweging in het voordeel van [appellant] uit te vallen, zo voert hij aan.



6.3.

[geïntimeerde] voert verweer tegen de vordering in het incident.



6.4.
Het hof overweegt dat bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, het volgende heeft te gelden.
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.


6.4.2.
Van juridische of feitelijke misslagen kan pas sprake zijn indien deze misslagen evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar zijn. Van dergelijke onmiskenbare misslagen is naar het oordeel van het hof geen sprake. [geïntimeerde] heeft de door [appellant] gestelde misslagen uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. In de hoofdzaak zal aan de hand van de grieven moeten worden beoordeeld of en in hoeverre de bezwaren van [appellant] tegen het bestreden eindvonnis opgaan. Maar niet kan reeds nu bij eerste lezing van dat vonnis worden gezegd dat dat zonder meer het geval zal zijn. De gestelde misslagen zijn niet klaarblijkelijk.



6.4.3.
Een belangenafweging kan niet in het voordeel van [appellant] uitvallen. [appellant] heeft in dit verband alleen aangevoerd dat [geïntimeerde] bij tenuitvoerlegging van het eindvonnis wordt overbedeeld, maar dat dat het geval zal zijn voor een bedrag van ruim € 400.000,- (of voor een ander substantieel bedrag) heeft [appellant] , tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is gesteld noch gebleken dat (en in hoeverre) sprake is van een restitutierisico indien het eindvonnis ten uitvoer wordt gelegd en [appellant] in hoger beroep geheel of gedeeltelijk in het gelijk zal worden gesteld. Het belang van [appellant] kan derhalve niet opwegen tegen het [geïntimeerde] in beginsel toekomende recht om het eindvonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, te executeren.




6.5.

Gelet op het hiervoor overwogene is de vordering in het incident niet toewijsbaar.
De beslissing omtrent de proceskosten van het incident houdt het hof aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak.




In de hoofdzaak





6.6.

De zaak is naar de rol verwezen voor memorie van antwoord.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.






4De beslissing


Het hof:




in het incident:



wijst de vordering af;



houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;




in de hoofdzaak:




verstaat dat de zaak naar de rol van 11 november 2025 is verwezen voor memorie van antwoord.



houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.



griffier rolraadsheer