Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2916

2025-10-23 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.356.318_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-23
Publicatiedatum
2025-10-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.356.318_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vertegenwoordigingsbevoegdheid GI. Artikel 1.4.7. Procesreglement Verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de namens de GI optredende personen. Rechtmatigheidstoetsing van een niet uitgevoerde machtiging uithuisplaatsing. Art. 1:262 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Afwijzing van de verzochte verklaring voor recht dat de GI onrechtmatig heeft gehandeld door de minderjarige in het netwerk te plaatsen in plaats van in een accommodatie van zorgaanbieder 24-uurs wegens gebrek aan belang.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.156 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak : 23 oktober 2025
Zaaknummer : 200.356.318/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/340186 / JE RK 25-486



in de zaak in hoger beroep van:





[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.B.G. Gelissen,



tegen




Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio: [regio] ,
hierna te noemen: de raad.




In het kort:

De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs heeft verleend voor haar dochter:


[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008, hierna te noemen: [minderjarige] .





1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 4 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2Het geding in hoger beroep


2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 juni 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
primair:



de Gl alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, en:


voor recht te verklaren dat de Gl in strijd met voornoemde beschikking handelt door [minderjarige] niet in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs, maar bij haar tante uit huis te plaatsen en de Gl aldus [minderjarige] onrechtmatig, dan wel op onjuiste gronden bij de moeder weghoudt;


voor recht te verklaren dat de door de rechtbank gegeven machtiging vervalt indien [minderjarige] niet uiterlijk op 4 juli 2025 in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs is geplaatst en dat het onrechtmatig zou zijn indien de Gl na die datum zou besluiten [minderjarige] alsnog in een dergelijke accommodatie en/of bij haar tante te plaatsen.


subsidiair:
- te bepalen dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer had mogen duren dan de (gedwongen) opname van moeder.
Voorts verzoekt de moeder de GI, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de moeder, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf verstrijking van voornoemde termijn tot aan de dag van voldoening.



2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2025, heeft de GI verweer gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de GI haar verweer verduidelijkt en verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen.



2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Gelissen;
- [vertegenwoordiger van de GI] en mr. A.C.E. van den Hombergh namens de GI.


2.3.1.
De raad heeft het hof per brief d.d. 27 augustus 2025 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.



2.3.2.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.




2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 april 2025;


de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Gelissen overgelegde pleitnota.







3De beoordeling



De feiten




3.1.
De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .



3.2.

[minderjarige] is op 14 november 2024 onder toezicht gesteld van de GI, voor de duur van een jaar, aldus tot 14 november 2025.



3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank aan de GI machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs met ingang van 4 april 2025 voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot 14 november 2025.



3.4.
Bij beschikking van 20 mei 2025 heeft de rechtbank aan de GI machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk met ingang van 20 mei 2025 tot 1 september 2025 (en voorts iedere verdere beslissing ten aanzien van de resterende termijn aangehouden).



3.5.

[minderjarige] is vanaf begin april 2025 bij de tante moederszijde verbleven en is vanaf 10 mei 2025 (stapsgewijs) weer bij de moeder gaan wonen. Vanaf 8 augustus 2025 verblijft [minderjarige] weer volledig bij de moeder.



3.6.
De moeder kan zich met de onder 3.3. vermelde bestreden beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.



De standpunten





3.7.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan.
De eerste grief is gericht op de fouten van processuele aard die zijn gemaakt en die van invloed zijn geweest op de uitkomst van de procedure. Het verzoek van de GI is niet door een daartoe bevoegd persoon ondertekend of ingediend. Het bestuur van de GI had het verzoekschrift moeten indienen of in ieder geval had aangetoond moeten worden dat de personen die het verzoek hebben ingediend en ter zitting aanwezig waren, gemachtigd waren om de GI te vertegenwoordigen. Het verzoek is ook maar door één persoon ondertekend terwijl er twee namen onder het verzoek vermeld zijn. Het onbevoegd indienen van het verzoekschrift dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de GI in de verzoeken. Hetzelfde geldt ook voor het door de GI ingediende verweerschrift in hoger beroep. Evenmin is gebleken dat de GI door de rechtbank om een volmacht is gevraagd op het moment van de zitting toen bleek dat er geen advocaat was verschenen namens de GI. Het niet rechtsgeldig laten vertegenwoordigen ter zitting zou ertoe moeten leiden dat al hetgeen ter zitting door de (gestelde) vertegenwoordigers van de GI gesteld en/of aangevoerd is, buiten beschouwing had dienen te blijven bij het nemen van een beslissing door de rechtbank.
Voorts is het zo dat de grondslag voor het aanvragen en het toekennen van een machtiging uithuisplaatsing was gelegen in het voornemen van [GGZ] GGZ om de moeder gedwongen op te nemen. Dat zou in principe betekenen dat, zodra de moeder weer thuis zou wonen, de grond voor de uithuisplaatsing niet langer aanwezig zou zijn. De uithuisplaatsing was niet langer nodig. De moeder is maar voor een korte periode opgenomen geweest en bovendien woonden de moeder en [minderjarige] op hetzelfde adres als de grootouders die ook voor haar konden zorgen. Ondanks het ontslag van de moeder uit de kliniek is [minderjarige] bij de tante verbleven.

[minderjarige] vond het niet alleen lastig om buiten te komen, maar zelfs om überhaupt haar slaapkamer uit te komen. Tijdens de opname van de moeder is [minderjarige] haar dagelijks komen bezoeken en daarbij werd ze steeds angstiger omdat ze niet in haar vertrouwde omgeving verbleef. De uithuisplaatsing heeft een averechts effect op [minderjarige] gehad.
De zorgen over de school zijn onterecht. [minderjarige] is ingeschreven voor een vervolgopleiding op [school] en zij volgt deze opleiding inmiddels ook.

[minderjarige] had inmiddels ook afspraken bij de psycholoog en dat alles maakt dat er geen reden is geweest de uithuisplaatsing te laten voortduren.
Mocht de machtiging tot uithuisplaatsing al terecht zijn toegewezen dan is deze voor een te lange periode toegewezen. Deze had ten hoogste de duur van de gedwongen opname van de moeder mogen duren.
De machtiging vervalt wanneer deze na verloop van drie maanden niet tenuitvoergelegd is. [minderjarige] is bij de tante verbleven terwijl daarvoor op dat moment geen machtiging verleend is. De GI heeft in strijd met de verleende machtiging en dus onrechtmatig gehandeld. De moeder verzoekt het hof zulks als verklaring van recht te bepalen. De moeder heeft belang bij deze verklaring omdat haar kind naar haar mening zonder grond en op onrechtmatige wijze bij haar is weggehouden. De moeder heeft belang bij een rechterlijke verklaring waarin zij in haar standpunten hieromtrent in het gelijk gesteld wordt. Dit zou niet alleen een erkenning voor haar rechten als moeder zijn maar tevens een erkenning van [minderjarige] ’s rechten, meer in het bijzonder haar recht door haar eigen moeder te worden opgevoed en bij haar eigen moeder te wonen. Een dergelijke verklaring van recht zou bovendien een grondslag kunnen vormen voor een eventuele schadevergoeding voor de moeder en/of [minderjarige] .




3.8.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan.
De GI stelt voorop dat de GI zonder tussenkomst van een advocaat verzoeken mag indienen bij de kinderrechter. De jeugdbeschermers die het verzoek namens de GI hebben ingediend zijn conform de statuten van de GI bevoegd de GI te vertegenwoordigen.
Voordat de moeder werd opgenomen was er geen zicht op de moeder en [minderjarige] . Huisbezoeken waren niet mogelijk omdat de deur niet geopend werd. Er was geen enkele mogelijkheid om in contact te komen. Een schriftelijke aanwijzing mocht ook niet baten.
Vanwege de opname van de moeder en het feit dat er geen zicht was op het netwerk, is er in eerste instantie een brede machtiging uithuisplaatsing verzocht. Het was de GI weliswaar bekend dat de opa en oma van [minderjarige] op hetzelfde adres woonden, maar het was onduidelijk of zij de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] konden nemen. Ook met de opa en oma kon de GI niet in contact komen. Ook zij openden de deur niet wanneer de GI langskwam voor een huisbezoek.
Pas ten tijde van de gedwongen opname van de moeder is duidelijk geworden dat [minderjarige] wel in het netwerk, bij een tante, kon verblijven. Vanzelfsprekend had dat de voorkeur en is de plaatsing binnen een 24-uurs instelling op basis van de brede machtiging niet uitgevoerd. De GI is met de tante in contact kunnen komen en toen is er alsnog een machtiging uithuisplaatsing in het netwerk verzocht, welke machtiging op 20 mei 2025 door de kinderrechter is verleend.
Ondertussen verbleef [minderjarige] vanwege de opname van de moeder bij de tante. Na thuiskomst van de moeder heeft de GI een passend plan gemaakt zodat [minderjarige] (stapsgewijs) weer volledig thuis bij de moeder kon gaan wonen. De GI wilde de overgang zo soepel mogelijk laten verlopen en het streven was dat [minderjarige] met ingang van het nieuwe schooljaar weer volledig thuis zou wonen. [minderjarige] woont vanaf 8 augustus 2025 weer volledig bij de moeder.
De hulpverlening is inmiddels tot stand gekomen en dat loopt goed. De GI is zorgvuldig te werk gegaan en heeft goed gekeken wat passend is voor [minderjarige] . De verzoeken van de moeder dienen te worden afgewezen.
Overigens heeft de GI de raad verzocht het voorgenomen besluit om de uithuisplaatsing van [minderjarige] tussentijds te beëindigen te toetsen. De raad heeft hiermee ingestemd en daarop heeft de GI het door de rechtbank aangehouden verzoek betreffende de machtiging uithuisplaatsing in het netwerk (waarop deze procedure dus niet ziet) voor de resterende termijn ingetrokken.




3.9.
Het hof overweegt het volgende.



Ontvankelijkheid van de GI





3.10.

Mr. Gelissen stelt dat de GI niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het verzoek om een machtiging uithuisplaatsing door de GI niet rechtsgeldig (niet door een daartoe bevoegd persoon) is ingediend. Gelet op de gemotiveerde betwisting gaat het hof aan deze stelling voorbij. Het hof ziet geen enkele reden te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van het door de GI ingediende verzoekschrift. Evenmin volgt het hof het standpunt van mr. Gelissen dat de GI tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg niet rechtsgeldig vertegenwoordigd was.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1.4.7. van het ‘Procesreglement Verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven’ wordt, tenzij de wet anders bepaalt, een rechtspersoon tijdens de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door het bestuur of door een andere hiertoe in de statuten of bij een daartoe strekkende volmacht aangewezen persoon. Namens de rechtspersoon verschijnt in ieder geval iemand die van de zaak op de hoogte is en namens de rechtspersoon bevoegd is om bindende afspraken te maken. Indien de rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door een andere daartoe in de statuten of bij daartoe strekkende volmacht aangewezen persoon dan de bestuurder(s), kan het hof bepalen dat tijdens de mondelinge behandeling tevens een afschrift van de statuten of de volmacht wordt overgelegd.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de GI, zoals gebruikelijk is, vertegenwoordigd door de gecertificeerd professional die op dit moment tevens de jeugdzorgwerker van [minderjarige] is. Het hof had de GI kunnen verzoeken een volmacht of een afschrift van de statuten maar het hof ziet daarvan de meerwaarde niet en heeft dat dus niet gedaan. Het hof heeft, ook zonder volmacht of statuten, geen enkele aanleiding er aan te twijfelen dat de GI zowel bij de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, bij de indiening van het verweerschrift, als ter zitting rechtsgeldig is vertegenwoordigd, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Mr. Gelissen heeft ook niets concreets naar voren gebracht dat aanleiding geeft om te betwijfelen of de GI in deze procedure wel rechtsgeldig is vertegenwoordigd.
Het hof beschouwt de huidige jeugdbeschermer juist als de meest gerede persoon om de GI tijdens de mondelinge behandeling te vertegenwoordigen. Zij was ten tijde van de mondelinge behandeling van het hof immers als jeugdbeschermer belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en derhalve moet zij geacht worden (binnen de GI) het meest van de inhoud van het dossier en de huidige stand van zaken op de hoogte te zijn. Daarnaast is er tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nog een advocaat die in dienst is bij de GI opgetreden namens de GI.
Op grond van het voorgaande gaat het hof voorbij aan de bezwaren van mr. Gelissen.




Rechtmatigheidstoets





3.11.

Het hof stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs door de GI niet ten uitvoer is gelegd binnen de daartoe door de wet gestelde termijn van drie maanden. De machtiging is dan ook van rechtswege vervallen (art. 1: 262 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.
Gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, heeft de moeder evenwel een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven. De moeder behoort niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken of de machtiging niet ten uitvoer is gelegd en daardoor ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is vervallen. Bij deze beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing dient het hof uit te gaan van de situatie ten tijde van de beslissing(en) van de kinderrechter en van de gegevens waarover de kinderrechter beschikte, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat (zie HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395).




Wettelijk kader





3.12.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.



Inhoudelijke beoordeling





3.13.
Vast staat het volgende. Vanaf eind 2024 is er sprake van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Er was op dat moment sprake van een ontwikkelingsbedreiging omdat zij opgroeide in een kwetsbare situatie en werd belemmerd door de psychische problematiek van de moeder, te weten angstproblematiek en recidiverende depressie. Hierdoor ging [minderjarige] niet naar school en kwam zij niet buitenshuis. Er was al enkele maanden geen zicht op het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] omdat de GI niet in contact kon komen met [minderjarige] of de moeder en evenmin met de grootouders waar de moeder en [minderjarige] verbleven. De GI stond wel nauw in contact met de hulpverlening van de moeder en die heeft in maart 2025 aan de GI kenbaar gemaakt dat de moeder gedwongen zou worden opgenomen in een GGZ-instelling. Vanwege deze gedwongen opname van de moeder heeft de GI een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] verzocht. In de motivering van het verzoek heeft de GI daarbij aangegeven de voorkeur te hebben voor een plaatsing van [minderjarige] binnen het netwerk. Omdat er op dat moment echter geen zicht was op het netwerk en het ook onduidelijk was of het zou lukken om tijdig met [minderjarige] de mogelijkheden voor plaatsing binnen het netwerk te onderzoeken, heeft de GI (als back up) een brede machtiging voor een uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs verzocht. De kinderrechter heeft deze machtiging op 4 april 2025 verleend maar deze is immer ten uitvoer gelegd. Wel is [minderjarige] kort daarna uithuisgeplaatst bij haar tante (de zus van de moeder).


3.14.
Vast staat verder dat moeder het met de uithuisplaatsing van [minderjarige] op zichzelf eens is. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft zij dat desgewenst ook verklaard. De moeder kan zich echter niet vinden in het feit dat [minderjarige] op basis van deze machtiging bij haar tante is geplaatst én zij is het niet eens met de termijn waarvoor de machtiging is verleend.


3.15.

Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing bij een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs terecht en op goede gronden heeft verleend. Er bestonden op dat moment terechte zorgen over [minderjarige] . Door de gedwongen opname van de moeder kon zij niet meer bij haar gezaghebbende ouder wonen.
Er was toen geen contact mogelijk; niet met moeder, niet met [minderjarige] en niet met de grootouders. Er was ook geen enkel zicht op het netwerk. Bovendien was het op dat moment onduidelijk hoe lang de behandeling van de moeder zou duren.
Verder is uit de stukken gebleken dat de GI direct nadat de gedwongen opname van de moeder is beëindigd, stapsgewijs weer is gaan toewerken naar terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.
Onder die omstandigheden was de verleende machtiging tot uithuisplaatsing op dat moment noodzakelijk in het belang van [minderjarige] en in dat licht was de duur van de verleende machtiging ook gerechtvaardigd.
Uit het dossier en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is verder naar voren gekomen dat [minderjarige] niet naar de jeugdinstelling is gehoeven omdat alsnog bleek dat ze bij haar tante kon verblijven. Partijen zijn het er over eens dat het ook de voorkeur had dat [minderjarige] binnen het netwerk zou blijven. Op 30 april 2025 heeft de kinderrechter een daartoe strekkend verzoek van de GI ontvangen en op 20 mei 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] binnen het netwerk verleend. Ondertussen verbleef [minderjarige] al bij de tante vanwege de gedwongen opname van de moeder.
Het hof constateert mitsdien dat [minderjarige] gedurende een bepaalde periode formeel niet op basis van de juiste machtiging bij de tante is verbleven. Immers, deze machtiging is pas op 20 mei 2025 verleend. Evenwel vindt het hof dat de GI zorgvuldig en in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld door de mogelijkheid van plaatsing binnen het netwerk te (blijven) onderzoeken, mede gezien het feit dat dit voor iedereen de voorkeur had. De GI heeft daarbij de belangen van [minderjarige] laten prevaleren door [minderjarige] “zo thuis mogelijk” bij haar tante te plaatsen toen dat toch mogelijk bleek. Bovendien heeft de GI korte tijd daarna om de juiste machtiging gevraagd, die ook is verleend. Gezien al deze omstandigheden heeft de GI juist en slagvaardig gehandeld in het belang van [minderjarige] .



3.16.

Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat [minderjarige] thuis bij de grootouders had kunnen blijven, volgt het hof de moeder hierin niet.
Het was de GI weliswaar bekend dat de grootouders op hetzelfde adres woonden maar ook zij hielden in eerste instantie de hulpverlening af. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat zij de deur niet openden wanneer de GI voor een huisbezoek kwam. Bovendien waren het uiteindelijk de grootouders die de suggestie hebben gedaan om [minderjarige] bij de tante te plaatsen omdat zij zelf ook binnen twee weken zouden gaan verhuizen.



3.17.
Ten aanzien van de verzochte verklaring voor recht dat de Gl in strijd met voornoemde beschikking handelt door [minderjarige] niet in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs, maar bij haar tante uit huis te plaatsen en de Gl aldus [minderjarige] onrechtmatig, dan wel op onjuiste gronden bij de moeder weghoudt, oordeelt het hof als volgt. Hoewel het hof hierboven heeft geconstateerd dat [minderjarige] tijdelijk niet op basis van de juiste machtiging bij de tante is verbleven, is het op basis van bovenstaande voor het hof niet duidelijk welk belang de moeder heeft bij de door haar verzochte verklaring voor recht. Ingevolge de wet (art. 3:303 BW) en vaste jurisprudentie dient voor het uitspreken van een dergelijke verklaring een voldoende en concreet belang te bestaan. Dit belang heeft de moeder niet, dan wel niet voldoende onderbouwd. Voorts heeft zij aangegeven er blij mee te zijn dat [minderjarige] in het netwerk en niet in een 24-uurs accommodatie is geplaatst. Het enkele feit dat [minderjarige] bij de tante is verbleven terwijl de verleende machtiging uithuisplaatsing bedoeld was voor een accommodatie 24-uurs, is bovendien een omstandigheid die gelegen is in de uitvoering van de machtiging en heeft geen betrekking op de rechtmatigheidstoets van de vervallen machtiging die nu voorligt én de plaatsing bij tante zich bovendien heeft voorgedaan ná de afgifte van de machtiging. Indien de moeder zich niet kan vinden in de wijze waarop de ondertoezichtstelling is uitgevoerd, verwijst het hof naar de klachtenregeling van art. 4.2.1. Jeugdwet of naar de geschillenregeling van art. 1:262b BW. Het hof wijst het verzoek af.


3.18.
De verzochte verklaring voor recht dat de door de rechtbank gegeven machtiging vervalt indien [minderjarige] niet uiterlijk op 4 juli 2025 in een accommodatie zorgaanbieder 24uurs is geplaatst wijst het hof af wegens gebrek aan belang, omdat reeds uit de wet volgt dat op 4 juli 2025 de betreffende machtiging van rechtswege is vervallen.



3.19.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek te bepalen dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer had mogen duren dan de (gedwongen) opname van moeder, oordeelt het hof als volgt.
Sinds de gedwongen opname van de moeder is de GI weer goed in contact gekomen met zowel [minderjarige] als de moeder en heeft de GI zicht gekregen op de situatie van [minderjarige] en de moeder. Er zijn hulpverleningstrajecten gaan lopen die tot verbetering van de ontwikkeling van [minderjarige] hebben geleid. De moeder had haar eigen hulpverlening, dagbesteding en ambulante begeleiding. Zij was op dat moment nog niet stabiel genoeg om volledig de zorg voor [minderjarige] te kunnen dragen. De GI heeft daarom, nadat de gedwongen opname van de moeder is beëindigd, samen met de moeder en [minderjarige] een plan gemaakt om, onder voorwaarden, toe te werken naar een thuisplaatsing. [minderjarige] is stapsgewijs steeds meer thuis verbleven. Deze geleidelijke opbouw was nodig om een succesvolle terugplaatsing te kunnen realiseren en de moeder niet meteen te veel te belasten. Het doel was dat [minderjarige] met de start van het nieuwe schooljaar weer volledig bij de moeder zou wonen. Dit doel is ook behaald. Voorts heeft de GI het voorgenomen besluit om de uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen ter toetsing aan de raad voorgelegd. Uit het dossier blijkt dat de raad hiermee heeft ingestemd. Het hof is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat de GI op goede gronden de thuisplaatsing van [minderjarige] langs geleidelijke weg heeft laten verlopen. Dit leidt ertoe dat het hof ook het subsidiaire verzoek van de moeder afwijst.




Proceskosten





3.20 .
Het hof is van oordeel dat, gegeven de uitkomst van de procedure, er geen reden is de GI te veroordelen in de (door de moeder gemaakte) proceskosten dan wel andere kosten. De proceskosten worden op de gebruikelijke wijze, gelet op de aard van deze procedure gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Conclusie





3.21.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd en de verzoeken van de moeder dienen te worden afgewezen.





4De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 4 april 2025;



wijst af het meer of anders verzochte.




Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, G.M. Goes en F. DunkiJacobs, bijgestaan door mr. E.G.A. Janssen als griffier en is in het openbaar uitgesproken door mr. A.J.F. Manders op 23 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.