Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2929
2025-10-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.351.127_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitleg niet-wijzigingsbeding in echtscheidingsconvenant. Art. 1:159 lid 1 en lid 3 BW, Was het de bedoeling van partijen dat de alimentatieverplichting van de man niet zou eindigen in het geval dat de vrouw zou gaan samenwonen als ware zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW? Het hof beantwoordt die vraag bevestigend met toepassing van het Haviltex-criterium. Ook overigens geen sprake van een wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en de huidige financiële situatie van de man. Het hof wijst het verzoek om de partneralimentatie op grond van art. 1:159 lid 3 BW te wijzigen af.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.580 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.351.127/01
zaaknummer rechtbank : C/02/416977 / FA RK 23-5853
beschikking van de meervoudige kamer van 23 oktober 2025
inzake
[de man]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,
tegen
[de vrouw]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans te Roosendaal.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
De man is op 11 februari 2025 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 12 november 2024.
2.2.
De vrouw heeft op 14 april 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het V6-formulier van 10 april 2025, met bijlage, van de advocaat van de man;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank;
- het V6-formulier van 15 augustus 2025, met bijlagen, van de advocaat van de man
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 26 augustus 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3De feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
De vrouw en de man zijn met elkaar getrouwd geweest van 12 juli 2007 tot 31 juli 2019. De echtscheidingsbeschikking is op 31 juli 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.
Zij zijn de ouders van:
- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] (hierna: [kind 1] );
- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] (hierna: [kind 2] ).
3.4.
[kind 1] is voorafgaand aan het huwelijk door de man erkend.
3.5.
Op 25 juni 2019 hebben de ouders een echtscheidingsconvenant en vaststellingsovereenkomst en een ouderschapsplan getekend.
3.6.
Ten aanzien van de partneralimentatie zijn de ouders, voor zover hier van belang, overeengekomen:
Artikel 2. PARTNERALIMENTATIE
2.1
De man en de vrouw stellen de behoefte van de vrouw hierbij vast op € 5.929 netto per maand,
uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 7.294 per maand en kosten van de kinderen van € 1.365 per maand.
De vrouw kan gedeeltelijk in haar eigen levensbehoefte voorzien. Haar gemiddelde bruto inkomen uit
arbeid en/of vermogen bedraagt ten tijde van ondertekening van dit convenant € 18.837 per jaar. De
resterende behoefte aan partneralimentatie bedraagt derhalve € 4.072 bruto per maand.
Voor verdere details omtrent de behoefte wordt verwezen naar de uitgangspunten beschreven in
productie 2.
2.2
De draagkracht van de man is gebaseerd op de uitgangspunten beschreven in productie 2.
2.3
Op basis van de aldus vastgestelde behoefte en draagkracht komen de man en de vrouw
vervolgens overeen, dat de man aan de vrouw met ingang van de eerste van de maand na ondertekening van dit convenant zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.000 per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan haar zal worden voldaan. Hiermee wijken partijen voor wat betreft de hoogte van de partneralimentatie heel bewust af van de wettelijke maatstaven.
Voormeld bedrag is een brutobedrag. De daarover verschuldigde inkomstenbelasting en heffingen zijn voor rekening van de alimentatiegerechtigde.
2.4
Het in artikel 2.3 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een
wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van
omstandigheden, dat diegene die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald. Het in dit convenant over artikel 1:160 BW bepaalde wordt door partijen in ieder geval niet als een dergelijke ingrijpende wijziging gezien.
2.5
Het in artikel 2.3 afgesproken bedrag aan maandelijks te betalen partneralimentatie zal worden
verhoogd met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2020.
2.6
In afwijking van de huidige wettelijke termijn komen de man en de vrouw overeen dat de man de in artikel 23 genoemde alimentatie aan de vrouw voor een periode van 11 jaar en 10 maanden verschuldigd is, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk door inschrijving van de beschikking in de registers van de Burgerlijke Stand.
(…)
3.7.
In het (gewijzigde) ouderschapsplan van 2 juli 2020 zijn de ouders overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 2020 zo lang de kinderen bij de vrouw wonen en minderjarig zijn een kinderalimentatie dient te voldoen van € 411,- per kind per maand.
3.8.
Geïndexeerd naar 2025 dient de man te betalen € 2.516,30 per maand aan partneralimentatie.
3.9.
Op [geboortedatum] 2023 hebben de man en zijn huidige echtgenote een dochter gekregen: [kind 3] .
3.10.
De man betaalt sinds de meerderjarigheid van [kind 1] , te weten sinds [geboortedatum] 2025, een bijdrage in haar levensonderhoud en studie rechtstreeks aan haar.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man, om, kort gezegd, voor recht te verklaren dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw van rechtswege is geëindigd dan wel de door de man te betalen partneralimentatie en nader vast te stellen op nihil, dan wel op een lager bedrag en te bepalen dat de vrouw hetgeen onverschuldigd is betaald door de man aan hem dient terug te betalen, afgewezen.
4.2.
De man verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende,
primair:
1. te verklaren voor recht dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw van rechtswege is geëindigd met ingang van 22 februari 2022, dan wel met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
2. te bepalen dat de vrouw hetgeen door de man onverschuldigd is betaald aan de man dient terug te betalen;
subsidiair:
voor het geval het verzoek onder punt 1 niet kan worden toegewezen verzoekt de man het hof om de beschikking van de rechtbank Overijssel d.d. 17 juli 2019 te wijzigen en de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen, zulks met ingang van 25 oktober 2023, dan wel met ingang van de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift bij de rechtbank, te weten 13 december 2023, dan wel met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum.
4.3.
De grieven van de man zien op het niet-wijzigingsbeding.
4.4.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de man in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken in hoger beroep als ongegrond en onbewezen af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
5.1.
De hoogte van de behoefte van de vrouw en de behoeftigheid van de vrouw is niet in geschil.
5.2.
De man voert in drie grieven het volgende aan.
De vrouw is duurzaam gaan samenwonen met haar nieuwe partner op 22 februari 2022 als waren zij gehuwd. De vrouw ontkent dat niet. Daarom is artikel 1:160 BW van toepassing en is er van rechtswege een einde gekomen aan de partneralimentatie. Partijen hebben in het convenant artikel 1:160 BW niet willen uitsluiten, dat is ook zo niet benoemd. Het niet wijzigingsbeding ziet alleen op een wijziging van de hoogte van de bijdrage, niet op het einde van de onderhoudsverplichting. Dit is door de advocaat die het echtscheidingsverzoek heeft ingediend ook als zodanig beschreven in het begeleidende schrijven bij het echtscheidingsverzoek. In het convenant staat wel “Het in dit convenant over artikel 1:160 BW bepaalde wordt door partijen in ieder geval niet als een dergelijke ingrijpende wijziging gezien”, maar in het convenant is verder niets bepaald over artikel 1:160 BW. Artikel 1:160 BW is daarom gewoon van toepassing.
De bedoeling van partijen was de situatie voor de kinderen na de echtscheiding zo min mogelijk aan te passen, in die zin dat de kinderen in elk geval in de woning zouden kunnen blijven. Dit is voor de vrouw ook thans mogelijk zonder de alimentatie op basis van haar eigen inkomen en dat van haar nieuwe partner. Partijen hadden de bedoeling dat de vrouw in haar zoektocht naar een nieuwe partner niet beperkt zou zijn tot het vinden van een partner met een hoog inkomen, om maar de kosten van de woning te kunnen blijven voldoen. Daarvoor was het niet wijzigingsbeding opgenomen. De bedoeling was ook om met elkaar in gesprek te gaan op het moment dat de vrouw wél in staat zou zijn de woning zelf (eventueel met een goed inkomen van een nieuwe partner) te kunnen financieren.
Er is ook sprake van een volkomen wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en hetgeen zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, die een wijziging van het alimentatiebedrag rechtvaardigt. De man wijst op het aanzienlijke verschil in draagkracht aan de zijde van de man toen en nu, waarbij de partner van de man fulltime moet werken, zodat zij samen de woonlasten kunnen voldoen, en voert aan dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in haar gezin veel hoger is dan het netto besteedbaar inkomen van het gezin van de man. De man was genoodzaakt van baan te wisselen. Hij heeft op 21 september 2020 een exitinterview gehad. De man ontvangt geen bonus meer, die al buitenproportioneel hoog was, maar een lagere tantième. De nieuwe baan betreft een promotie van manager naar director, zowel wat betreft verantwoordelijkheden als de primaire arbeidsvoorwaarden. Door de slechtere secundaire arbeidsvoorwaarden (met betrekking tot de pensioenafdracht en de winstdeling) heeft hij echter een lager netto besteedbaar inkomen. De man kan op dit moment geen volledig pensioen opbouwen omdat de alimentatieverplichting te zwaar is.
Het steekt de man dat [kind 1] op dit moment door de vrouw niet wordt toegelaten tot de voormalige echtelijke woning, hetgeen destijds allerminst de bedoeling van partijen was. Ook in die zin staat de huidige situatie in een wanverhouding tot wat partijen destijds voor ogen hadden.
De man is op [geboortedatum] 2023 opnieuw vader geworden. Met de onderhoudsverplichting van de man jegens [kind 3] dient ook rekening te worden gehouden.
De man betaalt op dit moment een lagere bijdrage aan [kind 1] omdat zij zelf een redelijk inkomen verwerft. De man overlegt steeds met [kind 1] over wat zij nodig heeft.
De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt waar de berekening van de mediator destijds op was gebaseerd. Hij had toen voldoende inkomen om de bijdrage te voldoen. Partijen zijn niet uitdrukkelijk afgeweken van de wettelijke maatstaven. Ten opzichte van toen is de draagkracht en het besteedbaar gezinsinkomen van de man aanzienlijk gedaald.
Tot slot wijst de man erop dat zijn gemoedstoestand bij het sluiten van het convenant slecht was. Hij was bij een psycholoog onder behandeling voor een zware depressie. De man kon de gevolgen van het niet-wijzigingsbeding niet overzien en ging af op het advies van de mediator.
5.3.
De vrouw voert het volgende aan als verweer op de door de man aangevoerde grieven.
Partijen hebben expliciet het niet-wijzigingsbeding afgesproken, waarbij ook uitdrukkelijk de toepassing van artikel 1:160 BW is uitgesloten. Dat blijkt uit de tekst van het convenant, hoe daarover gesproken is en hoe partijen nadien gehandeld hebben. Het niet-wijzigingsbeding ziet op (de hoogte en de duur van) de overeengekomen onderhoudsverplichting. De vrouw biedt aan om getuigen te horen: de mediator en zichzelf. De mediator heeft de advocaat van de vrouw verteld dat er in meerdere gesprekken bij stil is gestaan wat het voor de vrouw zou betekenen als zij een nieuwe partner zou krijgen. Er is een lager bedrag afgesproken (namelijk € 2.000,- per maand) dan het bedrag dat de man kon betalen (€ 2.528,- per maand), niet omdat de vrouw de woning dan zou kunnen financieren, maar zodat beide partijen de zekerheid zouden hebben dat dit bedrag nu en in toekomst aan partneralimentatie betaald zou worden, ongeacht loonsverhogingen of loonstijgingen, en ongeacht of de vrouw zou gaan samenwonen. Ten behoeve van die zekerheid nam de vrouw genoegen met minder.
Er is geen sprake van een wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van het convenant zijn overeengekomen en wat er zich in de praktijk voordeed. Vastgesteld moet worden of sprake is van een onvoorziene toekomstige omstandigheid, die een zo ingrijpende wijziging met zich brengt wat maakt dat er een volkomen wanverhouding is ontstaan. De man kan daarom niet volstaan met het overleggen van draagkrachtberekeningen. Dat de man van baan is gewisseld, een dochter heeft gekregen en dat het inkomen van de vrouw is gestegen, zijn geen ingrijpende en onvoorziene omstandigheden als hiervoor bedoeld. Uit het verslag van het exitinterview blijkt bovendien niet dat de man genoodzaakt was te vertrekken. Het was een vrije keuze van de man om te gaan en ook om nieuwe arbeidsvoorwaarden af te spreken. De man draagt € 462,- per vier weken aan pensioen af. Alleen het “extra” pensioen zegt hij nu niet te kunnen voldoen, maar dat hoeft ook niet. Het bruto inkomen van de man is zelfs hoger geworden bij zijn nieuwe werkgever. Het netto besteedbaar inkomen van de man is ook hoger dan in 2020. De man meet bovendien met twee maten: aan de zijde van de vrouw moet wel met het inkomen van haar partner worden gerekend maar aan de zijde van de man hoeft dat volgens hem niet. De man houdt ten onrechte aan zijn zijde er geen rekening mee dat hij zijn woonlasten kan delen. Bovendien hebben de man en zijn partner tezamen een riant inkomen. De vrouw betwist dat de man in een lastige financiële situatie zit.
Uit het overzicht van afspraken van de man bij de psycholoog blijkt niets over de gemoedstoestand van de man en dat de man - voor zover hij dat beoogt te stellen - niet in staat was zijn wil te bepalen ten aanzien van het convenant (artikel 3:34 BW).
De man heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de vrouw volgens de man meer financiële middelen tot haar beschikking heeft. Dat [kind 1] niet meer thuis woont was ook te voorzien, aangezien kinderen uiteindelijk ‘uitvliegen’. De man betaalt overigens slechts € 100,- aan [kind 1] en houdt in die zin ook meer draagkracht over voor het betalen van partneralimentatie aan de vrouw.
Van een eventuele terugbetalingsverplichting is geen sprake en dit kan van de vrouw ook niet worden gevergd, vanwege de ingrijpende gevolgen van een dergelijke terugbetalingsverplichting voor de vrouw.
5.4.
Het hof oordeelt als volgt.
Einde onderhoudsplicht op grond van artikel 1:160 BW?
5.4.1.
Partijen hebben in artikel 2.4 van hun convenant een niet-wijzigingsbeding opgenomen. De man stelt dat partijen hiermee niet de werking van art. 1:160 BW hebben willen uitsluiten. De vrouw betwist dat gemotiveerd. Aan het hof ligt de vraag voor of partijen hebben bedoeld om de werking van artikel 1:160 BW onder het niet-wijzigingsbeding te laten vallen ondanks dat in het convenant behoudens de zinsnede: “Het in dit convenant over artikel 1:160 BW bepaalde wordt door partijen in ieder geval niet als een dergelijke ingrijpende wijziging gezien.” niets over artikel 1:160 BW is opgenomen. De bewijslast hiervoor ligt bij de man, aangezien hij zich op een bepaalde uitleg van art. 2.4. van het convenant beroept.
5.4.2.
Het hof overweegt dat ingevolge het Haviltex-criterium (HR 13 maart 1981, NJ 1981,635) er bij de uitleg van een overeenkomst niet slechts gekeken dient te worden naar de letterlijk of taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar de betekenis die partijen – in de gegeven omstandigheden en op basis van hetgeen zij over en weer van elkaar mochten verwachten – aan die tekst mochten toekennen. De bedoelingen van de contractspartijen bij het sluiten van de overeenkomst, zijn daardoor van belang.
5.4.3.
Ter zitting hebben partijen de omstandigheden, bedoelingen en verwachtingen die zij hadden ten tijde van het sluiten van het convenant nader toegelicht. Partijen hebben beiden verklaard dat hun ten tijde van het sluiten van het convenant voor ogen stond dat de vrouw met de kinderen in de woning zou moeten kunnen blijven wonen. Zij hebben toen ook uitdrukkelijk gesproken over de mogelijkheid van een nieuwe partner. De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het de bedoeling van partijen was om het bepaalde in artikel 1:160 BW alleen uit te sluiten als de vrouw een nieuwe partner met een laag inkomen zou krijgen, en dat als zij een partner met een hoog inkomen zou krijgen, dit wel aanleiding zou zijn om de partneralimentatie te herzien. De vrouw heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken. Volgens haar was de bedoeling van partijen dat een nieuwe relatie op geen enkele manier van invloed zou zijn op de mogelijkheden van de vrouw om duurzaam in de woning te kunnen blijven wonen, dus ook niet wanneer de vrouw wél een partner met een hoog inkomen zou vinden, omdat die relatie ook weer over zou kunnen gaan. Daarbij komt dat de tekst van het convenant voor dit standpunt van de man geen aanknopingspunten biedt. De man heeft daarover in eerste aanleg zelf verklaard: “Haar eventuele nieuwe partner zou niet per sé aan een salarisdrempel moeten voldoen. Het was zo bedoeld dat zij bij een nieuwe partner niet gelijk hoefde te kijken of hij haar in haar onderhoud kon voorzien. We hebben besproken dat in de eerste periode de vrouw in staat moest kunnen zijn een nieuwe relatie te starten. Later zou, bij een duurzame relatie, dat dan verder besproken worden, maar dat is als zodanig niet meer in het convenant terecht gekomen”. De man heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, zijn uitleg van het bepaalde in convenant onvoldoende onderbouwd en ook geen bewijs van zijn stellingen aangeboden, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen aangezien in dezen op hem de stelplicht en bewijslast rust.
5.4.4.
Gelet op het voorgaande kan het hof de tekst van artikel 2.4 van het convenant, houdende het niet-wijzigingsbeding ex artikel 1:159 lid 1 BW, niet anders uitleggen dan dat partijen destijds hebben bedoeld ook de werking van het bepaalde in artikel 1:160 BW uit te sluiten, in die zin dat in het geval de vrouw zou gaan samenwonen als ware zij gehuwd, dit niet het einde van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw zou betekenen en deze dus niet van rechtswege zou eindigen. Dit betekent derhalve dat de door partijen gemaakte afspraken over de partneralimentatie alleen gewijzigd kunnen worden wanneer aan de eisen van art. 1:159 lid 3 BW wordt voldaan.
5.4.5.
Dat in het convenant en in correspondentie over het convenant met daarin het niet wijzigingsbeding wordt gesproken over het wijzigen van de alimentatie en niet over het beëindigen van de onderhoudsverplichting, acht het hof, in het licht van al het voorgaande een onvoldoende aanwijzing dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om uit te sluiten dat het samenwonen van de vrouw het einde van de alimentatieverplichting van de man zou betekenen.
5.4.6.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat op grond van art. 2.4. van het convenant de samenwoning van de vrouw met haar nieuwe partner niet van rechtswege tot het einde van de onderhoudsverplichting van de man heeft geleid. Vervolgens dient het hof te beoordelen of wijziging van de partneralimentatie mogelijk is ondanks het niet-wijzigingsbeding. Wat betreft de overige door de man (grief 2 en 3) aangevoerde wijzigingen van omstandigheden overweegt het hof als volgt.
Niet wijzigingsbeding ex artikel 1:159 lid 1 BW
5.4.7.
Voor de wijziging van een niet-wijzigingsbeding gelden strenge eisen ten aanzien van de stelplicht en de bewijslast van de verzoeker als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW. Degene die een alimentatieovereenkomst gewijzigd wil zien, moet stellen en bewijzen dat er sprake is van een wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond in relatie tussen de huidige financiële situatie. Beoordeeld moet worden wat de omstandigheden waren ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, met welke eventuele toekomstige wijzigingen partijen rekening hielden en wie van de partijen het risico van de wijziging voor haar of zijn rekening zou moet nemen. Zonder deze informatie kan immers niet worden vastgesteld of sprake is van een wanverhouding.
5.4.8.
Zoals ter zitting de man is voorgehouden, stelt het hof vast dat de man ten opzichte van de situatie ten tijde van het opstellen van het convenant, thans een hoger jaarinkomen geniet. De man genoot destijds blijkens de stukken namelijk een jaarinkomen van € 123.000,- inclusief bonus en hij geniet nu een jaarinkomen van € 137.000,- exclusief tantièmes en de vakantietoeslag. Daarbij voldoet de man aan [kind 1] niet meer de afgesproken kinderalimentatie, maar slechts een bedrag van € 100,- per maand, of incidenteel een hoger bedrag als [kind 1] dat nodig heeft. Voorts is de man gehuwd en woont hij samen met zijn echtgenote, die eveneens een substantieel inkomen geniet en met wie hij zijn woonlasten kan delen.
Het hof stelt dan ook vast dat de man in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Dat de omstandigheden van partijen zijn gewijzigd is een gegeven, maar daarmee is nog niet cijfermatig aangetoond dat er een volkomen wanverhouding is ontstaan als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat de partneralimentatie destijds al op een lager bedrag is vastgesteld dan de man op basis van zijn draagkracht kon betalen. Tevens acht het hof van belang dat het niet-wijzigingsbeding samenhangt met de door partijen getroffen boedelscheiding, met name de toedeling van het huis aan de vrouw.
5.4.9.
De man heeft er nog op gewezen dat zijn gemoedstoestand bij het sluiten van het convenant slecht was, dat hij bij een psycholoog onder behandeling was voor een zware depressie en de gevolgen van het niet-wijzigingsbeding niet kon overzien en afging op het advies van de mediator. Ter onderbouwing van dit standpunt beroept de man zich op een overzicht met afspraken. De vrouw heeft betwist dat de man zijn wil niet kon bepalen.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het overzicht van afspraken van de man bij de psycholoog niets over zijn gemoedstoestand en evenmin, voor zover hij beoogt dat te stellen, dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen ten aanzien van het convenant. Het hof zal dit standpunt van de man passeren wegens het niet voldoen aan de stelplicht.
5.4.10.
De conclusie is derhalve dat de man onvoldoende heeft gesteld om aan de wijziging van de partneralimentatie toe te komen.
6De slotsom
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, bekrachtigen.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.
7De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 12 november 2024:
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.M.J. Peters en M. Jonker bijgestaan door de griffier, en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.351.127/01
zaaknummer rechtbank : C/02/416977 / FA RK 23-5853
beschikking van de meervoudige kamer van 23 oktober 2025
inzake
[de man]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,
tegen
[de vrouw]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans te Roosendaal.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
De man is op 11 februari 2025 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 12 november 2024.
2.2.
De vrouw heeft op 14 april 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het V6-formulier van 10 april 2025, met bijlage, van de advocaat van de man;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank;
- het V6-formulier van 15 augustus 2025, met bijlagen, van de advocaat van de man
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 26 augustus 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3De feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
De vrouw en de man zijn met elkaar getrouwd geweest van 12 juli 2007 tot 31 juli 2019. De echtscheidingsbeschikking is op 31 juli 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.
Zij zijn de ouders van:
- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] (hierna: [kind 1] );
- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] (hierna: [kind 2] ).
3.4.
[kind 1] is voorafgaand aan het huwelijk door de man erkend.
3.5.
Op 25 juni 2019 hebben de ouders een echtscheidingsconvenant en vaststellingsovereenkomst en een ouderschapsplan getekend.
3.6.
Ten aanzien van de partneralimentatie zijn de ouders, voor zover hier van belang, overeengekomen:
Artikel 2. PARTNERALIMENTATIE
2.1
De man en de vrouw stellen de behoefte van de vrouw hierbij vast op € 5.929 netto per maand,
uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 7.294 per maand en kosten van de kinderen van € 1.365 per maand.
De vrouw kan gedeeltelijk in haar eigen levensbehoefte voorzien. Haar gemiddelde bruto inkomen uit
arbeid en/of vermogen bedraagt ten tijde van ondertekening van dit convenant € 18.837 per jaar. De
resterende behoefte aan partneralimentatie bedraagt derhalve € 4.072 bruto per maand.
Voor verdere details omtrent de behoefte wordt verwezen naar de uitgangspunten beschreven in
productie 2.
2.2
De draagkracht van de man is gebaseerd op de uitgangspunten beschreven in productie 2.
2.3
Op basis van de aldus vastgestelde behoefte en draagkracht komen de man en de vrouw
vervolgens overeen, dat de man aan de vrouw met ingang van de eerste van de maand na ondertekening van dit convenant zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.000 per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan haar zal worden voldaan. Hiermee wijken partijen voor wat betreft de hoogte van de partneralimentatie heel bewust af van de wettelijke maatstaven.
Voormeld bedrag is een brutobedrag. De daarover verschuldigde inkomstenbelasting en heffingen zijn voor rekening van de alimentatiegerechtigde.
2.4
Het in artikel 2.3 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een
wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van
omstandigheden, dat diegene die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald. Het in dit convenant over artikel 1:160 BW bepaalde wordt door partijen in ieder geval niet als een dergelijke ingrijpende wijziging gezien.
2.5
Het in artikel 2.3 afgesproken bedrag aan maandelijks te betalen partneralimentatie zal worden
verhoogd met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2020.
2.6
In afwijking van de huidige wettelijke termijn komen de man en de vrouw overeen dat de man de in artikel 23 genoemde alimentatie aan de vrouw voor een periode van 11 jaar en 10 maanden verschuldigd is, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk door inschrijving van de beschikking in de registers van de Burgerlijke Stand.
(…)
3.7.
In het (gewijzigde) ouderschapsplan van 2 juli 2020 zijn de ouders overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 2020 zo lang de kinderen bij de vrouw wonen en minderjarig zijn een kinderalimentatie dient te voldoen van € 411,- per kind per maand.
3.8.
Geïndexeerd naar 2025 dient de man te betalen € 2.516,30 per maand aan partneralimentatie.
3.9.
Op [geboortedatum] 2023 hebben de man en zijn huidige echtgenote een dochter gekregen: [kind 3] .
3.10.
De man betaalt sinds de meerderjarigheid van [kind 1] , te weten sinds [geboortedatum] 2025, een bijdrage in haar levensonderhoud en studie rechtstreeks aan haar.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man, om, kort gezegd, voor recht te verklaren dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw van rechtswege is geëindigd dan wel de door de man te betalen partneralimentatie en nader vast te stellen op nihil, dan wel op een lager bedrag en te bepalen dat de vrouw hetgeen onverschuldigd is betaald door de man aan hem dient terug te betalen, afgewezen.
4.2.
De man verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende,
primair:
1. te verklaren voor recht dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw van rechtswege is geëindigd met ingang van 22 februari 2022, dan wel met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
2. te bepalen dat de vrouw hetgeen door de man onverschuldigd is betaald aan de man dient terug te betalen;
subsidiair:
voor het geval het verzoek onder punt 1 niet kan worden toegewezen verzoekt de man het hof om de beschikking van de rechtbank Overijssel d.d. 17 juli 2019 te wijzigen en de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen, zulks met ingang van 25 oktober 2023, dan wel met ingang van de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift bij de rechtbank, te weten 13 december 2023, dan wel met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum.
4.3.
De grieven van de man zien op het niet-wijzigingsbeding.
4.4.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de man in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken in hoger beroep als ongegrond en onbewezen af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
5.1.
De hoogte van de behoefte van de vrouw en de behoeftigheid van de vrouw is niet in geschil.
5.2.
De man voert in drie grieven het volgende aan.
De vrouw is duurzaam gaan samenwonen met haar nieuwe partner op 22 februari 2022 als waren zij gehuwd. De vrouw ontkent dat niet. Daarom is artikel 1:160 BW van toepassing en is er van rechtswege een einde gekomen aan de partneralimentatie. Partijen hebben in het convenant artikel 1:160 BW niet willen uitsluiten, dat is ook zo niet benoemd. Het niet wijzigingsbeding ziet alleen op een wijziging van de hoogte van de bijdrage, niet op het einde van de onderhoudsverplichting. Dit is door de advocaat die het echtscheidingsverzoek heeft ingediend ook als zodanig beschreven in het begeleidende schrijven bij het echtscheidingsverzoek. In het convenant staat wel “Het in dit convenant over artikel 1:160 BW bepaalde wordt door partijen in ieder geval niet als een dergelijke ingrijpende wijziging gezien”, maar in het convenant is verder niets bepaald over artikel 1:160 BW. Artikel 1:160 BW is daarom gewoon van toepassing.
De bedoeling van partijen was de situatie voor de kinderen na de echtscheiding zo min mogelijk aan te passen, in die zin dat de kinderen in elk geval in de woning zouden kunnen blijven. Dit is voor de vrouw ook thans mogelijk zonder de alimentatie op basis van haar eigen inkomen en dat van haar nieuwe partner. Partijen hadden de bedoeling dat de vrouw in haar zoektocht naar een nieuwe partner niet beperkt zou zijn tot het vinden van een partner met een hoog inkomen, om maar de kosten van de woning te kunnen blijven voldoen. Daarvoor was het niet wijzigingsbeding opgenomen. De bedoeling was ook om met elkaar in gesprek te gaan op het moment dat de vrouw wél in staat zou zijn de woning zelf (eventueel met een goed inkomen van een nieuwe partner) te kunnen financieren.
Er is ook sprake van een volkomen wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en hetgeen zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, die een wijziging van het alimentatiebedrag rechtvaardigt. De man wijst op het aanzienlijke verschil in draagkracht aan de zijde van de man toen en nu, waarbij de partner van de man fulltime moet werken, zodat zij samen de woonlasten kunnen voldoen, en voert aan dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in haar gezin veel hoger is dan het netto besteedbaar inkomen van het gezin van de man. De man was genoodzaakt van baan te wisselen. Hij heeft op 21 september 2020 een exitinterview gehad. De man ontvangt geen bonus meer, die al buitenproportioneel hoog was, maar een lagere tantième. De nieuwe baan betreft een promotie van manager naar director, zowel wat betreft verantwoordelijkheden als de primaire arbeidsvoorwaarden. Door de slechtere secundaire arbeidsvoorwaarden (met betrekking tot de pensioenafdracht en de winstdeling) heeft hij echter een lager netto besteedbaar inkomen. De man kan op dit moment geen volledig pensioen opbouwen omdat de alimentatieverplichting te zwaar is.
Het steekt de man dat [kind 1] op dit moment door de vrouw niet wordt toegelaten tot de voormalige echtelijke woning, hetgeen destijds allerminst de bedoeling van partijen was. Ook in die zin staat de huidige situatie in een wanverhouding tot wat partijen destijds voor ogen hadden.
De man is op [geboortedatum] 2023 opnieuw vader geworden. Met de onderhoudsverplichting van de man jegens [kind 3] dient ook rekening te worden gehouden.
De man betaalt op dit moment een lagere bijdrage aan [kind 1] omdat zij zelf een redelijk inkomen verwerft. De man overlegt steeds met [kind 1] over wat zij nodig heeft.
De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt waar de berekening van de mediator destijds op was gebaseerd. Hij had toen voldoende inkomen om de bijdrage te voldoen. Partijen zijn niet uitdrukkelijk afgeweken van de wettelijke maatstaven. Ten opzichte van toen is de draagkracht en het besteedbaar gezinsinkomen van de man aanzienlijk gedaald.
Tot slot wijst de man erop dat zijn gemoedstoestand bij het sluiten van het convenant slecht was. Hij was bij een psycholoog onder behandeling voor een zware depressie. De man kon de gevolgen van het niet-wijzigingsbeding niet overzien en ging af op het advies van de mediator.
5.3.
De vrouw voert het volgende aan als verweer op de door de man aangevoerde grieven.
Partijen hebben expliciet het niet-wijzigingsbeding afgesproken, waarbij ook uitdrukkelijk de toepassing van artikel 1:160 BW is uitgesloten. Dat blijkt uit de tekst van het convenant, hoe daarover gesproken is en hoe partijen nadien gehandeld hebben. Het niet-wijzigingsbeding ziet op (de hoogte en de duur van) de overeengekomen onderhoudsverplichting. De vrouw biedt aan om getuigen te horen: de mediator en zichzelf. De mediator heeft de advocaat van de vrouw verteld dat er in meerdere gesprekken bij stil is gestaan wat het voor de vrouw zou betekenen als zij een nieuwe partner zou krijgen. Er is een lager bedrag afgesproken (namelijk € 2.000,- per maand) dan het bedrag dat de man kon betalen (€ 2.528,- per maand), niet omdat de vrouw de woning dan zou kunnen financieren, maar zodat beide partijen de zekerheid zouden hebben dat dit bedrag nu en in toekomst aan partneralimentatie betaald zou worden, ongeacht loonsverhogingen of loonstijgingen, en ongeacht of de vrouw zou gaan samenwonen. Ten behoeve van die zekerheid nam de vrouw genoegen met minder.
Er is geen sprake van een wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van het convenant zijn overeengekomen en wat er zich in de praktijk voordeed. Vastgesteld moet worden of sprake is van een onvoorziene toekomstige omstandigheid, die een zo ingrijpende wijziging met zich brengt wat maakt dat er een volkomen wanverhouding is ontstaan. De man kan daarom niet volstaan met het overleggen van draagkrachtberekeningen. Dat de man van baan is gewisseld, een dochter heeft gekregen en dat het inkomen van de vrouw is gestegen, zijn geen ingrijpende en onvoorziene omstandigheden als hiervoor bedoeld. Uit het verslag van het exitinterview blijkt bovendien niet dat de man genoodzaakt was te vertrekken. Het was een vrije keuze van de man om te gaan en ook om nieuwe arbeidsvoorwaarden af te spreken. De man draagt € 462,- per vier weken aan pensioen af. Alleen het “extra” pensioen zegt hij nu niet te kunnen voldoen, maar dat hoeft ook niet. Het bruto inkomen van de man is zelfs hoger geworden bij zijn nieuwe werkgever. Het netto besteedbaar inkomen van de man is ook hoger dan in 2020. De man meet bovendien met twee maten: aan de zijde van de vrouw moet wel met het inkomen van haar partner worden gerekend maar aan de zijde van de man hoeft dat volgens hem niet. De man houdt ten onrechte aan zijn zijde er geen rekening mee dat hij zijn woonlasten kan delen. Bovendien hebben de man en zijn partner tezamen een riant inkomen. De vrouw betwist dat de man in een lastige financiële situatie zit.
Uit het overzicht van afspraken van de man bij de psycholoog blijkt niets over de gemoedstoestand van de man en dat de man - voor zover hij dat beoogt te stellen - niet in staat was zijn wil te bepalen ten aanzien van het convenant (artikel 3:34 BW).
De man heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de vrouw volgens de man meer financiële middelen tot haar beschikking heeft. Dat [kind 1] niet meer thuis woont was ook te voorzien, aangezien kinderen uiteindelijk ‘uitvliegen’. De man betaalt overigens slechts € 100,- aan [kind 1] en houdt in die zin ook meer draagkracht over voor het betalen van partneralimentatie aan de vrouw.
Van een eventuele terugbetalingsverplichting is geen sprake en dit kan van de vrouw ook niet worden gevergd, vanwege de ingrijpende gevolgen van een dergelijke terugbetalingsverplichting voor de vrouw.
5.4.
Het hof oordeelt als volgt.
Einde onderhoudsplicht op grond van artikel 1:160 BW?
5.4.1.
Partijen hebben in artikel 2.4 van hun convenant een niet-wijzigingsbeding opgenomen. De man stelt dat partijen hiermee niet de werking van art. 1:160 BW hebben willen uitsluiten. De vrouw betwist dat gemotiveerd. Aan het hof ligt de vraag voor of partijen hebben bedoeld om de werking van artikel 1:160 BW onder het niet-wijzigingsbeding te laten vallen ondanks dat in het convenant behoudens de zinsnede: “Het in dit convenant over artikel 1:160 BW bepaalde wordt door partijen in ieder geval niet als een dergelijke ingrijpende wijziging gezien.” niets over artikel 1:160 BW is opgenomen. De bewijslast hiervoor ligt bij de man, aangezien hij zich op een bepaalde uitleg van art. 2.4. van het convenant beroept.
5.4.2.
Het hof overweegt dat ingevolge het Haviltex-criterium (HR 13 maart 1981, NJ 1981,635) er bij de uitleg van een overeenkomst niet slechts gekeken dient te worden naar de letterlijk of taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar de betekenis die partijen – in de gegeven omstandigheden en op basis van hetgeen zij over en weer van elkaar mochten verwachten – aan die tekst mochten toekennen. De bedoelingen van de contractspartijen bij het sluiten van de overeenkomst, zijn daardoor van belang.
5.4.3.
Ter zitting hebben partijen de omstandigheden, bedoelingen en verwachtingen die zij hadden ten tijde van het sluiten van het convenant nader toegelicht. Partijen hebben beiden verklaard dat hun ten tijde van het sluiten van het convenant voor ogen stond dat de vrouw met de kinderen in de woning zou moeten kunnen blijven wonen. Zij hebben toen ook uitdrukkelijk gesproken over de mogelijkheid van een nieuwe partner. De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het de bedoeling van partijen was om het bepaalde in artikel 1:160 BW alleen uit te sluiten als de vrouw een nieuwe partner met een laag inkomen zou krijgen, en dat als zij een partner met een hoog inkomen zou krijgen, dit wel aanleiding zou zijn om de partneralimentatie te herzien. De vrouw heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken. Volgens haar was de bedoeling van partijen dat een nieuwe relatie op geen enkele manier van invloed zou zijn op de mogelijkheden van de vrouw om duurzaam in de woning te kunnen blijven wonen, dus ook niet wanneer de vrouw wél een partner met een hoog inkomen zou vinden, omdat die relatie ook weer over zou kunnen gaan. Daarbij komt dat de tekst van het convenant voor dit standpunt van de man geen aanknopingspunten biedt. De man heeft daarover in eerste aanleg zelf verklaard: “Haar eventuele nieuwe partner zou niet per sé aan een salarisdrempel moeten voldoen. Het was zo bedoeld dat zij bij een nieuwe partner niet gelijk hoefde te kijken of hij haar in haar onderhoud kon voorzien. We hebben besproken dat in de eerste periode de vrouw in staat moest kunnen zijn een nieuwe relatie te starten. Later zou, bij een duurzame relatie, dat dan verder besproken worden, maar dat is als zodanig niet meer in het convenant terecht gekomen”. De man heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, zijn uitleg van het bepaalde in convenant onvoldoende onderbouwd en ook geen bewijs van zijn stellingen aangeboden, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen aangezien in dezen op hem de stelplicht en bewijslast rust.
5.4.4.
Gelet op het voorgaande kan het hof de tekst van artikel 2.4 van het convenant, houdende het niet-wijzigingsbeding ex artikel 1:159 lid 1 BW, niet anders uitleggen dan dat partijen destijds hebben bedoeld ook de werking van het bepaalde in artikel 1:160 BW uit te sluiten, in die zin dat in het geval de vrouw zou gaan samenwonen als ware zij gehuwd, dit niet het einde van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw zou betekenen en deze dus niet van rechtswege zou eindigen. Dit betekent derhalve dat de door partijen gemaakte afspraken over de partneralimentatie alleen gewijzigd kunnen worden wanneer aan de eisen van art. 1:159 lid 3 BW wordt voldaan.
5.4.5.
Dat in het convenant en in correspondentie over het convenant met daarin het niet wijzigingsbeding wordt gesproken over het wijzigen van de alimentatie en niet over het beëindigen van de onderhoudsverplichting, acht het hof, in het licht van al het voorgaande een onvoldoende aanwijzing dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om uit te sluiten dat het samenwonen van de vrouw het einde van de alimentatieverplichting van de man zou betekenen.
5.4.6.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat op grond van art. 2.4. van het convenant de samenwoning van de vrouw met haar nieuwe partner niet van rechtswege tot het einde van de onderhoudsverplichting van de man heeft geleid. Vervolgens dient het hof te beoordelen of wijziging van de partneralimentatie mogelijk is ondanks het niet-wijzigingsbeding. Wat betreft de overige door de man (grief 2 en 3) aangevoerde wijzigingen van omstandigheden overweegt het hof als volgt.
Niet wijzigingsbeding ex artikel 1:159 lid 1 BW
5.4.7.
Voor de wijziging van een niet-wijzigingsbeding gelden strenge eisen ten aanzien van de stelplicht en de bewijslast van de verzoeker als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW. Degene die een alimentatieovereenkomst gewijzigd wil zien, moet stellen en bewijzen dat er sprake is van een wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond in relatie tussen de huidige financiële situatie. Beoordeeld moet worden wat de omstandigheden waren ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, met welke eventuele toekomstige wijzigingen partijen rekening hielden en wie van de partijen het risico van de wijziging voor haar of zijn rekening zou moet nemen. Zonder deze informatie kan immers niet worden vastgesteld of sprake is van een wanverhouding.
5.4.8.
Zoals ter zitting de man is voorgehouden, stelt het hof vast dat de man ten opzichte van de situatie ten tijde van het opstellen van het convenant, thans een hoger jaarinkomen geniet. De man genoot destijds blijkens de stukken namelijk een jaarinkomen van € 123.000,- inclusief bonus en hij geniet nu een jaarinkomen van € 137.000,- exclusief tantièmes en de vakantietoeslag. Daarbij voldoet de man aan [kind 1] niet meer de afgesproken kinderalimentatie, maar slechts een bedrag van € 100,- per maand, of incidenteel een hoger bedrag als [kind 1] dat nodig heeft. Voorts is de man gehuwd en woont hij samen met zijn echtgenote, die eveneens een substantieel inkomen geniet en met wie hij zijn woonlasten kan delen.
Het hof stelt dan ook vast dat de man in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Dat de omstandigheden van partijen zijn gewijzigd is een gegeven, maar daarmee is nog niet cijfermatig aangetoond dat er een volkomen wanverhouding is ontstaan als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat de partneralimentatie destijds al op een lager bedrag is vastgesteld dan de man op basis van zijn draagkracht kon betalen. Tevens acht het hof van belang dat het niet-wijzigingsbeding samenhangt met de door partijen getroffen boedelscheiding, met name de toedeling van het huis aan de vrouw.
5.4.9.
De man heeft er nog op gewezen dat zijn gemoedstoestand bij het sluiten van het convenant slecht was, dat hij bij een psycholoog onder behandeling was voor een zware depressie en de gevolgen van het niet-wijzigingsbeding niet kon overzien en afging op het advies van de mediator. Ter onderbouwing van dit standpunt beroept de man zich op een overzicht met afspraken. De vrouw heeft betwist dat de man zijn wil niet kon bepalen.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het overzicht van afspraken van de man bij de psycholoog niets over zijn gemoedstoestand en evenmin, voor zover hij beoogt dat te stellen, dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen ten aanzien van het convenant. Het hof zal dit standpunt van de man passeren wegens het niet voldoen aan de stelplicht.
5.4.10.
De conclusie is derhalve dat de man onvoldoende heeft gesteld om aan de wijziging van de partneralimentatie toe te komen.
6De slotsom
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, bekrachtigen.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.
7De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 12 november 2024:
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.M.J. Peters en M. Jonker bijgestaan door de griffier, en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van de griffier.