Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2970

2025-10-28 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.333.040_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-28
Publicatiedatum
2025-10-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.333.040_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid interieurbouwer wegens handelen in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnorm; raken van een sprinklerkop bij opbouwen van kast.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.023 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.333.040/01




arrest van 28 oktober 2025




in de zaak van





[xx] Interieurbouw B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [xx],
advocaat: mr. G.N. van Kooten te Rotterdam,



tegen





1Achmea Schadeverzekering N.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. HDI Global SE,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. Liberty Mutual Insurance Europe SE,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,
hierna aan te duiden als Achmea c.s.,
advocaat: mr. S.M. Bordewijk te Amsterdam,



op het bij exploot van dagvaarding van 26 september 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 juli 2023 (hierna: het bestreden vonnis), door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [xx] als gedaagde en Achmea c.s. als eiseressen.






1Het geding bij de rechtbank (zaak-/rolnummer C/02/403055 / HA ZA 22-594)


Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar het bestreden vonnis.





2Het geding in hoger beroep


2.1.

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- de akte van [xx] van 30 juli 2024;
- de antwoordakte van Achmea c.s. van 24 september 2024.




2.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.





3De beoordeling



De feiten




3.1.
Het hof neemt bij zijn beoordeling de volgende feiten tot uitgangspunt:


a. Op 11 november 2019 is een waterlekkage ontstaan in het appartement van [persoon A] (hierna: [persoon A] ) aan [adres] . Dit appartement is onderdeel van [gebouw A] waarin onder andere appartementen, bedrijfsruimten en een galerie genaamd [A] (hierna: de galerie) is gevestigd.



b. Op die 11de november 2019 zou [xx] diverse inbouwkasten plaatsen in de woning van [persoon A] . [persoon B] en [persoon C] hebben die werkzaamheden namens [xx] verricht. Tijdens het plaatsen van een meubel in de studeerkamer is door deze personen een sprinklerkop aangestoten waardoor de sprinkler-installatie in werking is getreden en een grote hoeveelheid water het appartement is ingestroomd. Door de lekkage is ook op diverse andere plaatsen in het gebouw waterschade ontstaan. Daardoor hebben de galerie en de VvE schade geleden.



c. De schade is deels vergoed door Achmea als verzekeraar van de VvE. De schade van de galerie is vergoed door HDI en Liberty.



d. [xx] is voor aansprakelijkheid verzekerd bij ASR Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ASR). Na aangesproken te zijn, heeft ASR bij herhaling aansprakelijkheid afgewezen. Ook [xx] heeft, na aangesproken te zijn, aansprakelijkheid afgewezen.




De centrale vraag in deze zaak





3.2.
In de kern gaat het in deze zaak om de vraag of [xx] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan worden gehouden voor de op 11 november 2019 ontstane waterschade van de VvE voor zover vergoed door Achmea en de op diezelfde datum ontstane schade van de galerie zoals vergoed door HDI en Liberty. Achmea, HDI en Liberty zoeken uit hoofde van regres verhaal voor hetgeen zij aan de VvE en de galerie ten titel van schadevergoeding hebben betaald. Op verderop in dit arrest uiteen te zetten gronden is het hof van oordeel dat [xx] inderdaad aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad voor de hiervoor bedoelde schade.



Het geschil bij de rechtbank





3.3.
Enigszins verkort weergegeven, hebben Achmea c.s. in de procedure bij de rechtbank gevorderd:


I. voor recht te verklaren dat [xx] aansprakelijk is jegens Achmea c.s.;



II. [xx] te veroordelen tot betaling aan Achmea van:



1. een bedrag van totaal € 36.588,10 te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals verwoord in het petitum onder II van de inleidende dagvaarding;
2. een bedrag van totaal € 12.475,47, met wettelijke rente;



III. [xx] te veroordelen tot betaling aan HDI en Liberty van:



1. een bedrag van totaal € 15.120,- te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals verwoord in het petitum onder III van de inleidende dagvaarding;
2. een bedrag van € 8.803,93, met wettelijke rente;



IV. [xx] te veroordelen tot betaling aan Achmea c.s. van de proceskosten, waaronder de nakosten, een en ander met rente.




3.4.
Achmea c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder a omschreven waterschade is veroorzaakt doordat medewerkers van [xx] hun werkzaamheden in het gebouw op zeer onzorgvuldige wijze hebben uitgevoerd waardoor een sprinkler in werking is getreden. Ook [xx] zelf heeft onzorgvuldig gehandeld door haar medewerkers vooraf onvoldoende te instrueren en onvoldoende toezicht te houden op een veilige uitvoering van het werk. Achmea c.s. houden [xx] daarom aansprakelijk voor de gestelde schade op grond van artikel 6:162 BW en artikel 6:170 BW.



3.5.

[xx] heeft de vorderingen van Achmea c.s. gemotiveerd bestreden en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Achmea c.s. althans tot afwijzing van hun vorderingen, met veroordeling van Achmea c.s. in de proceskosten en de nakosten op de wijze zoals verwoord aan het slot van de conclusie van antwoord.



3.6.
Bij mondeling vonnis van 4 juli 2023, opgenomen in het daarvan opgemaakte proces-verbaal, heeft de rechtbank op de in het proces-verbaal vermelde gronden de vorderingen van Achmea c.s. voor het grootste deel toegewezen.



Rechtsmacht





3.7.
HDI en Liberty waren ten tijde van de inleidende dagvaarding gevestigd in Duitsland respectievelijk in Luxemburg. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening. In de procedure bij de rechtbank was [xx], een in Nederland gevestigde partij, gedaagde. Ingevolge artikel 4 lid 1 van de herschikte EEX-Verordening heeft de Nederlandse rechter dan rechtsmacht.



Het hoger beroep





3.8.

[xx] heeft tegen het bestreden vonnis vier grieven aangevoerd die alle zijn voorzien van een toelichting. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de vorderingen van Achmea alsnog worden afgewezen en dat hetgeen is verricht ter uitvoering van het bestreden vonnis door terugbetaling ongedaan wordt gemaakt, met veroordeling van Achmea c.s. in de proceskosten waaronder de nakosten, een en ander op de wijze zoals weergegeven aan het slot van de memorie van grieven.



3.9.
Achmea c.s. hebben de grieven bestreden en geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [xx] in de proceskosten waaronder de nakosten, een en ander op de wijze zoals weergegeven aan het slot van de memorie van antwoord.



3.10.
Partijen hebben vervolgens ieder nog een akte genomen. Daarin hebben zij nog een korte nadere toelichting gegeven op hun procespositie in dit geding, onder handhaving van hun respectieve conclusies in de memorie van grieven en de memorie van antwoord, zo verstaat het hof.



3.11.
De door [xx] tegen het bestreden vonnis aangevoerde grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt.



3.12.
Naar de kern genomen, luidt het standpunt van [xx] in deze zaak dat zij bij het plaatsen van de kast bij [persoon A] geen onverantwoord risico heeft genomen. De kans op waterschade als gevolg van een eventueel aanstoten van de sprinkler bij het plaatsen van de kast was klein, terwijl zij in de persoon van [persoon D] tevoren heeft onderzocht of het risico kon worden weggenomen of verkleind, aldus met zoveel woorden nog steeds [xx].



3.14.
Bij zijn beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Gedrag van een aansprakelijk gestelde partij dat tot zaakschade heeft geleid, is pas onrechtmatig te achten als dat gedrag in strijd is met de wet of met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Indien men gedrag onrechtmatig zou oordelen wegens een enkele rechtsinbreuk omdat deze zaakschade tot gevolg heeft, leidt dat tot een te lage drempel voor aansprakelijkheid. De omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat gedrag dat tot zaakschade heeft geleid mede vanwege dat gevolg - de ontstane zaakschade – in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Naar het oordeel van het hof betekent dit in de voorliggende zaak concreet dat voor het oordeel of het stoten tegen een sprinklerkop bij het opbouwen van een inbouwkast jegens derden in strijd is met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, de feiten in de concrete situatie van belang zijn.


3.14.1.

Als niet dan wel onvoldoende concreet weersproken staat in dit geding het volgende vast. [xx] is een interieurbouwer die ervaring heeft met het plaatsen van grote inbouwmeubels. Deze meubels moeten worden geplaatst zonder dat daarbij schade wordt toegebracht aan de woning. [xx] hanteert daarbij een bepaalde werkwijze waarbij de kast liggend in elkaar wordt gezet waarna de kast wordt gekanteld en voorzien van de pootjes en een plint aan de bovenkant. [xx] heeft aangegeven dat zij altijd uiterst zorgvuldig te werk gaat en dat de medewerkers altijd heel alert zijn niets te raken of te beschadigen, zeker niet aan het plafond. Dit kunnen bijvoorbeeld elektriciteitskabels of sprinklers zijn.
In het onderhavige geval zijn de inbouwmeubels geplaatst in het appartement van

[persoon A] . Het ging om een appartement in een appartementencomplex. De woning van

[persoon A] bevindt zich op de 15e verdieping van dit complex. [xx], in de persoon van [persoon D] , heeft, voorafgaand aan de werkzaamheden, met [persoon A] uitgebreid gesproken over de sprinklers in de woning van [persoon A] en de situatie ter plaatse bekeken. Verder moet naar het oordeel van het hof [xx] als professionele interieurbouwer ermee bekend worden geacht dat op het moment dat een sprinkler in werking treedt, dit een waterballet oplevert en omdat het water zijn weg naar beneden zoekt, dit schadelijke gevolgen kan hebben voor de onderliggende appartementen en bedrijven.





3.14.2.
Voorts staat vast dat [xx], in de persoon van [persoon D] , zelf bij een ander bedrijf had meegemaakt dat een sprinklerinstallatie bij het boren in het plafond was geraakt en hij had gezien welke schade dit veroorzaakte. De rechtbank heeft vastgesteld dat [persoon D] niet wilde dat dit ook bij hem zou gebeuren. Daarom heeft hij [persoon A] gevraagd of de installatie uit kon worden geschakeld. Dat bleek niet mogelijk. Hij heeft er bij het ontwerp wel rekening mee gehouden - de kast was lager dan de sprinklers en kon er dus onderdoor worden geschoven - en ook haar medewerkers op de hoogte gesteld. [xx] heeft aangegeven zich van de aanwezigheid van deze sprinklers bewust te zijn geweest. Tegen dit laatste deel van de overweging is geen grief gericht.




3.15.
Het hof is, gelet op bovenstaande feiten in deze concrete situatie, van oordeel dat [xx] jegens de gelaedeerden onrechtmatig heeft gehandeld nu zij niet de van haar te eisen zorgvuldigheid in acht heeft genomen; de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm brengt in deze zaak met zich dat van [xx] kon en mocht worden verwacht de sprinklerkop niet te raken. Het bestaan van deze bijzondere zorgplicht hangt samen met de bijzondere positie van [xx], de professionele partij die voordat zij het op maat gemaakte meubilair bij de klant plaatst, ter plaatse gaat kijken en beoordeelt hoe zij, zonder schade aan de sprinklerinstallatie toe te brengen, haar werk zal moeten gaan doen. Evident is dat de kast waarbij boven de kastdeuren volgens het ontwerp 40 mm vrij werd gehouden tot de sprinklerkop, bij het kantelen de sprinklerkop zou kunnen raken. Haar werk was op de 15e verdieping en zij was zich bewust van de omvang van de schade in het geval een sprinklerinstallatie zou worden beschadigd en daardoor in werking zou treden, althans diende zich daarvan redelijkerwijs bewust te zijn. Zij had elders gezien hoeveel waterschade ontstaat wanneer een leiding van de sprinklerinstallatie wordt geraakt. De vraag van [xx] of de installatie niet kon worden uitgeschakeld, geeft ook aan dat zij zich bewust was van de omvang van de schade die zou kunnen ontstaan als de installatie zou worden geraakt en in werking zou treden.



3.16.
Grief 2 richt zich tegen de overweging dat [xx] wist dat er al eerder sprinklers in het complex waren afgegaan en grief 3 tegen de overweging dat [xx] zou hebben meegemaakt dat er elders een sprinkler was geraakt; [xx] geeft aan dat de waterschade ontstond doordat met het boren in het plafond de sprinklerleiding was geraakt. Het hof heeft in het bovenstaande deze overwegingen van de rechtbank buiten beschouwing gelaten. Zij zijn niet redengevend voor het oordeel. Het door [xx] gedane bewijsaanbod passeert het hof dan ook.



3.17.

Hoewel voor de beoordeling alle feiten en omstandigheden van belang zijn, gaat het naar het oordeel van het hof hier niet om het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie, en dus niet om een geval van gevaarzetting. In zoverre zijn de Kelderluikcriteria, zoals ingeroepen door [xx], niet van belang. Zoals hiervoor overwogen, ligt het navolgende gedrag ter beoordeling voor, namelijk “het stoten tegen een sprinklerkop bij het opbouwen van een inbouwkast”, en dat dan onder de hiervoor besproken feiten en omstandigheden in deze zaak. Dit gedrag veroorzaakt de schade onmiddellijk.
Onder verwijzing naar de Kelderluikcriteria stelt [xx] dat de kans op waterschade bij het stoten klein is. Zij stelt dat zij dit zelf nog nooit heeft meegemaakt en dat de kans in zijn algemeenheid klein is. Zij verwijst naar een uitgave van het landelijk expertisecentrum Brandweer & BRZO waarin staat te lezen dat de kans dat een sprinkler door een ongeluk in werking treedt, klein is. Zij stelt voorts dat de kans op een ongewenste activering in de praktijk bijzonder klein is. Achmea c.s. hebben gemotiveerd betwist dat de kans op schade als gevolg van het stoten tegen een sprinkler in zijn algemeenheid niet zo groot is dat [xx] - zoals zij zelf stelt – gelet op die kans van het plaatsen van de kast af had moeten zien. De kans op waterschade door het met een grote zware kamerhoge inbouwkast stoten tegen
een sprinkler is beslist reëel vanwege het grote gewicht ervan. Het idee van een
sprinkler is dat deze afgaat als het hittegevoelige uitstekende element (meestal
een met vloeistof gevulde glazen ampul) kapot gaat. Ten overvloede - hiervoor is immers overwogen dat de Kelderluikcriteria hier niet van toepassing zijn - overweegt het hof hierover dat [xx] dit verweer, wat daar verder inhoudelijk van zij, onvoldoende heeft onderbouwd gelet op de gemotiveerde stelling van Achmea c.s. De verwijzing naar een folder en een site is onvoldoende; daaruit volgt niet dat het stoten tegen de sprinkler met een grote zware kast niet tot gevolg kan hebben dat de sprinkler in werking treedt of dat de kans daarop dan klein is. Waar het op aankomt, is dat onder de hiervoor besproken feiten en omstandigheden van dit geval van [xx] als professioneel interieurbouwer mag worden verwacht dat zij haar werkzaamheden op zodanige wijze uitvoert dat zij geen schade toebrengt aan de woning waar zij bezig is en de zaken die daarvan deel uitmaken, waaronder aanwezige sprinklerkoppen.




3.18.

[xx] stelt dat de volgende omstandigheden relevant zijn voor het aannemen van aansprakelijkheid jegens derden voor het niet nakomen van een overeenkomst jegens een contractspartij:


de hoedanigheid van alle betrokken partijen;


de aard en strekking van de betreffende overeenkomst;


de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken;


e vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was;


de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien;


de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de


derde rekening te houden;

de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt; en
de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt alsmede
de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het feitenrelaas dat de contractspartijen bijzondere aandacht hebben besteed aan de wijze waarop [xx] bij [persoon A] de kasten zou gaan opbouwen en plaatsen, namelijk zonder daarbij de sprinklerinstallatie te raken. [xx] als professionele partij was zich ervan bewust dat, als deze wel zou worden geraakt, dit ook tot aanzienlijke waterschade bij de gelaedeerden zou kunnen leiden, althans diende dat redelijkerwijs te zijn. Gesteld noch gebleken is dat het niet mogelijk zou zijn om de kast te plaatsen zonder de sprinklerkop te raken. Dat [xx] heeft gevraagd of de sprinklerinstallatie niet tijdelijk kon worden afgesloten, is dan ook niet van belang. Zij heeft aangegeven de kast te plaatsen zonder de sprinklerkop te raken en heeft dit ook met haar medewerkers voorbesproken. Dat deze medewerkers desalniettemin de sprinklerkop hebben geraakt, betekent dat zij in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid hebben gehandeld, ook al is dit per ongeluk gebeurd. Het onzorgvuldig handelen van haar medewerkers is onder de omstandigheden van deze zaak aan [xx] toe te rekenen op grond van het bepaalde in artikel 6:170 lid 1 BW. Wat [xx] in dit verband verder nog heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.



3.19
De grieven slagen niet. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en zal [xx] in de proceskosten veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea c.s. zullen vastgesteld worden op:


griffierechten € 2.135,00


salaris advocaat € 3.319,50 (1,5 punt x tarief IV)


nakosten € 157,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


Totaal € 5.611,50


De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






4De uitspraak


Het hof:



bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;



veroordeelt [xx] in de proceskosten van het hoger beroep van € 5.611,50, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [xx] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [xx] € 82,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



veroordeelt [xx] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders gevorderde.




Dit arrest is gewezen door mrs. B.E.L.J.C. Verbunt, J.M.H. Schoenmakers en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2025.



griffier rolraadsheer