Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3162

2025-11-04 Civiel recht; Ondernemingsrecht 200.347.375_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-04
Publicatiedatum
2025-11-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.347.375_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bestuurder tegenover juridische dienstverlener voor onbetaald gebleven facturen. Penibele financiële situatie vennootschap. Feitelijke beleidsbepaling door gevolmachtigde met afzijdig houden formele bestuurder. Nalaten te waarschuwen voor risico dat dienstverlening onbetaald zou blijven. Toerekening aan formele bestuurder. Persoonlijk ernstig verwijt.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (42.958 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.347.375/01




arrest van 4 november 2025




in de zaak van





[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. O. Huisman te Rotterdam,



tegen




Maatschap [xx] Advocaten,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. F.G. Akkaya-Yilmaz te Terneuzen,



op het bij exploot van dagvaarding van 17 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 14 augustus 2024 (hierna: het bestreden vonnis), door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [xx] als eiseres.






1Het geding bij de rechtbank (zaak-/rolnummer C/02/416778 / HA ZA 23-640)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.





2Het geding in hoger beroep


2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 18 oktober 2024;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- het H3-formulier van [appellante] met bijlage (spreekaantekeningen in eerste aanleg van [xx] );
- het H16-formulier van [xx] met bijlage (het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg).




2.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De beoordeling



De feiten




3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten:


a. [xx] heeft in opdracht van [persoon A] (hierna: [persoon A] ), optredend als gevolmachtigde van [yy] Holdings N.V. (hierna: [yy] ), voor [yy] werkzaamheden verricht. De advocaat [mr. A] (hierna: [mr. A] ), maat in de advocatenmaatschap van [xx] , heeft deze werkzaamheden ten behoeve van [yy] verricht. De werkzaamheden van [mr. A] zien op een geschil tussen [yy] en de gemeente [A] over het gebruik van grond bestemd voor het ophogen van sportvelden. De gemeente verbiedt dit gebruik waardoor de uitbreiding van het golfterrein Golfbaan Brugse Vaart moet worden gestaakt, althans al dan niet tijdelijk stilgelegd.



b. [appellante] is bestuurder van [yy] . [appellante] en [persoon A] zijn gehuwd geweest. Zij zijn nog steeds een koppel.



c. De door [persoon A] namens [yy] verstrekte opdracht is door [mr. A] bevestigd bij brief van 19 oktober 2018 (productie 1 bij inleidende dagvaarding). Deze brief vermeldt:




“(…).


De insteek is om nu allereerst de juridische positie te inventariseren, informatie op te vragen bij de gemeente en rechten te bewaren naar de gemeente, en vanuit daar te bezien of het mogelijk is om te keren, dan wel de schade zo min mogelijk te laten zijn.





Wij zullen onze werkzaamheden verrichten tegen een uurtarief van € 220,- te vermeerderen met 6% kantoorkosten en BTW. (…).


Eventuele bijkomende kosten, zoals leges e.d., worden apart in rekening gebracht.





Op al onze werkzaamheden zijn bijgaande Algemene Voorwaarden van ons kantoor (bijlage 1) van toepassing.


(…).”




d. Een als productie 2 bij de inleidende dagvaarding overgelegd overzicht, gedateerd 16 maart 2022, vermeldt dat tot die datum 17 facturen van [xx] onbetaald zijn gelaten (hierna: de openstaande facturen). De openstaande facturen stammen uit de periode tussen 30 november 2018 en 20 maart 2020.



e. In een e-mail van 5 november 2019 aan [persoon A] met als onderwerp ‘afspraken mbt de betaling van de openstaande facturen’ (productie 3 bij inleidende dagvaarding) bevestigt [mr. A] het volgende:




“(…).


Zoals zojuist besproken bevestig ik onze afspraken die wij zojuist hebben gemaakt met betrekking tot de openstaande facturen.





De werkzaamheden die wij vanaf 1 oktober jl. hebben verricht en de toekomende werkzaamheden worden gefactureerd op naam van Brugse Vaart NV. Deze worden meteen voldaan.





De werkzaamheden tot 1 oktober jl. die zijn gefactureerd aan [yy] Holding NV, blijven op de naam van [yy] Holding NV staan. U heeft mij nadrukkelijk toegezegd dat alle openstaande facturen op uiterlijk 30 november aanstaande voldaan zullen zijn. Ik heb aangegeven op basis van deze toezegging de werkzaamheden voort te zetten en morgen ook bij de zitting aanwezig te zijn.


(…).


Ik ga er echter vanuit dat op basis van deze afspraken de facturen tijdig worden voldaan en er ook geen achterstanden meer zullen ontstaan met betrekking tot het voldoen van de facturen.


(…).”




f. Op 2 december 2019 zendt [mr. A] aan zowel [persoon A] als [appellante] een e-mail waaruit blijkt van nog altijd voortgaande rechtsbijstand door [mr. A] en waarin verder het volgende staat:




“(…).


Mijn tweede zorg betreft de betaling van mijn facturen. Er staat inmiddels een zeer fors bedrag open, want de facturen zijn tot op heden niet voldaan. U heeft steeds aangegeven die te zullen voldoen (…). Op basis van die toezegging ben ik op 6 november naar de zitting in de Wob kwestie gegaan en heb ik het gesprek met [persoon B] gevoerd om een verklaring te geven waarom de bijlage er nog niet was.





Mijn administratie heeft mij laten weten dat de facturen nog niet betaald zijn. (…).





(…). En ik sta u graag bij maar dan is het ook van belang dat u de facturen voor mijn bijstand ook voldoet. Anders gaat het niet.





Ik stuur deze mail naar u beiden, omdat het uiteraard ook Brugse Vaart raakt. (…).”




g. Op 6 december 2019 stuurt [mr. A] een e-mail aan zowel [persoon A] als [appellante] (productie 5 bij inleidende dagvaarding). Daaruit blijkt opnieuw van voortgaande rechtsbijstand door [mr. A] . Verder bevat die e-mail het volgende:




“(…).



[persoon A] , tot slot: u heeft mij de afgelopen maandag verzekerd dat onze openstaande facturen van [yy] een dezer dagen betaald zouden worden. Kunt u mij bevestigen dat betaling inderdaad onderweg is en mogen we ervan uitgaan dat het bedrag maandag a.s. op de rekening staat?


(…).”




h. Op 20 december 2019 stuurt [mr. A] wederom een e-mail aan onder andere [persoon A] en [appellante] (productie 6 bij inleidende dagvaarding). Ook daaruit blijkt van voortgaande belangenbehartiging door [mr. A] . Verder schrijft [mr. A] daarin, voor zover hier van belang:




“(…). Ik stuur u bijgaand het overzicht van de openstaande facturen van [yy] (
bijlage 1
). Zoals u ziet ben ik al vanaf november 2018 doende de belangen van [yy] (maar overigens ook die van Brugse Vaart te behartigen).





U bent in het voorjaar van 2019 ernstig ziek geweest. Ik heb u daarom in die periode niet lastig willen vallen met aanmaningen en ben doorgegaan met voor genoemde vennootschappen te werken. Voor de zomer bracht u zelf de openstaande declaraties ter sprake en zei u mij toe dat u die uiteraard zou gaan voldoen.


Ik heb in dat vertrouwen voor u doorgewerkt. (…).”




i. Op 2 januari 2020 zendt [persoon A] aan [mr. A] een e-mail, met in de cc. [appellante] (productie 7 bij inleidende dagvaarding). Daarin schrijft [persoon A] onder meer:




“Vorige week stelde ik u de vraag als ik bij u kon komen om dringend het een en ander in het gemeentelijk dossier te bespreken.





Ik begrijp dat u eerst meer duidelijkheid wou over de betaling van uw ereloon.


Ik ben mij bewust van de dringende noodzaak om [yy] te laten voldoen.


Gezien de evolutie van het dossier met de Gemeente kon en kan ik daar op heden nog geen duidelijk voorstel over doen, niettegenstaande ik er alles aan doe om dit toch snel te regelen.





(…).”




j. Op 3 januari 2020 reageert [mr. A] per e-mail (productie 8 bij inleidende dagvaarding) op de e-mail van [persoon A] van de vorige dag. Zij schrijft aan [persoon A] en [appellante] onder andere:




“Wat betreft de betaling. Ik begrijp dat u de dringende noodzaak daarvan onderkent en zoekt naar fondsen om onze facturen te betalen. Dat waardeer ik uiteraard, alleen blijft de situatie dat mijn werkzaamheden al meer dan een jaar onbetaald blijven, terwijl ook mijn werkzaamheden vanaf begin november onbetaald zijn gebleven.





Zoals ik al eerder aangaf wil ik u beiden graag helpen, maar ik krijg binnen de maatschap geen ruimte meer voor coulance. Ik heb u eerder voorgesteld om tot een regeling te komen. U heeft toen toegezegd dat Brugse Vaart de facturen vanaf 1 november onmiddellijk zou betalen en [yy] alle openstaande facturen daarvoor.





(…).”




k. Op 17 januari 2020 bericht [mr. A] per e-mail aan [persoon A] , met cc aan [appellante] , het volgende (productie :




“(…).


Wat betreft de openstaande facturen heeft u mij gezegd dat u dinsdag a.s. een afspraak met [bank A] heeft om de herfinanciering rond te maken. Dan zal het daarna nog enige dagen duren, maar dan worden al onze openstaande rekeningen in een keer betaald. We spraken over de termijn van een dag of 10 met elkaar af. Dan zullen ook de rekeningen van Brugse Vaart Holding voldaan worden.


(…).”




l. Op 5 februari 2020 bericht [persoon A] aan [mr. A] per e-mail het volgende:




“(…).


Ik zet momenteel alles in het werk om de financiering met [bank A] af te wikkelen.


(…).


Dan zullen uw nota’s per direct worden overgemaakt.


(…).”




m. Op 24 april 2020, 12 mei 2020 en 15 mei 2020 herinnert [mr. A] middels e-mailberichten [appellante] en [persoon A] aan de openstaande facturen en de betalingsafspraken.



n. De winst- en verliesrekening van [yy] in het jaarrapport over 2020 (productie 4 bij memorie van grieven) toont een negatief bedrijfsresultaat van minus € 369.241,-.



o. Op 8 januari 2021 volgt een sommatie van [xx] aan [appellante] en [persoon A] om het openstaande bedrag te betalen. Hierop reageert [persoon A] op 23 maart 2021 als volgt:




“(…).


Zoals ik reeds eerder heb gezegd heeft [yy] momenteel niet de middelen om uw nota’s te voldoen.






[yy] heeft echter wel een nieuwe overeenkomst met de gemeente [A] onderhandeld.





Zodra de Raad van de gemeente [A] dit akkoord bevestigd komen de middelen wel beschikbaar en zal [yy] zijn schulden voldoen.


(…).”




Bij vonnis van 1 maart 2023 veroordeelt de rechtbank op vordering van [xx] [yy] om de openstaande facturen tot een bedrag van € 54.837,58 te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. De tegen [persoon A] ingestelde vordering wijst de rechtbank af. Tegen de afwijzing appelleert [xx] . Dit hof heeft bij arrest van 19 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3617) in hoger beroep de vordering van [xx] jegens [persoon A] alsnog (grotendeels) toegewezen.



p. Bij brief van 25 april 2023 bericht [xx] dat [appellante] als bestuurder van [yy] aansprakelijk wordt gehouden voor het bedrag van de openstaande nota’s. [xx] bericht [appellante] dat haar persoonlijk ter zake van de door [yy] onbetaald gelaten nota’s een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarbij heeft [xx] onder meer geschreven dat zij aanvankelijk de verwachting had dat haar facturen betaald zouden worden en dat dit later ook gevoed is door [persoon A] . [xx] verwijt [appellante] dat [yy] [xx] heeft laten doorwerken in de wetenschap dat [yy] niet tot betaling van de facturen zou overgaan. Bij brief van 11 mei 2023 wijst [appellante] deze aansprakelijkheid jegens [xx] van de hand.



q. De aan [yy] ter beschikking gestelde nota’s van [xx] zijn tot op heden onbetaald gelaten.




De procedure bij de rechtbank





3.2.
In de procedure bij de rechtbank heeft [xx] gevorderd, verkort weergegeven, dat de rechtbank voor recht verklaart dat [appellante] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld van [yy] aan [xx] en [appellante] veroordeelt tot voldoening van het bedrag van de openstaande facturen tot het bedrag van € 54.837,58 te vermeerderen met rente en kosten.



3.3.

[xx] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd, zakelijk samengevat, dat [appellante] in haar hoedanigheid van bestuurder van [yy] tegenover [xx] aansprakelijk is voor de openstaande facturen. [yy] heeft meerdere betalingstoezeggingen gedaan, die niet zijn nagekomen. Afgaande op haar jaarrekeningen van 2018 en 2019 en de schriftelijke uitingen van haar raadsman bij brief van 11 mei 2023, verkeerde [yy] financieel in de positie om de openstaande facturen te voldoen. Het onbetaald laten van de openstaande facturen vloeide voort uit betalingsonwil aan de zijde van [appellante] als bestuurder, en dat levert een onrechtmatige daad op van [appellante] tegenover [xx] . Verder duiden de feiten en omstandigheden in deze zaak op selectieve betaling en het frustreren van verhaal door [yy] , en daarmee van [appellante] als haar bestuurder. Ook dat levert een onrechtmatige daad op van [appellante] tegenover [xx] . [appellante] heeft bewerkstelligd dat [yy] haar contractuele verplichtingen tegenover [xx] niet is nagekomen. Zij was ermee bekend dat [yy] haar verplichtingen tegenover [xx] niet nakwam en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade aan de zijde van [xx] . Daarom is [appellante] als bestuurder van [yy] persoonlijk aansprakelijk tegenover [xx] voor die schade omdat zij onrechtmatig heeft gehandeld, aldus nog steeds [xx] .



3.4.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal het hof, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende ingaan.



3.5.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld, samengevat voor zover hier van belang, dat, nu de aansprakelijkheid van [appellante] is gegrond op onrechtmatige daad en de gevolgen zich laten voelen in de Nederlandse jurisdictie, Nederlands recht op het geschil moet worden toegepast.
Als bestuurder van [yy] heeft [appellante] namens [yy] aan [persoon A] een volmacht verstrekt om namens [yy] te handelen. Als gevolmachtigde heeft [persoon A] namens [yy] toezeggingen gedaan die [yy] niet is nagekomen. Ook heeft [persoon A] namens [yy] betalingsafspraken met [xx] gemaakt die [yy] niet is nagekomen. [persoon A] heeft daardoor niet de zorgvuldigheid in acht genomen die in het maatschappelijk verkeer betaamt.
[xx] heeft de openstaande facturen in de periode tussen 30 november 2018 en 20 maart 2020 aan [yy] ter beschikking gesteld. De openstaande facturen hadden op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden moeten worden betaald binnen 14 dagen na factuurdatum. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat over de opeisbaarheid van de openstaande facturen tussen partijen afwijkende afspraken zijn gemaakt en daarvan is ook anderszins niet gebleken.
[yy] had de openstaande facturen over de jaren 2018 en 2019 sowieso kunnen betalen. Dat leidt de rechtbank af uit de liquiditeitspositie en het eigen vermogen van [yy] . Blijkens de jaarstukken van [yy] die op die jaren betrekking hebben, had zij in die jaren voldoende liquide middelen ter beschikking om alle crediteuren te betalen. Ook aan de stand van het eigen vermogen kan geen argument worden ontleend om de openstaande facturen onbetaald te laten. Dit eigen vermogen was positief en overstijgt het bedrag van de openstaande facturen. [yy] was zodoende in staat om de openstaande facturen te voldoen, maar zij heeft verkozen om haar contractuele verplichtingen niet na te komen. Daarom is sprake van onrechtmatige betalingsonwil van [yy] .
[appellante] was op de hoogte van het handelen van [persoon A] , haar partner, althans zij behoorde dat te zijn. [appellante] verkoos kennelijk om zich te conformeren aan de betalingsonwil van [persoon A] . Van het onbetaald laten van de openstaande facturen van [xx] kan [appellante] als statutair bestuurder een ernstig verwijt worden gemaakt. Als statutair bestuurder van [yy] was [appellante] verantwoordelijk voor de betalingsonwil van [yy] . Ook is [appellante] aansprakelijk tegenover [xx] voor de schade die het gevolg is van de betalingsonwil. De rechtbank begroot de schade op het bedrag dat [xx] in 2018 en 2019 aan [yy] in rekening heeft gebracht, zijnde € 52.065,55.
In 2020 heeft [xx] een bedrag van in totaal € 2.772,03 gefactureerd. Ook dit bedrag heeft [yy] onbetaald gelaten. Er waren toen voldoende liquide middelen om dit relatief geringe bedrag aan [xx] te betalen.
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [appellante] hoofdelijk is verbonden voor de schuld van [yy] aan [xx] en [appellante] uit hoofde van onrechtmatige daad veroordeeld tot betaling aan [xx] van een bedrag van € 54.837,58, te vermeerderen met rente, de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.323,38 en de proceskosten.




Het hoger beroep





3.6.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en daarbij te kennen gegeven dat zij ermee beoogt het geschil in volle omvang ter heroverweging aan het hof voor te leggen. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [xx] .



3.7.

[xx] heeft de grieven bestreden. Op hetgeen [xx] in dat verband heeft aangevoerd zal het hof hierna nader ingaan, voor zover dat voor de beoordeling in hoger beroep van belang is.



3.8.
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Alvorens daaraan toe te komen, dient het hof zich ambtshalve rekenschap te geven van de omstandigheid dat het voorliggende geschil een internationaal karakter heeft. [appellante] , de oorspronkelijk gedaagde partij, is immers in België woonachtig. Het hof dient daarom ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter ten aanzien van dit geschil rechtsmacht heeft. Het hof overweegt daarover als volgt.



Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht?





3.9.
Artikel 7 aanhef en sub 2 van de Brussel I-bis Verordening houdt in dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Deze bepaling is mede van toepassing op door een schuldeiser van een rechtspersoon ingestelde vorderingen die erop zijn gericht een bestuurder van de rechtspersoon aansprakelijk te stellen voor onvoldaan gebleven schulden van de rechtspersoon. In dergelijke gevallen geldt als ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ de plaats waarmee de door die vennootschap verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband houden (vergelijk ECLI:NL:PHR:2024:1220).



3.10.
Het gaat in deze zaak om een geval van gestelde externe aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW van [appellante] als bestuurder van [yy] . [yy] is een Nederlandse rechtspersoon. Uit diverse in het geding gebrachte stukken, waaronder de bij de weergave van de feiten aangehaalde correspondentie en de diverse in het geding gebrachte jaarstukken en -rapporten die op [yy] betrekking hebben, blijkt dat haar werkzaamheden en de daaraan gerelateerde financiële situatie verband houden met de Nederlandse jurisdictie. Als bestuurder van [yy] kan [appellante] daarom worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter, zodat de Nederlandse rechter ten aanzien van het voorliggende geschil rechtsmacht heeft.



De toepasselijkheid van Nederlands recht





3.11.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat Nederlands recht op het geschil tussen partijen dient te worden toegepast (rechtsoverweging 4.1, slot). Daartegen is geen grief gericht. Het hof zal daarom ook uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.



De toepasselijke maatstaf voor de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon





3.12.
Indien een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van een contractuele verplichting of tegenover een ander een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. In geval van benadeling van een schuldeiser van een rechtspersoon door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering kan volgens vaste rechtspraak naast de aansprakelijkheid van de rechtspersoon mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die bestuurder is van de rechtspersoon. Daarbij zijn globaal twee gevalscategorieën te onderscheiden.



3.13.
De eerste gevalscategorie betreft de gevallen waarin een bestuurder van een rechtspersoon in naam van de rechtspersoon verplichtingen is aangegaan, terwijl hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen en geen verhaal zal bieden voor de als gevolg van de niet-nakoming door de wederpartij te lijden schade. Dan zal in het algemeen – behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden die zijn handelswijze rechtvaardigen of verontschuldigen – moeten worden aangenomen dat de bestuurder een zodanig ernstig verwijt treft dat hij persoonlijk jegens de wederpartij van de rechtspersoon aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen.



3.14.
De tweede gevalscategorie betreft de gevallen waarin een bestuurder van een rechtspersoon wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde rechtspersoon een eerder door haar met de wederpartij aangegane overeenkomst niet nakomt of een onrechtmatige daad pleegt, en daardoor aan de wederpartij van de rechtspersoon of een derde schade berokkent. Of dan grond bestaat voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder zal ervan afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de gevallen die behoren tot de tweede gevalscategorie zal in ieder geval sprake zijn van een voldoende ernstig persoonlijk verwijt als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.



Is [appellante] als bestuurder van [yy] aansprakelijk tegenover [xx] voor de openstaande facturen?





3.15.
De vraag die in deze zaak centraal staat, is of onder de feiten en omstandigheden die in deze zaak aangevoerd zijn [appellante] als bestuurder van [yy] een ernstig persoonlijk verwijt treft van het onbetaald gebleven zijn van de facturen van [xx] . Naar het oordeel van het hof dient het antwoord op die vraag bevestigend te luiden. [xx] heeft daartoe onder meer gesteld dat [yy] [xx] heeft laten doorwerken terwijl [yy] wist dat de facturen van [xx] niet zouden worden betaald. Daarbij heeft [xx] naar voren gebracht dat [yy] meermalen betalingsbeloftes heeft gedaan die niet zijn nagekomen. Het hof verwijst naar hetgeen [xx] hieromtrent in de aansprakelijkheidsstelling (productie 20 bij de inleidende dagvaarding), de inleidende dagvaarding, de mondelinge behandeling in eerste aanleg en de memorie van antwoord naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] deze aansprakelijkheidsgrond onvoldoende gemotiveerd betwist. De redenen daarvoor zijn de volgende.



3.16.
Als niet dan wel onvoldoende concreet weersproken staat vast dat [appellante] als de enige bestuurder van [yy] aan [persoon A] een volmacht heeft verstrekt om namens [yy] te handelen en dat [persoon A] heeft te gelden als de feitelijk beleidsbepaler binnen [yy] . Verder staat vast dat [persoon A] namens [yy] met [xx] in de persoon van [mr. A] , één van de maten van [xx] , heeft gehandeld in de zin dat [persoon A] aan [xx] ( [mr. A] ) opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden zoals omschreven in de bevestigingsbrief van [mr. A] aan [yy] , in de persoon van [persoon A] , van 19 oktober 2018 (productie 1 bij inleidende dagvaarding). Ook staat als niet althans onvoldoende concreet weersproken vast dat op de door [persoon A] namens [yy] aan [xx] verstrekte opdracht de voorwaarden van toepassing die zijn opgenomen in de zojuist genoemde bevestigingsbrief, waaronder dat op de door (personen verbonden aan) [xx] te verrichten werkzaamheden de door [xx] gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing zijn zoals opgenomen in bijlage 1 bij de bevestigingsbrief (onderdeel van productie 1 bij inleidende dagvaarding).



3.17.
Uit de inhoud van de bevestigingsbrief en de toepasselijke algemene voorwaarden, naar redelijkheid en billijkheid uitgelegd conform de uitlegmaatstaf die volgt uit de Haviltex-uitspraak (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) en aanverwante jurisprudentie (zie bijvoorbeeld HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414), volgt dat [xx] de opgedragen werkzaamheden zou gaan verrichten tegen in de bevestigingsbrief specifiek genoemde uurtarieven, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en btw en dat eventuele bijkomende kosten, zoals leges en dergelijke, apart in rekening zouden worden gebracht. Ook [persoon A] als gevolmachtigde van [yy] diende dat redelijkerwijs te begrijpen. Verder volgt daaruit dat [xx] de verrichte werkzaamheden maandelijks zou declareren, ongeacht de omvang van de werkzaamheden en het stadium waarin de werkzaamheden zich bevinden (artikel V sub d van de algemene voorwaarden), en dat betaling van de declaraties diende te geschieden binnen 14 dagen na factuurdatum als ook dat [yy] van rechtswege in verzuim zou zijn bij uitblijven van tijdige betaling (artikel VI sub b van de algemene voorwaarden). Ook dat diende [persoon A] als gevolmachtigde van [yy] redelijkerwijs te begrijpen. Op basis van deze bedingen over het door [xx] in rekening te brengen honorarium, de wijze van declareren en de betalingstermijn was het aan [persoon A] als gevolmachtigde voor [yy] duidelijk, althans behoorde het aan [persoon A] toen duidelijk te zijn, dat [xx] bij aanvang van haar werkzaamheden in oktober 2018 uitdrukkelijk de verwachting had dat haar maandelijks te verzenden declaraties binnen 14 dagen na factuurdatum zouden worden betaald. Naar het oordeel van het hof mocht [xx] die verwachting redelijkerwijs ook hebben.



3.18.
Uit niets blijkt dat [xx] in de persoon van [mr. A] bij het aannemen van de opdracht in oktober 2018 bewust het risico heeft genomen dat de kosten van haar werkzaamheden niet door [yy] zouden kunnen worden voldaan, zoals [appellante] stelt, maar [xx] betwist. Nu [appellante] zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling en het zodoende heeft te gelden als een bevrijdend verweer, rusten de stelplicht en bewijslast daarvan op [appellante] . [appellante] heeft echter geen, althans onvoldoende, concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat [xx] bewust het risico heeft genomen dat de kosten van haar werkzaamheden niet door [yy] zouden kunnen worden voldaan. De enkele stelling dat [xx] bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht met [yy] wist dat [yy] geen inkomsten meer had en geen inkomsten meer zou hebben zolang het geschil met de gemeente [A] niet zou zijn opgelost, welke stelling door [xx] overigens gemotiveerd is betwist, is daartoe onvoldoende. Daaruit volgt immers niet, althans niet zonder meer, dat [xx] welbewust het hiervoor bedoelde risico heeft genomen. Ook heeft [appellante] in dit verband geen bewijs aangeboden. Het hof passeert daarom de zojuist bedoelde stelling van [appellante] .



3.19.
In hoger beroep heeft [appellante] het standpunt ingenomen dat, anders dan de rechtbank in het bestreden vonnis op basis van de jaarstukken van [yy] over 2018 en 2019 heeft overwogen, [yy] in 2018 en 2019 niet beschikte over vlottende activa die eenvoudig te gelde konden worden gemaakt of over liquide middelen waarmee de facturen van [xx] hadden kunnen worden betaald. Volgens [appellante] was in die jaren sprake van betalingsonmacht. Daartoe voert zij aan, zakelijk samengevat, dat indertijd de door [yy] te genereren inkomsten samenhingen met en afhingen van de uitvoering van de sinds 2007 bestaande overeenkomst met de gemeente [A] betreffende het realiseren van een golfbaan. Onderdeel van die overeenkomst was de door de gemeente [A] verleende toestemming voor het laten aanvoeren en aanbrengen van een bepaalde hoeveelheid grond op een viertal percelen waarvan [yy] tot november 2022 eigenaar was. Voor het aanvoeren en aanbrengen van grond op die percelen had [yy] een overeenkomst met een derde. De aan te voeren en aan te brengen grond had een negatieve waarde, en het in ontvangst nemen door [yy] , onder bijbetaling door de derde aan [yy] van de negatieve waarde, vormde het enige inkomen van [yy] , zo begrijpt het hof het verdere betoog van [appellante] . In oktober 2018 heeft de gemeente [A] de toestemming voor het aanvoeren en aanbrengen van grond ingetrokken, zodat [yy] vanaf dat moment geen inkomsten meer had. [yy] heeft vervolgens [xx] in de persoon van [mr. A] ingeschakeld om dit probleem op te lossen, aldus nog steeds [appellante] .



3.20.
Naar het oordeel van het hof volgt uit dit eigen betoog van [appellante] dat vanaf oktober 2018, gelet op de toen kennelijk bestaande operationele en financiële stand van zaken binnen [yy] , aan degenen die binnen het rechtspersonenrechtelijke verband van [yy] verantwoordelijk droegen voor het beleid van [yy] , te weten [appellante] als haar formele bestuurder en [persoon A] als haar gevolmachtigde en feitelijk beleidsbepaler, duidelijk was, althans redelijkerwijs duidelijk had behoren te zijn, dat [yy] toen niet langer in staat zou zijn haar crediteuren te voldoen, tenzij het probleem met de gemeente [A] zou worden opgelost. Door in oktober 2018 namens [yy] met [xx] de overeenkomst van opdracht te sluiten wist [persoon A] als de gevolmachtigde en feitelijk beleidsbepaler van [yy] dat [xx] werkzaamheden voor [yy] zou gaan verrichten en uit dien hoofde een crediteur van [yy] zou worden. Niet gesteld of gebleken is dat [persoon A] [xx] ( [mr. A] ) toen heeft gewaarschuwd dat [xx] , in weerwil van de hiervoor besproken declaratie- en betalingsbedingen in haar bevestigingsbrief met bijbehorende algemene voorwaarden, het risico liep dat haar werkzaamheden onbetaald zouden blijven. Dat had, gelet op wat [persoon A] toen wist althans behoorde te weten over de operationele en financiële stand van zaken bij [yy] , wel op zijn weg gelegen, om zo [xx] de gelegenheid te geven een eigen afweging te maken over het financiële risico dat zij al dan niet wenste te lopen bij voortzetting van haar dienstverlening aan [yy] en te bezien of anderszins financiële waarborgen waren te bedingen ter verkrijging van betaling van haar facturen.



3.21.
Ook is niet gesteld of gebleken dat [persoon A] in de periode ná oktober 2018 [xx] ( [mr. A] ) heeft gewaarschuwd voor het financiële risico dat zij liep bij continuering van haar werkzaamheden voor [yy] . Uit de in het geding gebrachte correspondentie tussen [xx] ( [mr. A] ) en [yy] ( [persoon A] en enkele maken ook [appellante] ) uit de periode na oktober 2018 leidt het hof af dat het tegendeel het geval was. Daaruit volgt immers dat [persoon A] in die periode herhaaldelijk betalingstoezeggingen heeft gedaan namens [yy] en ook dat hij dit deed in de wetenschap dat dit voor [xx] voorwaarde was om haar werkzaamheden te continueren. Het hof wijst daartoe op de e-mail van [xx] ( [mr. A] ) aan [yy] ( [persoon A] ) van 5 november 2019 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) waarin wordt verwezen naar een uitdrukkelijke toezegging van [persoon A] dat alle tot dat moment openstaande facturen zullen worden voldaan als basis voor voortzetting door [xx] van haar werkzaamheden. Ook de e-mail van [xx] ( [mr. A] ) aan [yy] ( [persoon A] en [appellante] ) van 2 december 2019 (productie 4 bij inleidende dagvaarding) verwijst naar zo’n toezegging als basis voor voortzetting van de werkzaamheden. Verder is er de e-mail van [xx] ( [mr. A] ) aan [yy] ( [persoon A] en [appellante] ) van 20 december 2019 (productie 6 bij inleidende dagvaarding). Daarin schrijft [mr. A] dat [persoon A] vóór de zomer zelf de openstaande declaraties ter sprake heeft gebracht en toen toe heeft gezegd deze te gaan voldoen en dat zij in het vertrouwen daarop heeft doorgewerkt. [appellante] heeft in dit geding geen andere duiding gegeven aan de zojuist bedoelde correspondentie en de daarin opgenomen verwijzingen naar door [persoon A] gedane betalingstoezeggingen. Het hof gaat er daarom vanuit dat de gestelde herhaalde betalingstoezeggingen door [persoon A] daadwerkelijk zijn gedaan en dat [persoon A] deze deed met het besef dat [xx] anders haar werkzaamheden zou staken. [xx] mocht er, in het bijzonder gelet op de overgelegde e-mailcorrespondentie, van uitgaan dat [yy] haar betalingsbeloftes zou nakomen.



3.22.
Naar het oordeel van het hof heeft [persoon A] door te handelen op de wijze zoals zojuist uiteengezet, tegenover [xx] gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Door in oktober 2018 de overeenkomst van opdracht aan te gaan op basis van de door [xx] in haar bevestigingsbrief met bijbehorende algemene voorwaarden bedongen declaratie- en betalingscondities, terwijl hij als gevolmachtigde en feitelijk beleidsbepaler van [yy] toen, gelet op de toenmalige operationele en financiële stand van zaken bij [yy] , wist, althans behoorde te weten, dat [yy] niet in staat zou zijn haar uit de overeenkomst van opdracht voortvloeiende betalingsverplichtingen te voldoen en zonder [xx] te waarschuwen voor het risico dat [yy] haar niet zou betalen voor haar werkzaamheden, heeft [persoon A] [xx] werkzaamheden laten verrichten op basis van de overeenkomst van opdracht in het misplaatst gebleken vertrouwen dat [yy] haar voor haar werkzaamheden zou gaan betalen. Vervolgens heeft [persoon A] [xx] in die waan gelaten door ook na oktober 2018 niet te waarschuwen voor het risico dat [yy] haar niet zou betalen voor haar werkzaamheden maar in plaats daarvan bij herhaling betalingstoezeggingen te doen. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat een eventuele oplossing van het geschil met de gemeente [A] , met het oog waarop [xx] ( [mr. A] ) was ingeschakeld, er mogelijk toe zou hebben geleid dat [yy] weer wel aan haar betalingsverplichtingen tegenover [xx] zou hebben of zal kunnen voldoen. Daartoe acht het hof van belang de hiervoor al besproken omstandigheid dat [persoon A] door [xx] bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht in oktober 2018, en ook daarna, niet te waarschuwen voor de penibele financiële situatie waarin [yy] was komen te verkeren en het daarmee samenhangende reële risico dat [yy] niet in staat zou blijken haar betalingsverplichtingen na te komen, [xx] op maatschappelijk onbetamelijke wijze de mogelijkheid heeft ontnomen om een eigen afweging te maken ten aanzien van het hiervoor bedoelde risico of in enigerlei vorm nadere waarborgen te bedingen voor haar geldelijke aanspraken tegenover [yy] wegens haar werkzaamheden.



3.23.
Het zojuist uiteengezette onrechtmatige handelen van [persoon A] kan aan [appellante] worden toegerekend. Daartoe acht het hof van belang dat [appellante] als de formele bestuurder van [yy] [persoon A] heeft gevolmachtigd om te handelen namens [yy] en hem overigens in staat heeft gesteld het beleid van de vennootschap te bepalen. Het verstrekken van opdrachten zoals die aan [xx] behoort normaliter tot het takenpakket van de formele bestuurder van een rechtspersoon zoals [yy] . Door [persoon A] volmacht te verlenen om te handelen namens [yy] gaf [appellante] [persoon A] de ruimte om te handelen op de onrechtmatige wijze zoals in het voorgaande is uiteengezet. Daarbij moet het er voorts voor worden gehouden dat [appellante] als de formele bestuurder van [yy] zich op ontoelaatbare wijze afzijdig heeft gehouden van het operationele en financiële reilen en zeilen van [yy] en haar onderneming. Uit niets blijkt immers dat [appellante] toezicht heeft gehouden op de wijze van handelen van [persoon A] namens [yy] , zoals tegenover [xx] , terwijl dat gelet op haar positie als formele bestuurder van [yy] met de bijbehorende taken wel van [appellante] mocht worden verwacht. Dit alles is in de gegeven omstandigheden van dien aard dat haar naar het oordeel van het hof een persoonlijk ernstig verwijt treft. [appellante] is daarom tegenover [xx] aansprakelijk te achten voor alle door [yy] onbetaald gelaten facturen van na oktober 2018.



3.24.
Verder geldt dat in hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder in de rechtsoverwegingen 3.18 – 3.20, besloten ligt dat van eigen schuld op de door [appellante] bepleite gronden (memorie van grieven, randnummers 44 en 45) geen sprake is. Ook behoeft in het licht van het voorgaande geen bespreking meer of in deze zaak sprake is van selectieve betaling, zoals [appellante] in hoger beroep ook aan de orde heeft gesteld (grief 3). Ook zonder dat daarvan sprake is, is [appellante] immers tegenover [xx] aansprakelijk voor de door [yy] onbetaald gelaten facturen.



3.25.
Het hof merkt nog op dat voor zover [xx] zich beroept op het arrest van dit hof in de zaak van [xx] tegen [persoon A] (zie hiervoor rov. 3.1 onder p.), aan dit arrest in deze zaak geen gezag van gewijsde toekomt, nu dit tussen andere partijen is gewezen. Het hof heeft de onderhavige zaak op zijn eigen merites beoordeeld, uitgaande van de stellingen van partijen in het procesdossier van deze zaak.



De slotsom





3.26.
Het voorgaande betekent dat de door [appellante] opgeworpen grieven falen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen met verbetering van gronden.



3.27.
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van [xx] zullen vastgesteld worden op:


Griffierechten € 2.175,-


Salaris advocaat € 2.213,- (1 punt x tarief IV)


Nakosten € 178,-



Totaal € 4.566,-
De nakosten dienen eventueel nog te worden verhoogd op de wijze zoals in de beslissing is weergegeven. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.







4De uitspraak


Het hof:



4.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis met verbetering van gronden;



4.2.
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [xx] van € 4.566,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordeling daartoe voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



4.3.
veroordeelt [appellante] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



4.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de veroordelingen onder 4.2 en 4.3;



4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit arrest is gewezen door mrs. B.E.L.J.C. Verbunt, J.P. de Haan en H.F.P. van Gastel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.



griffier rolraadsheer