Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2828
2025-10-14
Civiel recht; Ondernemingsrecht
200.311.038_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geschil omtrent levering van aandelen. Geslaagd in bewijsopdracht ter zake bestaan overeenkomst tot levering aandelen. Geen sprake van voorwaardelijk karakter. Afwijking van statutaire blokkeringsregeling?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2001:AB1057 Hoge Raad 13-04-2001
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.158 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.311.038/01
arrest van 14 oktober 2025
in de zaak van
1De Hurnse Kil B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [xx] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] , en ieder afzonderlijk als DHK en [xx] ,
advocaat: mr. M.W. Steenpoorte te 's-Hertogenbosch,
tegen
Orutuf B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Orutuf,
advocaat: mr. S.W. Holterman te Utrecht,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 juli 2024 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/011367854 /H A ZA 21-111 gewezen vonnis van 23 maart 2022.
8Het verloop van de procedure
8.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
akte uitlating bewijs namens [appellanten] met producties;
akte uitlaten bewijsopdracht namens Orutuf met producties;
proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van [appellanten] van 19 november 2024;
proces-verbaal van enquête aan de zijde van Orutuf van 20 november 2024;
proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor aan de zijde van [appellanten] van 20 november 2024;
memorie na enquête namens [appellanten] ;
memorie na enquête namens Orutuf met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de overige stukken in het hoger beroepsdossier en de stukken van de eerste aanleg.
8.2.
Bij het bepalen van de volgorde van de te horen getuigen is sprake geweest van een administratieve vergissing. In overleg met partijen is op 19 november 2024 gestart met het horen van de door [appellanten] opgeroepen getuigen en pas daags erna (op 20 november 2024) de door Orutuf opgeroepen getuigen. Verder zijn de processen-verbaal van 20 november 2024 vastgelegd in twee separate documenten.
9De beoordeling
9.1.
In het tussenarrest van 16 juli 2024 heeft het gerechtshof onder rechtsoverweging 6.8. in principaal hoger beroep overwogen dat het hof dient te beoordelen of op 2 juli 2019 tussen [appellanten] en Orutuf een overeenkomst is gesloten inhoudende dat [appellanten] ieder 2,5% van hun aandelen in RijnDelta Groep B.V. (RDG) aan Orutuf zouden leveren voor een koopprijs van € 1,-. Het hof heeft daarbij partijen toegelaten tot bewijslevering, waarbij op Orutuf twee bewijsopdrachten rusten en op [appellanten] één bewijsopdracht.
Indien het hof in dit arrest namen van personen noemt, wordt gedoeld op dezelfde personen als in het tussenarrest.
9.2.
Partijen hebben zich vervolgens elk bij akte uitgelaten over de bewijsopdrachten, waarna door het hof een vijftal getuigen zijn gehoord. Nadien hebben partijen bij memories na enquête zich uitgelaten over de bewijslevering over en weer. Het hof komt na waardering van het aangedragen bewijs tot het oordeel dat in rechte is komen vast te staan dat op 2 juli 2019 tussen [appellanten] en Orutuf een onvoorwaardelijke overeenkomst is gesloten inhoudende dat [appellanten] ieder 2,5% van hun aandelen in RijnDelta Groep B.V. (RDG) aan Orutuf zouden leveren voor een koopprijs van € 1,-. Dit licht het hof toe in de overwegingen hieronder.
Overeenkomst tot levering 10 aandelen door [appellanten] aan Orutuf
9.3.
De eerste bewijsopdracht die het hof heeft gegeven betreft de opdracht aan Orutuf
om feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat tussen partijen op 2 juli 2019 een overeenkomst is gesloten tot levering door [appellanten] van in totaal 10 aandelen in RDG - te weten ieder 5 -— aan Orutuf voor een prijs van 1,-.
9.4.
Ter uitvoering van deze opdracht heeft Orutuf bij de akte uitlating bewijs gewezen op: punt 4 van de notulen van de vergadering van 2 juli 2019 (aangehaald in het tussenarrest onder 6.2.5.), de reactie daarop van [appellanten] (aangehaald in het tussenarrest onder 6.2.6.) als ook op de email van [persoon D] van 29 november 2019 (productie 8 bij inleidende dagvaarding, zie ook tussenarrest 6.2.8.) en de nadere verklaring van 13 mei van [persoon A] (productie 18 bij memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel). Volgens Orutuf blijkt daaruit dat op 2 juli 2019 tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Dat wordt door [appellanten] niet betwist, maar [appellanten] voeren alleen aan dat deze overeenkomst een wederkerig karakter heeft, aldus Orutuf.
9.5.
Daarnaast heeft Orutuf ter uitvoering van de bewijsopdracht op 20 november 2024 van [persoon A] en [persoon B] doen horen. Orutuf stelt zich op het standpunt dat zij hierdoor is geslaagd in het door haar te leveren bewijs.
9.6.
[appellanten] betwisten dat het bewijs door Orutuf is geleverd. Volgens [appellanten] hebben getuigen [persoon A] en [persoon B] onvoldoende concreet verklaard over de op de algemene vergadering van aandeelhouders van 2 juli 2019 beweerdelijk gemaakte afspraken.
9.7.
Het hof stelt vast dat door getuige [persoon A] is verklaard dat tijdens de vergadering van 2 juli 2019 afspraken zijn gemaakt. [persoon A] verklaart daarover onder meer het volgende: “In juni 2019 is opnieuw gesproken tussen partijen over de mogelijkheid voor [persoon B] om de beschikking te krijgen over vijf procent van de aandelen. Dit is op de agenda gezet voor de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 en daar zijn daarover afspraken gemaakt. Daar waren verder geen voorwaarden aan verbonden.”
Daarnaast heeft ook [persoon B] verklaard over de besluitvorming tijdens de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019. [persoon B] heeft daarover onder meer verklaard:
“Het meest voor de handliggende moment om het aandelenbelang alsnog te realiseren was de volgende aandeelhoudersvergadering, Dit is de vergadering van juli 2019 geweest. Daarbij
waren de aandeelhouders aanwezig: [persoon D] & [persoon E] en [persoon F] . Ik was
daarbij ook aanwezig en als notulist [persoon A] . De strekking van het besluit was om vijf
procent van de aandelen onder te brengen in een andere vennootschap dan [yy] .”
en:
“De overdracht van de vijf procent aandelen zou in een andere vennootschap plaatsvinden dan Front Bone. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van juli 2019 was het besloten om het zo te doen.”
9.8.
Deze verklaringen van [persoon A] en [persoon B] zijn in lijn met de tekst van punt 4 van de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019. Ook [persoon D] en [persoon E] hebben tijdens hun getuigenverhoren verklaard dat tijdens de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 is gesproken over de overdracht van aandelen.
9.9.
Wat [appellanten] tegen het bovenstaande in brengen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden, ook wanneer de overige getuigenverklaringen bij de beoordeling betrokken worden.
9.9.1.
Het hof stelt allereerst vast dat de door [appellanten] voorgebrachte getuige [persoon C] niets heeft verklaard dat relevant is in het kader van de eerste bewijsopdracht. Hij verklaart ook dat hij pas sinds 2020 betrokken is.
9.9.2.
Verder betogen [appellanten] dat alleen een aandelenoverdracht aan een door [persoon B] gecontroleerde vennootschap is besproken, maar dit volgt niet uit de getuigenverklaringen, ook niet uit hetgeen door [persoon D] en [persoon E] tijdens de getuigenverhoren is verklaard. Ook in de email van [persoon D] van 29 november 2019 (productie 8 bij inleidende dagvaarding) wordt dit niet vermeld.
9.9.3.
Het hof verwerpt daarnaast het verweer van [appellanten] (memorie van grieven nr. 42 t/m 50) dat geen overeenstemming over de koopprijs (van € 1,--) tot stand is gekomen, nu in de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 expliciet verwezen wordt naar het kooprecht zoals opgenomen in de koopovereenkomst van augustus 2018. Daarin staat die koopprijs wel vermeld.
9.9.4.
Het hof overweegt ten overvloede dat het er eerder op lijkt dat in de periode na 2 juli 2019 de verhoudingen zijn verslechterd, waarna [appellanten] hebben benadrukt dat [persoon F] moest voldoen aan zijn verplichtingen. Dat doet evenwel niet af aan datgene wat tijdens aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 is besproken en besloten.
9.10.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof in rechte komen vast te staan dat op 2 juli 2019 tussen [appellanten] en Orutuf een onvoorwaardelijke overeenkomst is gesloten inhoudende dat [appellanten] ieder 2,5% van hun aandelen in RDG aan Orutuf zouden leveren voor een koopprijs van € 1,-. Naar het oordeel van het hof is Orutuf aldus in haar eerste bewijsopdracht geslaagd.
Geen voorwaardelijke overeenkomst
9.11.
Nu het bestaan van de overeenkomst tot levering van aandelen door [appellanten] aan Orutuf zoals vermeld onder rechtsoverweging 9.3. is bewezen, komt het hof toe aan de volgende bewijsopdracht. Het hof heeft [appellanten] opgedragen om feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat voornoemde overeenkomst een voorwaardelijk karakter heeft in die zin dat de verplichting tot levering van aandelen is aangegaan onder het voorbehoud dat ook [persoon F] c.q. RDH aan zijn / haar verplichtingen voldoet.
9.12.
Het hof stelt voorop dat [appellanten] de bewijslast hebben ten aanzien van het gestelde voorwaardelijke karakter van de koopovereenkomst. Dat brengt met zich dat [persoon D] en [persoon E] als statutair bestuurders van respectievelijk DHK en [xx] derhalve gekwalificeerd moeten worden als partijgetuige. Dit betekent volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de door hen als getuigen afgelegde verklaringen ingevolge artikel 164 lid 2 Rv alleen bewijs in het voordeel van [appellanten] opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het hun verklaring voldoende geloofwaardig maakt (zie onder meer Hoge Raad 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057).
Het hof merkt hierbij op dat de onderhavige bepaling met inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025 is geschrapt. De nieuwe regels gelden echter alleen voor gerechtelijke procedures die na 1 januari 2025 worden gestart. De onderhavige procedure is vóór 1 januari 2025 gestart, zodat artikel 164 lid 2 Rv van toepassing is. Overigens zou de uitkomst van de bewijswaardering in dit geval onder het nieuwe recht niet anders zijn. Gelet op het belang dat [appellanten] hebben bij de getuigenverklaringen van [persoon D] en [persoon E] , moeten hun verklaringen sowieso met de nodige behoedzaamheid worden gewaardeerd.
9.13.
Over het voorwaardelijk karakter van de gemaakte afspraken verwijzen [appellanten] in algemene zin naar de in hun memorie van grieven aangehaalde correspondentie en (commentaren op de) notulen. Daarnaast halen zij de getuigenverklaringen aan die door de beide broers [--] zijn afgelegd tijdens hun getuigenverhoor. Daarin heeft [persoon E] verklaard:
“Tijdens de vergadering van 2 juli 2019 is met [persoon G] besproken dat hij het aandelenbelang via een andere vennootschap wilde ontvangen. Daarvoor was vereist dat ook de rest van de verkoopafspraken voldaan zou worden. (...)
Over de mail van mijn broer van eind november 2019 verklaar ik dat ik daarmee bekend
ben, maar dat daarvoor gold dat als alle afspraken over en weer zouden worden
nageleefd wij ook de aandelen zouden leveren. (...)
Het feit dat wij pas in december 2019 hebben geklaagd over de inhoud van de notulen
van de vergadering van 2 juli 2019 komt omdat wij tot die tijd nog de hoop hadden dat het
wel goed zou komen. Pas later hadden wij door dat wij buitenspel werden gezet. Eerder
bestond de hoop dat [persoon F] , RijnDelta Holding en Consed hun verplichtingen nog
zouden nakomen. (...)“
9.14.
Voorts hebben [appellanten] gewezen op hetgeen door [persoon D] hieromtrent is verklaard:
“Wij stonden open voor een nieuwe afspraak hieromtrent. Wij hebben toen ook laten
weten dat wij graag willen dat de afspraak voor het gezond maken van het bedriif de
rekening-courant positie, en de openstaande management fees zou worden nagekomen.
(...)
Op pagina 2 verklaar ik daarbij over artikel 4: “dit zien wij anders”, daarmee bedoelde ik
dat het niet zo is dat alleen wij aan afspraken gehouden kunnen worden. (...)
Mijn e-mail van 29 november 2019 was een poging om betaald te krijgen en alles weer
vlot te trekken. Ik wilde dat de andere partij zich zou gaan houden aan de gemaakte
afspraken.”
Naar het oordeel van het hof volgt hieruit niet dat de op 2 juli 2019 gemaakte afspraken over aandelenlevering een voorwaardelijk karakter hadden. Zelfs wanneer dat anders zou zijn, dan geldt dat er geen aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het de getuigenverklaring van [persoon D] en [persoon E] op dit punt voldoende geloofwaardig maakt.
9.15.
Vervolgens gaan [appellanten] – onder verwijzing naar de getuigenverklaringen – in op de inhoud van diverse verplichtingen waaraan volgens hen door [persoon F] c.q. RDH voldaan moest worden. Naar het oordeel van het hof volgt daaruit als zodanig niet dat de aandelenlevering een voorwaardelijke karakter had in de zin dat deze zou plaats vinden onder het voorbehoud dat [persoon F] c.q. RDH ook zijn of haar verplichtingen diende na te komen. Dit staat ook niet vermeld in de door [persoon A] opgestelde notulen van 2 juli 2019 en dit volgt evenmin uit de getuigenverklaringen van [persoon A] en [persoon B] . [persoon A] heeft immers verklaard over de gemaakte afspraken tijdens de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 dat daar verder geen voorwaarden aan waren verbonden (zie 9.7.). [persoon B] heeft verklaard: “Tijdens de aandeelhoudersvergadering in juli 2019 is niet gesproken over voorwaarden waaronder de aandelenoverdracht zou plaatsvinden.”. Ook uit het e-mailbericht van [persoon D] van 29 november 2019 kan niet worden afgeleid dat de afspraak een voorwaardelijke karakter had. Voor de hand had dan immers gelegen dat [persoon D] op dat moment zou hebben aangegeven dat de notulen op het bewuste punt onjuist waren of dat dit weliswaar was afgesproken maar slechts onder de voorwaarde dat ook [persoon F] c.q. RDH aan zijn / haar voorwaarden zou voldoen of woorden van gelijke strekking. Dit heeft [persoon D] evenwel niet vermeld in zijn e-mailbericht.
9.16.
Het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwd leidt tot de conclusie dat [appellanten] niet zijn geslaagd in de aan hen opgedragen bewijslevering ter zake het voorwaardelijk karakter van de gemaakte afspraken tot aandelenoverdracht.
9.17.
Gelet op de omstandigheid dat het hof oordeelt dat de koopovereenkomst tot levering van aandelen geen voorwaardelijk karakter heeft, komt geen belang toe aan bespreking van de derde bewijsopdracht (ter zake de vraag of door [persoon F] c.q. RDH aan de voorwaarden van de overeenkomst is voldaan).
9.18.
Met het oordeel van het hof dat de op 2 juli 2019 gemaakte afspraak tot aandelenlevering is komen vast te staan zonder dat sprake is van een voorwaardelijkkarakter, faalt ook het beroep op ontbinding. Zonder een voorwaardelijke afspraak, kan immers geen sprake zijn van de gestelde tekortkoming daarin. Dit betekent dat de grieven 1, 2 en 4 in principaal hoger beroep in zoverre falen.
Beoordeling overige grieven in principaal hoger beroep
9.19.
Met grief 3 betogen [appellanten] – verkort weergegeven – dat de afspraken van 2 juli 2019 in strijd zijn met de statutaire blokkeringsregeling van RDG. Primair voeren [appellanten] aan dat de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 geen schriftelijke vastlegging zijn van het akkoord met afwijking van de statutaire blokkeringsregeling omdat twee van de aandeelhouders nooit met die notulen akkoord zijn gegaan. Subsidiair betogen [appellanten] dat de overdracht niet binnen drie maanden na 2 juli 2019 tot stand is gekomen, althans dat binnen die termijn geen actie is ondernomen. Daarbij gaat – aldus [appellanten] – Orutuf er ook aan voorbij dat DHK en [xx] twee aparte partijen zijn en dus over en weer toestemming moeten geven voor de overdracht van de aandelen. Tot slot voeren [appellanten] , naar het hof begrijpt nog aan, dat nakoming van de gepretendeerde afspraken (om de aandelen te verkopen) met zich mee zou brengen dat er sprake is van een besluit dat in strijd met de statuten is genomen en dat dergelijke besluiten nietig zijn op grond van artikel 2:14 lid 1 BW. Orutuf heeft hier tegenin gebracht dat de statutaire blokkeringsregeling niet is geschonden, nu tijdens een vergadering van aandeelhouders waarin alle aandeelhouders aanwezig waren een overeenkomst is gesloten. In die overeenkomst verplicht[t]en twee van de drie aandeelhouders zich een deel van hun aandelen over te dragen aan een derde (Orutuf), aldus Orutuf. Daarnaast wijst Orutuf op de gedachte achter de blokkeringsregeling waarbij de overdragende aandeelhouders toestemming behoeven van de medeaandeelhouder(s) en niet andersom. Volgens Orutuf kan het niet zo zijn dat (in een geval als dit) de overdragende aandeelhouders zelf de overdracht zouden kunnen blokkeren (wegens niet naleving van de blokkeringsregeling): alleen RijnDelta Holding zou een beroep moeten toekomen op de toepasselijkheid van de statutaire blokkeringsregeling.
9.20.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de afspraken van 2 juli 2019 gekwalificeerd moeten worden als verbintenisrechtelijke afspraken tussen drie rechtspersonen. Uit de op 2 juli 2019 gemaakte afspraak kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat elke aandeelhouder destijds met de overdracht instemde, zodat de aanbiedingsverplichting niet van toepassing was blijkens artikel 6.2 lid 1 sub b onder (i) van de statuten van RDG. Deze instemmingsverklaring is gelet op het bepaalde in artikel 6.2 lid 1 sub b onder (i) van de statuten van RDG geldig voor een periode van drie maanden. Tussen partijen is niet in geschil dat deze periode is verstreken (zonder dat (tijdig) uitvoering is gegeven aan de (koop)overeenkomst door middel van een overdracht (notariële levering) van de aandelen).
9.21.
Aangezien het debat op dit punt tussen partijen nog onvoldoende is uitgekristalliseerd, ziet het hof aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen om zich nader bij akte uit te laten over uitsluitend grief 3 in principaal hoger beroep en specifiek ter zake: i) de gestelde afwijking van de statutaire blokkeringsregeling als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub b onder (i) van de statuten van RDG, ii) de daarin vermelde (en verstreken) statutaire geldigheidstermijn van de instemmingsverklaring van drie maanden en iii) de gevolgen van het eventueel slagen van grief 3 voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van Orutuf. Partijen dienen deze akte gelijktijdig te nemen, waarbij zij twee weken voorafgaand aan de voor de akte geldende roldatum hun eigen akte aan de wederpartij dienen toe te sturen. Die kan dan in de eigen akte een korte reactie opnemen op de akte van de wederpartij.
9.22.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
10De uitspraak
In principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
Het hof:
bepaalt dat partijen op de rolzitting van 25 november 2025 ieder een akte moeten nemen met de in r.o. 9.21 genoemde inhoud, waarbij iedere partij de eigen akte twee weken voorafgaand aan genoemde datum aan de wederpartij zal sturen, zodat ieder van partijen in de eigen akte een korte reactie op de akte van de wederpartij kan geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, A.C. van Campen en G.M. Menon en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.311.038/01
arrest van 14 oktober 2025
in de zaak van
1De Hurnse Kil B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [xx] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] , en ieder afzonderlijk als DHK en [xx] ,
advocaat: mr. M.W. Steenpoorte te 's-Hertogenbosch,
tegen
Orutuf B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Orutuf,
advocaat: mr. S.W. Holterman te Utrecht,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 juli 2024 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/011367854 /H A ZA 21-111 gewezen vonnis van 23 maart 2022.
8Het verloop van de procedure
8.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
akte uitlating bewijs namens [appellanten] met producties;
akte uitlaten bewijsopdracht namens Orutuf met producties;
proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van [appellanten] van 19 november 2024;
proces-verbaal van enquête aan de zijde van Orutuf van 20 november 2024;
proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor aan de zijde van [appellanten] van 20 november 2024;
memorie na enquête namens [appellanten] ;
memorie na enquête namens Orutuf met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de overige stukken in het hoger beroepsdossier en de stukken van de eerste aanleg.
8.2.
Bij het bepalen van de volgorde van de te horen getuigen is sprake geweest van een administratieve vergissing. In overleg met partijen is op 19 november 2024 gestart met het horen van de door [appellanten] opgeroepen getuigen en pas daags erna (op 20 november 2024) de door Orutuf opgeroepen getuigen. Verder zijn de processen-verbaal van 20 november 2024 vastgelegd in twee separate documenten.
9De beoordeling
9.1.
In het tussenarrest van 16 juli 2024 heeft het gerechtshof onder rechtsoverweging 6.8. in principaal hoger beroep overwogen dat het hof dient te beoordelen of op 2 juli 2019 tussen [appellanten] en Orutuf een overeenkomst is gesloten inhoudende dat [appellanten] ieder 2,5% van hun aandelen in RijnDelta Groep B.V. (RDG) aan Orutuf zouden leveren voor een koopprijs van € 1,-. Het hof heeft daarbij partijen toegelaten tot bewijslevering, waarbij op Orutuf twee bewijsopdrachten rusten en op [appellanten] één bewijsopdracht.
Indien het hof in dit arrest namen van personen noemt, wordt gedoeld op dezelfde personen als in het tussenarrest.
9.2.
Partijen hebben zich vervolgens elk bij akte uitgelaten over de bewijsopdrachten, waarna door het hof een vijftal getuigen zijn gehoord. Nadien hebben partijen bij memories na enquête zich uitgelaten over de bewijslevering over en weer. Het hof komt na waardering van het aangedragen bewijs tot het oordeel dat in rechte is komen vast te staan dat op 2 juli 2019 tussen [appellanten] en Orutuf een onvoorwaardelijke overeenkomst is gesloten inhoudende dat [appellanten] ieder 2,5% van hun aandelen in RijnDelta Groep B.V. (RDG) aan Orutuf zouden leveren voor een koopprijs van € 1,-. Dit licht het hof toe in de overwegingen hieronder.
Overeenkomst tot levering 10 aandelen door [appellanten] aan Orutuf
9.3.
De eerste bewijsopdracht die het hof heeft gegeven betreft de opdracht aan Orutuf
om feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat tussen partijen op 2 juli 2019 een overeenkomst is gesloten tot levering door [appellanten] van in totaal 10 aandelen in RDG - te weten ieder 5 -— aan Orutuf voor een prijs van 1,-.
9.4.
Ter uitvoering van deze opdracht heeft Orutuf bij de akte uitlating bewijs gewezen op: punt 4 van de notulen van de vergadering van 2 juli 2019 (aangehaald in het tussenarrest onder 6.2.5.), de reactie daarop van [appellanten] (aangehaald in het tussenarrest onder 6.2.6.) als ook op de email van [persoon D] van 29 november 2019 (productie 8 bij inleidende dagvaarding, zie ook tussenarrest 6.2.8.) en de nadere verklaring van 13 mei van [persoon A] (productie 18 bij memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel). Volgens Orutuf blijkt daaruit dat op 2 juli 2019 tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Dat wordt door [appellanten] niet betwist, maar [appellanten] voeren alleen aan dat deze overeenkomst een wederkerig karakter heeft, aldus Orutuf.
9.5.
Daarnaast heeft Orutuf ter uitvoering van de bewijsopdracht op 20 november 2024 van [persoon A] en [persoon B] doen horen. Orutuf stelt zich op het standpunt dat zij hierdoor is geslaagd in het door haar te leveren bewijs.
9.6.
[appellanten] betwisten dat het bewijs door Orutuf is geleverd. Volgens [appellanten] hebben getuigen [persoon A] en [persoon B] onvoldoende concreet verklaard over de op de algemene vergadering van aandeelhouders van 2 juli 2019 beweerdelijk gemaakte afspraken.
9.7.
Het hof stelt vast dat door getuige [persoon A] is verklaard dat tijdens de vergadering van 2 juli 2019 afspraken zijn gemaakt. [persoon A] verklaart daarover onder meer het volgende: “In juni 2019 is opnieuw gesproken tussen partijen over de mogelijkheid voor [persoon B] om de beschikking te krijgen over vijf procent van de aandelen. Dit is op de agenda gezet voor de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 en daar zijn daarover afspraken gemaakt. Daar waren verder geen voorwaarden aan verbonden.”
Daarnaast heeft ook [persoon B] verklaard over de besluitvorming tijdens de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019. [persoon B] heeft daarover onder meer verklaard:
“Het meest voor de handliggende moment om het aandelenbelang alsnog te realiseren was de volgende aandeelhoudersvergadering, Dit is de vergadering van juli 2019 geweest. Daarbij
waren de aandeelhouders aanwezig: [persoon D] & [persoon E] en [persoon F] . Ik was
daarbij ook aanwezig en als notulist [persoon A] . De strekking van het besluit was om vijf
procent van de aandelen onder te brengen in een andere vennootschap dan [yy] .”
en:
“De overdracht van de vijf procent aandelen zou in een andere vennootschap plaatsvinden dan Front Bone. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van juli 2019 was het besloten om het zo te doen.”
9.8.
Deze verklaringen van [persoon A] en [persoon B] zijn in lijn met de tekst van punt 4 van de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019. Ook [persoon D] en [persoon E] hebben tijdens hun getuigenverhoren verklaard dat tijdens de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 is gesproken over de overdracht van aandelen.
9.9.
Wat [appellanten] tegen het bovenstaande in brengen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden, ook wanneer de overige getuigenverklaringen bij de beoordeling betrokken worden.
9.9.1.
Het hof stelt allereerst vast dat de door [appellanten] voorgebrachte getuige [persoon C] niets heeft verklaard dat relevant is in het kader van de eerste bewijsopdracht. Hij verklaart ook dat hij pas sinds 2020 betrokken is.
9.9.2.
Verder betogen [appellanten] dat alleen een aandelenoverdracht aan een door [persoon B] gecontroleerde vennootschap is besproken, maar dit volgt niet uit de getuigenverklaringen, ook niet uit hetgeen door [persoon D] en [persoon E] tijdens de getuigenverhoren is verklaard. Ook in de email van [persoon D] van 29 november 2019 (productie 8 bij inleidende dagvaarding) wordt dit niet vermeld.
9.9.3.
Het hof verwerpt daarnaast het verweer van [appellanten] (memorie van grieven nr. 42 t/m 50) dat geen overeenstemming over de koopprijs (van € 1,--) tot stand is gekomen, nu in de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 expliciet verwezen wordt naar het kooprecht zoals opgenomen in de koopovereenkomst van augustus 2018. Daarin staat die koopprijs wel vermeld.
9.9.4.
Het hof overweegt ten overvloede dat het er eerder op lijkt dat in de periode na 2 juli 2019 de verhoudingen zijn verslechterd, waarna [appellanten] hebben benadrukt dat [persoon F] moest voldoen aan zijn verplichtingen. Dat doet evenwel niet af aan datgene wat tijdens aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 is besproken en besloten.
9.10.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof in rechte komen vast te staan dat op 2 juli 2019 tussen [appellanten] en Orutuf een onvoorwaardelijke overeenkomst is gesloten inhoudende dat [appellanten] ieder 2,5% van hun aandelen in RDG aan Orutuf zouden leveren voor een koopprijs van € 1,-. Naar het oordeel van het hof is Orutuf aldus in haar eerste bewijsopdracht geslaagd.
Geen voorwaardelijke overeenkomst
9.11.
Nu het bestaan van de overeenkomst tot levering van aandelen door [appellanten] aan Orutuf zoals vermeld onder rechtsoverweging 9.3. is bewezen, komt het hof toe aan de volgende bewijsopdracht. Het hof heeft [appellanten] opgedragen om feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat voornoemde overeenkomst een voorwaardelijk karakter heeft in die zin dat de verplichting tot levering van aandelen is aangegaan onder het voorbehoud dat ook [persoon F] c.q. RDH aan zijn / haar verplichtingen voldoet.
9.12.
Het hof stelt voorop dat [appellanten] de bewijslast hebben ten aanzien van het gestelde voorwaardelijke karakter van de koopovereenkomst. Dat brengt met zich dat [persoon D] en [persoon E] als statutair bestuurders van respectievelijk DHK en [xx] derhalve gekwalificeerd moeten worden als partijgetuige. Dit betekent volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de door hen als getuigen afgelegde verklaringen ingevolge artikel 164 lid 2 Rv alleen bewijs in het voordeel van [appellanten] opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het hun verklaring voldoende geloofwaardig maakt (zie onder meer Hoge Raad 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057).
Het hof merkt hierbij op dat de onderhavige bepaling met inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025 is geschrapt. De nieuwe regels gelden echter alleen voor gerechtelijke procedures die na 1 januari 2025 worden gestart. De onderhavige procedure is vóór 1 januari 2025 gestart, zodat artikel 164 lid 2 Rv van toepassing is. Overigens zou de uitkomst van de bewijswaardering in dit geval onder het nieuwe recht niet anders zijn. Gelet op het belang dat [appellanten] hebben bij de getuigenverklaringen van [persoon D] en [persoon E] , moeten hun verklaringen sowieso met de nodige behoedzaamheid worden gewaardeerd.
9.13.
Over het voorwaardelijk karakter van de gemaakte afspraken verwijzen [appellanten] in algemene zin naar de in hun memorie van grieven aangehaalde correspondentie en (commentaren op de) notulen. Daarnaast halen zij de getuigenverklaringen aan die door de beide broers [--] zijn afgelegd tijdens hun getuigenverhoor. Daarin heeft [persoon E] verklaard:
“Tijdens de vergadering van 2 juli 2019 is met [persoon G] besproken dat hij het aandelenbelang via een andere vennootschap wilde ontvangen. Daarvoor was vereist dat ook de rest van de verkoopafspraken voldaan zou worden. (...)
Over de mail van mijn broer van eind november 2019 verklaar ik dat ik daarmee bekend
ben, maar dat daarvoor gold dat als alle afspraken over en weer zouden worden
nageleefd wij ook de aandelen zouden leveren. (...)
Het feit dat wij pas in december 2019 hebben geklaagd over de inhoud van de notulen
van de vergadering van 2 juli 2019 komt omdat wij tot die tijd nog de hoop hadden dat het
wel goed zou komen. Pas later hadden wij door dat wij buitenspel werden gezet. Eerder
bestond de hoop dat [persoon F] , RijnDelta Holding en Consed hun verplichtingen nog
zouden nakomen. (...)“
9.14.
Voorts hebben [appellanten] gewezen op hetgeen door [persoon D] hieromtrent is verklaard:
“Wij stonden open voor een nieuwe afspraak hieromtrent. Wij hebben toen ook laten
weten dat wij graag willen dat de afspraak voor het gezond maken van het bedriif de
rekening-courant positie, en de openstaande management fees zou worden nagekomen.
(...)
Op pagina 2 verklaar ik daarbij over artikel 4: “dit zien wij anders”, daarmee bedoelde ik
dat het niet zo is dat alleen wij aan afspraken gehouden kunnen worden. (...)
Mijn e-mail van 29 november 2019 was een poging om betaald te krijgen en alles weer
vlot te trekken. Ik wilde dat de andere partij zich zou gaan houden aan de gemaakte
afspraken.”
Naar het oordeel van het hof volgt hieruit niet dat de op 2 juli 2019 gemaakte afspraken over aandelenlevering een voorwaardelijk karakter hadden. Zelfs wanneer dat anders zou zijn, dan geldt dat er geen aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het de getuigenverklaring van [persoon D] en [persoon E] op dit punt voldoende geloofwaardig maakt.
9.15.
Vervolgens gaan [appellanten] – onder verwijzing naar de getuigenverklaringen – in op de inhoud van diverse verplichtingen waaraan volgens hen door [persoon F] c.q. RDH voldaan moest worden. Naar het oordeel van het hof volgt daaruit als zodanig niet dat de aandelenlevering een voorwaardelijke karakter had in de zin dat deze zou plaats vinden onder het voorbehoud dat [persoon F] c.q. RDH ook zijn of haar verplichtingen diende na te komen. Dit staat ook niet vermeld in de door [persoon A] opgestelde notulen van 2 juli 2019 en dit volgt evenmin uit de getuigenverklaringen van [persoon A] en [persoon B] . [persoon A] heeft immers verklaard over de gemaakte afspraken tijdens de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 dat daar verder geen voorwaarden aan waren verbonden (zie 9.7.). [persoon B] heeft verklaard: “Tijdens de aandeelhoudersvergadering in juli 2019 is niet gesproken over voorwaarden waaronder de aandelenoverdracht zou plaatsvinden.”. Ook uit het e-mailbericht van [persoon D] van 29 november 2019 kan niet worden afgeleid dat de afspraak een voorwaardelijke karakter had. Voor de hand had dan immers gelegen dat [persoon D] op dat moment zou hebben aangegeven dat de notulen op het bewuste punt onjuist waren of dat dit weliswaar was afgesproken maar slechts onder de voorwaarde dat ook [persoon F] c.q. RDH aan zijn / haar voorwaarden zou voldoen of woorden van gelijke strekking. Dit heeft [persoon D] evenwel niet vermeld in zijn e-mailbericht.
9.16.
Het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwd leidt tot de conclusie dat [appellanten] niet zijn geslaagd in de aan hen opgedragen bewijslevering ter zake het voorwaardelijk karakter van de gemaakte afspraken tot aandelenoverdracht.
9.17.
Gelet op de omstandigheid dat het hof oordeelt dat de koopovereenkomst tot levering van aandelen geen voorwaardelijk karakter heeft, komt geen belang toe aan bespreking van de derde bewijsopdracht (ter zake de vraag of door [persoon F] c.q. RDH aan de voorwaarden van de overeenkomst is voldaan).
9.18.
Met het oordeel van het hof dat de op 2 juli 2019 gemaakte afspraak tot aandelenlevering is komen vast te staan zonder dat sprake is van een voorwaardelijkkarakter, faalt ook het beroep op ontbinding. Zonder een voorwaardelijke afspraak, kan immers geen sprake zijn van de gestelde tekortkoming daarin. Dit betekent dat de grieven 1, 2 en 4 in principaal hoger beroep in zoverre falen.
Beoordeling overige grieven in principaal hoger beroep
9.19.
Met grief 3 betogen [appellanten] – verkort weergegeven – dat de afspraken van 2 juli 2019 in strijd zijn met de statutaire blokkeringsregeling van RDG. Primair voeren [appellanten] aan dat de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 2 juli 2019 geen schriftelijke vastlegging zijn van het akkoord met afwijking van de statutaire blokkeringsregeling omdat twee van de aandeelhouders nooit met die notulen akkoord zijn gegaan. Subsidiair betogen [appellanten] dat de overdracht niet binnen drie maanden na 2 juli 2019 tot stand is gekomen, althans dat binnen die termijn geen actie is ondernomen. Daarbij gaat – aldus [appellanten] – Orutuf er ook aan voorbij dat DHK en [xx] twee aparte partijen zijn en dus over en weer toestemming moeten geven voor de overdracht van de aandelen. Tot slot voeren [appellanten] , naar het hof begrijpt nog aan, dat nakoming van de gepretendeerde afspraken (om de aandelen te verkopen) met zich mee zou brengen dat er sprake is van een besluit dat in strijd met de statuten is genomen en dat dergelijke besluiten nietig zijn op grond van artikel 2:14 lid 1 BW. Orutuf heeft hier tegenin gebracht dat de statutaire blokkeringsregeling niet is geschonden, nu tijdens een vergadering van aandeelhouders waarin alle aandeelhouders aanwezig waren een overeenkomst is gesloten. In die overeenkomst verplicht[t]en twee van de drie aandeelhouders zich een deel van hun aandelen over te dragen aan een derde (Orutuf), aldus Orutuf. Daarnaast wijst Orutuf op de gedachte achter de blokkeringsregeling waarbij de overdragende aandeelhouders toestemming behoeven van de medeaandeelhouder(s) en niet andersom. Volgens Orutuf kan het niet zo zijn dat (in een geval als dit) de overdragende aandeelhouders zelf de overdracht zouden kunnen blokkeren (wegens niet naleving van de blokkeringsregeling): alleen RijnDelta Holding zou een beroep moeten toekomen op de toepasselijkheid van de statutaire blokkeringsregeling.
9.20.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de afspraken van 2 juli 2019 gekwalificeerd moeten worden als verbintenisrechtelijke afspraken tussen drie rechtspersonen. Uit de op 2 juli 2019 gemaakte afspraak kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat elke aandeelhouder destijds met de overdracht instemde, zodat de aanbiedingsverplichting niet van toepassing was blijkens artikel 6.2 lid 1 sub b onder (i) van de statuten van RDG. Deze instemmingsverklaring is gelet op het bepaalde in artikel 6.2 lid 1 sub b onder (i) van de statuten van RDG geldig voor een periode van drie maanden. Tussen partijen is niet in geschil dat deze periode is verstreken (zonder dat (tijdig) uitvoering is gegeven aan de (koop)overeenkomst door middel van een overdracht (notariële levering) van de aandelen).
9.21.
Aangezien het debat op dit punt tussen partijen nog onvoldoende is uitgekristalliseerd, ziet het hof aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen om zich nader bij akte uit te laten over uitsluitend grief 3 in principaal hoger beroep en specifiek ter zake: i) de gestelde afwijking van de statutaire blokkeringsregeling als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub b onder (i) van de statuten van RDG, ii) de daarin vermelde (en verstreken) statutaire geldigheidstermijn van de instemmingsverklaring van drie maanden en iii) de gevolgen van het eventueel slagen van grief 3 voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van Orutuf. Partijen dienen deze akte gelijktijdig te nemen, waarbij zij twee weken voorafgaand aan de voor de akte geldende roldatum hun eigen akte aan de wederpartij dienen toe te sturen. Die kan dan in de eigen akte een korte reactie opnemen op de akte van de wederpartij.
9.22.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
10De uitspraak
In principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
Het hof:
bepaalt dat partijen op de rolzitting van 25 november 2025 ieder een akte moeten nemen met de in r.o. 9.21 genoemde inhoud, waarbij iedere partij de eigen akte twee weken voorafgaand aan genoemde datum aan de wederpartij zal sturen, zodat ieder van partijen in de eigen akte een korte reactie op de akte van de wederpartij kan geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, A.C. van Campen en G.M. Menon en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2025.
griffier rolraadsheer