Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3163
2025-11-04
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
200.347.663_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter heeft in eerste aanleg een gebod opgelegd aan appelante om zich van (verdere) executiemaatregelen te onthouden, op grond van het oordeel dat het ten uitvoer te leggen arrest op een kennelijke feitelijke misslag berust. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een kennelijke feitelijke misslag in het ten uitvoer te leggen arrest, maar wel van een nieuw feit dat het hof in die procedure niet in aanmerking heeft kunnen nemen. Op grond van dit nieuwe feit komt appelante geen (verdere) executiebevoegdheid toe.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2198 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.478 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.347.663/01
arrest in kort geding van 4 november 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen [appellante] ,
advocaat: mr. D.M. Lamers te Eindhoven,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk te noemen [appellanten] , of elk afzonderlijk [geïntimeerde sub 1] , respectievelijk [geïntimeerde sub 2] ,
advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond,
op het bij exploot van dagvaarding van 28 oktober 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 oktober 2024, door de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [appellanten] als eisers.
1De kern van de zaak
1.1.
Bij arrest van 9 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2198) heeft het gerechtshof ten gunste van [appellante] en ten laste van [appellanten] een aantal veroordelingen uitgesproken. Volgens [appellante] hebben [appellanten] niet (volledig) aan die veroordelingen voldaan. [appellante] is daarom met de executie van het arrest begonnen, heeft beslag gelegd en aanspraak gemaakt op dwangsommen.
1.2.
[appellanten] zeggen dat zij wel aan het arrest hebben voldaan en er verder niets meer te executeren valt. Zij hebben in kort geding gevorderd om [appellante] te gebieden zich (op straffe van een dwangsom) te onthouden van handelingen ter executie van het arrest. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellanten] toegewezen.
1.3.
Het hof komt, zij het deels op een andere grond, tot hetzelfde oordeel, maar zal het vonnis van de voorzieningenrechter vanwege de in incidenteel appel gewijzigde eis toch deels vernietigen.
2Het verloop van het geding
2.1.
Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/334378 / KG ZA 24-312) verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 28 oktober 2024, met een productie;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens akte wijziging van eis met producties;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De feiten
3.1.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.
In het arrest van 9 juli 2024 heeft het gerechtshof, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“vernietigt het vonnis op 12 augustus 2020 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats
Roermond tussen partijen gewezen;
en opnieuw rechtdoende:
1. verklaart voor recht dat [appellante] eigenaar is van het paard [A] ;
2) veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk om het paard [A] , inclusief haar paspoort en stamboekpapieren, aan [appellante] af te geven, op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag of dagdeel dat zij hiermee in gebreke blijven,
en bepaalt dat boven de som van € 3.000,00 geen dwangsom meer wordt verbeurd;
3) verklaart voor recht dat [geïntimeerde sub 1] gehouden is tot betaling van de schade die [appellante] lijdt als gevolg van de in het tussenarrest omschreven onrechtmatige daden;
4) veroordeelt [geïntimeerde sub 1] tot vergoeding van de daardoor door [appellante] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
5) veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg (inclusief de beslagkosten) ter hoogte van € 3.929,45 en het hoger beroep in principaal en incidenteel hoger beroep (inclusief het incident) € 7.388,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
6) veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen zij krachtens het thans vernietigde vonnis aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling (…).”
3.3.
[appellanten] hebben het paard [A] (verder het “paard”) op 31 juli 2024, met paspoort en verklaring van de dierenarts aan [appellante] afgegeven. Daarbij zijn geen stamboekpapieren afgegeven.
3.4.
Bij exploot van 1 augustus 2024 is het arrest van 9 juli 2024 aan [appellanten] betekend en tegelijk aan hen bevel gedaan:
“om aan de inhoud van voormelde executoriale titel te voldoen en daarnaast binnen twee weken na heden ten kantore van [appellante] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, voor en ten behoeve van requirant(e) tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
Proceskosten € 11.318,23
Nasalaris € 92,00
Terugbetaling conform punt 6 petitum € 109.283,23
Tarief exploot € 149,53
te vermeerderen met alle verdere gerechts- en executiekosten.”
3.5.
[appellanten] hebben de proceskosten waarin zij in het arrest zijn veroordeeld betaald, inclusief de nakosten. Het bedrag van € 109.283,23 hebben [appellanten] niet betaald.
3.6.
Per exploot van 26 augustus 2024 is aangezegd dat na betekening van het arrest van 9 juli 2024 de op l februari 2019 ten laste van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gelegde conservatoire beslagen op de registergoederen zijn overgegaan in de executoriale fase.
4Standpunten van partijen.
In eerste aanleg
4.1.
In eerste aanleg hebben [appellanten] – samengevat en voor zover hier van belang – gevorderd [appellante] te gebieden zich te onthouden van iedere handeling ter executie van het arrest van 9 juli 2024, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat [appellante] daaraan niet voldoet, met een maximum van € 30.000,-, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom.
4.2.
[appellanten] heeft daartoe – samengevat en voor zover hier van belang – aangevoerd dat zij integraal aan het arrest van 9 juli 2024 hebben voldaan, dat het thans voortzetten van de executie misbruik van recht oplevert en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat [appellante] nog verdere executiemaatregelen treft. Volgens [appellanten] blijkt niet enkel dat [appellanten] onmogelijk de stamboekpapieren konden overleggen, doch tevens dat ze al het overige in uitstekend overleg heeft gedaan alsook dat het [appellante] slechts een gering bedrag kost om de papieren opnieuw aan te vragen.
4.3.
[appellante] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de proceskosten.
4.4.
In het vonnis waarvan beroep (verder het “vonnis”) heeft de voorzieningenrechter de primaire vordering van [appellanten] toegewezen. De voorzieningenrechter heeft – samengevat en voor zover hier van belang – overwogen dat het arrest van 9 juli 2024 met betrekking tot de veroordeling tot afgifte van de stamboekpapieren berust op een klaarblijkelijke feitelijke misslag. Ten aanzien van de door [appellante] in het hiervoor genoemde exploot van 1 augustus 2024 genoemde geldbedragen heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet is gebleken dat [appellante] nog enig geldbedrag uit hoofde van het arrest van 9 juli 2025 van [appellanten] te vorderen heeft.
In hoger beroep
4.5.
[appellante] vordert in principaal hoger beroep dat het vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [appellanten] (alsnog) worden afgewezen, [appellante] toe te staan om de kosten uit het arrest van 9 juli 2024 te innen en tevens de dwangsom ad € 3.000,- te innen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten in beide instanties, vermeerderd met rente. [appellante] heeft daartoe drie grieven (I t/m III) geformuleerd.
4.6.
[appellanten] hebben in principaal hoger beroep de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.
4.7.
[appellanten] hebben daarnaast incidenteel hoger beroep aangetekend. Zij hebben daarin geen grieven geformuleerd, maar wel hun eis vermeerderd. Zij vorderen in incidenteel appel, samengevat:
Primair:
1: opheffing van het door [appellante] gelegde beslag op de onroerende zaak aan [adres] ;
2: [appellante] te veroordelen tot betaling van € 3.108,09 ter zake onverschuldigd betaalde dwangsommen, vermeerderd met rente;
Subsidiair:
[appellante] te gebieden zich te onthouden van iedere handeling ter executie van het arrest van 9 juli 2024, zulks op straffe van een dwangsom;
Een en ander zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties.
4.8.
[appellante] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring, althans afwijzing van de vorderingen van [appellanten] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, vermeerderd met rente.
4.9.
Op de standpunten van partijen wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Spoedeisend belang
5.1.
Het gaat in dit geval om een kort geding, zodat er – ook in appel nog – een voldoende spoedeisend belang moet zijn bij het gevorderde in eerste aanleg. Het hof oordeelt dat zo’n spoedeisend belang nu nog steeds aanwezig is en volgt uit de aard van de vordering (voorkomen van executiemaatregelen).
In het principaal hoger beroep
Grief I
5.2.
[appellante] komt met haar eerste grief op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij geen gebruik mag maken van haar recht tot executie ter verkrijging van betaling uit hoofde van onderdeel 6) van het petitum van het arrest van 9 juli 2024 (“terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen zij krachtens het thans vernietigde vonnis aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heeft betaald”).
5.3.
Deze grief faalt. De veroordeling onder 6) van het petitum geeft [appellante] uitsluitend recht op (terug)betaling van dat wat zij zelf eerder uit hoofde van het (bij arrest van 9 juli 2024 vernietigde) vonnis van 12 augustus 2020 aan [appellanten] heeft betaald, vermeerderd met rente. De enige betaling waartoe [appellante] in dat vonnis is veroordeeld, is de betaling van de proceskosten (€ 2.469,00) met de nakosten.
5.4.
[appellanten] hebben bij herhaling aangevoerd dat [appellante] die proces- en nakosten nooit heeft betaald. [appellante] heeft dat niet (gemotiveerd) weersproken. Daarmee staat in deze procedure vast dat [appellante] geen enkel bedrag uit hoofde van het vonnis van 12 augustus 2020 aan [appellanten] heeft betaald. Nu zij zelf niets aan [appellanten] heeft betaald, valt er ook niets terug te betalen. [appellante] kan dus geen bedrag (terug)vorderen met een beroep op dit arrest, laat staan dat zij ten aanzien van enig bedrag het arrest van 9 juli 2024 kan executeren. Het hof stelt vast dat [appellante] in dezen voorts nalaat te verklaren hoe zij – en in haar opdracht de executerende deurwaarder – tot het aangezegde bedrag van € 109.283,23 “krachtens het thans vernietigde vonnis” is gekomen.
5.5.
Door desondanks executiemaatregelen te treffen, op basis van dat arrest, met als doel betaling te krijgen van bedragen die zij, naar het hof begrijpt, uit anderen hoofde van [appellanten] meent te kunnen vorderen (maar liefst € 109.283,23), misbruikt [appellante] haar executiebevoegdheid.
Grieven II en III
5.6.
Met deze grieven komt [appellante] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het arrest van 9 juli 2024 met betrekking tot de veroordeling tot afgifte van de stamboekpapieren berust op een klaarblijkelijke feitelijke misslag.
5.7.
Van een klaarblijkelijke feitelijke of juridische misslag is sprake wanneer het gaat om een evidente fout in de uitspraak. Van een dergelijke evidente feitelijke fout is in het arrest geen sprake. Afgifte van de stamboekpapieren was in de procedure die tot dat arrest heeft geleid door [appellante] gevorderd en is door het hof zoals gevorderd toegewezen. De voorzieningenrechter komt tot zijn oordeel naar aanleiding van een inhoudelijk debat tussen partijen over de vraag of [appellanten] überhaupt wel (ooit) in het bezit zijn (geweest) van die stamboekpapieren. Hoewel de conclusie uit dat debat zou kunnen zijn dat het hof [appellanten] in het arrest van 9 juli 2025 wellicht niet tot afgifte van die stamboekpapieren zou hebben moeten veroordelen, kan dat debat niet leiden tot de conclusie dat die veroordeling een evidente (lees voor iedereen onmiddellijk als zodanig herkenbare) feitelijke misslag is. In zoverre slagen deze grieven. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof daarom de stellingen van partijen met betrekking tot de stamboekpapieren nu zelf beoordelen.
5.8.
Het hof merkt in dat kader meteen op dat de inhoudelijke conclusie van de voorzieningenrechter, namelijk dat [appellanten] de stamboekpapieren niet hebben en nooit hebben gehad, wel correct is. Het hof kan daar verder kort over zijn, gezien de uitdrukkelijke erkenning van [appellante] tijdens de zitting in eerste aanleg, dat zij “de stamboekpapieren nooit aan wie dan ook heeft afgegeven”. [appellante] is daar in dit hoger beroep niet op teruggekomen. Uit die enkele mededeling van [appellante] zelf volgt al dat [appellanten] de stamboekpapieren nooit (kunnen) hebben gekregen en/of gehad, laat staan nog steeds hebben. [appellante] bevestigt die conclusie in haar memorie van grieven, waar zij stelt:” heeft in het verleden haar paarden gestald bij [B] in Duitsland. [B] heeft in 2013 zonder toestemming een paard van [appellante] verkocht. (…) [B] heeft de paspoorten van de paarden [onderstreping: hof] (waaronder [A] ) aan [geïntimeerde sub 1] gegeven.” (memorie van grieven randnummers 2.2 en 2.3). Ook hieruit volgt dat [appellanten] bij aankoop van het paard enkel paspoorten hebben gekregen, maar niet de stamboekpapieren. [appellante] heeft de stelling van [appellanten] dat zij de stamboekpapieren niet kunnen afgegeven omdat zij die niet hebben en nooit hebben gehad dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat [appellanten] de stamboekpapieren niet hebben en nooit hebben gehad, staat daarmee in deze procedure vast.
5.9.
Los van de vraag of de veroordeling in het arrest zich ook uitstrekt tot de afgifte van een eventueel bestaand duplicaat van de stamboekpapieren, geldt dat [appellante] haar stelling dat [appellanten] zo’n duplicaat bezitten onvoldoende (concreet) heeft gemotiveerd, in het licht van de betwisting door [appellanten] [appellante] heeft daarmee op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan, zodat aan bewijslevering niet toegekomen wordt.
5.10.
Het hof constateert daarnaast het volgende. In de procedure die tot het arrest van 9 juli 2024 heeft geleid, heeft [appellante] de afgifte van de stamboekpapieren gevorderd en die vordering is toegewezen. Maar uit dat arrest blijkt niet dat in die procedure ook maar enig debat is gevoerd over de vraag of [appellanten] die stamboekpapieren wel ooit hadden gekregen en/of (nog) in hun bezit hadden. Die kwestie is pas in de eerste aanleg van dit executiegeschil aan de orde gesteld.
5.11.
Het inmiddels vaststaande feit dat [appellanten] de stamboekpapieren niet in hun bezit hebben en nooit hebben gehad is, gezien de overweging hiervoor, een feit dat het hof bij het wijzen van het arrest van 9 juli 2025 niet in aanmerking heeft kunnen nemen. Het is tevens een feit dat feitelijk onmogelijk maakt voor [appellanten] om aan dat gedeelte van het arrest van 9 juli 2024 te voldoen. Gelet op de bevestiging door [appellante] ter zitting in eerste aanleg, dat zij de stamboekpapieren nooit aan iemand anders heeft afgegeven, en de hiervoor onder 5.8 geciteerde passages uit de memorie van grieven in principaal appel, wist [appellante] bovendien op voorhand al (althans had zij behoren te weten), dat zij iets vorderde en toegewezen had gekregen waar [appellanten] onmogelijk aan zouden kunnen voldoen. Ook bij het treffen van executiemaatregelen en het incasseren van dwangsommen wegens het niet afgeven van de stamboekpapieren wist [appellante] dat.
5.12.
Met het in weerwil van deze eigen wetenschap toch treffen van executiemaatregelen en incasseren van dwangsommen, vanwege het niet afgeven van de stamboekpapieren, heeft [appellante] misbruik gemaakt van haar executiebevoegdheid.
Conclusie
5.13.
Het voorgaande leidt tot de conclusie in het principaal hoger beroep dat het vonnis van de voorzieningenrechter, behalve voor zover dat – zoals hierna overwogen – op grond van het incidenteel appel moet worden vernietigd, zal worden bekrachtigd.
In het incidenteel hoger beroep
Vermeerdering van eis door [appellanten]
5.14.
Tegen de eisvermeerdering is door [appellante] geen bezwaar gemaakt. Omdat deze eisvermeerdering geen strijdigheid oplevert met de eisen van een goede procesorde, zal het hof in het incidenteel appel dan ook recht doen op deze vermeerderde eis.
Beslag
5.15.
Uit wat hiervoor in het principaal appel is overwogen volgt dat [appellante] niets meer van [appellanten] te vorderen heeft uit hoofde van het arrest van 9 juli 2024. Zij heeft daarom ook geen belang meer bij handhaving van het op 1 februari 2019 gelegde beslag op de onroerende zaak aan [adres] . De in incidenteel appel gevorderde opheffing van dat beslag zal daarom worden toegewezen.
Dwangsommen
5.16.
[appellante] heeft niet betwist dat [appellanten] op 3 september 2025 € 3.108,09 aan dwangsommen aan [appellante] hebben betaald. Vaststaat dat in het arrest van 9 juli 2024 uitsluitend dwangsommen zijn verbonden aan de veroordeling tot afgifte van paard en papieren. Tussen partijen is niet in geschil dat het paard en de overige daarbij behorende papieren tijdig aan [appellante] zijn afgegeven. Met inachtneming van wat hiervoor onder 5.8 tot en met 5.12 is overwogen, staat dus ook vast dat [appellanten] op dit punt aan de veroordeling hebben voldaan voor zover dat voor hen feitelijk mogelijk was en dat [appellante] geen bevoegdheid meer toekomt, of -kwam, tot het nemen van executiemaatregelen of het incasseren van dwangsommen. Dat betekent dat zij de door [appellanten] betaalde dwangsommen ten onrechte heeft geïncasseerd. De vordering van [appellanten] tot terugbetaling van dat bedrag zal daarom ook worden toegewezen.
Proceskosten
5.17.
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep, in de kosten van dit hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van [appellanten] zullen vastgesteld worden op:
In het principaal hoger beroep:
Griffierecht € 349,00
Salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt x tarief II)
In het incidenteel hoger beroep:
- Salaris advocaat € 607,00 (0,5 x 1 punt x tarief II)
Nakosten: € 178,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing) +
Totaal: € 2.348,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
6De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft het onder 5.1 van het petitum van dat vonnis bepaalde en bekrachtigt dit vonnis voor het overige;
en, opnieuw rechtdoende,
6.2.
heft op het op 1 februari 2019 door [appellante] gelegde beslag op de onroerende zaak aan [adres] ;
6.3.
veroordeelt [appellante] tot betaling, binnen 14 dagen na dagtekening van dit arrest, van € 3.108,09, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de dag van dagtekening van dit arrest;
6.4.
veroordeelt [appellante] in de proceskosten in het hoger beroep van € 2.348,00. Als [appellante] niet aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, vermeerderd met € 92,00 en met de kosten van betekening;
6.5.
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.W. van Rijkom en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.347.663/01
arrest in kort geding van 4 november 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen [appellante] ,
advocaat: mr. D.M. Lamers te Eindhoven,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna gezamenlijk te noemen [appellanten] , of elk afzonderlijk [geïntimeerde sub 1] , respectievelijk [geïntimeerde sub 2] ,
advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond,
op het bij exploot van dagvaarding van 28 oktober 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 oktober 2024, door de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [appellanten] als eisers.
1De kern van de zaak
1.1.
Bij arrest van 9 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2198) heeft het gerechtshof ten gunste van [appellante] en ten laste van [appellanten] een aantal veroordelingen uitgesproken. Volgens [appellante] hebben [appellanten] niet (volledig) aan die veroordelingen voldaan. [appellante] is daarom met de executie van het arrest begonnen, heeft beslag gelegd en aanspraak gemaakt op dwangsommen.
1.2.
[appellanten] zeggen dat zij wel aan het arrest hebben voldaan en er verder niets meer te executeren valt. Zij hebben in kort geding gevorderd om [appellante] te gebieden zich (op straffe van een dwangsom) te onthouden van handelingen ter executie van het arrest. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellanten] toegewezen.
1.3.
Het hof komt, zij het deels op een andere grond, tot hetzelfde oordeel, maar zal het vonnis van de voorzieningenrechter vanwege de in incidenteel appel gewijzigde eis toch deels vernietigen.
2Het verloop van het geding
2.1.
Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/334378 / KG ZA 24-312) verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 28 oktober 2024, met een productie;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens akte wijziging van eis met producties;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De feiten
3.1.
In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.
In het arrest van 9 juli 2024 heeft het gerechtshof, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“vernietigt het vonnis op 12 augustus 2020 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats
Roermond tussen partijen gewezen;
en opnieuw rechtdoende:
1. verklaart voor recht dat [appellante] eigenaar is van het paard [A] ;
2) veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk om het paard [A] , inclusief haar paspoort en stamboekpapieren, aan [appellante] af te geven, op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag of dagdeel dat zij hiermee in gebreke blijven,
en bepaalt dat boven de som van € 3.000,00 geen dwangsom meer wordt verbeurd;
3) verklaart voor recht dat [geïntimeerde sub 1] gehouden is tot betaling van de schade die [appellante] lijdt als gevolg van de in het tussenarrest omschreven onrechtmatige daden;
4) veroordeelt [geïntimeerde sub 1] tot vergoeding van de daardoor door [appellante] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
5) veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg (inclusief de beslagkosten) ter hoogte van € 3.929,45 en het hoger beroep in principaal en incidenteel hoger beroep (inclusief het incident) € 7.388,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
6) veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen zij krachtens het thans vernietigde vonnis aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling (…).”
3.3.
[appellanten] hebben het paard [A] (verder het “paard”) op 31 juli 2024, met paspoort en verklaring van de dierenarts aan [appellante] afgegeven. Daarbij zijn geen stamboekpapieren afgegeven.
3.4.
Bij exploot van 1 augustus 2024 is het arrest van 9 juli 2024 aan [appellanten] betekend en tegelijk aan hen bevel gedaan:
“om aan de inhoud van voormelde executoriale titel te voldoen en daarnaast binnen twee weken na heden ten kantore van [appellante] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, voor en ten behoeve van requirant(e) tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
Proceskosten € 11.318,23
Nasalaris € 92,00
Terugbetaling conform punt 6 petitum € 109.283,23
Tarief exploot € 149,53
te vermeerderen met alle verdere gerechts- en executiekosten.”
3.5.
[appellanten] hebben de proceskosten waarin zij in het arrest zijn veroordeeld betaald, inclusief de nakosten. Het bedrag van € 109.283,23 hebben [appellanten] niet betaald.
3.6.
Per exploot van 26 augustus 2024 is aangezegd dat na betekening van het arrest van 9 juli 2024 de op l februari 2019 ten laste van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gelegde conservatoire beslagen op de registergoederen zijn overgegaan in de executoriale fase.
4Standpunten van partijen.
In eerste aanleg
4.1.
In eerste aanleg hebben [appellanten] – samengevat en voor zover hier van belang – gevorderd [appellante] te gebieden zich te onthouden van iedere handeling ter executie van het arrest van 9 juli 2024, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat [appellante] daaraan niet voldoet, met een maximum van € 30.000,-, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom.
4.2.
[appellanten] heeft daartoe – samengevat en voor zover hier van belang – aangevoerd dat zij integraal aan het arrest van 9 juli 2024 hebben voldaan, dat het thans voortzetten van de executie misbruik van recht oplevert en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat [appellante] nog verdere executiemaatregelen treft. Volgens [appellanten] blijkt niet enkel dat [appellanten] onmogelijk de stamboekpapieren konden overleggen, doch tevens dat ze al het overige in uitstekend overleg heeft gedaan alsook dat het [appellante] slechts een gering bedrag kost om de papieren opnieuw aan te vragen.
4.3.
[appellante] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de proceskosten.
4.4.
In het vonnis waarvan beroep (verder het “vonnis”) heeft de voorzieningenrechter de primaire vordering van [appellanten] toegewezen. De voorzieningenrechter heeft – samengevat en voor zover hier van belang – overwogen dat het arrest van 9 juli 2024 met betrekking tot de veroordeling tot afgifte van de stamboekpapieren berust op een klaarblijkelijke feitelijke misslag. Ten aanzien van de door [appellante] in het hiervoor genoemde exploot van 1 augustus 2024 genoemde geldbedragen heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet is gebleken dat [appellante] nog enig geldbedrag uit hoofde van het arrest van 9 juli 2025 van [appellanten] te vorderen heeft.
In hoger beroep
4.5.
[appellante] vordert in principaal hoger beroep dat het vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [appellanten] (alsnog) worden afgewezen, [appellante] toe te staan om de kosten uit het arrest van 9 juli 2024 te innen en tevens de dwangsom ad € 3.000,- te innen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten in beide instanties, vermeerderd met rente. [appellante] heeft daartoe drie grieven (I t/m III) geformuleerd.
4.6.
[appellanten] hebben in principaal hoger beroep de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.
4.7.
[appellanten] hebben daarnaast incidenteel hoger beroep aangetekend. Zij hebben daarin geen grieven geformuleerd, maar wel hun eis vermeerderd. Zij vorderen in incidenteel appel, samengevat:
Primair:
1: opheffing van het door [appellante] gelegde beslag op de onroerende zaak aan [adres] ;
2: [appellante] te veroordelen tot betaling van € 3.108,09 ter zake onverschuldigd betaalde dwangsommen, vermeerderd met rente;
Subsidiair:
[appellante] te gebieden zich te onthouden van iedere handeling ter executie van het arrest van 9 juli 2024, zulks op straffe van een dwangsom;
Een en ander zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties.
4.8.
[appellante] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring, althans afwijzing van de vorderingen van [appellanten] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, vermeerderd met rente.
4.9.
Op de standpunten van partijen wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Spoedeisend belang
5.1.
Het gaat in dit geval om een kort geding, zodat er – ook in appel nog – een voldoende spoedeisend belang moet zijn bij het gevorderde in eerste aanleg. Het hof oordeelt dat zo’n spoedeisend belang nu nog steeds aanwezig is en volgt uit de aard van de vordering (voorkomen van executiemaatregelen).
In het principaal hoger beroep
Grief I
5.2.
[appellante] komt met haar eerste grief op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij geen gebruik mag maken van haar recht tot executie ter verkrijging van betaling uit hoofde van onderdeel 6) van het petitum van het arrest van 9 juli 2024 (“terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen zij krachtens het thans vernietigde vonnis aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heeft betaald”).
5.3.
Deze grief faalt. De veroordeling onder 6) van het petitum geeft [appellante] uitsluitend recht op (terug)betaling van dat wat zij zelf eerder uit hoofde van het (bij arrest van 9 juli 2024 vernietigde) vonnis van 12 augustus 2020 aan [appellanten] heeft betaald, vermeerderd met rente. De enige betaling waartoe [appellante] in dat vonnis is veroordeeld, is de betaling van de proceskosten (€ 2.469,00) met de nakosten.
5.4.
[appellanten] hebben bij herhaling aangevoerd dat [appellante] die proces- en nakosten nooit heeft betaald. [appellante] heeft dat niet (gemotiveerd) weersproken. Daarmee staat in deze procedure vast dat [appellante] geen enkel bedrag uit hoofde van het vonnis van 12 augustus 2020 aan [appellanten] heeft betaald. Nu zij zelf niets aan [appellanten] heeft betaald, valt er ook niets terug te betalen. [appellante] kan dus geen bedrag (terug)vorderen met een beroep op dit arrest, laat staan dat zij ten aanzien van enig bedrag het arrest van 9 juli 2024 kan executeren. Het hof stelt vast dat [appellante] in dezen voorts nalaat te verklaren hoe zij – en in haar opdracht de executerende deurwaarder – tot het aangezegde bedrag van € 109.283,23 “krachtens het thans vernietigde vonnis” is gekomen.
5.5.
Door desondanks executiemaatregelen te treffen, op basis van dat arrest, met als doel betaling te krijgen van bedragen die zij, naar het hof begrijpt, uit anderen hoofde van [appellanten] meent te kunnen vorderen (maar liefst € 109.283,23), misbruikt [appellante] haar executiebevoegdheid.
Grieven II en III
5.6.
Met deze grieven komt [appellante] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het arrest van 9 juli 2024 met betrekking tot de veroordeling tot afgifte van de stamboekpapieren berust op een klaarblijkelijke feitelijke misslag.
5.7.
Van een klaarblijkelijke feitelijke of juridische misslag is sprake wanneer het gaat om een evidente fout in de uitspraak. Van een dergelijke evidente feitelijke fout is in het arrest geen sprake. Afgifte van de stamboekpapieren was in de procedure die tot dat arrest heeft geleid door [appellante] gevorderd en is door het hof zoals gevorderd toegewezen. De voorzieningenrechter komt tot zijn oordeel naar aanleiding van een inhoudelijk debat tussen partijen over de vraag of [appellanten] überhaupt wel (ooit) in het bezit zijn (geweest) van die stamboekpapieren. Hoewel de conclusie uit dat debat zou kunnen zijn dat het hof [appellanten] in het arrest van 9 juli 2025 wellicht niet tot afgifte van die stamboekpapieren zou hebben moeten veroordelen, kan dat debat niet leiden tot de conclusie dat die veroordeling een evidente (lees voor iedereen onmiddellijk als zodanig herkenbare) feitelijke misslag is. In zoverre slagen deze grieven. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof daarom de stellingen van partijen met betrekking tot de stamboekpapieren nu zelf beoordelen.
5.8.
Het hof merkt in dat kader meteen op dat de inhoudelijke conclusie van de voorzieningenrechter, namelijk dat [appellanten] de stamboekpapieren niet hebben en nooit hebben gehad, wel correct is. Het hof kan daar verder kort over zijn, gezien de uitdrukkelijke erkenning van [appellante] tijdens de zitting in eerste aanleg, dat zij “de stamboekpapieren nooit aan wie dan ook heeft afgegeven”. [appellante] is daar in dit hoger beroep niet op teruggekomen. Uit die enkele mededeling van [appellante] zelf volgt al dat [appellanten] de stamboekpapieren nooit (kunnen) hebben gekregen en/of gehad, laat staan nog steeds hebben. [appellante] bevestigt die conclusie in haar memorie van grieven, waar zij stelt:” heeft in het verleden haar paarden gestald bij [B] in Duitsland. [B] heeft in 2013 zonder toestemming een paard van [appellante] verkocht. (…) [B] heeft de paspoorten van de paarden [onderstreping: hof] (waaronder [A] ) aan [geïntimeerde sub 1] gegeven.” (memorie van grieven randnummers 2.2 en 2.3). Ook hieruit volgt dat [appellanten] bij aankoop van het paard enkel paspoorten hebben gekregen, maar niet de stamboekpapieren. [appellante] heeft de stelling van [appellanten] dat zij de stamboekpapieren niet kunnen afgegeven omdat zij die niet hebben en nooit hebben gehad dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat [appellanten] de stamboekpapieren niet hebben en nooit hebben gehad, staat daarmee in deze procedure vast.
5.9.
Los van de vraag of de veroordeling in het arrest zich ook uitstrekt tot de afgifte van een eventueel bestaand duplicaat van de stamboekpapieren, geldt dat [appellante] haar stelling dat [appellanten] zo’n duplicaat bezitten onvoldoende (concreet) heeft gemotiveerd, in het licht van de betwisting door [appellanten] [appellante] heeft daarmee op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan, zodat aan bewijslevering niet toegekomen wordt.
5.10.
Het hof constateert daarnaast het volgende. In de procedure die tot het arrest van 9 juli 2024 heeft geleid, heeft [appellante] de afgifte van de stamboekpapieren gevorderd en die vordering is toegewezen. Maar uit dat arrest blijkt niet dat in die procedure ook maar enig debat is gevoerd over de vraag of [appellanten] die stamboekpapieren wel ooit hadden gekregen en/of (nog) in hun bezit hadden. Die kwestie is pas in de eerste aanleg van dit executiegeschil aan de orde gesteld.
5.11.
Het inmiddels vaststaande feit dat [appellanten] de stamboekpapieren niet in hun bezit hebben en nooit hebben gehad is, gezien de overweging hiervoor, een feit dat het hof bij het wijzen van het arrest van 9 juli 2025 niet in aanmerking heeft kunnen nemen. Het is tevens een feit dat feitelijk onmogelijk maakt voor [appellanten] om aan dat gedeelte van het arrest van 9 juli 2024 te voldoen. Gelet op de bevestiging door [appellante] ter zitting in eerste aanleg, dat zij de stamboekpapieren nooit aan iemand anders heeft afgegeven, en de hiervoor onder 5.8 geciteerde passages uit de memorie van grieven in principaal appel, wist [appellante] bovendien op voorhand al (althans had zij behoren te weten), dat zij iets vorderde en toegewezen had gekregen waar [appellanten] onmogelijk aan zouden kunnen voldoen. Ook bij het treffen van executiemaatregelen en het incasseren van dwangsommen wegens het niet afgeven van de stamboekpapieren wist [appellante] dat.
5.12.
Met het in weerwil van deze eigen wetenschap toch treffen van executiemaatregelen en incasseren van dwangsommen, vanwege het niet afgeven van de stamboekpapieren, heeft [appellante] misbruik gemaakt van haar executiebevoegdheid.
Conclusie
5.13.
Het voorgaande leidt tot de conclusie in het principaal hoger beroep dat het vonnis van de voorzieningenrechter, behalve voor zover dat – zoals hierna overwogen – op grond van het incidenteel appel moet worden vernietigd, zal worden bekrachtigd.
In het incidenteel hoger beroep
Vermeerdering van eis door [appellanten]
5.14.
Tegen de eisvermeerdering is door [appellante] geen bezwaar gemaakt. Omdat deze eisvermeerdering geen strijdigheid oplevert met de eisen van een goede procesorde, zal het hof in het incidenteel appel dan ook recht doen op deze vermeerderde eis.
Beslag
5.15.
Uit wat hiervoor in het principaal appel is overwogen volgt dat [appellante] niets meer van [appellanten] te vorderen heeft uit hoofde van het arrest van 9 juli 2024. Zij heeft daarom ook geen belang meer bij handhaving van het op 1 februari 2019 gelegde beslag op de onroerende zaak aan [adres] . De in incidenteel appel gevorderde opheffing van dat beslag zal daarom worden toegewezen.
Dwangsommen
5.16.
[appellante] heeft niet betwist dat [appellanten] op 3 september 2025 € 3.108,09 aan dwangsommen aan [appellante] hebben betaald. Vaststaat dat in het arrest van 9 juli 2024 uitsluitend dwangsommen zijn verbonden aan de veroordeling tot afgifte van paard en papieren. Tussen partijen is niet in geschil dat het paard en de overige daarbij behorende papieren tijdig aan [appellante] zijn afgegeven. Met inachtneming van wat hiervoor onder 5.8 tot en met 5.12 is overwogen, staat dus ook vast dat [appellanten] op dit punt aan de veroordeling hebben voldaan voor zover dat voor hen feitelijk mogelijk was en dat [appellante] geen bevoegdheid meer toekomt, of -kwam, tot het nemen van executiemaatregelen of het incasseren van dwangsommen. Dat betekent dat zij de door [appellanten] betaalde dwangsommen ten onrechte heeft geïncasseerd. De vordering van [appellanten] tot terugbetaling van dat bedrag zal daarom ook worden toegewezen.
Proceskosten
5.17.
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep, in de kosten van dit hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van [appellanten] zullen vastgesteld worden op:
In het principaal hoger beroep:
Griffierecht € 349,00
Salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt x tarief II)
In het incidenteel hoger beroep:
- Salaris advocaat € 607,00 (0,5 x 1 punt x tarief II)
Nakosten: € 178,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing) +
Totaal: € 2.348,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
6De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het betreft het onder 5.1 van het petitum van dat vonnis bepaalde en bekrachtigt dit vonnis voor het overige;
en, opnieuw rechtdoende,
6.2.
heft op het op 1 februari 2019 door [appellante] gelegde beslag op de onroerende zaak aan [adres] ;
6.3.
veroordeelt [appellante] tot betaling, binnen 14 dagen na dagtekening van dit arrest, van € 3.108,09, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de dag van dagtekening van dit arrest;
6.4.
veroordeelt [appellante] in de proceskosten in het hoger beroep van € 2.348,00. Als [appellante] niet aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, vermeerderd met € 92,00 en met de kosten van betekening;
6.5.
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.W. van Rijkom en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.
griffier rolraadsheer