Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3159

2025-11-04 Civiel recht; Goederenrecht 200.344.531_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-04
Publicatiedatum
2025-11-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Goederenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.344.531_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Appartementsrecht. Vraag of het in geding zijnde appartementsrecht dat recht geeft op het gebruik van een op de tweede verdieping gelegen appartement, tevens het recht omvat om de zolderruimte, die gelegen is boven de op de tweede verdieping gelegen woonruimte, als woonruimte te gebruiken. Beantwoording van die vraag aan de hand van de splitsingsakte en de splitsingstekening.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.642 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.344.531/01




arrest van 4 november 2025




in de zaak van




Vereniging van Eigenaars [X],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de VvE,
advocaat: mr. A. Groenewoud te Breda,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.P.H. Willems te Arnhem,



op het bij exploot van dagvaarding van 30 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het op de voet van artikel 29a Rv mondeling gewezen vonnis van 30 mei 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de VvE als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/415563 / HA ZA 23-577)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 31 januari 2024.





2Het geding in hoger beroep


Het verloop van de procedure blijkt uit:



de dagvaarding in hoger beroep;


de memorie van grieven met producties 1 tot en met 8;


de memorie van antwoord;


de door de VvE genomen akte met producties 9 en 10;


de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte.





[geïntimeerde] heeft aan het slot van haar antwoordakte om een mondelinge behandeling verzocht maar dat verzoek vervolgens ingetrokken. Hierna hebben beide partijen hun procesdossiers overgelegd en uitspraak gevraagd. Tot slot heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De beoordeling



De vaststaande feiten en de kern van het geschil




3.1.1. Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om de vraag of het aan [geïntimeerde] toebehorende appartementsrecht dat recht geeft op het gebruik van het op de tweede verdieping gelegen appartement aan de [straat] te [plaatsnaam] , tevens het recht omvat om de zolderruimte, die gelegen is boven de op de tweede verdieping gelegen woonruimte, als woonruimte te gebruiken.



3.1.2. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.



a. Bij notariële akte van splitsing van 24 november 1977 is het appartementencomplex aan de [straat] in de gemeente Ginneken gesplitst in 33 appartementsrechten, te weten elf woningen (appartementsrechten 1 tot en met 11), elf bergingen (appartementsrechten 12 tot en met 22) en elf garages (appartementsrechten 23 tot en met 33.


b. Bij de akte van splitsing is tevens de VvE opgericht.


- c. In de akte van splitsing is het splitsingsreglement opgenomen. In artikel 9 lid 4 van het splitsingsreglement staat het volgende over de bestemming van de appartementen:
“De appartementen hebben de volgende bestemming:
a. a) de woningen voor bewoning;

b) de garage voor het stallen van een automobiel of een ander voer- of vaartuig;


c) de berging voor berging”



d. De elf bergingen (appartementsrechten 12 tot en met 22) zijn volgens de omschrijving daarvan in de splitsingsakte allen “gelegen op de zolder”. De garages zijn allen gelegen op de begane grond en de woningen zijn volgens de omschrijving in de splitsingsakte gelegen op verschillende lagen (begane grond, eerste verdieping of tweede verdieping.


e. Het onderhavige geding heeft betrekking op appartementsrecht [1] , dat recht geeft op het gebruik van het appartement aan de [straat] te [plaatsnaam] . Dit appartementsrecht wordt in de akte van splitsing als volgt omschreven:



“
appartementsrecht [1] :
rechtgevende op het uitsluitend gebruik van een driekamerwoning met balkon, gelegen op de tweede verdieping, plaatselijk bekend [straat] te [plaatsnaam] , aangeduid met bouwnummer [1] , kadastraal bekend gemeente Ginneken, [sectie 1 nummer 1] , uitmakende het driehonderd zeven/ drie duizend vijfhonderd veertigste deel in de gemeenschap”



f. Op de vierde bladzijde van de splitsingstekening zijn de tweede en derde verdieping van het appartementencomplex afgebeeld. Daarop is aan de zolderruimte, die op de derde verdieping gelegen is boven het woonappartement met indexnummer [1] , ook indexnummer [1] vermeld. Tevens is een vlizotap ingetekend waarmee deze zolderruimte vanuit het onderliggende appartement kan worden bereikt. In de betreffende zolderruimte (hierna ook aan te duiden als zolderruimte [1] ) zijn op de splitsingstekening geen ramen ingetekend.


g. Onder woonappartement [1] (tweede verdieping) liggen appartement [2] (op de eerste verdieping) en appartement [3] (op de begane grond). Ook dit blijkt uit de splitsingstekening.


h. De eerste bewoner van appartement [1] was [persoon A] . Bij akte van 1 februari 1979 zijn aan haar overgedragen appartementsrecht [1] (de driekamerwoning op de tweede etage), appartementsrecht [4] (de aldus genummerde zolderberging) en appartementsrecht [5] (een garage).


i. Bij akte van 14 maart 2023 zijn de appartementsrechten [1] (woning), [4] (berging) en [5] (garage) door de erven van [persoon A] overgedragen aan [geïntimeerde] .


j. Daarna heeft [geïntimeerde] op zolder [1] een badkamer en twee slaapkamers aangebracht.


k. In de zomer van 2021 heeft [geïntimeerde] aangekondigd dat zij een interne vaste trap wilde aanbrengen vanuit haar woonruimte op de tweede verdieping naar de daarboven gelegen zolderruimte [1] .


l. In december 2021 heeft [geïntimeerde] haar appartement te koop gezet. In de verkoopbrochure werd het appartement aangeboden als appartement met vier slaapkamers en twee badkamers, op twee verdiepingen.


m. Het bestuur van de VvE heeft zich op het standpunt gesteld dat zolderruimte [1] niet voor permanente bewoning mag worden gebruikt. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat dit wel toegestaan is. Hierover is tussen partijen en hun advocaten uitvoerig gecorrespondeerd.





Het geding bij de rechtbank




3.2.1. In het geding bij de rechtbank vorderde [geïntimeerde] , samengevat, een verklaring voor recht dat de gehele bestemming van het appartementsrecht met indexnummer [A-1] gelegen op de tweede en derde etage volgens het splitsingsreglement die van “bewoning” is, waardoor [geïntimeerde] het gehele appartementsrecht met indexnummer [A-1] als zodanig mag
gebruiken en vervreemden, met veroordeling van de VvE in de proceskosten.



3.2.2. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
Uit de splitsingsakte en de splitsingstekening volgt dat de op de derde verdieping gelegen zolderruimte [1] onderdeel vormt van het op de tweede verdieping gelegen appartementsrecht [1] ter zake de woonruimte op de tweede verdieping. Uit de splitsingsstukken volgt dat zolderruimte [1] dezelfde bestemming heeft als het op de tweede verdieping gelegen deel van het appartementsrecht, zijnde de bestemming woonruimte. De VvE stelt ten onrechte dat gebruik van de zolderruimte als woonruimte niet is toegestaan, en daardoor wordt [geïntimeerde] belemmerd in haar wens om het appartementsrecht te verkopen.



3.2.3. De VvE heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.



3.2.4. In het tussenvonnis van 31 januari 2024 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling na antwoord gelast. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 mei 2024. De daarvan opgemaakte zittingsaantekeningen bevinden zich bij de gedingstukken.



3.2.5. De rechtbank heeft na sluiting van de mondelinge behandeling op de zitting mondeling uitspraak gedaan. Volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen.



Voor de uitleg van een splitsingsakte is de objectieve bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan, leidend (rov. 3.1).


De woongedeelten, bergingen en garages hebben bij de splitsing allemaal aparte indexnummers gekregen. In de akte van indexnummer [1] is vermeld dat het indexnummer recht geeft op een driekamerwoning met balkon op de tweede etage. Nergens is vermeld dat een deel van dit appartementsrecht de bestemming “berging” zou hebben. Uit de akte blijkt niet dat de zolderruimte [1] uitsluitend als berging gebruikt zou mogen worden. [geïntimeerde] mocht aannemen dat zolderruimte [1] een deel was van het geheel (rov. 3.4, eerste deel).


Dat alle andere ruimtes op de zolderverdieping van het pand de bestemming berging hebben, maakt dat niet anders. Alle andere ruimtes op die verdieping hebben immers een apart indexnummer gekregen met specifiek de bestemming berging. Dat is niet gebeurd bij zolderruimte [1] .


Dat de term “zolder” wordt gebruikt in de splitsingsstukken doet daar ook niet aan af. Die term is begrijpelijk gezien de schuine kanten van de etage maar zegt niets over de bestemming van de gehele verdieping. Ook een ruimte met een schuine zijde kan als woonruimte worden gebruikt. Het feit dat het breukdeel van appartementsrecht [1] even groot is als van vergelijkbare appartementen zonder zolderetage voert ook niet tot een ander oordeel. Dat de zolder bestuursrechtelijk niet geschikt is voor bewoning en dat de gemeenschappelijke mechanische installatie op zolderruimte [1] staat, is een gegeven maar zegt niets over de bestemming (rov. 3.4, tweede deel).
- De vordering van [geïntimeerde] is dus toewijsbaar (rov. 3.5).
Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank, samengevat:


voor recht verklaard dat de gehele bestemming van het appartementsrecht met indexnummer [A-1] gelegen op de tweede en derde etage volgens het splitsingsreglement die van “bewoning” is, waardoor [geïntimeerde] het gehele appartementsrecht als zodanig mag gebruiken en vervreemden;


de VvE in de proceskosten veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.





Het geding in hoger beroep




3.3.1. De VvE heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. Op basis van die grief heeft de VvE geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot, samengevat:



het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] ;


veroordeling van [geïntimeerde] om al hetgeen de VvE ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, aan de VvE terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;


met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.


3.3.2. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis.




Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep




3.4.1. [geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord aangevoerd dat de VvE niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep omdat het bestuur van de VvE niet beschikt over een machtiging van de vergadering van eigenaars voor het instellen van dit hoger beroep, terwijl dat wel vereist is volgens artikel 40 lid 4 van de akte van splitsing.



3.4.2. De VvE heeft vervolgens bij haar akte overgelegd:



een machtiging van de vergadering van eigenaars van 12 december 2024 om deze hoger beroepsprocedure te voeren;


de oproep voor de vergadering van eigenaars van 12 december 2024, waarin de betreffende machtiging is verleend.


De VvE heeft hierbij toegelicht dat de machtiging abusievelijk pas na het instellen van het hoger beroep is verleend, maar dat een dergelijke machtiging volgens vaste rechtspraak met terugwerkende kracht kan worden verleend.


3.4.3. [geïntimeerde] heeft in haar antwoordakte niet betwist dat het bestuur van de VvE inmiddels een machtiging van de vergadering van eigenaars heeft gekregen voor het voeren van deze procedure in hoger beroep. [geïntimeerde] heeft hierbij echter gesteld dat een dergelijke machtiging niet achteraf kan worden verleend.



3.4.4. Het hof verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid. De vereniging van eigenaars heeft met het verlenen van de machtiging van 12 december 2024 de beslissing van het bestuur om hoger beroep in te stellen, bekrachtigd. Een dergelijke bekrachtiging kan in dit soort gevallen in beginsel met terugwerkende kracht plaatsvinden (vergelijk onder meer hof Amsterdam 26 mei 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:3675, rov. 4.5 en hof ’s-Hertogenbosch 7 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4076, rov.2.10.4).




Uitgangspunten en toetsingskader




3.5.1. Tussen partijen staat vast dat zolderruimte [1] tot appartementsrecht [1] behoort. De VvE heeft dit niet betwist, heeft het impliciet erkend aan het slot van punt 16 van de memorie van grieven, en het stemt overeen met het feit dat op de vierde bladzijde van de splitsingstekening indexnummer [1] niet alleen vermeld is bij het woonappartement op de tweede verdieping maar ook bij de daarboven gelegen zolderruimte.



3.5.2. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de eigenaar van appartementsrecht [1] de betreffende zolderruimte als woonruimte mag gebruiken. Tussen partijen staat vast dat deze vraag beantwoord moet worden op basis van de splitsingsakte en de splitsingstekening.



3.5.3. Partijen zijn het eens over de uitlegmaatstaven die hierbij moeten worden gehanteerd. Het hof zal die maatstaven hieronder weergeven.



Voor de uitleg van de splitsingsakte is de objectieve bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan, leidend. Deze bedoeling mag in beginsel enkel worden afgeleid uit (de bewoordingen van) de splitsingsakte en uit de splitsingstekening. Om tot een juiste interpretatie daarvan te komen dient de gehele akte objectief in ogenschouw te worden genomen. Indien de splitsingsstukken naar objectieve maatstaven duidelijk zijn, is een beroep op andersluidende bedoelingen of stukken niet mogelijk. De rechtszekerheid vergt dat ten aanzien van de objectieve uitleg enkel acht mag worden geslagen op de gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers inschreven splitsingsstukken kenbaar zijn.


Indien de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. In geval van tegenstrijdigheid tussen de splitsingsakte en de splitsingstekening kan niet op voorhand ervan worden uitgegaan dat hetzij de splitsingsakte, hetzij de splitsingstekening de bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan juist weergeeft. De rechter zal aan de hand van de aan de splitsingsstukken te ontlenen aanwijzingen – waaronder de mate van gedetailleerdheid waarin de desbetreffende gedeelten zijn omschreven in de tekst van de akte onderscheidenlijk zijn weergegeven in de splitsingstekening, en hetgeen overigens uit de splitsingsstukken valt af te leiden omtrent de bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan – en gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden interpretaties zouden leiden, moeten bepalen of doorslaggevend gewicht toekomt aan de splitsingsakte dan wel aan de splitsingstekening.


Indien de splitsingsstukken verwijzen naar feitelijke kenmerken van het splitsingsobject én de stukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, kan onder omstandigheden ook de situatie ter plaatse worden betrokken bij de uitleg van de akte.



Het voorgaande komt erop neer dat bij de uitleg van de akte eerst moet worden gekeken naar de objectieve bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan aan de hand van de splitsingsstukken. Indien deze bedoeling eenduidig is, dan speelt de aannemelijkheid van de
rechtsgevolgen in de onderscheiden interpretaties geen rol, deze zijn er immers niet.
Pas wanneer objectief gezien sprake is van mogelijke verschillende interpretaties, kan de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen als uitlegmaatstaf worden meegewogen. Pas wanneer dan nog niet tot een eenduidige uitleg kan worden gekomen én in de splitsingsstukken wordt verwezen naar feitelijke kenmerken, kan de uitlegmaatstaf “aannemelijkheid van de rechtsgevolgen” mede aan de hand van de feitelijke kenmerken ter plaatse, worden ingekleurd om tot een uitleg te komen.




Over de grief: toepassing van het hiervoor weergegeven toetsingskader




3.6.1. Door middel van de grief betoogt de VvE dat de rechtbank het toetsingskader onjuist heeft toegepast, en dat de rechtbank op grond van de splitsingsstukken tot de conclusie had moeten komen dat zolderruimte [1] niet voor bewoning mag worden gebruikt.



3.6.2. [geïntimeerde] heeft de grief bestreden. Volgens [geïntimeerde] is de rechtbank tot een juiste conclusie gekomen en heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] terecht toegewezen.



3.6.3. Door de grief wordt dus aan het hof de vraag voorgelegd of de zolderverdieping van appartement [1] op grond van de splitsingsstukken als woonruimte mag worden gebruikt. Het hof zal die vraag in het onderstaande beoordelen en beantwoorden aan de hand van de splitsingsakte en de splitsingstekening.



3.7.1. Naar het oordeel van het hof zijn de splitsingsstukken op dit punt voor meerdere uitleg vatbaar. Enerzijds staat vast dat zolderruimte [1] , zoals op het vierde blad van de splitsingstekening aangegeven, tot appartementsrecht [1] behoort. Omdat in de omschrijving van appartementsrecht [1] in de splitsingsakte uitsluitend melding wordt gemaakt van

“(…) woning (…)”, terwijl in artikel 9 lid 4 van het splitsingsreglement staat dat de woningen bestemd zijn voor bewoning, zou de indruk kunnen ontstaan dat het de bedoeling is geweest van degene die tot splitsing is overgegaan, dat zolder [1] voor bewoning zou mogen worden gebruikt.



3.7.2. Er zijn echter aan de splitsingsstukken meerdere belangrijke aanwijzingen te ontlenen dat degene die tot splitsing is overgegaan, niet de bedoeling heeft gehad om bewoning van zolderruimte [1] toe te staan. Het hof zal die aanwijzingen hieronder opsommen en bespreken.



3.7.3. In de splitsingsakte is appartementsrecht [1] omschreven als:

“
appartementsrecht [1] :
rechtgevende op het uitsluitend gebruik van een driekamerwoning met balkon, gelegen op de tweede verdieping, plaatselijk bekend [straat] te [plaatsnaam] , aangeduid met bouwnummer [1] , kadastraal bekend gemeente Ginneken, [sectie 1 nummer 1] , uitmakende het driehonderd zeven/ drie duizend vijfhonderd veertigste deel in de gemeenschap”

De omschrijving van appartementsrecht [1] heeft dus alleen betrekking op woonruimte op de tweede verdieping en niet op woonruimte op de zolder.
De omschrijving stemt bovendien geheel overeen met die van de appartementsrechten [2] en [3] , die gelegen zijn onder appartement [1] , en niet over een zolderruimte beschikken (met als enig verschil de verdiepingen en de omstandigheid dat appartement [3] niet beschikt over een balkon maar over een terras). De appartementen [2] en [3] zijn even groot als het op de tweede verdieping gelegen deel van appartement [1] . Ook hieruit blijkt dat bij de omschrijving van appartementsrecht [1] in de splitsingsakte, de daarboven gelegen zolderruimte geheel buiten beschouwing is gelaten. Dat wijst erop dat die zolderverdieping geen onderdeel vormde van het te bewonen gedeelte van appartement [1] .
Dit geldt te meer omdat in de splitsingsakte aan de appartementsrechten [1] , [2] en [3] exact hetzelfde breukdeel is toegekend (driehonderd zeven/drieduizend vijfhonderd veertigste deel in de gemeenschap). Uit de splitsingsakte, bezien in relatie tot de splitsingstekening, blijkt dat aan appartementen met een groter woonoppervlak een groter breukdeel is toegekend en aan appartementen met een kleiner woonoppervlak een kleiner breukdeel. Dit komt het hof ook logisch voor. De omstandigheid dat aan de appartementsrechten [1] , [2] en [3] hetzelfde breukdeel is toegekend, wijst er dus op dat het niet de bedoeling van de splitser is geweest dat zolderruimte [1] als onderdeel van appartementsrecht [1] een woonbestemming zou krijgen.



3.7.4. De splitsingsstukken zijn dus minst genomen voor verschillende uitleg vatbaar.
Het hof moet dus beoordelen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. Dit moet gebeuren met aan de splitsingsstukken te ontlenen aanwijzingen, en gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden interpretaties zouden leiden.



3.7.5. Uit de splitsingsakte en de splitsingstekening blijkt dat alle elf bergingen (appartementsrechten 12 tot en met 22 ) gelegen zijn op de zolderverdiepingen van het gebouw. In de splitsingsakte is geen enkele omschrijving opgenomen waaruit af te leiden is dat op de zolder nog sprake zou zijn van enige andere bestemming c.q. een woonbestemming. Op de splitsingstekening zijn voorts geen ramen ingetekend bij zolderruimte [1] (net zo min als bij de bergingen op de zolderverdiepingen). Bovendien is als verbinding tussen het woongedeelte van appartementsrecht [1] op de tweede verdieping en het zolderdeel van appartementsrecht [1] op de splitsingstekening uitsluitend een vlizotrap ingetekend. Ook deze omstandigheden wijzen er geenszins op dat het de bedoeling van de splitser is geweest dat zolder [1] een woonbestemming zou hebben. [geïntimeerde] heeft onvoldoende de stelling van de VvE betwist dat het onder meer vanwege brandveiligheidsvoorschriften ontoelaatbaar is dat een woonruimte uitsluitend via een vlizotrap kan worden bereikt. Dat de splitser bij de hierboven geschetste omstandigheden toch de bedoeling zou hebben gehad dat zolderruimte [1] bewoond zou mogen worden, acht het hof een zeer onaannemelijk rechtsgevolg. Dat dit bedoeld zou zijn is ook in het geheel niet af te leiden uit de omschrijving van appartementsrecht [1] in de splitsingsakte. Die tekst wijst juist op het tegendeel.



3.7.6. Het hof concludeert om bovenstaande redenen op basis van de splitsingsstukken dat het zeer onaannemelijk is dat de splitser aan zolderruimte [1] een woonbestemming heeft willen toekennen. Op de zolderverdiepingen van het appartementencomplex zijn verder uitsluitend bergingen gelegen. Die zolderverdiepingen lijken op grond van de gegevens op de splitsingstekeningen niet geschikt en niet bestemd voor bewoning. Zolderruimte [1] is in het geheel niet betrokken in de omschrijving van appartementsrecht [1] in de splitsingsakte en in de splitsingsakte heeft appartementsrecht [1] hetzelfde breukdeel toegekend gekregen als de daaronder gelegen appartementen [2] en [3] .



3.7.7. Het is niet geheel duidelijk waarom zolderruimte [1] dan wel onderdeel uitmaakt van appartementsrecht [1] . Er lijkt sprake van een aanpassing die later is aangebracht en niet goed doordacht en uitgewerkt is. De VvE heeft hierover een mogelijke gang van zaken geschetst in onder meer de punten 34 tot en met 39 van de memorie van grieven. Die bespiegelingen moeten echter bij de beoordeling buiten beschouwing blijven omdat uitsluitend de (ook voor derden kenbare) splitsingsstukken bepalend zijn. Om de hierboven gegeven redenen moet naar het oordeel van het hof worden geoordeeld dat gelet op de splitsingsstukken gebruik van zolderruimte [1] als woonruimte niet is toegestaan.



3.7.8. De grief is dus terecht voorgedragen.




Conclusie en afwikkeling




3.8.1. Omdat de grief van de VvE terecht is voorgedragen, en [geïntimeerde] verder geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die bij deze stand van zaken toewijzing van haar vordering kunnen rechtvaardigen, zal het hof het beroepen vonnis vernietigen. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] afwijzen en [geïntimeerde] veroordelen in de
proceskosten van het geding bij de rechtbank. Het hof begroot deze posten aan de zijde van de VvE op:



Griffierecht € 676,--


Salaris advocaat € 1.228,-- (2 punten maal tarief II)




+

Totaal € 1.904,--



3.8.2. De VvE heeft in hoger beroep veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd om al hetgeen de VvE ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, aan de VvE terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Het hof zal die vordering op de hierna te vermelden wijze toewijzen.



3.8.3. Omdat het hoger beroep van de VvE doel heeft getroffen, zal het hof [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Het hof begroot deze kosten aan de zijde van de VvE op:



Explootkosten € 112,99


Griffierechten € 798,--


Salaris advocaat € 1.821,-- (1,5 punt x tarief II)


Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de



beslissing)

+

Totaal € 2.909,99



3.8.4. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld in de uitspraak.



3.8.5. Al het voorgaande leidt tot onderstaande uitspraak.





4De uitspraak


Het hof:



vernietigt het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder
zaak-/rolnummer C/02/415563 / HA ZA 23-577 tussen partijen gewezen mondeling vonnis van 30 mei 2024;



opnieuw rechtdoende:



wijst de vordering van [geïntimeerde] af;


veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding bij de rechtbank aan de zijde van de VvE ten bedrage van € 1.904,--;




veroordeelt [geïntimeerde] om al hetgeen de VvE ter uitvoering van het beroepen vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, aan de VvE terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de betaling tot de dag van de terugbetaling;



veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 2.909,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



veroordeelt [geïntimeerde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van het geding bij de rechtbank en van het hoger beroep als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.



griffier rolraadsheer