Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:3157

2025-11-04 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.341.547_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-11-04
Publicatiedatum
2025-11-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.341.547_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een op grond van een bruikleenovereenkomst in bruikleen gekregen fokteef. De bruiklener heeft deze fokteef wegens schijnzwangerschappen laten steriliseren zonder overleg met de bruikleengever en is daardoor tekortgeschoten in de nakoming van de bruikleenovereenkomst. Geschil over de schadebegroting.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (51.426 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.341.547/01




arrest van 4 november 2025




in de zaak van





[appellante] , handelend onder de naam [hondenschool X],
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. D.C.W.J. Verstraten te [woonplaats] ,



tegen





[geïntimeerde] ,

(volgens haar opgave) wonende te [woonplaats] , Thailand,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. F.F.J. Froger te Tilburg,



op het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 27 september 2023 en 17 januari 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [woonplaats] , gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.





1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/398293 / HA ZA 22-290)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 21 september 2022.





2Het geding in hoger beroep


Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:



de dagvaarding in hoger beroep;


de door [appellante] genomen memorie van grieven met producties 26 tot en met 34;


de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;


de door [appellante] genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties 35 tot en met 38;


de door [geïntimeerde] genomen akte;


de door [appellante] genomen antwoordakte.




Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep



De vaststaande feiten en de kern van het geschil




3.1.1.
Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om het volgende. [geïntimeerde] heeft op grond van een bruikleenovereenkomst een fokteef in bruikleen gekregen van [appellante] . [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de bruikleenovereenkomst doordat zij de fokteef zonder overleg met [geïntimeerde] heeft laten steriliseren vanwege schijnzwangerschappen. Partijen verschillen van mening over de vraag of [appellante] daardoor schade heeft geleden en zo ja, hoe hoog die schade dan is.



3.1.2.
In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.


a. [appellante] heeft in 1998 de eenmanszaak [hondenschool X] (hierna: [hondenschool X] ) opgericht. [hondenschool X] heeft als doel om honden op te leiden die de kwaliteit van leven van mensen kunnen verbeteren. Het gaat met name om assistentiehonden voor mensen met een motorische beperking. De honden worden opgeleid bij [hondenschool X] . Zodra een hond het gehele opleidingstraject heeft doorlopen en beschikt over de benodigde kwalificaties, wordt de hond overgedragen aan [Stichting X] . Deze stichting is in september 2003 door [appellante] opgericht.


b. Onderdeel van de bedrijfsvoering van [hondenschool X] is het fokken van honden. In dat kader wordt een fokteef in bruikleen gegeven bij een gastgezin. De gang van zaken is dat het gastgezin de hond verzorgt, en het direct bij [hondenschool X] meldt zodra de hond loops is. Het is gebruikelijk dat de hond na het krijgen van een vierde nestje in eigendom aan het gastgezin wordt overgedragen. Tot dat moment blijft de fokteef eigendom van [hondenschool X] . [hondenschool X] wordt ook eigenaar van de pups van de fokteef.


c. [geïntimeerde] en haar partner hebben in mei 2019 labrador [naam hond] (een fokteef) in bruikleen gekregen van [hondenschool X] . [geïntimeerde] en [hondenschool X] hebben daarom op 24 mei 2019 een bruikleenovereenkomst ondertekend. In deze overeenkomst, waarin [hondenschool X] is aangeduid als [hondenschool X] , staat onder meer het volgende:



“
Artikel 4: Verzorging en onderhoud hond



4.1


Gastgezin is verplicht voor de hond te zorgen ter waarborging van de gezondheid, de veiligheid en het goed functioneren van de hond.


(…)


Artikel 6: Medisch, dekkingen en geboorte pups


(…)




6.5

Medische beslissingen die van invloed kunnen zijn op de vruchtbaarheid van de hond dienen als eerste met [hondenschool X] overlegd te worden. [hondenschool X] zal het fokteefje dan voor een second opinion doorverwijzen naar een door [hondenschool X] aangewezen medisch specialist voor advies. (…)”

- d. [naam hond] staat ingeschreven bij Dier Medisch Centrum De Roosberg (hierna: De Roosberg). Uit de patiëntinformatie blijkt dat [geïntimeerde] op 29 juli 2019 met [naam hond] bij de dierenarts is geweest. Blz. 21 van het patiëntendossier vermeldt daarover het volgende:


“Anamnese / vraag:


Nog steeds schijnzwanger, wil graag overleg met [persoon A] over OVE





Advies:


OVE moet besproken worden met [appellante] . Ze kan finilac ophalen tegen de


schijnzwangerschap.”




e. Na dit bezoek aan de dierenarts is er telefonisch contact geweest tussen [geïntimeerde] en [appellante] .


f. Op 29 oktober 2020 en op 17 juni 2021 is [naam hond] opnieuw bij de dierenarts geweest vanwege schijnzwangerschap. Op 17 juni 2021 is opnieuw het medicijn finilac voorgeschreven. Tijdens het laatst genoemde consult is volgens het gestelde op blz. 15 van het patiëntdossier naast het medicijn finilac ook het onderwerp OVE (een ovari ectomie, het verwijderen van de eierstokken en daarmee het onvruchtbaar maken van de hond) besproken.


g. Op 21 juni 2021 is [naam hond] op controle bij de dierenarts geweest. Tijdens dit consult heeft [geïntimeerde] een afspraak gemaakt voor een OVE bij [naam hond] . De OVE is op 29 juni 2021 uitgevoerd.


h. Bij WhatsAppbericht van 16 juli 2021 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] het volgende geschreven:




“hoi [geïntimeerde] ,


We zitten heel de lijd op de loopsheid van [naam hond] te wachten om te dekken. Wellicht beter als je haar hier brengt om loops te worden in de groep? Want ik hoor helemaal niks meer van jou. Of mis ik iets? Ik hoor het graag.


Gr [appellante] ”


- i. [geïntimeerde] heeft daarop de volgende reactie aan [appellante] gezonden:


“Hoi [appellante] ,


Ik vind het heel vervelend om dit nu te moeten vernemen maar [naam hond] is de afgelopen 2 jaar heel veel ziek geweest. Om de paar maanden is ze schijnzwanger geweest en we zijn meerdere malen bij de roosberg geweest. Zij hebben dit proberen te verhelpen met medicatie maar omdat dit niet hielp hebben zij uiteindelijk in het belang van [naam hond] geadviseerd om haar te steriliseren. We hebben het advies van de roosberg opgevolgd in het welzijn van [naam hond] . Zoals je begrijpt heb ik daarna geen noodzaak meer gezien om de loopsheid door te geven. We hebben een spannende periode gehad met [naam hond] maar zijn onwijs blij dat het weer goed met haar gaat.


Groetjes [geïntimeerde] en [persoon B] ”


- j. [dierenarts] van De Roosberg heeft bij brief van 6 december 2021 onder meer het volgende geschreven aan [appellante] :

“(…) Ik, [dierenarts] , was er niet van op de hoogte dat [naam hond] eigenlijk een hond van [appellante] was, derhalve was het ook niet bekend dat het om een fokteef ging. Het is namelijk niet standaard dat we kijken of een dier een fokteef is, dit omdat een eigenaar bij gegeven adviezen hier zelf rekening mee houdt.




De reden voor het consult was bezorgdheid over de klachten van [naam hond] , bestaande uit lusteloosheid en slecht eten. Ik heb haar nagekeken en geconstateerd dat [naam hond] schijndrachtig was. Schijndracht is geen levensbedreigende situatie, echter wel een ongemakkelijke voor het dier. Het advies bij schijndracht is altijd om of medicatie te geven of om sterilisatie te overwegen, dit advies is ongeacht of het een fokteef is of niet. Dit is tijdens dat consult ook zo met het gastgezin besproken. Er is op geen enkele manier een dwingend advies tot sterilisatie gegeven. Bij fokteven wordt over het


algemeen gekozen voor medicamenteus behandelen ipv operatie omdat na operatie het krijgen van pups uiteraard uitgesloten is. (…)”




k. Bij brief van haar advocaat van 29 oktober 2021 heeft [appellante] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt als gevolg van de sterilisatie van [naam hond] .


l. Bij e-mail van haar advocaat van 6 november 2024 heeft [geïntimeerde] aansprakelijkheid afgewezen.





Het geding bij de rechtbank




3.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [appellante] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 243.000,--.



3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[geïntimeerde] heeft in strijd met artikel 6.5 van de bruikleenovereenkomst gehandeld door [naam hond] te laten steriliseren zonder vooraf over die medische beslissing te overleggen met [hondenschool X] . Als [geïntimeerde] wel met [hondenschool X] had overlegd, zou [hondenschool X] [naam hond] niet hebben laten steriliseren maar het advies van de dierenarts tot het geven van medicatie hebben opgevolgd. [hondenschool X] heeft door de sterilisatie van [naam hond] een schade geleden van € 243.000,--, die als volgt is berekend:



Als de OVE niet bij [naam hond] was uitgevoerd, zou [naam hond] drie nesten van elk 9 puppy’s, dus in totaal 27 puppy’s, hebben gekregen.


Van die 27 puppy’s zouden er 15 zijn geselecteerd om opgeleid te worden tot assistentiehond. Dit zou hebben geleid tot een netto opbrengst van € 15.000,-- per hond, dus in totaal tot een netto opbrengst van 15 x € 15.000,-- = € 225.000,--;


Van de 27 puppy’s zouden er 9 (gemiddeld 3 per nest) zijn verkocht aan particulieren. Dit zou hebben geleid tot een netto opbrengst van € 2.000,-- per pup, dus in totaal tot een netto opbrengst van 9 x € 2.000,-- = € 18.000,--.


Dit leidt tot een door [appellante] geleden schade van € 225.000,-- + € 18.000,-- = € 243.000,--.



[geïntimeerde] moet die schade vergoeden,



3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.



3.2.4.
In het tussenvonnis van 21 september 2022 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling na antwoord bevolen. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2023. Van de mondelinge behandeling zijn zittingsaantekeningen gemaakt die zich bij de gedingstukken bevinden.



3.2.5.
In het tussenvonnis van 27 september 2023 heeft de rechtbank, samengevat, als volgt geoordeeld.


In het midden kan blijven of [geïntimeerde] in het telefoongesprek dat zij in 2019 met [appellante] voerde, de optie van een OVE heeft genoemd. [geïntimeerde] heeft vervolgens de in verband met de schijnzwangerschap voorgeschreven medicatie gegeven. De beslissing om daadwerkelijk bij [naam hond] een OVE uit te voeren, is pas genomen in juni 2021. Pas toen was sprake van een medische beslissing die van invloed zou zijn op de vruchtbaarheid van [naam hond] . [geïntimeerde] had daar op dat moment over moeten overleggen met [hondenschool X] (rov. 4.4).


Er is niet komen vast te staan dat [appellante] tijdens het telefoongesprek van 2019 een vrijbrief heeft gegeven voor elke mogelijke behandeling van [naam hond] bij schijnzwangerschap (rov. 4.5).


Als [appellante] in 2019 tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat zij de adviezen van de dierenarts diende op te volgen, kan die mededeling niet zo worden uitgelegd dat het [geïntimeerde] vrij stond om zonder nader overleg jaren later een OVE te laten uitvoeren. Daar komt nog bij dat de dierenarts heeft geadviseerd om medicatie te geven of een sterilisatie te overwegen; een OVE was dus geen dwingend advies (rov. 4.6).


Omdat [geïntimeerde] na het telefoongesprek van 2019 geen contact meer heeft gehad met [hondenschool X] , staat vast dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichting om voorafgaand aan het laten uitvoeren van een OVE bij [naam hond] overleg te voeren met [hondenschool X] . [geïntimeerde] heeft dus artikel 6.5 van de overeenkomst geschonden en zij moet de daardoor ontstane schade aan [appellante] vergoeden (rov. 4.7).



[geïntimeerde] heeft niet weersproken dat [appellante] geen OVE bij [naam hond] zou hebben laten uitvoeren als [geïntimeerde] daarover wel overleg met haar zou hebben gevoerd (rov. 4.11).


Het debat over de uitgangspunten met betrekking tot de schade is nog onvoldoende uit de verf gekomen. [appellante] krijgt daarom de gelegenheid om bij akte de gestelde schade nader te onderbouwen, waarna [geïntimeerde] daar vervolgens op mag reageren (rov. 4.13).


De rechtbank heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [appellante] met het in rov. 4.13 van het vonnis omschreven doel.



3.2.5.
In het eindvonnis van 17 januari 2024 heeft de rechtbank, samengevat, als volgt geoordeeld.


De rechtbank zal de schade overeenkomstig artikel 6:97 BW schatten (rov. 3.1).


De rechtbank gaat er vanuit dat [hondenschool X] geen schade heeft geleden in de vorm van gederfde winst op de verkoop van assistentiehonden (rov. 3.4).


Er is ook niet gebleken van schade in de vorm van misgelopen vergoedingen voor de begeleiding van assistentiehonden (rov. 3.5).



[appellante] heeft de gestelde schade ter zake derving van inkomsten uit verkoop van pups aan particulieren onvoldoende inzichtelijk gemaakt (rov. 3.9 en 3.10).


De conclusie is dat de stellingen van [appellante] ook na de aktewisseling te weinig aanknopingspunten bieden voor een enigszins nauwkeurige vaststelling van de schade. Dit brengt mee dat de rechtbank moet volstaan met een schatting van de schade (rov. 3.11).


De rechtbank gaat er vanuit dat [naam hond] , als de OVE niet zou hebben plaatsgevonden, twee nestjes van elk negen pups zou hebben gekregen, en dat [appellante] hiervan in totaal vier pups zou hebben verkocht aan particulieren voor € 2.175,-- per pup, terwijl zij € 300,-- aan kosten per pup zou hebben gehad. De rechtbank schat de schade daarom op € 7.500,-- (4 x € 2.175,-- min 4 x € 300,--) (rov. 3.12).


Omdat beide partijen deels in het (on)gelijk zijn gesteld, moet elke partij de eigen proceskosten dragen (rov. 3.14).


Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellante] € 7.500,-- te betalen, de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.



Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep





3.3.1.

[appellante] heeft in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen het eindvonnis van 17 januari 2024. Deze grieven hebben betrekking op de begroting van de schade en op de compensatie van de proceskosten. [appellante] heeft op basis van de grieven in principaal hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis van 17 januari 2024 en tot, samengevat:


volledige toewijzing van de vordering van [appellante] ;


veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op grond van vonnis van 17 januari 2024 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente;


met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.



3.3.2.

[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep verweer gevoerd en in incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd, waarvan de eerste grief gericht is tegen het tussenvonnis van 27 september 2023 en de tweede grief tegen het eindvonnis van 17 januari 2024. Beide grieven hebben betrekking op de begroting van de schade. [geïntimeerde] heeft op basis van deze grieven in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot, kort gezegd, vernietiging van beide vonnissen en tot, naar het hof begrijpt, het alsnog geheel afwijzen van de vorderingen van [appellante] , met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van beide instanties.



3.3.3.

[appellante] heeft de grieven van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep bestreden.



De bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van Nederlands recht





3.4.1.
Volgens haar mededeling tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank (zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling, blz. 2 onderaan) en volgens de vermelding op haar processtukken in hoger beroep woont [geïntimeerde] in [woonplaats] , Thailand. [appellante] heeft op haar processtukken als woonplaats van [geïntimeerde] echter [woonplaats] vermeld. Als [geïntimeerde] in Thailand woont, heeft de zaak internationale aspecten, zodat het hof dan eerst moet onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.



3.4.2.
De Nederlandse rechter is – als [geïntimeerde] inderdaad in Thailand woont – om meerdere redenen bevoegd:


Ten tijde van het sluiten van de in geding zijnde bruikleenovereenkomst woonde [geïntimeerde] in [woonplaats] . Volgens de vermelding op de inleidende dagvaarding woonde [geïntimeerde] ten tijde van het begin van de onderhavige procedure ook nog in [woonplaats] . Er is niet gesteld of gebleken dat die vermelding onjuist is en dat [geïntimeerde] toen al in Thailand woonde. De Nederlandse rechter is dus bevoegd op grond van artikel 2 Rv.


Het geschil heeft betrekking op een bruikleenovereenkomst. De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is in Nederland uitgevoerd. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan dus tevens gebaseerd worden op artikel 6 sub a Rv.



[geïntimeerde] is in het geding verschenen zonder de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ook gebaseerd kan worden op artikel 9 sub a Rv.





3.4.3.
Uit onder meer rov. 4.11 van het tussenvonnis van 27 september 2023 en rov. 3.1 van het eindvonnis van 17 januari 2024 blijkt dat de rechtbank op het geschil Nederlands recht heeft toegepast. Geen van partijen heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Uit de stellingen van partijen blijkt dat zij zelf ook uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Het hof zal dus Nederlands recht toepassing op het geschil.



Is [geïntimeerde] tekortgeschoten in de nakoming van de bruikleenovereenkomst?





3.5.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 27 september 2023 geoordeeld dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 6.5 van de bruikleenovereenkomst door in 2021 niet te overleggen met [hondenschool X] alvorens de OVE bij [naam hond] te laten uitvoeren. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep geen grieven gericht tegen dat oordeel. Bij de beoordeling of op grond van de grieven in incidenteel hoger beroep een lager schadebedrag moet worden toegewezen dan het door de rechtbank toegewezen bedrag, moet het hof er dus vanuit gaan dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de bruikleenovereenkomst.



3.5.2.
Als de grieven in principaal hoger beroep geheel of ten dele doel zouden treffen, zou dit er toe kunnen leiden dat aan [appellante] een hogere schadevergoeding moet worden toegekend dan het door de rechtbank toegewezen schadebedrag. Het hof zou dan op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog het door [geïntimeerde] in het geding bij de rechtbank gevoerde verweer moeten beoordelen dat zij niet in de nakoming van de bruikleenovereenkomst is tekortgeschoten (HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784, rov. 3.1.3). Het staat het hof ook vrij dat verweer eerst te behandelen. Het hof acht redenen aanwezig om dat verweer eerst te behandelen.



3.5.3.
Het hof verwerpt het verweer van [geïntimeerde] dat zij niet tekortgeschoten is in de nakoming van de bruikleenovereenkomst. Het hof is namelijk evenals de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met artikel 6.5 van de bruikleenovereenkomst door in 2021 voorafgaand aan het laten uitvoeren van een OVE bij [naam hond] geen overleg te voeren met [hondenschool X] . Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, waarmee het hof zich verenigt.



Vooropstelling naar aanleiding van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep over de schadevergoeding.






3.6.

Alvorens de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep over de schadevergoeding te behandelen, stelt het hof het volgende voorop.
Het hof moet bij de begroting van de schade de volgende maatstaven hanteren.



Als uitgangspunt voor berekening van de omvang van de verplichting tot schadevergoeding geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade van de benadeelde in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de hypothetische toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden.


Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade, alsmede het causaal verband als bedoeld in art. 6:98 BW, gelden in beginsel de gewone bewijsregels, waarbij de rechter ingevolge art. 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. In dit geval brengt dit mee dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de geleden schade op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellante] rusten.


In de rechtspraak is echter aangenomen dat aan de bewijslast van een hypothetische situatie niet al te hoge eisen mogen worden gesteld. Voldoende is dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt hoe die situatie vermoedelijk zou zijn geweest. Het komt daarbij aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent de toekomstige ontwikkelingen.





Over grief 1 in incidenteel hoger beroep: zou [naam hond] ook zijn gesteriliseerd als [geïntimeerde] wel kort voor de beslissing tot het uitvoeren van een OVE overleg zou hebben gehad met [appellante] ?




3.7.1.
Het hof zal nu eerst grief 1 in incidenteel hoger beroep behandelen. Door middel van deze grief voert [geïntimeerde] het verweer dat, als zij wel kort voorafgaand aan haar beslissing tot het laten uitvoeren van een OVE overleg zou hebben gehad met [appellante] , dan evenzeer tot het uitvoeren van een OVE zou zijn besloten, zodat er van door [appellante] geleden schade geen sprake is. Naar het hof begrijpt is deze grief mede gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.11 van het tussenvonnis dat [geïntimeerde] niet heeft weersproken dat [appellante] geen OVE bij [naam hond] zou hebben laten uitvoeren indien [geïntimeerde] daarover overleg met haar had gevoerd. Of [geïntimeerde] dit in het geding bij de rechtbank heeft weersproken, kan in het midden blijven. [geïntimeerde] heeft het betreffende verweer in elk geval in hoger beroep door middel van deze grief voldoende duidelijk naar voren gebracht.



3.7.2.

[appellante] heeft de grief en het betreffende verweer bestreden. Volgens [appellante] zou zij, als [geïntimeerde] begin juni 2021 met haar zou hebben overlegd, [naam hond] niet hebben laten steriliseren maar haar dierenarts hebben geraadpleegd om niet ingrijpende behandelmethoden in te zetten zoals medicatie of accupunctuur.



3.7.3.

Bij het maken van de inschatting of [appellante] , als begin juni 2021 met haar overleg was gevoerd, net als [geïntimeerde] zou hebben gekozen voor het bij [naam hond] laten uitvoeren van een OVE, acht het hof de schriftelijke verklaring van [dierenarts] van De Roosberg van 6 december 2021 van belang. In die verklaring staat onder meer het volgende.

“Op 17 juni is [naam hond] [geïntimeerde] , op verzoek van het gastgezin, in ons systeem overgeschreven naar de gegevens van het gastgezin. Dit is gebeurd voorafgaand aan het consult.


(…)


De reden voor het consult was bezorgdheid over de klachten van [naam hond] , bestaande uit lusteloosheid en slecht eten. Ik heb haar nagekeken en geconstateerd dat [naam hond] schijndrachtig was. Schijndracht is geen levensbedreigende situatie, echter wel een ongemakkelijke voor het dier. Het advies bij schijndracht is altijd om of medicatie te geven of om sterilisatie te overwegen, dit advies is ongeacht of het een fokteef is of niet. Dit is tijdens dat consult ook zo met het gastgezin besproken. Er is op geen enkele manier een dwingend advies tot sterilisatie gegeven. Bij fokteven wordt over het algemeen gekozen voor medicamenteus behandelen ipv operatie omdat na operatie het krijgen van pups uiteraard uitgesloten is. Na de behandeling van de schijndracht komt de teef weer in een normale cyclus en zou zij prima gedekt kunnen worden. Indien ze niet drachtig wordt kan de schijndracht wel met elke loopsheid verergeren.”

Ook acht het hof de door [appellante] overlegde verklaring van [dierenarts 2] van De Roosberg van 17 oktober 2023 van belang. In die verklaring staat het volgende:

“Hierbij verklaar ik, [dierenarts 2] dierenarts te Bavel, dat een hond na eerder schijndrachtig te zijn geweest [hof: bij] een volgende loopsheid gedekt kan worden.”
Verder acht het hof de door [appellante] overgelegde verklaring van [dierenarts 3] van 31 augustus 2024 van belang, waarin onder meer het volgende staat:

“Een eventueel optredende schijnzwangerschap na een loopsheid hoeft geen belemmering


te zijn wat betreft de vruchtbaarheid van de teef.”

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] door het overleggen van deze verklaringen voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, als [geïntimeerde] medio juni 2021 overleg met haar had gevoerd over de schijnzwangerschap van [naam hond] , al dan niet na het inwinnen van nader medisch advies, zou hebben gekozen voor het laten behandelen van de schijnzwangerschap met medicatie en voor het daarna bij een volgende loopsheid laten dekken van [naam hond] . Die keuze komt logisch voor gelet op de bedrijfsvoering van [hondenschool X] en de door [appellante] opgerichte [Stichting X] . De bevoegdheid om hierover te beslissen, berustte bij [appellante] .




3.7.4.
De door [geïntimeerde] overgelegde verklaring van [dierenarts 4] van WB Dierenartsen van 30 oktober 2023 brengt het hof niet tot een ander oordeel. Die verklaring wijst er mogelijk op dat op grond van de herhaalde klachten van schijnzwangerschap bij [naam hond] een OVE het meest voor de hand liggende advies was, maar uit de verklaring blijkt niet dat een andere keuze, te weten behandeling met medicijnen en daarna alsnog proberen of [naam hond] daadwerkelijk zwanger kon worden, onaanvaardbaar was. De bevoegdheid om daarover een keuze te maken berustte bij [appellante] als eigenaresse van [naam hond] , en het hof acht het op grond van het bovenstaande het meest aannemelijk dat [appellante] geen OVE zou hebben laten uitvoeren.



3.7.5.
Hetgeen [geïntimeerde] overigens heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof verwerpt daarom grief 1 in incidenteel hoger beroep.



Over grief 2 in incidenteel hoger beroep: had [naam hond] zonder de OVE succesvol pups kunnen krijgen?





3.8.1.
Door middel van grief 2 in incidenteel hoger beroep voert [geïntimeerde] het verweer dat geenszins vaststaat dat [geïntimeerde] als fokteef nog succesvol pups had kunnen werpen. Deze grief is naar de kern genomen gericht tegen de inschatting van de rechtbank in de eerste alinea van rov. 3.12 van het eindvonnis dat [naam hond] , als de OVE niet had plaatsgevonden, twee nestjes van elk negen pups zou hebben gekregen.



3.8.2.
Het hof stelt voorop dat absolute zekerheid over de vraag of [geïntimeerde] , als de OVE niet zou zijn uitgevoerd, pups had kunnen krijgen, niet verkregen kan worden. De hypothetische situatie zonder tekortkoming van [geïntimeerde] heeft zich nu eenmaal niet voorgedaan. Dit komt voor rekening van [geïntimeerde] . Daarom mogen niet te hoge eisen worden gesteld aan het bewijs van wat er in de hypothetische situatie zou zijn gebeurd.



3.8.3.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam hond] , als de OVE niet was uitgevoerd, wel pups zou hebben gekregen. Het hof acht hierbij de door [appellante] overgelegde verklaringen van de dierenartsen [dierenarts] , [dierenarts 2] en [dierenarts 3] , geciteerd in rov. 3.7.3 van dit arrest, van belang. Deze dierenartsen achten het goed mogelijk om een teef na behandeling van schijndracht nog te laten dekken. [geïntimeerde] heeft geen duidelijke informatie overgelegd die erop wijst dat het succesvol laten dekken van een teef na een of meerdere schijndrachten niet meer mogelijk zou zijn. Verder wijzen ook de overgelegde stukken over de vruchtbare lijn van (de moeders van) [naam hond] er niet op dat [naam hond] geen pups zou hebben kunnen krijgen als de OVE niet zou zijn uitgevoerd.



3.8.4.
Het hof verwerpt daarom grief 2 in incidenteel hoger beroep, welke grief uitsluitend het verweer bevat dat [naam hond] , als de OVE niet zou zijn uitgevoerd, geen pups zou hebben gekregen. Het hof zal in het navolgende bij de behandeling van de andere grieven voor zover nodig nog oordelen over de vraag welke bestemming – als bij [naam hond] geen OVE zou zijn uitgevoerd – de pups van [naam hond] zouden hebben gekregen.



Over grief II in principaal hoger beroep: hoeveel nestjes van negen pups zou [naam hond] zonder de OVE hebben gekregen?





3.9.1.
Grief II in principaal hoger beroep is ook gericht tegen de inschatting van de rechtbank in de eerste alinea van rov. 3.12 van het eindvonnis dat [naam hond] , als de OVE niet zou hebben plaatsgevonden, twee nestjes van elk negen pups zou hebben gekregen. In de toelichting op deze grief stelt [appellante] dat [naam hond] niet twee maar drie nestjes van elk negen pups zou hebben gekregen, als [geïntimeerde] [naam hond] niet had laten steriliseren. Ter onderbouwing van die stelling voert [appellante] met name het volgende aan:


De moeder van [naam hond] heeft drie nestjes met pups gekregen.


Volgens artikel 3 van het Basisreglement Welzijn en Gezondheid (beschreven in het zogeheten Kynologisch Reglement), mag een teef een nestje krijgen vanaf 16 maanden tot de leeftijd van 108 maanden (9 jaar) en uit hetzelfde reglement volgt dat een teef maximaal vijf nestjes mag krijgen.


Volgens de verklaring van dierenarts [dierenarts 3] van 31 augustus 2024 kan een teef van dit ras in haar vruchtbare leven gemiddeld drie tot vijf nesten grootbrengen;


De schijndracht van [naam hond] had met medicatie kunnen worden behandeld en zou niet tot gevolg hebben gehad dat [naam hond] , als zij niet gesteriliseerd was, minder dan drie nestjes zou krijgen.





3.9.2.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] met de bovenstaande toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam hond] , als de sterilisatie van [naam hond] niet zou hebben plaatsgevonden, drie nestjes met pups zou hebben gekregen. [geïntimeerde] heeft dat in haar reactie op grief II in principaal hoger beroep ook niet gemotiveerd betwist. Het hof zal daarom uitgaan van de veronderstelling dat [naam hond] , in de hypothetische situatie zonder OVE, drie nestjes van elk negen pups zou hebben gekregen. Grief II in principaal hoger beroep is dus terecht voorgedragen.



Over grief III in principaal hoger beroep: hoeveel puppy’s per nest zouden aan particulieren zijn verkocht?





3.10.1.
Grief III in principaal hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.12 van het eindvonnis dat [appellante] , als [naam hond] niet zou zijn gesteriliseerd en dus nestjes met pups zou hebben gekregen, twee pups per nestje zou hebben verkocht aan particulieren. In de toelichting op de grief stelt [appellante] dat ervan uitgegaan moet worden dat van elk nestje van [naam hond] drie pups zouden zijn verkocht aan particulieren, zoals door [appellante] in het geding bij de rechtbank gesteld. Ter onderbouwing van deze grief heeft [appellante] diverse gegevens overgelegd met betrekking tot nestjes van het ras “Goldendoodle”.



3.10.2.
Uit de eigen stellingen van [appellante] volgt dat het ras “Goldendoodle” een geheel ander ras is dan het ras van [naam hond] (Labrador), en dat [appellante] uit de Labradorlijn aanzienlijk minder pups aan particulieren verkoopt dan uit de Goldendoodle-lijn. Aan de stukken die [appellante] ter onderbouwing van haar grief heeft overgelegd, komt dus weinig waarde toe. Ook overigens heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat zij in de hypothetische situatie zonder OVE, meer dan twee pups per nestje van [naam hond] zou hebben verkocht aan particulieren. Zij heeft juist gesteld dat de labradorlijn van [naam hond] enkel is opgezet om assistentiehonden voort te brengen en op te leiden. Het hof verwerpt daarom grief III in principaal hoger beroep.



Tussenconclusie: schade door niet kunnen verkopen van pups aan particulieren





3.11.1.
Het voorgaande voert tot de tussenconclusie dat ter zake schade door het niet kunnen verkopen van pups van [naam hond] aan particulieren uitgegaan moet worden van zes pups (twee pups per nestje, uitgaande van drie nestjes).



3.11.2.
De rechtbank heeft de schade daarvan begroot op € 1.875,-- per pup (een verkoopprijs van € 2.175,-- per pup, verminderd met € 300,-- aan kosten per pup). Tegen die bedragen zijn in principaal en incidenteel hoger beroep geen grieven gericht, zodat het hof van diezelfde bedragen zal uitgaan. Omdat als gevolg van het slagen van grief II in principaal hoger beroep niet moet worden uitgegaan van vier pups maar van zes pups, is ter zake deze schadepost (6 x € 1.875,-- =) € 11.250,-- toewijsbaar.



Over grief I in principaal hoger beroep: gederfde winst per pup die tot assistentiehond zou zijn opgeleid?





3.12.1.
Deze grief heeft betrekking op de door [appellante] gestelde schadepost van € 225.000,--, bestaande uit een netto opbrengst van € 15.000,-- per pup die zou worden opgeleid tot assistentiehond, bij de veronderstelling dat 15 van de pups die [naam hond] zonder OVE uit drie nestjes zou hebben gekregen, zouden zijn opgeleid tot assistentiehond.



3.12.2.
Over deze gestelde schadepost heeft de rechtbank in rov. 3.4 van het eindvonnis overwogen dat [hondenschool X] geen schade heeft geleden in de vorm van gederfde winst op de verkoop van assistentiehonden. Grief I in principaal hoger beroep is tegen die overweging gericht. In de toelichting op de grief stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de verkoop van assistentiehonden, omdat er geen sprake is van verkoop van assistentiehonden maar van bruikleen van assistentiehonden. Volgens [appellante] zit de schade in de gederfde winst per begeleidingstraject.



3.12.3.
Deze grief berust op een verkeerde lezing van rov. 3.4 van het vonnis. De rechtbank heeft in die overweging de vaststelling dat [hondenschool X] geen schade heeft geleden in de vorm van gederfde winst op de verkoop van assistentiehonden, immers gebaseerd op het feit dat [appellante] :


geen stukken met betrekking tot de verkoop van assistentiehonden door [hondenschool X] in het geding heeft gebracht;


wel enkele stukken in het geding heeft gebracht met betrekking tot vergoedingen die [hondenschool X] ontvangt voor de begeleiding van assistentiehonden;


heeft gesteld dat het hoofdinkomen van [hondenschool X] bestaat uit de vergoeding voor diensten.


De rechtbank is dus, aansluitend op de stellingen van [appellante] en anders dan [appellante] in de toelichting op de grief betoogt, niet uitgegaan van de verkoop van assistentiehonden door [hondenschool X] .



3.12.4.

Dit blijkt ook uit rov. 3.5 van het eindvonnis, waarin de rechtbank het volgende heeft overwogen:

“Voor zover [appellante] stelt dat zij wel schade heeft geleden, maar dan in de vorm van misgelopen vergoedingen voor de begeleiding van assistentiehonden, overweegt de


rechtbank dat daarvan niet blijkt. De vergoedingen die [hondenschool X] ontvangt


voor haar diensten kunnen niet (zonder meer) als schade worden gekwalificeerd.



[hondenschool X] heeft namelijk de daartegenover staande diensten niet (hoeven)


verricht(en). Het had op de weg van [appellante] gelegen om duidelijk te maken welke schade


zij ondanks het voorgaande heeft geleden. Dat heeft zij in het geheel niet gedaan (…)”

Dit oordeel komt erop neer dat [hondenschool X] mogelijk wel bepaalde betalingen heeft misgelopen doordat geen pups van [naam hond] tot assistentiehond zijn opgeleid, maar dat [hondenschool X] de tegenover die betalingen staande diensten niet heeft hoeven te verrichten en [appellante] niet duidelijk heeft gemaakt in hoeverre, nadat van de gemiste betalingen de bespaarde kosten zijn afgetrokken, geleden schade (gederfde winst) resteert. De rechtbank is er dus niet vanuit gegaan dat [hondenschool X] assistentiehonden placht te verkopen.




3.12.5.
Tegen de zojuist weergegeven overweging 3.5 van het eindvonnis heeft [appellante] geen voldoende duidelijke grief gericht. De tegen rov. 3.4 van het eindvonnis gericht grief I in principaal hoger beroep berust op een verkeerde lezing van het vonnis en kan reeds om deze reden geen doel treffen.



3.13.1.
Er is nog een tweede, zelfstandig dragende reden, op grond waarvan grief I in principaal hoge beroep geen doel kan treffen. In rov. 3.5 van het eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat niet gebleken is van schade door het niet kunnen uitvoeren van begeleiding van tot assistentiehonden opgeleide pups van [naam hond] , omdat niet duidelijk is geworden dat de inkomsten van die begeleiding hoger zouden zijn geweest dan de met de opleiding en begeleiding gemoeide uitgaven. Voor zover grief I in principaal hoger beroep al zodanig ruim zou moeten worden gelezen dat die mede is gericht tegen deze overweging, geldt het volgende



3.13.2.

[appellante] heeft – ondanks rov. 3.5 van het eindvonnis – in de toelichting op grief I in principaal hoger beroep geen inzichtelijke opgave gedaan van de kosten die voor haar gemoeid zijn met de opleiding van een assistentiehond en met de uitvoering van een begeleidingstraject van een bij een cliënt geplaatste assistentiehond. Daarom kan niet worden aangenomen dat de vergoedingen die [appellante] heeft gemist doordat [naam hond] geen pups heeft gekregen die tot assistentiehond konden worden opgeleid, hoger zijn dan de kosten van de opleiding en begeleiding van die assistentiehonden, en dat dus daadwerkelijk sprake is van schade (een positief saldo na aftrek van kosten van de opbrengst).



3.13.3.
Het hof tekent hier ook nog bij aan dat inkomsten die [Stichting X] mogelijk heeft gemist als gevolg van de bij [naam hond] uitgevoerde OVE, niet als schade van [appellante] kunnen worden beschouwd. [Stichting X] is geen partij in deze procedure en mogelijk door [Stichting X] geleden schade ligt in dit geding niet ter beoordeling voor aan het hof.




3.14.
Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief I in principaal hoger beroep.



Over grief IV in principaal hoger beroep: de begroting van de schade




3.15.1.
De toelichting op grief IV in principaal hoger beroep beslaat de randnummers 26 tot en met 28. Het gestelde bij randnummer 26 bevat geen grief tegen een oordeel van de rechtbank. [appellante] geeft daar juist aan dat zij zich kan vinden in het daar besproken oordeel van de rechtbank. Het gestelde bij randnummer 26 hoeft dus niet nader beoordeeld te worden in hoger beroep.



3.15.2.

Het betoog bij de randnummers 27 en 28 houdt, samengevat, het volgende in.
Als het hof evenals de rechtbank geen vergoeding toewijst voor de gederfde winst van [appellante] als gevolg van het niet kunnen opleiden en verkopen van assistentiehonden, verzoekt [appellante] subsidiair om een vergoeding die gelijk is aan de gederfde winst uitgaande van de veronderstelling dat alle pups aan particulieren zouden zijn verkocht. Aangezien de rechtbank overwoog dat [naam hond] in totaal 18 pups zou krijgen, en de pups ten alle tijden geschikt zijn om aan particulieren te verkopen, bedraagt de gederfde winst minimaal 18 x € 1.875,00 = € 33.750,00. Als uitgegaan wordt van drie nestjes van elk negen pups zou
de gederfde winst minimaal 27 x € 1.875,00 = € 50.625,00 bedragen.




3.15.3.
Het hof verwerpt dit betoog omdat uit de eigen stellingen van [appellante] volgt dat, indien geen OVE zou zijn uitgevoerd, slechts drie pups per nest zouden zijn verkocht aan particulieren. De daarvoor toe te kennen schadevergoeding heeft het hof in rov. 3.11.2 van dit arrest vastgesteld op € 11.250,--. Er is een grondslag aanwezig om die vergoeding op een hoger bedrag te stellen.



Conclusie ten aanzien van de schade






3.16.
Het voorgaande voert tot de conclusie dat de aan [appellante] toekomende schadevergoeding gesteld moet worden op € 11.250,--. Het beroepen vonnis moet dus vernietigd worden voor zover daarbij een schadevergoeding van € 7.500,-- is toegekend. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, een schadevergoeding toekennen van € 11.250,--.



Over grief V in principaal hoger beroep: de proceskosten van het geding bij de rechtbank




3.17.1.
Grief V in principaal hoger beroep is gericht tegen de compensatie van de proceskosten van het geding bij de rechtbank, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen. Volgens [appellante] had haar vordering volledig moeten worden toegewezen en had [geïntimeerde] daarom als volledig in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moeten worden veroordeeld.



3.17.2.

Uit hetgeen het hof in het voorgaande heeft overwogen, volgt dat een iets hogere schadevergoeding moet worden toegewezen dan door de rechtbank is toegewezen
(€ 11.250,-- in plaats van € 7.500,--). Dat laat onverlet dat de omvangrijke vordering van [appellante] voor het overgrote deel is afgewezen. Beide partijen zijn dus over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het hof acht het daarom juist dat de rechtbank de proceskosten van het geding bij de rechtbank tussen de partijen heeft gecompenseerd. Het hof verwerpt daarom grief V in principaal hoger beroep.




De proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep





3.18.1.
Het door [appellante] ingestelde principaal hoger beroep heeft slechts in geringe mate doel getroffen en is grotendeels ongegrond. Beide partijen zijn in principaal hoger beroep dus deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten van het principaal hoger beroep daarom compenseren tussen de partijen, aldus elke partij de eigen kosten moet dragen.



3.18.2.
De grieven van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep hebben geen doel getroffen. Het hof zal [geïntimeerde] daarom veroordelen in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep. Het hof begroot die kosten aan de zijde van [appellante] op € 607,-- aan salaris advocaat (1 punt voor de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep en 0 punten voor de akte die hoofdzakelijk betrekking heeft op het principaal hoger beroep, maal tarief II maal factor ½).



Conclusie en afwikkeling





3.19.1.

[appellante] heeft aan het slot van de memorie van grieven veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op grond van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Het hof zal die vordering afwijzen omdat [appellante] in het beroepen eindvonnis niet tot enige betaling aan [geïntimeerde] is veroordeeld, ook niet ten aanzien van de proceskosten.



3.19.2.

Voor het overige volgt uit al het bovenstaande de onderstaande uitspraak.

4. De uitspraak




Het hof:




op het principaal en incidenteel hoger beroep




bekrachtigt het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , onder
zaak-/rolnummer C/02/398293 / HA ZA 22-290 tussen partijen gewezen tussenvonnis van 27 september 2023, voor zover aangevochten door grief 1 in incidenteel hoger beroep;



vernietigt het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , onder
zaak-/rolnummer C/02/398293 / HA ZA 22-290 tussen partijen gewezen eindvonnis van 17 januari 2024, voor zover het betreft de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellante] € 7.500,-- te betalen;



in zoverre opnieuw rechtdoende, veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] € 11.250,-- te betalen;



bekrachtigt het genoemde eindvonnis voor zover het betreft de compensatie van de proceskosten van het geding bij de rechtbank;



veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellante] ten bedrage van 607,--; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de proceskosten van het principaal hoger beroep tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;



wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en J. de Hoed en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.



griffier rolraadsheer