Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3164

2025-11-04 Civiel recht; Arbeidsrecht 200.350.057_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-04
Publicatiedatum
2025-11-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep kort geding
Zaaknummer
200.350.057_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Schending Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit door universiteit. Vorderingen tot schadevergoeding en rectificatie.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (46.849 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.350.057/01




arrest van 4 november 2025




in de zaak van





[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. R.L.G.J. Eikelboom te Sittard,



tegen




Universiteit Maastricht,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de universiteit,
advocaat: mr. [appellante] . [appellante] .T. Beukers te Eindhoven,



op het bij exploot van dagvaarding van 10 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 17 december 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres en de universiteit als gedaagde.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/336212 / KG ZA 24-412)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende memorie van grieven met producties;


de memorie van antwoord met producties;


de email van 5 mei 2025 met productie 35 namens [appellante] , ingekomen ter griffie op 6 mei 2025;


de akte eiswijziging tevens akte overlegging producties 35 tot en met 38, tevens spreekaantekeningen van de zijde van [appellante] , ingekomen ter griffie op 9 mei 2025;


de emailwisseling van 9 mei 2025 van de universiteit en van [appellante] waarbij de universiteit bezwaar maakt tegen de akte van [appellante] van 9 mei 2025 en de reactie daarop van [appellante] ;


de op 15 mei 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn verschenen:- [appellante] , bijgestaan door mr. R.L.G.J. Eikelboom;



- prof. dr. [A] , mr. [B] , mr. [C] namens
de universiteit, bijgestaan door mr. [appellante] .T. Beukers en mr. N. Niessen;

- de ter zitting door [appellante] overgelegde spreekaantekeningen.



2.2.
Het hof heeft bij de mondelinge behandeling producties 35, 36 en 37 toegelaten. Gelet op het tijdstip waarop de akte en producties zijn overgelegd en de aard en omvang van productie 38, heeft het hof de akte voor zover niet ziende op de gewenste wijziging van eis en deze productie 38 geweigerd zodat deze geen deel uitmaakt van de gedingstukken. Het hof zal hierna nog beoordelen of de gewenste wijziging van eis wordt toegelaten.



2.3.
De zaak is na de mondelinge behandeling aangehouden in verband met mediation. De mediation heeft niet tot overeenstemming geleid en op 2 september 2025 heeft de universiteit arrest gevraagd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De beoordeling



De vaststaande feiten en de kern van het geschil




3.1.
Het gaat in dit hoger beroep over de vraag of [appellante] , in kort geding, bij wege van voorlopige voorziening recht heeft op een voorschot op inkomensschade van € 175.000,-. Daarnaast is de vraag aan de orde of de universiteit gehouden is mededelingen te doen aan uitgeverij Elsevier over handelen door de universiteit in strijd met de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit en mee te delen aan uitgeverij Elsevier dat [appellante] dient te worden aangemerkt als co-auteur van reeds gepubliceerde wetenschappelijke artikelen. Het hof zal de vorderingen van [appellante] afwijzen.


3.1.1.
In r.o. 2.1 tot en met 2.17 heeft de voorzieningenrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. [appellante] heeft deze vaststelling (deels) bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen en heeft de feiten uit de eerste aanleg waar nodig aangevuld, waarmee in zoverre wordt tegemoetgekomen aan grief 1 van [appellante] . De eerste grief faalt voor het overige, nu de door [appellante] opgesomde feiten ofwel geen onbetwiste feiten zijn, ofwel niet van belang zijn voor het oordeel.



3.1.2.

[appellante] was tot 2018 onderzoekster in de cognitieve neurowetenschappen.



3.1.3.


[appellante] heeft in 2018 samen met prof. dr. [D] (hierna: [D] ), werkzaam bij de faculteit Psychology and Neuroscience (hierna: FPN), een onderzoeksvoorstel over de
neurobiologische mechanismen van beat- en ritme perceptie ingediend bij de Nederlandse
Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO). In het onderzoeksvoorstel staat vermeld dat [appellante] onderdeel zal gaan uitmaken van het onderzoeksteam en als postdoctoraal onderzoekster bij de universiteit zal worden aangesteld.




3.1.4.

Op 18 juli 2019 heeft NWO het onderzoeksvoorstel gehonoreerd met een vierjarige
subsidie ter hoogte van € 750.000,-.




3.1.5.
Na de honorering van het onderzoeksvoorstel hebben [appellante] en de universiteit (c.q. [D] namens de universiteit) meermaals overleg gepleegd over de vormgeving en de duur van het dienstverband van [appellante] . [appellante] en de universiteit hebben geen wilsovereenstemming bereikt.



3.1.6.
Op 22 januari 2020 heeft [D] namens de universiteit bij NWO een wijzigingsverzoek ingediend om akkoord te gaan met een wijziging van het projectplan, waarbij een andere postdoctoraal onderzoeker dan [appellante] op het project zou worden aangesteld. NWO heeft bij besluit van 11 augustus 2020 het voorgestelde wijzigingsverzoek goedgekeurd. [appellante] heeft op 31 augustus 2020 hiertegen bezwaar ingediend.



3.1.7.
Op 15 oktober 2020 heeft de universiteit een andere postdoctoraal onderzoeker aangesteld voor het projectteam.



3.1.8.

[appellante] heeft op 22 december 2020 een klacht ingediend bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (hierna de CWI) van de universiteit. De klacht spitst zich toe op mogelijke schendingen van de wetenschappelijke integriteit van [D] (zoals door de CWI onder randnummer 3 is verwoord in haar advies van 12 mei 2021).



3.1.9.
Op 23 december 2020 heeft [appellante] een klacht ingediend bij de FPN Klachtencommissie (hierna: de commissie) tegen [D] , [persoon A] (adviseur HR) en [persoon B] (directeur FPN). De klacht heeft betrekking op schending van de wetenschappelijke integriteit, schending van de intellectueel eigendomsrechten en de beoogde aanstelling bij de UM. De commissie heeft bij rapport van 9 maart 2021 geadviseerd om de klacht van [appellante] gedeeltelijk gegrond te verklaren.



3.1.10.

De CWI heeft het College van Bestuur van de universiteit Maastricht op 12 mei
2021 geadviseerd om de klacht ten aanzien van de schending van de wetenschappelijke integriteit in de ontwerpfase gegrond te verklaren, omdat [D] volgens het CWI het beginsel van zorgvuldigheid alsmede de normen 8 en 9 van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (hierna: de Gedragscode) niet had nageleefd en daarmee bedenkelijk gedrag (in de zin van paragraaf 5.2. van de Gedragscode) heeft vertoond. De CWI heeft ten aanzien van de klacht over de schending van de wetenschappelijke integriteit in de verslagleggingsfase geadviseerd deze niet-ontvankelijk te verklaren, maar zij verlangde van [D] dat zij met [appellante] afspraken zou maken over de wijze waarop [appellante] kon worden betrokken bij het gezamenlijk voorbereide onderzoek en de daaruit voortvloeiende publicaties. De CWI heeft daartoe (onder andere) het volgende overwogen (dagvaarding, productie 4b):



(…) 6. Overwegingen
De Commissie concludeert na bestudering van de ingebrachte stukken en hetgeen tijdens de hoorzitting gewisseld is, dat het initiatief voor de samenwerking voor het indienen van het onderzoeksvoorstel bij NWO van klaagster (lees: [appellante] ) is uitgegaan en dat er met de aanscherping van het voorstel door beklaagde (lees: [D] ) sprake is geweest van een gezamenlijke inspanning en bijdrage van beide partijen aan het bij SGW NWO ingediende onderzoeksvoorstel.
(...)

Vermeende schending van de normen (8 en 9) die betrekking hebben op de ontwerpfase
(…)
Mede gelet op de overlap tussen de ingediende voorstellen had het naar de mening van de Commissie op de weg van beklaagde (lees: [D] ) gelegen om met klaagster (lees: [appellante] ) vooraf heldere afspraken te maken over de uitvoering van het oorspronkelijk project. Dit geldt temeer omdat partijen de intentie hadden het onderzoek gezamenlijk te verrichten, klaagster ten tijde van de samenwerking geen arbeidsovereenkomst had bij de UM, en de intentie van partijen steeds is geweest dat klaagster (lees: [appellante] ) bij een positief besluit van NWO in dienst zou treden bij de UM. Naar de mening van de Commissie hadden de randvoorwaarden binnen het project, waaronder de arbeidsduur, voor aanvang van de samenwerking helder moeten zijn. Van dergelijke afspraken is in deze zaak echter niet gebleken.



De Commissie vindt het uit oogpunt van zorgvuldigheid onbegrijpelijk dat bij de discussies rondom de arbeidsduur geen bemiddeling door de universiteit is gezocht terwijl klaagster (lees: [appellante] ) daar expliciet om heeft verzocht en dat er niet actief is gezocht om deze kwestie tot een oplossing te komen alvorens het aanbod in te trekken, zeker nu over dit arbeidsvoorwaardenbeleid (duur twee jaar met mogelijkheid van verlenging met twee jaar) geen duidelijkheid is gegeven bij aanvang van de samenwerking, de subsidie door NWO is verstrekt voor vier jaar en klaagster (lees: [appellante] ) expliciet heeft verzocht om een aanstelling voor de duur van het door NWO gehonoreerde project (vier jaar). De Commissie is hiermee, (...), van oordeel dat de handelswijze van beklaagde (lees: [D] ) in strijd met het principe van zorgvuldigheid is geweest.




Gewijzigd Onderzoeksvoorstel

( )
De Commissie deelt de mening niet dat met het wijzigingsbesluit alle bijdragen van klaagster (lees: [appellante] ) zijn vervangen door equivalenten die op geen enkele wijze gebaseerd zijn op het eerdere werk van klaagster (lees: [appellante] ).
(...)
De Commissie is van mening dat de wetenschappelijke vingerafdruk van klaagster (lees: [appellante] ) binnen dit project zichtbaar dient te blijven en dat klaagster (lees: [appellante] ) niet eenvoudig kan worden weggeschreven uit het project, mede gezien de dienaangaande nadelige gevolgen voor klaagster (lees: [appellante] ) en het voordeel van beklaagde (lees: [D] ). Op dit punt heeft beklaagde (lees [D] ) naar de mening van de Commissie met het niet naleven van de normen in de ontwerpfase bedenkelijk gedrag vertoond, ondanks het formeel tegemoetkomen aan het verzoek van NWO. (…)




Vermeende schending van normen die betrekking hebben on de verslagleggingsfase

(...)
De Commissie is van mening dat klaagster (lees: [appellante] ) met haar essentiële inbreng in het concipiëren en ontwerpen van een onderzoeksproject substantieel heeft bijdragen aan het creëren van de mogelijkheid voor nieuw wetenschappelijk onderzoek en de daaruit voortvloeiende publicaties. De commissie acht het problematisch, ook in de gegeven situatie, als er geen weg zou zijn dan wel zou worden gevonden om deze bijdragen te erkennen via betrokkenheid bij genoemd onderzoek en bij aan genoemde bijdragen gerelateerde publicaties. Afspraken daarover kunnen alsnog gemaakt worden (...).




3.1.11.
Het College van Bestuur heeft op 3 september 2021 twee deskundigen geraadpleegd. Op 12 oktober 2021 heeft het College van Bestuur in haar voorlopig oordeel het advies van de CWI overgenomen en is zij een mediationtraject gestart.



3.1.12.
Op 22 november 2021 heeft [D] het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (hierna: het LOWI) verzocht om advies uit te brengen over het oordeel van de CWI. Het LOWI heeft op 22 augustus 2022 het College van Bestuur geadviseerd om het verzoek van [D] ongegrond te verklaren. Het LOWI adviseerde het College van Bestuur verder om definitief te oordelen dat [D] door indiening van het aangepast onderzoeksvoorstel het principe van zorgvuldigheid uit de Gedragscode heeft geschonden en dat dit kwalificeert als bedenkelijk gedrag zoals bedoeld in die Gedragscode. Het LOWI heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen (dagvaarding, productie 4e):


(…)

Omvang advies


13 Zoals tijdens de hoorzitting met partijen is besproken zal het LOWI zich beperken tot een advies over het voorlopige oordeel van het Bestuur dat Verzoekster (lees: [D] ) met haar handelen het principe zorgvuldigheid heeft geschonden en dat dit kwalificeert als bedenkelijk gedrag. (...)



Arbeidsvoorstel


15. Het LOWI onderkent dat Verzoekster (lees: [D] ) in een lastige positie terecht is gekomen toen bleek dat een aanstelling van Betrokkene (lees: [appellante] ) niet kon worden gerealiseerd. Het LOWI laat daarbij in het midden aan wie deze ontstane situatie valt te verwijten. Waar het voor het LOWI in het kader van de wetenschappelijke integriteit om gaat is dat Verzoekster (lees: [D] ) - op verzoek van NWO - het oorspronkelijk gehonoreerde onderzoeksvoorstel heeft aangepast waarbij nog steeds in relevante mate gebruik is gemaakt van de eerdere onderzoeksvoorstellen en ideeën van Betrokkene (lees: [appellante] ). Het LOWI geeft daarom geen oordeel over de aanvaardbaarheid van het intrekken van het arbeidsvoorstel, maar alleen advies over de vraag of Verzoekster (lees: [D] ) door (indiening van) het aangepaste onderzoeksvoorstel de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden.
(…)
19. Net als de CWI is het LOWI van oordeel dat het handelen van Verzoekster (lees: [D] ) in strijd is met het principe van zorgvuldigheid en dat dit handelen niet is aan te merken als plagiaat. Door schending van het principe van zorgvuldigheid heeft Verzoekster (lees- [D] ) de gedragscode overtreden. (...) Verzoekster (lees: [D] ) heeft in het aangepast onderzoeksvoorstel zwaar geleund op de eerdere onderzoeksvoorstellen en ideeën van Betrokkene (lees: [appellante] ). Dat had Verzoekster (lees: [D] ) op deze wijze niet mogen doen. Het LOWI kan het Bestuur volgen dat dit gelet op de positie en ervaring van Verzoekster (lees: [D] ) kwalificeert als bedenkelijk gedrag.

(…)


Overig


20. (...)
Er is - mede gelet op de verschillende versies van de onderzoeksvoorstellen die in het dossier aanwezig zijn en die ook het LOWI met elkaar heeft vergeleken - geen reden om te twijfelen aan de verklaring van deskundige 2 dat specifieke ideeën en hypothesen in het aangepaste onderzoeksvoorstel afkomstig zijn van Betrokkene. (...) "



3.1.13.
Bij brief van 1 december 2021 heeft NWO besloten om het bezwaar van [appellante] gegrond te verklaren, het besluit van 11 augustus 2020 te herroepen en het nemen van een herzien besluit aan te houden totdat de door [appellante] gestarte procedure bij de CWI zou zijn afgerond.



3.1.14.
Tussen partijen heeft mediation plaatsgevonden, die in juni 2022 is beëindigd.



3.1.15.
Het College van Bestuur heeft bij brief van 12 september 2022 besloten om het advies van het LOWI integraal over te nemen als definitief oordeel.



3.1.16.
NWO heeft bij brief van 13 april 2023 aan [appellante] medegedeeld dat zij de subsidie geheel heeft ingetrokken.



3.1.17.

De door het College van Bestuur benaderde deskundige, prof. [E] (hierna:

[E] ) heeft in zijn rapport van 27 april 2023 advies uitgebracht, nadat het College van Bestuur hem eind 2022 verzocht om hem te adviseren over het bereiken van een mogelijke oplossing in het tussen [appellante] en [D] gerezen geschil. [E] heeft (onder andere) het volgende geconcludeerd (cva. productie 22):



(...) Conform norm 29 van de NL code had de bijdrage van [appellante] (lees: [appellante] ) in uit het onderzoek voortvloeiende publicaties die in substantiële mate mede op haar onderzoeksidee zijn gebaseerd, dienen te worden erkend in de vorm van een auteurschap of door vermelding in een Acknowledgement.
(...)

Samenvattende conclusie

Het advies van de CWI en het LOWI was om de klacht van [appellante] (lees: [appellante] ) met betrekking tot schending van de wetenschappelijke integriteit in de verslagleggingsfase niet ontvankelijk te verklaren en van [D] (lees. [D] ) te verlangen dat zij met [appellante] (lees: [appellante] ) afspraken zou maken over de erkenning van haar bijdrage in de uit het onderzoek voortvloeiende publicaties. Dat advies is door het CvB UM (…) overgenomen en er is op kosten van het CvB een mediatietraject gestart. De betreffende afspraken zijn echter niet tot stand gekomen. Doordat het onderzoek inmiddels is afgesloten en de belangrijkste resultaten ervan zijn gepubliceerd kan van een adequate erkenning van de bijdrage van [appellante] (lees: [appellante] ) in de publicaties over het onderzoek geen sprake meer zijn.



Het ligt in de rede [appellante] (lees: [appellante] ) hiervoor een financiële compensatie aan te bieden op voorwaarde van het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst tegen algehele finale kwijting. Het CvB UM heeft hiervoor een naar mijn mening adequaat aanbod gedaan. Mijn advies aan [appellante] (lees: [appellante] ) zou zijn om dat aanhad te accepteren. (...)




3.1.18.

NWO heeft [appellante] bij brief van 26 juli 2023 uitgenodigd om (opnieuw) een subsidieaanvraag in te dienen, waarmee een bedrag van € 400.000,- is gemoeid. NWO heeft (onder andere) medegedeeld dat zij hiermee [appellante] de mogelijkheid wil geven om de
carrière-achterstand die zij “door de integriteitsschending heeft opgelopen zo veel mogelijk te beperken”. Eén van de voorwaarden voor de subsidietoekenning is dat een Nederlandse universiteit of onderzoeksinstituut als gastinstituut fungeert.




3.1.19.
NWO heeft bij e-mail van 21 december 2023 de deadline voor het indienen van de subsidieaanvraag verlengd tot 31 december 2024.



Ontwikkelingen na het kort gedingvonnis van 17 december 2024





3.1.20.
Op 28 december 2024 heeft [appellante] een subsidieaanvraag ingediend bij NWO voor een driejarig project. Dit voorstel heeft nagenoeg dezelfde inhoud als het projectvoorstel uit 2018. Het Donders Instituut Nijmegen (Donders Centre for Neuroscience) heeft aangeboden als gastinstituut te fungeren voor de duur van de eenmalige incidentele subsidie indien en vanaf het moment dat die door NWO wordt gegund.



3.1.21.

Op 11 april 2025 heeft NWO besloten de aanvraag van [appellante] toe te wijzen. Uiterste startdatum van het project is 1 oktober 2025.

Vorderingen, verweer en beslissingen bij de voorzieningenrechter in eerste aanleg





3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellante] in eerste aanleg om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I de universiteit met onmiddellijke ingang te gelasten om voorlopig als gastinstituut voor [appellante] te fungeren, zoals bedoeld in de NWO subsidievoorwaarden, zodat [appellante] aan de door NWO gestelde subsidievoorwaarden binnen de gestelde deadline van 31 december 2024 kan voldoen, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 4.000,- door de universiteit aan [appellante] te verbeuren, voor iedere dag dat de universiteit niet aan het te wijzen kort geding vonnis voldoet, met een maximum van € 400.000,- althans door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedragen,
II de universiteit met onmiddellijke ingang te gelasten om aan uitgeverij Elsevier mede te delen en te bevestigen dat de universiteit in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (Gedragscode WI) jegens [appellante] (overeenkomstig de onderzoeken en adviezen van NWO, CWI en LOWI), zodat [appellante] aan de door NWO gestelde subsidievoorwaarden binnen de gestelde deadline van 31 december 2024 kan voldoen, zulks eveneens op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 4.000,- door de universiteit aan [appellante] te verbeuren, voor iedere dag dat de universiteit niet aan het te wijzen kort geding vonnis voldoet, met een maximum van € 400.000,-, althans door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedragen,
III de universiteit met onmiddellijke ingang te gelasten om aan uitgeverij Elsevier aan te bevelen om [appellante] alsnog te erkennen als co-auteur op de in productie 11 bij dagvaarding genoemde artikelen om de innovatiewaarde van het onderzoeksvoorstel te waarborgen binnen de gestelde deadline van 31 december 2024, zulks eveneens op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 4.000,- door de universiteit aan [appellante] te verbeuren, voor iedere dag dat de universiteit, niet aan het te wijzen kort geding vonnis voldoet, met een maximum van € 400.000,-, althans door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedragen,
IV met veroordeling van de universiteit in de kosten van deze procedure.




3.2.2.

Aan deze vorderingen heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft een spoedeisend belang bij het door haar gevorderde, omdat de deadline voor de subsidieaanvraag 31 december 2024 is. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de
universiteit jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door (i) in strijd te handelen met de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit, door een gewijzigd onderzoeksvoorstel in te dienen dat voornamelijk was gebaseerd op het oorspronkelijk door [appellante] opgestelde onderzoeksvoorstel, en (ii) de in productie 11 bij dagvaarding genoemde artikelen te laten publiceren zonder [appellante] als co-auteur te benoemen.




3.2.3.
De universiteit heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.



3.2.4.
De voorzieningenrechter heeft, kort samengevat, geoordeeld dat vordering I om de universiteit te veroordelen om als gastinstituut op te treden, gezien de aard van de schade die [appellante] stelt te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige gedraging, geen voorziening is die op adequate wijze voorziet in herstel van de door [appellante] geleden schade. Vordering II, inhoudende dat de universiteit wordt gelast aan Elsevier mee te delen dat zij heeft gehandeld in strijd met de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit heeft de voorzieningenrechter afgewezen wegens gebrek aan belang. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel was dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] voldoet aan de geldende criteria om te worden erkend als co-auteur is de vordering (III) om de universiteit te gelasten aan Elsevier een aanbeveling te doen om [appellante] alsnog te erkennen als co-auteur van de (als productie 11) overgelegde publicaties afgewezen.


3.2.5.
Op grond hiervan heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.



De omvang van het hoger beroep en de wijzigingen van eis






3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep 3 grieven aangedragen. In de eerste grief betoogt zij dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de universiteit niet onrechtmatig heeft gehandeld door met [appellante] geen arbeidsovereenkomst te sluiten. De tweede grief borduurt voort op de eerste grief: doordat [appellante] niet is aangesteld als post-doc (lid van het projectteam) heeft zij inkomensschade geleden. Zij voert aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen causaal verband aanwezig heeft geacht tussen (het onrechtmatig geachte) toe-eigenen van het onderzoeksvoorstel en de carrière breuk van [appellante] , en de door haar als gevolg daarvan geleden inkomensschade. In haar derde grief (die ziet op de vorderingen II en II) voert [appellante] aan - dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belang heeft bij de door haar gevorderde veroordeling om de universiteit te gelasten aan Elsevier mee te delen dat de universiteit (kort gezegd) in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit; en - dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] aan de publicaties daaraan geen bijdrage heeft geleverd, nu de universiteit zich het onderzoeksvoorstel van [appellante] heeft toegeëigend en daarop (bij de publicaties) heeft voortgebouwd.


3.4.

[appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.



3.5.

[appellante] heeft bij memorie van grieven haar eis (onder I) gewijzigd in die zin dat zij vordert: I De universiteit met onmiddellijke ingang te gelasten om, zo nodig naast het Donders Instituut, voorlopig als gastinstituut voor [appellante] te fungeren, zoals bedoeld in de NWO subsidievoorwaarden, zodat dr. [appellante] aan de door NWO gestelde subsidievoorwaarden kan voldoen én de incidentele subsidie daadwerkelijk aan [appellante] kan worden toegewezen.


3.6.

Bij akte van 9 mei 2025 heeft [appellante] haar eis andermaal gewijzigd in die zin dat zij thans vordert: I de universiteit te veroordelen aan haar te betalen een nettobedrag van € 175.000,- als voorschot op geleden inkomensschade vanwege het op onbetamelijke en onrechtmatige wijze niet aanstellen van [appellante] als postdoc c.q. vanwege het, zonder [appellante] aan te stellen, onrechtmatig / wederrechtelijk blijven voortgaan met het toe-eigenen van [appellante] wetenschappelijk werk en onderzoek, althans tot betaling van een door het hof vast te stellen bedrage als voorschot,II de universiteit binnen 7 dagen na het te wijzen arrest te gelasten om aan uitgeverij Elsevier mede te delen en te bevestigen dat de universiteit in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit jegens [appellante] (overeenkomstig de onderzoeken en adviezen van NWO, CWI en LOWI), ter rectificatie c.q. rechtzetting van de onjuistheden door de universiteit van de herkomst van [appellante] wetenschappelijk onderzoek, ter herstel van [appellante] carrière en reputatie en ter verdere voldoening aan de door NWO gestelde subsidievoorwaarden (incidentele subsidie),
III de universiteit binnen 7 dagen na het te wijzen arrest te gelasten om aan uitgeverij
Elsevier aan te bevelen om [appellante] door middel van een correctie alsnog te erkennen als co-auteur op – tenminste - de in productie 11 bij dagvaarding genoemde artikelen om de innovatiewaarde van het onderzoeksvoorstel te waarborgen, ter rectificatie c.q. rechtzetting van de onjuistheden door de universiteit van de herkomst van [appellante] wetenschappelijk onderzoek, ter herstel van [appellante] carrière en reputatie en ter verdere voldoening aan de door NWO gestelde subsidievoorwaarden (incidentele subsidie),
zowel vordering I als II op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van
€ 4.000,- door de universiteit aan [appellante] te verbeuren, voor iedere dag dat de universiteit, niet aan het te wijzen kort geding vonnis voldoet, met een maximum van € 400.000,-, althans door het hof in goede justitie te bepalen bedragen,
IV met veroordeling van de universiteit in de kosten van beide instanties.




3.7.
De universiteit heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijzing van [appellante] .



3.8.
De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. In het algemeen kan een verandering of vermeerdering van eis na het nemen van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.



3.9.

[appellante] heeft aangevoerd dat zij haar eis onder I nogmaals heeft gewijzigd nu op 11 april 2025 alsnog de incidentele subsidie is toegewezen. Zij heeft het Donders Instituut bereid gevonden als gastinstituut op te treden. Haar vorderingen onder II en III zijn tekstueel gewijzigd, op grond van voortschrijdend inzicht.



3.10.
Het hof is van oordeel dat de gewijzigde vordering onder I in lijn is met de eerste vordering, zij het dat nu schadevergoeding in geld wordt gevorderd in plaats van schadevergoeding in natura. De wijziging van de vorderingen onder II en III is (slechts) tekstueel van aard. Nu van de zijde van de universiteit niet is toegelicht dat door de wijziging van eis de procedure onredelijk zou worden vertraagd dan wel de verdediging onredelijk zou worden bemoeilijkt, is het bezwaar ongegrond. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.



De beoordeling van het hoger beroep (op de gewijzigde eis)





Schadevergoeding en spoedeisend belang (vordering I)





3.11.
Deze procedure is een kort geding. Dat betekent dat het hof eerst (ambtshalve) moet beoordelen of [appellante] bij de verlangde voorzieningen nog steeds een voldoende spoedeisend belang heeft. Als er geen spoedeisend belang is, moet de vordering worden afgewezen. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom (vordering onder I) is terughoudendheid geboden. De rechter zal bij een geldvordering niet alleen moeten onderzoeken of 1) het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of 2) daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, mocht de bodemrechter anders beslissen.



3.12.
Het hof stelt vast dat de onderbouwing die [appellante] in de processtukken heeft gegeven bij het spoedeisend belang ziet op de gevraagde voorziening sub I zoals deze luidde voordat [appellante] haar eis wijzigde. Dat belang zag destijds op het verkrijgen van een subsidie en het daarbij geldende vereiste van het hebben van een gastinstituut. In geval het Donders Instituut immers niet als gastinstituut zou optreden, zou [appellante] niet aan de subsidievoorwaarden van NWO voldoen. Zij had dus, ten tijde van het uitbrengen van haar dagvaarding in hoger beroep (10 januari 2025) in zoverre een (spoedeisend) belang bij haar (oude) vordering onder I.



3.13.
Met de toekenning van de subsidie door NWO op 11 april 2025, de toezegging van het Donders Instituut om als gastinstituut (en tevens begunstigde van de subsidie) op te treden en de acceptatie van Donders als gastinstituut door NWO, is de situatie evenwel veranderd. [appellante] heeft dientengevolge ook haar eis gewijzigd, zij vordert thans een nettobedrag van € 175.000,- als voorschot op geleden inkomensschade in het verleden.



3.14.
De universiteit heeft ter zitting bepleit dat zij, los van de onderbouwing, geen idee heeft waar zij zich nu tegen dient te verdedigen. Zij heeft betwist dat er een spoedeisend belang is bij het gevraagde voorschot. [appellante] heeft nu immers een bijstandsuitkering, gaat weer werken en gaat dus ook weer inkomen uit arbeid genereren. De vordering van [appellante] wordt door de universiteit ook inhoudelijk betwist. Er is voor het vaststellen van een vordering die ziet op inkomensschade nader onderzoek nodig, de vordering is niet onderbouwd en evenmin gestaafd met enig bewijsmiddel, terwijl ter zitting in hoger beroep voor het eerst een berekening wordt aangehaald. Er is nog te veel onduidelijk, terwijl ook fiscale gegevens ontbreken en door [appellante] niets wordt gezegd over het causale verband, aldus nog steeds de universiteit.



3.15.
Het hof overweegt als volgt. Naar zijn oordeel is [appellante] er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening geboden is met betrekking tot de andermaal gewijzigde vordering I. [appellante] heeft inkomsten om in haar levensonderhoud te voorzien. Ten tijde van de behandeling van de voorlopige voorziening genoot zij een bijstandsuitkering en had zij uitzicht op inkomen uit werkzaamheden bij het Donders Instituut uit hoofde van de verstrekte NWO subsidie met ingang van het academisch jaar 2025.



3.16.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] ook de vordering zelf onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zo al in rechte zou komen vast te staan dat de universiteit onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] door met haar geen arbeidsovereenkomst te sluiten, leidt dat, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet tot het rechtsgevolg dat de universiteit verplicht is de door [appellante] gestelde inkomensschade (integraal) te vergoeden, dan wel dat thans een voorschot is gerechtvaardigd. Daarbij is (onder meer) van belang dat de universiteit aan [appellante] wel een arbeidsovereenkomst heeft aangeboden (voor de duur van twee jaar), dat partijen daarover hebben onderhandeld, maar dat zij daarover geen wilsovereenstemming hebben bereikt. Vragen die zien op toerekening van schade zijn nog volledig onbeantwoord gebleven, terwijl ook de omvang van de schade niet is onderbouwd. Ook bij de periode van vijf jaar waarover [appellante] schade heeft gevorderd kunnen kanttekeningen worden geplaatst.



3.17.
Het hof zal de vordering onder I afwijzen nu gelet op het voorgaande en aan de hand van de ten tijde van dit kort geding bekende feiten, voorshands niet aannemelijk is dat de bodemrechter deze vordering gaat toewijzen. Een belangenafweging kan vooralsnog niet tot een ander oordeel leiden, waarbij het hof betrekt dat [appellante] in haar levensonderhoud kan voorzien. Het voorgaande leidt er ook toe dat de grieven 1 en 2 geen nadere bespreking meer behoeven. De uitkomst van de beoordeling van het onbetamelijk en onrechtmatig handelen van de universiteit kan immers niet tot een ander oordeel leiden.



Mededeling integriteitsschending en co-auteurschap door UM aan Elsevier (vordering II en III)





3.18.
Ook ten aanzien van de (gewijzigde) vorderingen onder II. en III. geldt dat de rechter in kort geding dient te onderzoeken of sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.



3.19.
In haar memorie van grieven heeft [appellante] het spoedeisend belang bij deze vorderingen onderbouwd met de stelling dat toewijzing daarvan een belangrijke rol van betekenis speelt om te komen tot een positieve beoordeling van de incidentele subsidieaanvraag. Dat belang is inmiddels vervallen met toekenning van de subsidie. [appellante] heeft ook betoogd dat toewijzing van belang is voor het herstel van haar carrière en reputatie. In zoverre acht het hof spoedeisend belang aanwezig, waarmee nog niet is gezegd dat de vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen. Het hof overweegt daarover het volgende.



3.20.
De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis overwogen dat [appellante] niet voldoende heeft toegelicht waarom zij de mededeling dat de universiteit heeft gehandeld in strijd met de Gedragscode (vordering II.) niet zelf aan Elsevier kan verrichten, althans wat de meerwaarde is als die mededeling door de universiteit wordt gedaan. De voorzieningenrechter heeft die vordering vervolgens bij gebrek aan belang afgewezen. In hoger beroep betoogt [appellante] dat de mededeling van de universiteit een belangrijke voorwaarde is om tot correctie over te gaan. Zij verwijst daarbij naar de email van Elsevier van 6 december 2024 aan haar raadsman. In die email staat, voor zover hier van belang:


In this case we observe the presence of a complaint by your client to be added as a co-author to the articles above. Our Publishing Ethics policies (in line with international standards e.g. COPE) are clear about the way these situations need to be addressed and so has been communicated by my colleague from RI&PE: only with the agreement of the relevant parties (complainant and author of the complained-about papers) or by clear instructions of the institution where the research was performed (or where the parties are affiliated to) are our journals entitled to issue a note correcting the scientific records by adding a new co-author to a published article (and only after the journal editor has approved such correction to the record).



In the present case, and after reviewing the documentation at hand none of the options above are present in this matter and therefore the journal and its editors have concluded that they are not able to take the action expected by your client. There is no agreement between the authors of the articles and your client, and we have not received any instructions from any of the relevant institutions asking for the inclusion of your client as a co-author (the document issued by NWO does not instruct in this regard).



Het hof stelt vast dat [appellante] hiermee de noodzaak onderbouwt van medewerking van de universiteit voor het verkrijgen van co-auteurschap, maar niet de noodzaak van een mededeling door de universiteit van handelen in strijd met de Gedragscode. Nog daargelaten dat [appellante] niet heeft gesteld welke concrete mededelingen de universiteit zou dienen te doen, staat het haar vrij zelf mededelingen te doen aan Elsevier die zien op handelen in strijd met de Gedragscode door de universiteit. De voorzieningenrechter heeft vordering sub II derhalve op goede gronden afgewezen.




3.21.

Het hof stelt vervolgens vast dat [appellante] niet (gemotiveerd) is opgekomen tegen hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen omtrent het advies van de deskundige inzake de wetenschappelijke integriteit, prof. [E] van 27 april 2023, die in zijn advies heeft geschreven dat het vermelden van [appellante] als co-auteur leidt tot overschrijding van de normen inzake wetenschappelijke integriteit. De voorzieningenrechter heeft hierover overwogen:
In zijn advies vermeldt [E] (pagina 2 van het advies) aan welke normen uit de Gedragscode moet worden voldaan om als co-auteur van een wetenschappelijke publicatie te mogen worden vermeld. Het betreft de normen die zijn neergelegd in de bepalingen 29 tot en met 33, aldus [E] . [E] constateert (pagina 3 van het advies) dat [appellante] heeft voldaan aan norm 31 met het inbrengen van het onderzoeksidee. Het is volgens hem niet meer mogelijk om alsnog aan de normen 32 en 33 te voldoen. Deze normen houden in dat alle auteurs de definitieve versie van de publicatie hebben goedgekeurd (norm 32) en dat alle auteurs verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de publicatie (norm 33). Indien er al met [appellante] vanuit moet worden gegaan dat de publicaties berusten op onderzoek dat voortvloeit uit haar voorstel (hetgeen de Universiteit Maastricht heeft betwist), dan heeft zij niet gemotiveerd gesteld op welke wijze alsnog aan de gestelde eisen in de normen 32 en 33 kan worden voldaan. Voor zover [appellante] van oordeel is dat volgens [E] uit norm 29 volgt dat [appellante] als co-auteur had moeten worden erkend, geldt dat uit de verwijzing van [E] naar norm 29 niet volgt dat niet zou hoeven te worden voldaan aan de normen 32 en 33 om vermeld te mogen worden als co-auteur. Uit het advies van [E] volgt dat in een dergelijke geval erkenning van de bijdrage kan plaatsvinden door een Acknowledgement (advies, pagina 3) in plaats van door een vermelding als co-auteur. Voorts concludeert [E] (advies, pagina 4) dat het onwaarschijnlijk is dat een uitgever een verzoek om retraction of correction zal honoreren, mede omdat [appellante] niet meer kan voldoen aan de vereisten die aan een auteurschap worden gesteld.




3.22.

[appellante] stelt, ook in hoger beroep, dat in ieder geval ten aanzien van twee publicaties is voortgebouwd op haar onderzoeksidee. Het hof overweegt dat, zo dit al het geval is, hetgeen de universiteit heeft betwist, [E] hierover al heeft verklaard dat [appellante] (daarmee) heeft voldaan aan norm 31 met het inbrengen van het onderzoeksidee, maar dat het niet meer mogelijk is om alsnog aan de normen 32 en 33 te voldoen. [appellante] heeft dit niet nader weersproken. [appellante] heeft ook niet weersproken dat zij niet als co-auteur betrokken was bij het opstellen van de drie artikelen.



3.23.
De slotsom is dat de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] voldoet aan de geldende criteria om te worden erkend als co-auteur. De vordering (onder III) om de universiteit te gelasten Elsevier aan te bevelen [appellante] alsnog te erkennen als co-auteur, is derhalve terecht afgewezen.



Slotsom





3.24.
De slotsom luidt dat de grieven niet slagen en/of niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het hof zal beslissen zoals hierna weer te geven in het dictum.



Proceskosten in hoger beroep





3.25.
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt de kosten voor de procedure in hoger beroep aan de kant van de universiteit vast op:



Griffierecht € 827,00


Salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten x tarief II)


Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal € 3.433,00




3.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






4De uitspraak


Het hof:



bekrachtigt het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 17 december 2024;



veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 3.433,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellante] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



veroordeelt [appellante] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak zijn voldaan;



verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.




Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, J.M. H . Schoenmakers en C.E.L.M. Smeenk - Van der Weijden en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.



griffier rolraadsheer