Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2972
2025-10-28
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.346.118_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bouw aardappelbewaarloods. Betalingsafspraak over meerwerk?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.059 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.118/01
arrest van 28 oktober 2025
in de zaak van
[xx] Bouw B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. D. Bercx te Nijmegen,
tegen
[yy] Agrarisch Bedrijf B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [yy] ,
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 11 september 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 juni 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [xx] als eiseres en [yy] als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/394638 / HA ZA 23-426)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven, met producties 18 tot en met 23;
de memorie van antwoord, met producties 4 tot en met 9;
de mondelinge behandeling, waarbij partij [xx] spreekaantekeningen heeft overgelegd;
de bij H16-formulier van 23 september 2025 door [xx] toegezonden producties 10 tot en met 17, die [xx] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
De kern van het geschil
3.1.1.
[xx] heeft op grond van een overeenkomst van aanneming in 2017 een aardappelbewaarloods aan [adres] gebouwd voor [yy] . De daarvoor oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- exclusief btw is door [yy] betaald. Volgens [xx] is de verschuldigde aanneemsom tijdens de bouw door opgedragen en uitgevoerd meerwerk gewijzigd. Zij stelt in deze procedure onder meer dat tussen [xx] en [yy] in mei 2019 is afgesproken dat voor dit meerwerk een bedrag van € 108.310,01 exclusief btw in rekening zou mogen worden gebracht. [yy] betwist het bestaan van een dergelijke afspraak. [yy] meent dat slechts een bedrag van € 8.310,01 exclusief btw aan meerwerk is overeengekomen, welk bedrag zij ook heeft voldaan.
3.1.2.
De rechtbank heeft de vordering tot betaling van de twee onbetaald gelaten facturen van elk € 50.000,- exclusief btw afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel. Nu [yy] niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat partijen hebben afgesproken dat voor het meerwerk een bedrag van in totaal € 108.310,01 exclusief btw in rekening zou mogen worden gebracht, kan de vordering tot betaling van het nog openstaande deel worden toegewezen. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht.
De feiten
3.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
[xx] exploiteert een aannemingsbedrijf. De heer [xx] (hierna: de heer [xx] ) is statutair directeur van [xx] . [yy] exploiteert een varkenshouderij en teelt daarnaast aardappels op verschillende locaties. De heer [yy] (hierna: de heer [yy] ) is statutair directeur van [yy] .
3.2.2.
Partijen hebben in 2017 met elkaar gesprekken gevoerd over de nieuwbouw van een aardappelbewaarloods aan [adres] . Naar aanleiding van deze gesprekken heeft [xx] op 5 april 2017 aan [yy] een schriftelijke offerte doen toekomen met als omschrijving “nieuwbouw aardappelbewaarplaats inclusief opslagplaats afm. 27,59 x 53,50 m1”. [xx] offreerde een prijs van € 456.750,- exclusief btw. Vervolgens hebben partijen over deze prijs onderhandeld en hebben zij een akkoord bereikt op het bedrag van € 450.000,- exclusief btw.
3.2.3.
[xx] heeft de overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- exclusief btw gefactureerd in negen gelijke termijnen van € 50.000,- exclusief btw. De eerste zeven termijnen heeft [yy] direct voldaan. De termijnen acht en negen heeft [yy] opgeschort in verband met gestelde tekortkomingen in de bouw (lekkages en condensvorming in/aan het dak). Nadat [xx] uiteindelijk de gehele dakconstructie heeft verwijderd en heeft vervangen door een nieuwe dakconstructie, was het probleem opgelost en heeft [yy] de laatste termijnen betaald.
3.2.4.
Tijdens een bijeenkomst in mei 2019 bij [yy] hebben de heren [xx] , [persoon A] en [yy] een door [xx] opgestelde eindafrekening besproken. Die eindafrekening sluit op een bedrag van € 558.310,01.
3.2.5.
Daarna heeft [xx] [yy] een drietal facturen d.d. 29 mei 2019 verzonden. Twee facturen voor elk een bedrag van € 50.000,- exclusief btw met als omschrijving “Vervangen isolatie en daken stallen (…)” (factuurnummers 19.00245 en 19-00246)en een factuur voor een bedrag van € 8.310,01 exclusief btw met als omschrijving “10e termijn + oplevering” (factuurnummer 19-00247). [yy] heeft de laatst genoemde factuur op 9 juli 2019 voldaan. Beide andere facturen zijn onbetaald gebleven.
3.2.6.
De heer [xx] heeft de heer [yy] op 28 februari 2020, 24 april 2020 en op 10 maart 2021 tevergeefs gebeld. Op 28 februari 2020, 24 april 2020, 10 maart 2021, 31 januari 2022, 12 april 2022 en 23 mei 2022 heeft de heer [xx] aan de heer [yy] via WhatsApp het verzoek gestuurd om hem (terug) te bellen.
3.2.7.
Op 24 mei 2022 heeft de heer [xx] een e-mail aan [yy] geschreven op het mailadres ‘ [e-mailadres] ’ met de volgende inhoud:
“Goedemiddag [yy] .
Wij hebben elkaar uiteindelijk vanmorgen telefonisch gesproken nadat ik met een collega z’n telefoon jou gebeld had. Waar ik eerder jou tig keer gebeld had, dat je mij niet opneemt en datje NIET reageert op mijn app (zie onderstaand). In dit telefoongesprek heb je mij verzekerd dat je opstaande posten (100k excl. BTW) gaat betalen in september als het je het varkensbedrijf in [A] opgegeven hebt met de opkoopregeling of juist gaat uitbreiden? Ik heb aangegeven dat ik ondertussen zekerheid wil hebben van mijn centen en dat ik een afspraak met jou wilde, hierop heb jij aangeven dat je eerst vakantie ging houden tot 25 juni a.s. en dat je daarna zeker met mij contact gaat nemen.
Hieronder volgt kort een uiteenzetting vd zaken met betrekking tot de nieuwbouw vd aardappelloods
• Nieuwbouw aardappelloods 2e helft ‘17 tot begin ‘18
• Juni/ juli ‘18 vervangen van het sandwichpanelen dak uit 1 stuk i.v m. condensdiscussie sandwichpanelen dak in 2 delen (DIT IS DOOR [xx] BETAALD)
• 29 mei 2019 hebben wij ( [yy] , [persoon A] en [xx] ) samen gezeten voor de afrekening en deze is goedgekeurd door [yy] . (zie bijlage 2) Er waren op dat moment 9 termijnen gefactureerd en er was vd 9e termijn 4k betaald. Wij hebben na ons gesprek nog 3 facturen gemaakt; 2 van € 50k excl. BTW met op verzoek van [yy] “vervangen isolatie en daken stallen [adres] ” en de afrekeningsfactuur á € 8.310,01 excl. BTW (zie bijlage 1)
• De 9e termijn en afrekeningstermijn á € 8.310,01 excl. BTW zijn daarna betaald maar de 2 facturen “vervangen isolatie en daken stallen [adres] ” zijn tot op heden onbetaald gebleven?
[yy] deze bouw heeft ons ruim 6 ton GEKOST en wij snappen er niets van hoe jij met ons omgaat, wij hebben altijd keurig werk geleverd na volle tevredenheid van jou!
Hoor van jou z.s.m. na 25 juni a.s.”
3.2.8.
In een WhatsApp bericht van 28 juni 2022 heeft de heer [xx] de heer [yy] als volgt geschreven:
“Goedemiddag [yy] zojuist met elkaar afgesproken i.z. het 100k excl. BTW tegoed; jij hebt het bedrijf in [A] opgegeven voor de opkoopregeling, als dit geregeld is bel je mij op en wordt de openstaande post geregeld”.
3.2.9.
In een WhatsApp bericht van 27 oktober 2022 heeft de heer [xx] de heer [yy] een foto van de openstaande facturen gestuurd en heeft hij geschreven:
“Beste [yy] is er al iets bekend? Hoor graag”
3.2.10.
Bij e-mail van 25 november 2022 aan [yy] op het mailadres ‘ [e-mailadres] ’ heeft de heer [xx] het volgende geschreven:
“Goedemorgen [yy] .
We hebben elkaar gisteren uiteindelijk weer gesproken, je hebt aangegeven dat er vorderingen zijn met de opkoopregeling maar dat je nu nog met kunt betalen. Je kunt begrijpen dat daarmee de rente behoorlijk oploopt. Wij gaan ervan uit dat de betaling nog dit jaar binnenkomt waarna we de rentenota zullen opmaken conform onze algemene voorwaarden. Is er dit jaar geen betaling ontvangen zullen wij deze vordering uit handen geven.
Graag een spoedige betaling/ afhandeling”.
3.2.11.
In een WhatsApp bericht van 27 maart 2023 heeft de heer [xx] aan de heer [yy] het volgende geschreven:
“Goedemorgen [yy] ik heb Jouw zojuist weer gebeld maar kreeg geen gehoor, de prijzen in de varkens sector zijn weer een tijdje zeer goed, neem aan dat je zo langzamerhand de 100 k excl BTW wel kunt betalen, graag vandaag bericht”.
3.2.12.
Bij brief van 14 april 2023 heeft de advocaat van [xx] [yy] gesommeerd tot betaling.
3.2.13.
[xx] heeft op 15 juni 2023 ten laste van [yy] conservatoir beslag doen leggen op de onroerende zaak aan [adres B] .
De vorderingen van [xx] en de beslissingen van de rechtbank
3.3.1.
In de onderhavige procedure heeft [xx] in eerste aanleg -na wijziging van eis- gevorderd dat de rechtbank [yy] veroordeelt om aan [xx] te betalen:
1. een bedrag van € 112.832,50 inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over deze hoofdsom vanaf 12 juni 2019 tot aan de dag van algehele betaling,
2. een bedrag van € 1.985,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3. een bedrag van € 1.994,92 aan beslagkosten,
4. de proceskosten.
3.3.2.
Hetgeen [xx] aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [yy] gevoerde verweren zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.3.3.
In het eindvonnis van 26 juni 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de meest verstrekkende reactie op het verweer van [yy] tegen de vorderingen inhoudt dat [yy] haar rechten heeft verwerkt om nog inhoudelijk te reclameren tegen het meerwerk, omdat [yy] zou hebben toegezegd te betalen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de omstandigheden 1) dat [yy] volgens [xx] niet eerder heeft gereclameerd en de aan haar gezonden facturen zonder protest heeft behouden en 2) dat als zou komen vast te staan dat [yy] op 29 mei 2019 geen opmerkingen heeft gemaakt over de eindafrekening, onvoldoende zijn voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Uit de verklaring van [persoon A] ter zitting volgt volgens de rechtbank niet dat [yy] op 29 mei 2019 heeft toegezegd te zullen betalen. Aan bewijslevering is de rechtbank daarom niet toegekomen.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [xx] met haar stellingen en de in het geding gebrachte producties onvoldoende heeft onderbouwd dat zij [yy] tijdig heeft gewezen op de prijsverhoging tot een bedrag van € 112.832,50 en dat daarnaast niet is komen vast te staan dat [yy] met deze prijsverhoging akkoord is gegaan. Voor zover [xx] zich op het standpunt heeft gesteld dat [yy] de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen, is dat standpunt volgens de rechtbank onvoldoende toegelicht.
Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van [xx] afgewezen en [xx] in de proceskosten veroordeeld.
Het geschil in hoger beroep
3.4.1.
[xx] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Het hof zal de grieven en hetgeen [xx] ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd in het hierna volgende -voor zover relevant- bespreken. [xx] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en het alsnog integraal toewijzen van haar vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van [yy] in de kosten van beide instanties, en tot het terug betalen aan [xx] van hetgeen zij aan [yy] heeft betaald naar aanleiding van het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag der algehele voldoening.
3.4.2.
[yy] heeft de grieven gemotiveerd weersproken en heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [xx] alsnog moeten worden afgewezen, althans dat het vonnis waarvan beroep, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden moet worden bevestigd, met veroordeling van [xx] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
De afspraak tot betaling
3.5.1.
De grieven 1 tot en met 4 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Met deze grieven richt [xx] zich -onder andere- tegen de hiervoor onder rov. 3.3.3 weergegeven oordelen van de rechtbank ten aanzien van het beroep op rechtsverwerking en de door [xx] gestelde afspraak met [yy] tot betaling voor het meerwerk. [xx] heeft het hof verzocht de vorderingen zoals die in de memorie van grieven staan beschreven te beoordelen.
3.5.2.
De grondslag voor de vordering van [xx] is meerwerk dat is overeengekomen en voortvloeit uit de in 2017 overeengekomen bouw van een nieuwbouw aardappelbewaarloods voor [yy] . De oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- is tijdens de bouw door opgedragen en uitgevoerd meerwerk gewijzigd naar € 558.310,01. [xx] stelt ter onderbouwing van haar vorderingen primair dat partijen in mei 2019 mondeling zijn overeengekomen dat het bedrag ter zake het meerwerk van € 108.310,01 in drie facturen aan [yy] zou worden gefactureerd op de manier zoals dat is gebeurd en dat [yy] de facturen zou betalen. Als niet zou komen vast te staan dat deze afspraak in mei 2019 tussen partijen is gemaakt, dan stelt [xx] dat partijen op 24 mei 2022 en/of op 28 juni 2022 en/of 24 november 2022 mondeling zijn overeengekomen dat [yy] aan [xx] nog € 100.000,- exclusief btw zou betalen. De afspraken tussen partijen zijn expliciet gemaakt, maar als dat niet zou komen vast te staan, dan geldt dat er sprake was van een stilzwijgende aanvaarding door [yy] van de mondeling gemaakte afspraken, aldus steeds [xx] .
Omdat later, tijdens de procedure in eerste aanleg, is gebleken dat in het bedrag van € 108.310,01 per ongeluk de aan [yy] bij sluiten van de overeenkomst verstrekte korting van € 6.750,- exclusief btw was begrepen, heeft [xx] haar vordering met dat bedrag verminderd.
3.5.3.
[yy] weerspreekt de door [xx] gestelde afspraken.
3.5.4.
Het hof overweegt als volgt.
Tussen partijen staat vast dat er in mei 2019 een bijeenkomst bij [yy] heeft plaats gevonden waarbij de heren [xx] , [yy] en [persoon A] aanwezig waren. [yy] heeft erkend dat [xx] om deze bespreking had gevraagd om te bespreken dat de loods duurder was geworden dan was begroot. [yy] heeft niet betwist dat bij die bespreking de eindafrekening (productie 11 bij akte van 15 mei 2024 van [xx] in eerste aanleg) is besproken. Het verschil tussen de overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- en het in de eindafrekening becijferde bedrag bedraagt € 108.310,01 exclusief btw. Evenmin is weersproken dat daarbij alle posten zijn doorgelopen en dat de posten waarbij een ‘A’ stond vermeld de meerwerkposten zijn, die van de zijde van [xx] zijn toegelicht. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of zij vervolgens hebben afgesproken dat [yy] dit bedrag zou betalen.
3.5.5.
Het hof stelt vast dat meteen ná deze bijeenkomst de drie in rov. 3.2.5 genoemde facturen zijn opgemaakt door [xx] op de voor haar gebruikelijke wijze, namelijk het opknippen van het in rekening te brengen bedrag in factuurbedragen van € 50.000,- exclusief btw en een laatste factuur voor het restant van € 8.310,01 exclusief btw. De facturen zijn dezelfde dag nog verstuurd. Het feit dat de facturen direct na de bijeenkomst zijn opgemaakt -met opeenvolgende factuurnummers- en verstuurd draagt voor het hof bij aan het oordeel dat dit overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken is gedaan. Dat de heer [yy] meteen na de ontvangst van de facturen heeft geprotesteerd, wordt door [xx] betwist en is in het licht van de stellingen van [xx] onvoldoende onderbouwd. [xx] heeft betwist dat [yy] mondeling zou hebben gemeld dat hij het niet eens was met de facturen en heeft in de procedure ook overigens steeds gesteld dat iedere reactie van [yy] op berichten is uitgebleven. Mede daarom mocht van [yy] in dit stadium van het geding verwacht worden dat zij die stelling zou adstrueren, bijvoorbeeld door het overleggen van een uitdraai van de belhistorie waar dit telefoongesprek uit zou blijken.
3.5.6.
De omschrijving op de beide facturen van € 50.000,- roept vragen op. [xx] heeft toegelicht dat zij dit op speciaal en uitdrukkelijk verzoek van [yy] heeft gedaan, vermoedelijk om de reden dat dergelijke investeringen boekhoudkundig sneller kunnen worden afgeschreven dan nieuwbouw. [yy] heeft dit weliswaar betwist, maar het hof ziet niet in om welke reden [xx] dit uit eigen beweging zou doen. Voor [xx] levert dat immers op geen enkele wijze een voordeel op of dient dit een ander doel. Nog sterker: tijdens de mondeling behandeling bij het hof heeft [xx] aangegeven dat hij liever gewoon had ‘doorgefactureerd’. Dat en om welke reden dit anders zou zijn, is door [yy] niet uitgewerkt. Ook dit feit wijst in de richting van de door [xx] gestelde afspraak.
3.5.7.
Daar komt bij dat [yy] één van de drie facturen wél direct heeft betaald. Zijn verklaring daarvoor overtuigt niet. Pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [yy] toegelicht dat deze factuur zag op tijdens het werk opgedragen meerwerk dat bestond uit het toevoegen van kunststof wanden in het hokje van 9 m2 waar de computer hangt. Dat zou mondeling zijn overeengekomen. [xx] heeft gewezen op de post “2101 Kunststofwanden” in de eindafrekening, waar een ‘A’ staat voor enkele posten waar een afwijking ten opzichte van de oorspronkelijke begroting in zit. Dat geldt echter niet voor de post voor kunststofplanken in het voorportaal (volgens [xx] “het hokje”): die post was in de begroting van 5 april 2017 al opgenomen ten bedrage van € 1.570,27. Daarmee geconfronteerd heeft [yy] slechts opgemerkt dat hij alleen weet dat hij € 8.000,- méér moest betalen omdat er meer kunststof in de bouw zit. Die uitleg volstaat niet, temeer niet nu [yy] in de memorie van antwoord nog heeft gesteld dat het feit dat er meer kunststof in de bouw is verwerkt, een gevolg is van een fout van [xx] . Dit verdraagt zich niet met de verklaring van [yy] tijdens de mondelinge behandeling dat het bedrag van € 8.310,01 ziet op goedgekeurd meerwerk in verband met kunststof wanden. Het bedrag is voor het hof bovendien niet te herleiden tot een van de posten in de eindafrekening of een ander stuk waaruit deze post blijkt. Veel meer voor de hand ligt de uitleg door [xx] , namelijk dat dit het bedrag is dat resteert na het ‘opknippen’ van de totale meerwerksom (vgl. rov. 3.5.5).
3.5.8.
Ook hetgeen zich ná het factureren heeft voorgedaan wijst op het bestaan van de door [xx] gestelde afspraak. Nadat betaling van de facturen 19-00245 en 19-00246 uitbleef, heeft de heer [xx] meerdere keren tevergeefs gebeld en terugbelverzoeken achtergelaten. Dat is niet weersproken en blijkt ook uit de WhatsApp berichten die zijn overgelegd. [xx] heeft gesteld dat de heer [xx] de heer [yy] uiteindelijk op 24 mei 2022, 28 juni 2022 en 24 november 2022 heeft gesproken en dat de inhoud van die gesprekken is weergegeven in de daarna per mail of WhatsApp verstuurde berichten, die ook steeds zijn opgevolgd, bijvoorbeeld op 27 oktober 2022 met de vraag of “er al iets bekend” is. In die berichten wordt meer en minder expliciet terugverwezen naar de betalingsafspraak over het nog openstaande bedrag van € 100.000,- exclusief btw. De details in deze berichten zijn specifiek (zoals waar het gaat om de opkoopregeling en het vervolgcontact ná de vakantie van de heer [yy] ) en het hof oordeelt het in het licht van de overige feiten en omstandigheden in deze zaak niet geloofwaardig dat de heer [xx] die zou hebben verzonnen. De heer [yy] ontkent weliswaar dat hij na mei/juni 2019 nog met de heer [xx] heeft gesproken, maar ook die ontkenning vindt het hof niet geloofwaardig. Op geen enkele van de vele berichten heeft [yy] gereageerd. Dat had toch wel voor de hand gelegen als er gesprekken werden bevestigd die in zijn optiek niet -of met een andere inhoud- zouden hebben plaats gevonden. [yy] heeft niet ontkend dat de heer [yy] de berichten heeft ontvangen. Blijkens de blauwe vinkjes zijn ze ook gelezen en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de heer [yy] ook verklaard dat er vast wel eens gezegd is -door de jongen op kantoor- dat er e-mails kwamen van [xx] . In eerste instantie is aangevoerd dat de heer [yy] er niet op heeft geantwoord omdat hij nooit mailt of appt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft hij iets anders verklaard, namelijk dat hij bewust niet heeft geantwoord -of heeft laten antwoorden- omdat hij al zou hebben gezegd dat hij niet zou betalen en de zaak daarmee voor hem was afgedaan.
3.5.9.
Al het voorgaande brengt het hof tot de volgende conclusie. [xx] heeft voldoende gemotiveerd onderbouwd dat er in mei 2019 een afspraak is gemaakt tot betaling van een bedrag van € 108.310,01 exclusief btw. Hetgeen [yy] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar betwisting is in het licht van de uitvoerig en toereikend onderbouwde stellingen van [xx] onvoldoende. Dat betekent dat voor het hof in voldoende mate is komen vast te staan dat de gestelde betalingsafspraak is gemaakt. Aan bewijslevering hoeft zodoende niet te worden toegekomen.
Tussenconclusie
3.6.
Het hoger beroep slaagt. De overige grieven behoeven geen verdere bespreking. De vordering in hoofdsom ligt voor toewijzing gereed, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 12 juni 2019 tot aan de dag van volledige betaling.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.7.1.
[xx] heeft betaling van een bedrag van € 1.985,00 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [yy] heeft aangevoerd dat er geen buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
3.7.2.
Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [yy] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de overeengekomen betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,- ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.
De beslagkosten
3.8.1.
[xx] maakt aanspraak op betaling van de kosten van het conservatoir beslag voor een totaalbedrag van € 1.994,92. Dit bedrag bestaat uit een bedrag aan deurwaarderskosten van € 328,92, een liquidatietarief van € 990,- en een griffierecht van € 676,-. Volgens [yy] was er geen grondslag voor het beslag omdat de vordering volledig is betaald en is het bedrag onvoldoende onderbouwd.
3.8.2.
Het hof verwerpt dat verweer. De vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 328,92 voor verschotten, op € 990,- voor salaris advocaat en op € 676,- voor griffierecht.
De proceskosten
3.9.1.
Het hof zal [yy] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [xx] zullen worden vastgesteld op:
explootkosten € 109,44
griffierecht € 5.061,-
salaris advocaat € 3.858,- + (2 punten x € 1.929,-)
Totaal € 9.028,44
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [xx] zullen vastgesteld worden op:
explootkosten € 112,37
griffierechten € 6.561,-
salaris advocaat € 7.144,- (2 punten x € 3.572,-)
nakosten € 178,- + (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 13.995,37
3.9.2.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.9.3.
[xx] heeft gevorderd dat het hof [yy] veroordeelt tot terugbetaling van hetgeen op grond van het vonnis is voldaan. Deze vordering is toewijsbaar, nu het een vordering betreft die er toe strekt de gevolgen van de -onjuist bevonden- veroordeling die bij het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken, ongedaan te maken.
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [yy] tot betaling aan [xx] van een bedrag van € 112.872,50 inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 112.832,50 vanaf 12 juni 2019 tot aan de dag van algehele betaling;
veroordeelt [yy] tot terugbetaling aan [xx] van al hetgeen door [xx] op grond van het vonnis waarvan beroep aan [yy] is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [yy] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 9.028,44 en van het hoger beroep van € 13.995,37, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [yy] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [yy] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [yy] tot betaling aan [xx] van de beslagkosten ten bedrage van
€ 1.994,92;
veroordeelt [yy] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten (waaronder de beslagkosten) als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, N.W.M. van den Heuvel en J.G.J. Rinkes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.118/01
arrest van 28 oktober 2025
in de zaak van
[xx] Bouw B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. D. Bercx te Nijmegen,
tegen
[yy] Agrarisch Bedrijf B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [yy] ,
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 11 september 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 juni 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [xx] als eiseres en [yy] als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/394638 / HA ZA 23-426)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven, met producties 18 tot en met 23;
de memorie van antwoord, met producties 4 tot en met 9;
de mondelinge behandeling, waarbij partij [xx] spreekaantekeningen heeft overgelegd;
de bij H16-formulier van 23 september 2025 door [xx] toegezonden producties 10 tot en met 17, die [xx] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
De kern van het geschil
3.1.1.
[xx] heeft op grond van een overeenkomst van aanneming in 2017 een aardappelbewaarloods aan [adres] gebouwd voor [yy] . De daarvoor oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- exclusief btw is door [yy] betaald. Volgens [xx] is de verschuldigde aanneemsom tijdens de bouw door opgedragen en uitgevoerd meerwerk gewijzigd. Zij stelt in deze procedure onder meer dat tussen [xx] en [yy] in mei 2019 is afgesproken dat voor dit meerwerk een bedrag van € 108.310,01 exclusief btw in rekening zou mogen worden gebracht. [yy] betwist het bestaan van een dergelijke afspraak. [yy] meent dat slechts een bedrag van € 8.310,01 exclusief btw aan meerwerk is overeengekomen, welk bedrag zij ook heeft voldaan.
3.1.2.
De rechtbank heeft de vordering tot betaling van de twee onbetaald gelaten facturen van elk € 50.000,- exclusief btw afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel. Nu [yy] niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat partijen hebben afgesproken dat voor het meerwerk een bedrag van in totaal € 108.310,01 exclusief btw in rekening zou mogen worden gebracht, kan de vordering tot betaling van het nog openstaande deel worden toegewezen. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht.
De feiten
3.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
[xx] exploiteert een aannemingsbedrijf. De heer [xx] (hierna: de heer [xx] ) is statutair directeur van [xx] . [yy] exploiteert een varkenshouderij en teelt daarnaast aardappels op verschillende locaties. De heer [yy] (hierna: de heer [yy] ) is statutair directeur van [yy] .
3.2.2.
Partijen hebben in 2017 met elkaar gesprekken gevoerd over de nieuwbouw van een aardappelbewaarloods aan [adres] . Naar aanleiding van deze gesprekken heeft [xx] op 5 april 2017 aan [yy] een schriftelijke offerte doen toekomen met als omschrijving “nieuwbouw aardappelbewaarplaats inclusief opslagplaats afm. 27,59 x 53,50 m1”. [xx] offreerde een prijs van € 456.750,- exclusief btw. Vervolgens hebben partijen over deze prijs onderhandeld en hebben zij een akkoord bereikt op het bedrag van € 450.000,- exclusief btw.
3.2.3.
[xx] heeft de overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- exclusief btw gefactureerd in negen gelijke termijnen van € 50.000,- exclusief btw. De eerste zeven termijnen heeft [yy] direct voldaan. De termijnen acht en negen heeft [yy] opgeschort in verband met gestelde tekortkomingen in de bouw (lekkages en condensvorming in/aan het dak). Nadat [xx] uiteindelijk de gehele dakconstructie heeft verwijderd en heeft vervangen door een nieuwe dakconstructie, was het probleem opgelost en heeft [yy] de laatste termijnen betaald.
3.2.4.
Tijdens een bijeenkomst in mei 2019 bij [yy] hebben de heren [xx] , [persoon A] en [yy] een door [xx] opgestelde eindafrekening besproken. Die eindafrekening sluit op een bedrag van € 558.310,01.
3.2.5.
Daarna heeft [xx] [yy] een drietal facturen d.d. 29 mei 2019 verzonden. Twee facturen voor elk een bedrag van € 50.000,- exclusief btw met als omschrijving “Vervangen isolatie en daken stallen (…)” (factuurnummers 19.00245 en 19-00246)en een factuur voor een bedrag van € 8.310,01 exclusief btw met als omschrijving “10e termijn + oplevering” (factuurnummer 19-00247). [yy] heeft de laatst genoemde factuur op 9 juli 2019 voldaan. Beide andere facturen zijn onbetaald gebleven.
3.2.6.
De heer [xx] heeft de heer [yy] op 28 februari 2020, 24 april 2020 en op 10 maart 2021 tevergeefs gebeld. Op 28 februari 2020, 24 april 2020, 10 maart 2021, 31 januari 2022, 12 april 2022 en 23 mei 2022 heeft de heer [xx] aan de heer [yy] via WhatsApp het verzoek gestuurd om hem (terug) te bellen.
3.2.7.
Op 24 mei 2022 heeft de heer [xx] een e-mail aan [yy] geschreven op het mailadres ‘ [e-mailadres] ’ met de volgende inhoud:
“Goedemiddag [yy] .
Wij hebben elkaar uiteindelijk vanmorgen telefonisch gesproken nadat ik met een collega z’n telefoon jou gebeld had. Waar ik eerder jou tig keer gebeld had, dat je mij niet opneemt en datje NIET reageert op mijn app (zie onderstaand). In dit telefoongesprek heb je mij verzekerd dat je opstaande posten (100k excl. BTW) gaat betalen in september als het je het varkensbedrijf in [A] opgegeven hebt met de opkoopregeling of juist gaat uitbreiden? Ik heb aangegeven dat ik ondertussen zekerheid wil hebben van mijn centen en dat ik een afspraak met jou wilde, hierop heb jij aangeven dat je eerst vakantie ging houden tot 25 juni a.s. en dat je daarna zeker met mij contact gaat nemen.
Hieronder volgt kort een uiteenzetting vd zaken met betrekking tot de nieuwbouw vd aardappelloods
• Nieuwbouw aardappelloods 2e helft ‘17 tot begin ‘18
• Juni/ juli ‘18 vervangen van het sandwichpanelen dak uit 1 stuk i.v m. condensdiscussie sandwichpanelen dak in 2 delen (DIT IS DOOR [xx] BETAALD)
• 29 mei 2019 hebben wij ( [yy] , [persoon A] en [xx] ) samen gezeten voor de afrekening en deze is goedgekeurd door [yy] . (zie bijlage 2) Er waren op dat moment 9 termijnen gefactureerd en er was vd 9e termijn 4k betaald. Wij hebben na ons gesprek nog 3 facturen gemaakt; 2 van € 50k excl. BTW met op verzoek van [yy] “vervangen isolatie en daken stallen [adres] ” en de afrekeningsfactuur á € 8.310,01 excl. BTW (zie bijlage 1)
• De 9e termijn en afrekeningstermijn á € 8.310,01 excl. BTW zijn daarna betaald maar de 2 facturen “vervangen isolatie en daken stallen [adres] ” zijn tot op heden onbetaald gebleven?
[yy] deze bouw heeft ons ruim 6 ton GEKOST en wij snappen er niets van hoe jij met ons omgaat, wij hebben altijd keurig werk geleverd na volle tevredenheid van jou!
Hoor van jou z.s.m. na 25 juni a.s.”
3.2.8.
In een WhatsApp bericht van 28 juni 2022 heeft de heer [xx] de heer [yy] als volgt geschreven:
“Goedemiddag [yy] zojuist met elkaar afgesproken i.z. het 100k excl. BTW tegoed; jij hebt het bedrijf in [A] opgegeven voor de opkoopregeling, als dit geregeld is bel je mij op en wordt de openstaande post geregeld”.
3.2.9.
In een WhatsApp bericht van 27 oktober 2022 heeft de heer [xx] de heer [yy] een foto van de openstaande facturen gestuurd en heeft hij geschreven:
“Beste [yy] is er al iets bekend? Hoor graag”
3.2.10.
Bij e-mail van 25 november 2022 aan [yy] op het mailadres ‘ [e-mailadres] ’ heeft de heer [xx] het volgende geschreven:
“Goedemorgen [yy] .
We hebben elkaar gisteren uiteindelijk weer gesproken, je hebt aangegeven dat er vorderingen zijn met de opkoopregeling maar dat je nu nog met kunt betalen. Je kunt begrijpen dat daarmee de rente behoorlijk oploopt. Wij gaan ervan uit dat de betaling nog dit jaar binnenkomt waarna we de rentenota zullen opmaken conform onze algemene voorwaarden. Is er dit jaar geen betaling ontvangen zullen wij deze vordering uit handen geven.
Graag een spoedige betaling/ afhandeling”.
3.2.11.
In een WhatsApp bericht van 27 maart 2023 heeft de heer [xx] aan de heer [yy] het volgende geschreven:
“Goedemorgen [yy] ik heb Jouw zojuist weer gebeld maar kreeg geen gehoor, de prijzen in de varkens sector zijn weer een tijdje zeer goed, neem aan dat je zo langzamerhand de 100 k excl BTW wel kunt betalen, graag vandaag bericht”.
3.2.12.
Bij brief van 14 april 2023 heeft de advocaat van [xx] [yy] gesommeerd tot betaling.
3.2.13.
[xx] heeft op 15 juni 2023 ten laste van [yy] conservatoir beslag doen leggen op de onroerende zaak aan [adres B] .
De vorderingen van [xx] en de beslissingen van de rechtbank
3.3.1.
In de onderhavige procedure heeft [xx] in eerste aanleg -na wijziging van eis- gevorderd dat de rechtbank [yy] veroordeelt om aan [xx] te betalen:
1. een bedrag van € 112.832,50 inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over deze hoofdsom vanaf 12 juni 2019 tot aan de dag van algehele betaling,
2. een bedrag van € 1.985,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3. een bedrag van € 1.994,92 aan beslagkosten,
4. de proceskosten.
3.3.2.
Hetgeen [xx] aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [yy] gevoerde verweren zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.3.3.
In het eindvonnis van 26 juni 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de meest verstrekkende reactie op het verweer van [yy] tegen de vorderingen inhoudt dat [yy] haar rechten heeft verwerkt om nog inhoudelijk te reclameren tegen het meerwerk, omdat [yy] zou hebben toegezegd te betalen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de omstandigheden 1) dat [yy] volgens [xx] niet eerder heeft gereclameerd en de aan haar gezonden facturen zonder protest heeft behouden en 2) dat als zou komen vast te staan dat [yy] op 29 mei 2019 geen opmerkingen heeft gemaakt over de eindafrekening, onvoldoende zijn voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Uit de verklaring van [persoon A] ter zitting volgt volgens de rechtbank niet dat [yy] op 29 mei 2019 heeft toegezegd te zullen betalen. Aan bewijslevering is de rechtbank daarom niet toegekomen.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [xx] met haar stellingen en de in het geding gebrachte producties onvoldoende heeft onderbouwd dat zij [yy] tijdig heeft gewezen op de prijsverhoging tot een bedrag van € 112.832,50 en dat daarnaast niet is komen vast te staan dat [yy] met deze prijsverhoging akkoord is gegaan. Voor zover [xx] zich op het standpunt heeft gesteld dat [yy] de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen, is dat standpunt volgens de rechtbank onvoldoende toegelicht.
Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van [xx] afgewezen en [xx] in de proceskosten veroordeeld.
Het geschil in hoger beroep
3.4.1.
[xx] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Het hof zal de grieven en hetgeen [xx] ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd in het hierna volgende -voor zover relevant- bespreken. [xx] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en het alsnog integraal toewijzen van haar vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van [yy] in de kosten van beide instanties, en tot het terug betalen aan [xx] van hetgeen zij aan [yy] heeft betaald naar aanleiding van het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag der algehele voldoening.
3.4.2.
[yy] heeft de grieven gemotiveerd weersproken en heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [xx] alsnog moeten worden afgewezen, althans dat het vonnis waarvan beroep, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden moet worden bevestigd, met veroordeling van [xx] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
De afspraak tot betaling
3.5.1.
De grieven 1 tot en met 4 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Met deze grieven richt [xx] zich -onder andere- tegen de hiervoor onder rov. 3.3.3 weergegeven oordelen van de rechtbank ten aanzien van het beroep op rechtsverwerking en de door [xx] gestelde afspraak met [yy] tot betaling voor het meerwerk. [xx] heeft het hof verzocht de vorderingen zoals die in de memorie van grieven staan beschreven te beoordelen.
3.5.2.
De grondslag voor de vordering van [xx] is meerwerk dat is overeengekomen en voortvloeit uit de in 2017 overeengekomen bouw van een nieuwbouw aardappelbewaarloods voor [yy] . De oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- is tijdens de bouw door opgedragen en uitgevoerd meerwerk gewijzigd naar € 558.310,01. [xx] stelt ter onderbouwing van haar vorderingen primair dat partijen in mei 2019 mondeling zijn overeengekomen dat het bedrag ter zake het meerwerk van € 108.310,01 in drie facturen aan [yy] zou worden gefactureerd op de manier zoals dat is gebeurd en dat [yy] de facturen zou betalen. Als niet zou komen vast te staan dat deze afspraak in mei 2019 tussen partijen is gemaakt, dan stelt [xx] dat partijen op 24 mei 2022 en/of op 28 juni 2022 en/of 24 november 2022 mondeling zijn overeengekomen dat [yy] aan [xx] nog € 100.000,- exclusief btw zou betalen. De afspraken tussen partijen zijn expliciet gemaakt, maar als dat niet zou komen vast te staan, dan geldt dat er sprake was van een stilzwijgende aanvaarding door [yy] van de mondeling gemaakte afspraken, aldus steeds [xx] .
Omdat later, tijdens de procedure in eerste aanleg, is gebleken dat in het bedrag van € 108.310,01 per ongeluk de aan [yy] bij sluiten van de overeenkomst verstrekte korting van € 6.750,- exclusief btw was begrepen, heeft [xx] haar vordering met dat bedrag verminderd.
3.5.3.
[yy] weerspreekt de door [xx] gestelde afspraken.
3.5.4.
Het hof overweegt als volgt.
Tussen partijen staat vast dat er in mei 2019 een bijeenkomst bij [yy] heeft plaats gevonden waarbij de heren [xx] , [yy] en [persoon A] aanwezig waren. [yy] heeft erkend dat [xx] om deze bespreking had gevraagd om te bespreken dat de loods duurder was geworden dan was begroot. [yy] heeft niet betwist dat bij die bespreking de eindafrekening (productie 11 bij akte van 15 mei 2024 van [xx] in eerste aanleg) is besproken. Het verschil tussen de overeengekomen aanneemsom van € 450.000,- en het in de eindafrekening becijferde bedrag bedraagt € 108.310,01 exclusief btw. Evenmin is weersproken dat daarbij alle posten zijn doorgelopen en dat de posten waarbij een ‘A’ stond vermeld de meerwerkposten zijn, die van de zijde van [xx] zijn toegelicht. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of zij vervolgens hebben afgesproken dat [yy] dit bedrag zou betalen.
3.5.5.
Het hof stelt vast dat meteen ná deze bijeenkomst de drie in rov. 3.2.5 genoemde facturen zijn opgemaakt door [xx] op de voor haar gebruikelijke wijze, namelijk het opknippen van het in rekening te brengen bedrag in factuurbedragen van € 50.000,- exclusief btw en een laatste factuur voor het restant van € 8.310,01 exclusief btw. De facturen zijn dezelfde dag nog verstuurd. Het feit dat de facturen direct na de bijeenkomst zijn opgemaakt -met opeenvolgende factuurnummers- en verstuurd draagt voor het hof bij aan het oordeel dat dit overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken is gedaan. Dat de heer [yy] meteen na de ontvangst van de facturen heeft geprotesteerd, wordt door [xx] betwist en is in het licht van de stellingen van [xx] onvoldoende onderbouwd. [xx] heeft betwist dat [yy] mondeling zou hebben gemeld dat hij het niet eens was met de facturen en heeft in de procedure ook overigens steeds gesteld dat iedere reactie van [yy] op berichten is uitgebleven. Mede daarom mocht van [yy] in dit stadium van het geding verwacht worden dat zij die stelling zou adstrueren, bijvoorbeeld door het overleggen van een uitdraai van de belhistorie waar dit telefoongesprek uit zou blijken.
3.5.6.
De omschrijving op de beide facturen van € 50.000,- roept vragen op. [xx] heeft toegelicht dat zij dit op speciaal en uitdrukkelijk verzoek van [yy] heeft gedaan, vermoedelijk om de reden dat dergelijke investeringen boekhoudkundig sneller kunnen worden afgeschreven dan nieuwbouw. [yy] heeft dit weliswaar betwist, maar het hof ziet niet in om welke reden [xx] dit uit eigen beweging zou doen. Voor [xx] levert dat immers op geen enkele wijze een voordeel op of dient dit een ander doel. Nog sterker: tijdens de mondeling behandeling bij het hof heeft [xx] aangegeven dat hij liever gewoon had ‘doorgefactureerd’. Dat en om welke reden dit anders zou zijn, is door [yy] niet uitgewerkt. Ook dit feit wijst in de richting van de door [xx] gestelde afspraak.
3.5.7.
Daar komt bij dat [yy] één van de drie facturen wél direct heeft betaald. Zijn verklaring daarvoor overtuigt niet. Pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [yy] toegelicht dat deze factuur zag op tijdens het werk opgedragen meerwerk dat bestond uit het toevoegen van kunststof wanden in het hokje van 9 m2 waar de computer hangt. Dat zou mondeling zijn overeengekomen. [xx] heeft gewezen op de post “2101 Kunststofwanden” in de eindafrekening, waar een ‘A’ staat voor enkele posten waar een afwijking ten opzichte van de oorspronkelijke begroting in zit. Dat geldt echter niet voor de post voor kunststofplanken in het voorportaal (volgens [xx] “het hokje”): die post was in de begroting van 5 april 2017 al opgenomen ten bedrage van € 1.570,27. Daarmee geconfronteerd heeft [yy] slechts opgemerkt dat hij alleen weet dat hij € 8.000,- méér moest betalen omdat er meer kunststof in de bouw zit. Die uitleg volstaat niet, temeer niet nu [yy] in de memorie van antwoord nog heeft gesteld dat het feit dat er meer kunststof in de bouw is verwerkt, een gevolg is van een fout van [xx] . Dit verdraagt zich niet met de verklaring van [yy] tijdens de mondelinge behandeling dat het bedrag van € 8.310,01 ziet op goedgekeurd meerwerk in verband met kunststof wanden. Het bedrag is voor het hof bovendien niet te herleiden tot een van de posten in de eindafrekening of een ander stuk waaruit deze post blijkt. Veel meer voor de hand ligt de uitleg door [xx] , namelijk dat dit het bedrag is dat resteert na het ‘opknippen’ van de totale meerwerksom (vgl. rov. 3.5.5).
3.5.8.
Ook hetgeen zich ná het factureren heeft voorgedaan wijst op het bestaan van de door [xx] gestelde afspraak. Nadat betaling van de facturen 19-00245 en 19-00246 uitbleef, heeft de heer [xx] meerdere keren tevergeefs gebeld en terugbelverzoeken achtergelaten. Dat is niet weersproken en blijkt ook uit de WhatsApp berichten die zijn overgelegd. [xx] heeft gesteld dat de heer [xx] de heer [yy] uiteindelijk op 24 mei 2022, 28 juni 2022 en 24 november 2022 heeft gesproken en dat de inhoud van die gesprekken is weergegeven in de daarna per mail of WhatsApp verstuurde berichten, die ook steeds zijn opgevolgd, bijvoorbeeld op 27 oktober 2022 met de vraag of “er al iets bekend” is. In die berichten wordt meer en minder expliciet terugverwezen naar de betalingsafspraak over het nog openstaande bedrag van € 100.000,- exclusief btw. De details in deze berichten zijn specifiek (zoals waar het gaat om de opkoopregeling en het vervolgcontact ná de vakantie van de heer [yy] ) en het hof oordeelt het in het licht van de overige feiten en omstandigheden in deze zaak niet geloofwaardig dat de heer [xx] die zou hebben verzonnen. De heer [yy] ontkent weliswaar dat hij na mei/juni 2019 nog met de heer [xx] heeft gesproken, maar ook die ontkenning vindt het hof niet geloofwaardig. Op geen enkele van de vele berichten heeft [yy] gereageerd. Dat had toch wel voor de hand gelegen als er gesprekken werden bevestigd die in zijn optiek niet -of met een andere inhoud- zouden hebben plaats gevonden. [yy] heeft niet ontkend dat de heer [yy] de berichten heeft ontvangen. Blijkens de blauwe vinkjes zijn ze ook gelezen en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de heer [yy] ook verklaard dat er vast wel eens gezegd is -door de jongen op kantoor- dat er e-mails kwamen van [xx] . In eerste instantie is aangevoerd dat de heer [yy] er niet op heeft geantwoord omdat hij nooit mailt of appt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft hij iets anders verklaard, namelijk dat hij bewust niet heeft geantwoord -of heeft laten antwoorden- omdat hij al zou hebben gezegd dat hij niet zou betalen en de zaak daarmee voor hem was afgedaan.
3.5.9.
Al het voorgaande brengt het hof tot de volgende conclusie. [xx] heeft voldoende gemotiveerd onderbouwd dat er in mei 2019 een afspraak is gemaakt tot betaling van een bedrag van € 108.310,01 exclusief btw. Hetgeen [yy] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar betwisting is in het licht van de uitvoerig en toereikend onderbouwde stellingen van [xx] onvoldoende. Dat betekent dat voor het hof in voldoende mate is komen vast te staan dat de gestelde betalingsafspraak is gemaakt. Aan bewijslevering hoeft zodoende niet te worden toegekomen.
Tussenconclusie
3.6.
Het hoger beroep slaagt. De overige grieven behoeven geen verdere bespreking. De vordering in hoofdsom ligt voor toewijzing gereed, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 12 juni 2019 tot aan de dag van volledige betaling.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.7.1.
[xx] heeft betaling van een bedrag van € 1.985,00 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [yy] heeft aangevoerd dat er geen buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
3.7.2.
Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [yy] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de overeengekomen betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,- ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.
De beslagkosten
3.8.1.
[xx] maakt aanspraak op betaling van de kosten van het conservatoir beslag voor een totaalbedrag van € 1.994,92. Dit bedrag bestaat uit een bedrag aan deurwaarderskosten van € 328,92, een liquidatietarief van € 990,- en een griffierecht van € 676,-. Volgens [yy] was er geen grondslag voor het beslag omdat de vordering volledig is betaald en is het bedrag onvoldoende onderbouwd.
3.8.2.
Het hof verwerpt dat verweer. De vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 328,92 voor verschotten, op € 990,- voor salaris advocaat en op € 676,- voor griffierecht.
De proceskosten
3.9.1.
Het hof zal [yy] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [xx] zullen worden vastgesteld op:
explootkosten € 109,44
griffierecht € 5.061,-
salaris advocaat € 3.858,- + (2 punten x € 1.929,-)
Totaal € 9.028,44
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [xx] zullen vastgesteld worden op:
explootkosten € 112,37
griffierechten € 6.561,-
salaris advocaat € 7.144,- (2 punten x € 3.572,-)
nakosten € 178,- + (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 13.995,37
3.9.2.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.9.3.
[xx] heeft gevorderd dat het hof [yy] veroordeelt tot terugbetaling van hetgeen op grond van het vonnis is voldaan. Deze vordering is toewijsbaar, nu het een vordering betreft die er toe strekt de gevolgen van de -onjuist bevonden- veroordeling die bij het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken, ongedaan te maken.
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [yy] tot betaling aan [xx] van een bedrag van € 112.872,50 inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 112.832,50 vanaf 12 juni 2019 tot aan de dag van algehele betaling;
veroordeelt [yy] tot terugbetaling aan [xx] van al hetgeen door [xx] op grond van het vonnis waarvan beroep aan [yy] is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [yy] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 9.028,44 en van het hoger beroep van € 13.995,37, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [yy] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [yy] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [yy] tot betaling aan [xx] van de beslagkosten ten bedrage van
€ 1.994,92;
veroordeelt [yy] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten (waaronder de beslagkosten) als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, N.W.M. van den Heuvel en J.G.J. Rinkes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2025.
griffier rolraadsheer