Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2931

2025-10-23 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.356.899_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-23
Publicatiedatum
2025-10-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.356.899_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Contactregeling artikel 1:377a en 1:377e BW; GI wil beperking van contact tussen de minderjarige en de ouders. De ouders zijn het daarmee niet eens.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.805 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak: 23 oktober 2025
Zaaknummer: 200.356.899/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/410621 / JE RK 24-1681




in de zaak in hoger beroep van:





[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
en


[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
samen te noemen: de ouders,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Pool,



tegen





William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).



Het hof merkt als belanghebbenden aan:


[de pleegmoeder]
, en


[de pleegvader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders.



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestiging] ,
hierna te noemen: de raad.




In het kort:

De ouders zijn het niet eens met de contactregeling die de rechtbank op verzoek van de GI heeft bepaald ten aanzien van hun minderjarige zoon [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] .






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juni 2025, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een contactregeling vast te stellen waarbij:
- de ouders tweemaal per week, voor de duur van twee uur, begeleid contact hebben met [minderjarige] ;
- [minderjarige] aanwezig is bij de begeleide familiebezoeken tussen de ouders en hun vijf kinderen,
althans een contactregeling vast te stellen die het hof in goede justitie juist acht.


2.1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben de ouders hun verzoek gewijzigd en verzocht een contactregeling vast te stellen waarbij:

primair:


- de ouders wekelijks, voor de duur van twee uur, begeleid contact hebben met [minderjarige] ;
- [minderjarige] aanwezig is bij de begeleide familiebezoeken tussen de ouders en hun vijf kinderen.

subsidiair:

- de ouders een keer per twee weken, voor de duur van twee uur, begeleid contact hebben met [minderjarige] ;
- [minderjarige] aanwezig is bij de begeleide familiebezoeken tussen de ouders en hun vijf kinderen.




2.2.
Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2025, heeft de GI verzocht de moeder (naar het hof begrijpt: de ouders) nietontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen.



2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:


de ouders, bijgestaan door mr. Pool;



[vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;


de pleegouders;



[vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad.







3De beoordeling



De feiten




3.1.

[minderjarige] is geboren uit de affectieve relatie van de ouders. De vader heeft [minderjarige] erkend.



3.2.
Bij beschikking van 27 september 2023 heeft de kinderrechter (de toen nog ongeboren) [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 27 september 2024. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot 27 september 2025.



3.3.

Bij beschikking van 19 oktober 2023 is een (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken, tot 16 november 2023.
Bij beschikking van 14 november 2023 is ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gedurende dag en nacht verleend, met ingang van 16 november 2023 voor de duur van negen maanden, dus tot 16 augustus 2024.
Bij beschikking van 1 juli 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 16 augustus 2024 voor de duur van de ondertoezichtstelling daarmee tot 27 september 2024.
De machtiging uithuisplaatsing is bij beschikking van 19 september 2024 daarna verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 27 september 2025.




3.4.

[minderjarige] verblijft sinds 30 maart 2024 in een (toekomst)perspectiefbiedend pleeggezin.



3.5.
Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd over [minderjarige] benoemd.



3.6.
De ouders hebben op 13 november 2023 een schriftelijke aanwijzing bezoekregeling ontvangen van de GI, waarin de GI de volgende omgangsregeling vaststelt:


één keer per week omgang; 1 uur op woensdagochtend;


de omgang start te allen tijde om 10.30 uur;


de omgang vindt altijd plaats bij het pleeggezin zodat [minderjarige] in verband met zijn gezondheid niet hoeft te reizen.


Dit deel van de schriftelijke aanwijzing is bij beschikking van de rechtbank – naar het hof begrijpt – van 18 januari 2024 bekrachtigd.



3.7.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank ten aanzien van [minderjarige] de volgende contactregeling vastgelegd:

[minderjarige] heeft één keer per drie weken gedurende anderhalf uur begeleid contact met zijn beide ouders. Deze tijd wordt opgedeeld tussen beide ouders, zolang zij individuele omgang wensen, te weten:



45 minuten begeleid contact met moeder;


45 minuten begeleid contact met vader.


Het verzoek van de ouders tot uitbreiding van de contactregeling is in die beschikking afgewezen.



3.8.
De vader en de moeder kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.



De standpunten





3.9.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aan.
De ouders stellen zich op het standpunt dat de GI haar verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. Het is onvoldoende gebleken waarom een beperking van het contact noodzakelijk en daarmee proportioneel zou zijn. De GI geeft als reden voor de beperking van het contact aan dat [minderjarige] na contactmomenten voor de duur van anderhalve dag onrustig is en veel huilt. Het is algemeen bekend dat een kind na contactmomenten signalen van onrust kan afgeven. De GI heeft aangegeven dat de onrust voor anderhalve dag na het contact kan aanhouden, terwijl de pleegmoeder heeft aangegeven dat [minderjarige] enkel in de nacht onrustig is. Zowel de GI als de kinderrechter hebben onvoldoende gemotiveerd waarom de signalen van onrust, die enkel in de nacht na een contactmoment plaatsvindt, te fors zijn voor [minderjarige] . Met name de moeder is bang dat [minderjarige] haar niet meer als zijn moeder zal zien.
De kinderrechter heeft aangegeven dat ouders op momenten onbetrouwbaar zijn in het nakomen van de contactmomenten en dat ouders niet passend aansluiten bij [minderjarige] . De ouders zijn het hier niet mee eens. Zij zijn de afgelopen periode juist gegroeid in het nakomen van de contactafspraken. Er was bij de moeder sprake van medische omstandigheden waardoor zij niet kon reizen. De vader stelt voor om de omgang bij hem thuis te laten plaatsvinden zodat de moeder geen reistijd heeft. De ouders hebben geen relatie meer maar wonen op dit moment nog wel samen in een woning.
Verder zijn de ouders van mening dat het op de weg van de GI had gelegen om passende hulpverlening in te zetten zodat zij beter kunnen aansluiten op de behoeften van [minderjarige] en om het zelfinzicht van de ouders te vergroten.
Op grond van het IVRK en het EVRM rust op de overheid en daarmee op de GI de positieve verplichting om ervoor zorg te dragen dat het familieleven zo veel als mogelijk gehandhaafd blijft. Dat leidt ertoe dat alle voorbereidende maatregelen genomen moeten worden om contact tussen de ouders en [minderjarige] mogelijk te maken. De ouders stellen zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een beperkte contactregeling tussen de ouders en [minderjarige] heeft vastgesteld. Bovendien is het gelet op de hechting, het ‘family life’ en de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van belang dat er contactmomenten plaatsvinden. Een beperkte contactregeling van eenmaal in de drie weken zal onherstelbare gevolgen hebben en is traumatisch voor [minderjarige] . Meer frequente contactmomenten zijn meer passend en stellen [minderjarige] in de gelegenheid om te wennen aan de ouders. Tevens wordt dan de mogelijkheid gecreëerd om passende hulpverlening in te zetten, waardoor gewerkt kan worden aan de opvoedvaardigheden van de ouders. Dit kan de onrust bij [minderjarige] verminderen.
Vorenstaande belangen zijn onvoldoende door de kinderrechter meegewogen bij de beslissing om de contactmomenten te beperken.




3.10.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.
Het is voor kinderen die elders opgroeien belangrijk dat zij hun ouders met regelmaat kunnen zien. Het is niet ongebruikelijk voor een kind om na een bezoek met de ouders een reactie in gedrag te laten zien. Deze reactie moet passend zijn bij de leeftijd en zijn/haar draagkracht. De draaglast mag echter de draagkracht niet overheersen. [minderjarige] reageerde erg heftig op de wekelijkse omgang met de ouders. Die reactie is volgens de GI veel te fors voor een jongen van zijn leeftijd. [minderjarige] is volop in ontwikkeling, waarin hij meer uitdagingen kent dan zijn leeftijdsgenoten. Hij heeft rust en stabiliteit nodig om deze ontwikkeling door te maken. De ouders zijn de omgangsmomenten met [minderjarige] sinds 17 maart 2025 niet meer nagekomen. Het gedrag dat [minderjarige] na een omgangsmoment met de ouders liet zien, laat hij nu niet meer zien. De GI maakt zich, gezien het feit dat het contact al enige tijd uitblijft, zorgen over de reactie die [minderjarige] zal geven als de ouders plots weer wel aanwezig zullen zijn. In overeenstemming met [instantie] ([instantie]) is afgesproken dat [minderjarige] traumabehandeling gaat volgen. De moeder is digitaal aangesloten bij het intakegesprek en daarbij is besproken dat het [instantie] [minderjarige] behandeling wil bieden mits de moeder betrokken blijft bij het traject en er een betrouwbare omgang bestaat. Aan die voorwaarde wordt niet voldaan.
Met de vader heeft de GI nu helemaal geen contact, omdat de vader heeft aangegeven dit niet te willen.
De GI betwist de stelling van de ouders dat de GI geplande omgangsmomenten heeft geannuleerd.
De ouders hebben tijdens de omgangsmomenten met [minderjarige] gebruik kunnen maken van de expertise van de betrokken hulpverleners. Gelet op de afwezigheid van de ouders bij de fysieke bezoeken en de online evaluaties is geconcludeerd dat de ouders onvoldoende gemotiveerd waren om te profiteren van de begeleiding, en dat zij hierin niet leerbaar zijn gebleken. De door de hulpverlening gegeven feedback beklijft niet.
Door dit herhaald patroon van de ouders is de GI van mening dat het voor de ouders niet haalbaar is om de omgang met [minderjarige] uit te breiden. Ook acht de GI het niet passend om de omgang uit te breiden omdat [minderjarige] de ruimte nodig heeft om zich in zijn eigen tempo te ontwikkelen, waarbij rust en veiligheid noodzakelijk zijn. [minderjarige] heeft veel last van de omgangsmomenten. Wanneer deze frequent plaatsvinden, komt hij onvoldoende tot rust tussen de bezoeken door. Dit maakt dat de GI inmiddels bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend om de frequentie van de omgang te verminderen.
Het hoger beroep van de ouders dient dan ook te worden afgewezen.




3.11.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd het verzoek van de ouders af te wijzen. Hoewel de raad begrip heeft voor de ouders, ziet de raad ook dat het de ouders niet lukt de huidige omgangsregeling (van een keer in de drie weken) na te komen. Voor iedere omgang moet er van alles geregeld worden door de GI en de pleegouders en dat heeft gevolgen voor [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] al een hele onderneming om de afstand naar de omgangslocatie te moeten reizen. Het voorstel van de vader om de omgang bij hem thuis te laten plaatsvinden is niet in het belang van [minderjarige] . De reistijd kan niet bij het kind worden neergelegd en van de ouders mag eerst eigen initiatief verlangd worden alvorens er gekeken gaat worden naar een tegemoetkoming.
Er moet wel degelijk contact zijn tussen [minderjarige] en de ouders maar er moet vooral gekeken worden naar wat haalbaar is en wat in het belang is van [minderjarige] .




3.12.

De pleegouders hebben tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij gaat momenteel drie ochtenden per week naar een medisch kinderdagverblijf en gaat met sprongetjes vooruit. Het onrustige gedrag tijdens de nachten laat hij niet meer zien. Hij heeft nog steeds fysiotherapie.
De wekelijkse omgang met de ouders was voor [minderjarige] zichtbaar te veel. Omgang gedurende een keer per drie weken is eigenlijk ook te veel voor [minderjarige] , maar het is ook belangrijk dat hij niet van zijn ouders vervreemdt. Er zal een afweging gemaakt moeten worden wat het beste is voor [minderjarige] .




De motivering van de beslissing





3.13.
Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.



3.14.
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.



3.15.
De artikelen 1:377a en 1:377e BW moeten aldus worden uitgelegd dat daarin de aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling over de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen, dan wel het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen, mede aan de GI toekomt die de voogdij uitoefent (ECLI:NL:HR:2017:943).



3.16.

Het hof acht de contactregeling zoals die door de rechtbank is vastgelegd in de bestreden beschikking op dit moment noodzakelijk in het belang van [minderjarige] .
Daarbij is van doorslaggevend belang dat voldoende is komen vast te staan dat wekelijkse bezoeken in frequentie te intensief zijn voor [minderjarige] én dat het de ouders niet lukt de huidige omgangsregeling van een keer in de drie weken na te leven. Het hof zal dit hierna toelichten.

[minderjarige] is net twee jaar oud en woont praktisch vanaf zijn geboorte al in een pleeggezin. Sinds maart 2024 woont hij in het huidige perspectiefbiedend pleeggezin. Hij ontwikkelt zich daar goed en is veilig gehecht aan de pleegouders.
In eerste instantie heeft de GI middels een schriftelijke aanwijzing een wekelijkse omgangsregeling van één uur met de ouders vastgelegd. Daarbij is geconstateerd dat [minderjarige] iedere keer moet wennen aan de ouders en veiligheid zoekt bij de begeleiding. De pleegouders geven aan dat [minderjarige] de nacht na een bezoek aan de ouders heel slecht slaapt, erg onrustig is en veel huilt. Ook de dagen na de omgang blijft [minderjarige] onrustig, moe en prikkelbaar. Naar het oordeel van het hof kan daarom worden aangenomen dat [minderjarige] veel last heeft van de bezoeken en meer rust nodig heeft tussen de omgangsmomenten.
Vast staat voorts dat de ouders vanaf 17 maart 2025 geen omgang meer met [minderjarige] hebben gehad. Ondanks diverse gesprekken die de GI met de moeder heeft gevoerd, lukt het de ouders niet aanwezig te zijn bij de omgangsmomenten. De vele hulpverlening die is ingezet, heeft tot dusver niet tot verbetering geleid. Daar komt bij dat de vader het contact en de samenwerking met de GI inmiddels heeft verbroken. Dit alles heeft voor [minderjarige] een grote impact en dit baart het hof zorgen.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank – die een beperking inhoudt van de omgang zoals die tot dan toe feitelijk werd uitgevoerd – voor nu, terecht, en in het belang van [minderjarige] is. Het hof acht een inbreuk op het family life, gelet op de zwaarwegende belangen van [minderjarige] , onder de gegeven omstandigheden, gerechtvaardigd.




3.17.
Het voorgaande brengt met zich dat het hof het verzoek van de ouders om de omgangsmomenten uit te breiden, zal afwijzen.



Afsluitende conclusie





3.18.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en het verzoek van de ouders afwijzen.





4De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank OostBrabant van 20 maart 2025;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M. van der Linden en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.