Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2830

2025-10-14 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.338.919_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-14
Publicatiedatum
2025-10-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.338.919_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Hof oordeelt dat koper de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Verkoper is gehouden de aanbetaling terug te betalen. Het hof wijst de aanvullende schadevergoeding af.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.747 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.338.919/01




arrest van 14 oktober 2025




in de zaak van





[appellante] , t.h.o.d.n. [xx] Wonen,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.D.N. Jumelet te Geldermalsen.



als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 10698908/23-5388 gewezen vonnis van 23 november 2023 (verder: het bestreden vonnis) tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellante] als gedaagde.






5Het verloop van de procedure


5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 30 april 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft bepaald;


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 28 juni 2024;


de memorie van grieven met zeven producties;


de memorie van antwoord.





5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.






6De beoordeling



De feiten




6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.


6.1.1.

[appellante] exploiteert onder de handelsnaam [xx] Wonen een meubelzaak in [A] . Zij richt zich ook op woning- en projectinrichting.



6.1.2.


[geïntimeerde] heeft in juli 2022 een offerte opgevraagd voor het leveren en plaatsen van diverse PVC vloeren voor de nog aan haar op te leveren nieuwbouwwoning. Op de offerte van 18 juli 2022 staat voor € 18.850,00 aan vloeren geoffreerd. [geïntimeerde] heeft daarop
€ 8.850,00 aanbetaald.




6.1.3.
In de periode van 16 juli 2022 tot en met 20 oktober 2022 heeft er Whatsapp-communicatie tussen partijen plaatsgevonden. Uit deze berichten blijkt (onder meer) dat [geïntimeerde] op 23 september 2022 heeft bericht dat zij in andere meubelzaken vloeren is tegengekomen voor een veel voordeligere prijs dan bij [appellante] en dat zij verzoekt om een gespecificeerde prijs per etage inclusief het leggen van de vloer.



6.1.4.

[geïntimeerde] heeft [appellante] (onder meer) op 20 oktober 2022 en 27 oktober 2022 bezocht. Tijdens het gesprek op 27 oktober 2022 zijn geen wijzigingen doorgevoerd en is gesproken over de beoogde legdatum.



6.1.5.
In de e-mail van 17 november 2022 van de voormalig gemachtigde van [geïntimeerde] aan [appellante] staat dat [geïntimeerde] haar vertrouwen in [appellante] opzegt en niet langer wenst een overeenkomst met [appellante] aan te gaan, omdat zij nog altijd geen gespecificeerde, kloppende offerte heeft ontvangen. Ook wordt [appellante] gesommeerd om het door [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 8.850,00 aan [geïntimeerde] terug te betalen.



6.1.6.

Bij e-mail van 16 december 2022 van haar advocaat heeft [appellante] aan [geïntimeerde] een tweetal opties geboden, welke opties in voornoemde e-mail als volgt worden beschreven:
“(…) Uw cliënte heeft de mijne op een later moment bericht dat zij een ander (bedrijf) de vloeren wil laten leggen. Mijn cliënte heeft daarop laten weten dat dat kan, maar dat er dan €. 1.500,= moet worden bijbetaald. Na genoemde bijbetaling zal de vloer bij uw cliënt worden afgeleverd. Ik zal dit hierna optie 1 noemen.




Recent heeft mijn cliënte nog een tweede optie gegeven, dit omdat uw cliënte aangeeft de zolder toch niet te willen voorzien van de bestelde PVC-vloer. De tweede optie is dat mijn cliënte het aantal m2 voor de zoldervloer niet zal leveren, zij zal deze elders proberen te slijten. Bij deze optie 2 hoeft uw cliënte dus niets meer bij te betalen.


De keus is dus eenvoudig: optie 1 met bijbetaling en uw cliënte ontvangt alle vloeren, of optie 2 zonder bijbetaling en cliënte levert de vloeren met uitzondering van de zoldervloer. (…)”



Verder staat er in de e-mail dat er geen grond voor ontbinding van de overeenkomst is, en dat aan de sommatie geen gevolg wordt gegeven.




6.1.7.

Bij e-mail van 28 december 2022 van haar advocaat voegt [appellante] daar nog het navolgende aan toe, geciteerd voor zover hier van belang:
“(…) Uw cliënte heeft opdracht verleend en dit bevestigd door een aanbetaling te doen. Mijn cliënte heeft vervolgens de materialen besteld. Nadien wenst uw cliënte het leggen elders uit te besteden, en wil mijn cliënte wel tegemoetkomen aan die wens. Nog later komt de wens van uw cliënte om de vloer voor de zolder niet meer af te nemen. Ook op dit punt wil mijn cliënte de uwe wel tegemoetkomen.




Beide opties zoals genoemd in mijn laatste bericht worden gestand gedaan tot 5 januari 2023. (…)”




6.1.8.

Bij e-mail van haar toenmalig gemachtigde van 28 december 2022, heeft [geïntimeerde] als volgt gereageerd, geciteerd voor zover hier van belang:
“(…) Cliënte heeft zeker geen opdracht verleend zoals u stelt, sterker nog er zijn duidelijke condities gesteld aan het overmaken van een voorschot door cliënte (…)”.




6.1.9.

Bij brief van 7 maart 2023 van haar advocaat heeft [geïntimeerde] [appellante] in gebreke gesteld. In deze brief staat, geciteerd voor zover hier van belang:
“(…) Tot op de dag van vandaag heeft uw cliënte de goederen niet geleverd en het werk niet verricht. Ook heeft uw cliënte ondanks meerdere en herhaaldelijke verzoeken (namens) cliënte onder meer, doch niet uitsluitend, op 28 december 2022 en 3 februari 2023 het bovengenoemde bedrag niet terugbetaald naar hetzelfde IBAN als waarvan cliënte het naar uw cliënte heeft overgemaakt.




Middels deze brief stel ik, namens cliënte, uw cliënte in gebreke. Namens cliënte verzoek, en voor zover nodig, sommeer ik uw cliënte,
om binnen 14 dagen na heden doch uiterlijk 21 maart 2023
alsnog volledig na te komen. Blijft nakoming uit dan ziet cliënte zich genoodzaakt om de overeenkomst te ontbinden en zonder nader tegenbericht en met onmiddellijke ingang een gerechtelijke procedure jegens uw cliënte te starten. In die gerechtelijke procedure zal onder, doch niet uitsluiten, aanspraak worden gemaakt op de door cliënte te betalen (opslag)kosten, betaling van de wettelijke (handels)rente, buitengerechtelijke kosten (€ 989,19) en proceskosten waaronder, doch niet uitsluitend, de te maken kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden, reeds nu voor alsdan, aangezegd. (…)”




6.1.10.

Bij e-mail van 9 mei 2023 van haar advocaat reageert [appellante] daarop als volgt, geciteerd voor zover hier van belang:
“(…) Uw cliënte liet zich eerder bijstaan door een andere gemachtigde, mr. Melse. Aan mr. Melse werden op 16 december 2022 al twee opties voorgelegd. Uw cliënte heeft uit die opties geen keuze gemaakt.




Uw cliënte kiest blijkens uw laatste brief voor een derde optie, inhoudende alle vloeren alsnog zoals overeengekomen te laten leveren en te laten leggen en dit tegen de overeengekomen prijs van €. 18.850,=.





Na enig beraad kan ik u mededelen dat mijn cliënte daartoe wel bereid is, dit echter onder de voorwaarde dat de resterende betaling van €. 10.000,= vooraf wordt bijgeschreven op de rekening van derdengelden van mijn kantoor. Pas na ontvangst van deze betaling op de derdenrekening zal mijn cliënte een nadere afspraak maken met uw cliënte voor het leggen van de vloer. Dat leggen zal ook enkele dagen in beslag nemen. Pas na het leggen van de vloeren zal genoemd bedrag vervolgens worden doorbetaald aan mijn cliënte. (…)”




6.1.11.
Bij brief van 17 juli 2023 van haar advocaat heeft [geïntimeerde] [appellante] bericht dat de overeenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden en heeft zij aanspraak gemaakt op aanvullende schadevergoeding van € 3.141,91.



De procedure bij de rechtbank





6.2.1.

[geïntimeerde] vorderde uitvoerbaar bij voorraad - samengevat - dat de kantonrechter:


primair voor recht verklaart dat de overeenkomst met betrekking tot de vloeren, bies en trap en het leggen daarvan is ontbonden dan wel subsidiair de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot de vloeren, bies en trap en het leggen uitspreekt;



[appellante] veroordeelt om binnen 5 dagen na dagtekening van het vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 11.991,91 aan [geïntimeerde] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van ontbinding 17 juli 2023;



[appellante] veroordeelt om binnen 5 dagen na dagtekening van het vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] € 1.082,85 aan buitengerechtelijke kosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;



[appellante] veroordeelt tot het betalen van de kosten van het geding aan [geïntimeerde] , als ook het nasalaris, vermeerderd met de wettelijke rente.





6.2.2.


[geïntimeerde] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellante] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst door de op de offerte staande vloeren niet te leveren en de werkzaamheden niet te verrichten. [appellante] is in verzuim en [geïntimeerde] heeft de overeenkomst dan ook terecht ontbonden en [appellante] is dan ook gehouden tot terugbetaling van de aanbetaling van € 8.850,00 en betaling van aanvullende schadevergoeding van € 3.141,91
(€ 1.269,99 aan opslagkosten, € 1.764,36 aan elektra- en gaskosten, en € 107,56 aan benzinekosten), aldus [geïntimeerde] .




6.2.3.

[appellante] heeft de vorderingen niet weersproken.



6.2.4.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter (onder meer en weergegeven voor zover voor de procedure in hoger beroep van belang) geoordeeld dat de (primaire) vorderingen worden toegewezen nu [appellante] deze niet heeft weersproken, behoudens de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten welke door de kantonrechter wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Verder is [appellante] veroordeeld in proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.



De procedure bij het hof






6.3.

[appellante] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd en - kort gezegd - geconcludeerd tot, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] af te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.



6.4.
Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellante] , althans het beroep af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.



6.5.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Grief 1 richt zich tegen de verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden en tegen de veroordeling tot terugbetaling van het door [geïntimeerde] aan [appellante] betaalde bedrag van
€ 8.850,00. De grieven 2 tot en met 4 richten zich tegen de toegewezen aanvullende schadevergoeding van in totaal € 3.141,91. Met de grieven 5 en 6 komt [appellante] op tegen de toegewezen buitengerechtelijke incassokosten en de proceskostenveroordeling.




Ontbinding van de overeenkomst





6.6. “(…)

Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Daarbij geldt ingevolge artikel 6:265 lid 2 BW dat, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat, wanneer de schuldenaar in verzuim is.
Is voor de nakoming geen termijn bepaald, dan treedt volgens artikel 6:82 lid 1 BW het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. De lengte van de termijn voor nakoming die aan de schuldenaar moet worden gegeven, hangt van de omstandigheden af. (…)
Verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden. Artikel 6:83 BW noemt drie gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar dit is geen limitatieve opsomming. Mede in verband met de hanteerbaarheid in de praktijk van het wettelijk stelsel, kan onder omstandigheden een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. (…)” (Hoge Raad van
11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581).



6.6.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat op of rond 18 juli 2022 een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [appellante] gehouden is tot het leveren en plaatsen van PVC-vloeren in de door [geïntimeerde] aangekochte nieuwbouwwoning en [geïntimeerde] gehouden is tot betaling van € 18.850,00. Evenmin is in geschil dat de vloeren niet geleverd en geplaatst zijn.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van consumentenkoop.




6.6.2.


[appellante] is op 7 maart 2023 door [geïntimeerde] in gebreke gesteld en gesommeerd de overeenkomst volledig na te komen op uiterlijk 21 maart 2023. Het hof legt het ‘volledig nakomen’ zo uit als dat [geïntimeerde] daarmee de levering en plaatsing van de PVC vloeren bedoelt. Vast staat dat de vloeren niet vóór of op 21 maart 2023 zijn geleverd en geplaatst. Niet gebleken is van een onmogelijkheid om de vloeren te leveren en te plaatsen. Evenmin is door [appellante] gesteld dat de termijn voor nakoming tekort zou zijn. Behalve dat in de e-mail van 25 november 2022 van [appellante] aan [geïntimeerde] staat dat de vloer al enige tijd klaarligt en geleverd kan worden, was de brief van 7 maart 2023 voor [appellante] ook geen aanleiding om binnen de daarin gestelde termijn van 14 dagen contact met [geïntimeerde] op te nemen. Dit doet zij pas bij e-mail van 9 mei 2023 en ook hieruit blijkt niet van een onmogelijkheid tot levering en plaatsing van de vloer. Sterker nog: levering en plaatsing is wel degelijk mogelijk maar dan dient [geïntimeerde] vooraf - waarmee [appellante] een nadere, niet reeds tussen partijen overeengekomen, voorwaarde aan de nakoming van de overeenkomst stelt - € 10.000,00 op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellante] bij te schrijven. Door niet tot levering en plaatsing van de vloeren over te gaan, is [appellante] in verzuim komen te verkeren.
In randnummer 22 van de memorie van grieven voert [appellante] aan dat [geïntimeerde] in alle redelijkheid geen rechten kan ontlenen aan de brief van 7 maart 2023 omdat zij niet is ingegaan op de namens [appellante] voorgestelde opties. Voor zover [appellante] daarmee bedoelt dat de redelijkheid en billijkheid aan het intreden van het verzuim in de weg staat, kan dit verweer niet slagen. Partijen hebben een overeenkomst gesloten waaruit rechten en verplichtingen voorvloeien en waar partijen nakoming van kunnen vorderen. Die rechten en verplichtingen zijn met het aanbieden van opties door [appellante] , niet gewijzigd. Zonder nadere onderbouwing, die door [appellante] niet is gegeven, valt niet in te zien waarom het enkel aanbieden van andere opties aan het vorderen van nakoming in de weg staat. Gesteld noch gebleken is dat partijen, omtrent bedoelde opties, dusdanig met elkaar in vergevorderde onderhandelingen verkeerden dat [geïntimeerde] in redelijkheid geen nakoming van de overeenkomst kon vorderen. Sterker nog: uit de e-mail van 28 december 2022 van [appellante] volgt dat de opties gestand worden gedaan tot 5 januari 2023. [geïntimeerde] heeft van deze opties geen gebruik gemaakt.




6.6.3.
Met het in verzuim komen te verkeren van [appellante] heeft [geïntimeerde] terecht de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. De rechtbank heeft dan ook terecht voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden.



6.6.4.
Op grond van de ontbinding hebben partijen, ingevolge het bepaalde in artikel 6:277 BW, over en weer aanspraak op ongedaanmaking van reeds door de ander ontvangen prestaties. Dit betekent dat [appellante] gehouden is het reeds aan haar door [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 8.850,00 terug te betalen. Daarmee faalt grief 1.



Aanvullende schadevergoeding






6.7.
Op de voet van art. 6:277 BW komt de schade die door de ontbinding wordt veroorzaakt, en die dus voortvloeit uit het feit dat de overeenkomst niet (verder) wordt uitgevoerd, voor vergoeding in aanmerking. Artikel 6:277 BW stelt buiten twijfel dat niet alleen de door de wanprestatie geleden schade, maar ook de schade die door de ontbinding wordt veroorzaakt, voor vergoeding in aanmerking komt.


6.7.1.


[geïntimeerde] stelt in de periode van september 2022 tot en met februari 2023 € 1.269,99 aan kosten te hebben gemaakt voor het opslaan van goederen, omdat [appellante] de vloeren niet geleverd en gelegd heeft in september 2022. Het hof is van oordeel dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, en overweegt daartoe als volgt.
[appellante] betwist dat de vloeren in september 2022 geleverd en geplaatst konden worden. [geïntimeerde] heeft de woning niet in september 2022 kunnen betrekken omdat de oplevering van de woning uitliep en er daarna aanhoudende vochtproblemen waren, aldus [appellante] . Het leggen van de vloeren was, aldus [appellante] , pas in december 2022 beoogd. [geïntimeerde] heeft - in het licht van de betwisting van [appellante] - onvoldoende onderbouwd dat de vloeren ook geleverd en geplaatst konden worden in september 2022. De enkele stellingname dat de woning in september 2022 is opgeleverd dan wel dat [geïntimeerde] op
9 september 2022 de sleutel had, acht het hof - in het licht van de betwisting - onvoldoende. Volledigheidshalve merkt het hof op dat ook het Whatsapp-verkeer tussen partijen geen aanleiding geeft om aan te nemen dat de woning in september 2022 is opgeleverd. En zelfs als vast komt te staan dat de woning in september 2022 is opgeleverd, staat daarmee nog niet vast dat de vloeren - hetgeen afhankelijk is van de fysieke staat van de woning - in september geleverd en gelegd konden worden. In dat kader acht het hof voorts van belang dat [geïntimeerde] [appellante] pas op 7 maart 2023 heeft gesommeerd tot het volledig nakomen van de overeenkomst. Zonder nadere onderbouwing, die door [geïntimeerde] niet is gegeven, valt niet in te zien waarom zij pas op 7 maart 2023 volledige nakoming van de overeenkomst wenst, terwijl de woning - zoals zij zelf stelt - al sinds september 2022 is opgeleverd en zij door het niet leveren en leggen van de vloer opslagkosten maakt.
Dat de door [geïntimeerde] gemaakte opslagkosten een gevolg zijn van het niet in september 2022 leveren en plaatsen van de vloeren door [appellante] is dan ook niet komen vast te staan, hetgeen betekent dat er geen grondslag is voor toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde opslagkosten.




6.7.2.

Verwijzend naar hetgeen het hof onder 6.7.1. heeft overwogen, worden ook de door [geïntimeerde] gevorderde elektriciteits- en gaskosten van € 1.764,36 afgewezen. Ook van deze kosten, welke volgens [geïntimeerde] gemaakt zijn in de periode oktober 2022 tot en met maart 2023, is niet komen vast te staan dat deze een gevolg zijn van het niet in september 2022 leveren en plaatsen van de vloeren in de woning door [appellante] .
Voorts merkt het hof op dat zonder nadere onderbouwing, die door [geïntimeerde] niet is gegeven, niet valt in te zien waarom de elektriciteits- en gaskosten voor de vervangende woning als schade dienen te worden aangemerkt. Wanneer [geïntimeerde] heeft bedoeld dat zij in beide woningen elektriciteits- en gaskosten heeft gemaakt, had het - in het licht van de betwisting door [appellante] - op haar weg gelegen dit te onderbouwen en zo nodig te bewijzen. Nu het zijdens [geïntimeerde] bij een blote stellingname blijft, komt het hof niet toe aan bewijslevering door [geïntimeerde] .
Nu niet is komen vast te staan dat sprake is van dubbele kosten en voorts niet is komen vast te staan dat - als er al sprake zou zijn van dubbele kosten - die kosten zijn gemaakt als gevolg van het niet leveren en plaatsen van de vloeren door [appellante] , is er geen grondslag voor toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde elektriciteits- en gaskosten.




6.7.3.

Verder heeft [geïntimeerde] € 107,56 aan benzinekosten gevorderd voor het bezoeken van de winkel van [appellante] op 8 september 2022, 20 oktober 2022 en 27 oktober 2022. Het hof begrijpt deze vordering zo dat [geïntimeerde] deze kosten heeft gemaakt, omdat zij drie keer naar de winkel van [appellante] is gereden om het inmeten van de vloeren te bespreken. Partijen zijn, aldus [geïntimeerde] , overeengekomen dat de vloeren alsnog ingemeten dienden te worden.

[appellante] betwist dat partijen het inmeten van de vloeren zijn overeengekomen: het aantal vierkante meters is berekend aan de hand van de door [geïntimeerde] verstrekte bouwtekeningen, waarbij rekening is gehouden met een percentage snijverlies. Het hof merkt op dat het inmeten van de vloeren niet op de offerte staat vermeld. In het licht van de betwisting van [appellante] lag het op de weg van [geïntimeerde] haar standpunt dat partijen zijn overeengekomen dat de vloeren nog ingemeten dienen te worden, te onderbouwen. Dit heeft [geïntimeerde] niet gedaan. De e-mail van 1 november 2022 is daartoe niet voldoende. Daarmee blijft het zijdens [geïntimeerde] (wederom) bij een blote stellingname, en komt het hof niet toe aan een bewijslevering door [geïntimeerde] .
Nu niet is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat de vloeren nog ingemeten dienen te worden, kan het niet nakomen van inmeten van de vloeren niet ten grondslag liggen aan de gevorderde vervoerskosten.




6.7.4.
Verwijzend naar hetgeen het hof onder rechtsoverweging 6.7.1. tot en met 6.7.3. heeft overwogen, dient de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding van € 3.141,91 alsnog te worden afgewezen. Daarmee slagen de grieven 2 tot en met 4 en dient het bestreden vonnis alsnog, te worden vernietigd.



De buitengerechtelijke incassokosten.






6.8.

Met grief 5 komt [geïntimeerde] op tegen de buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [appellante] strekken de werkzaamheden als verricht door de advocaat van [geïntimeerde] slechts ter instructie van de zaak.
Het hof stelt vast, verwijzend naar het schrijven van 31 januari 2023 en de e-mails van 17 en 25 november 2022, dat de (voormalig) gemachtigde dan wel de advocaat van [geïntimeerde] wel degelijk buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Verwijzend naar de rechtsoverwegingen 6.6.4. en 6.7.4. ziet de hoogte van de toe te wijzen vordering niet langer op € 11.991,91 maar op € 8.850,00. Hierin ziet het hof aanleiding om ook de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten vast te stellen op € 817,50. Daarmee slaagt grief 5 gedeeltelijk.




De proceskosten





6.9.
Wat betreft de kosten van de eerste aanleg is [appellante] door de rechtbank in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. Nu [appellante] naar in hoger beroep is geoordeeld de overwegend in het ongelijk gestelde partij is, blijft deze veroordeling in stand.



6.10.
Nu [appellante] en [geïntimeerde] in hoger beroep over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.



De slotsom





6.11.

De grieven 1 en 6 falen en de grieven 2, 3, 4, en 5 slagen (gedeeltelijk). Dit betekent dat het bestreden vonnis wordt vernietigd;
en
dat het hof opnieuw rechtdoende [appellante] zal veroordelen om aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van € 8.850,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum ontbinding, zijnde 17 juli 2023.
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal worden afgewezen omdat [appellante] op die vordering niet meer heeft kunnen reageren.







7De uitspraak


Het hof:



7.1.
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;


en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:



veroordeelt [appellante] aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van € 8.850,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum ontbinding, zijnde 17 juli 2023;



veroordeelt [appellante] aan [geïntimeerde] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 817,50, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 4 september 2023, tot de dag der voldoening;




7.2.
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;







7.3.
wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit arrest is gewezen door mrs. K.J.H. Hoofs, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2025.




griffier rolraadsheer