Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2797

2025-10-09 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.352.830_01 en 200.352.830_02
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-09
Publicatiedatum
2025-10-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.352.830_01 en 200.352.830_02
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek verhuizing moeder wordt afgewezen. Geen binding/noodzaak. Risico voor uitvoering zorgregeling na verhuizing, aangezien communicatie tussen de ouders niet goed verloopt en de moeder twee keer is veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling op straffe van een dwangsom. Bekrachtiging voorlopige zorgregeling.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.818 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak: 9 oktober 2025
Zaaknummer: 200.352.830/01 en 200.352.830/02
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/427404 / FA RK 24-4664




in de zaak in hoger beroep van:





[de moeder]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B.E.S. Chin-A-Fat,



tegen





[de vader]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader
advocaat: mr. L.E. van Hevele.



Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.



In het kort: deze zaak gaat over de vraag of de moeder met [minderjarige] mag verhuizen naar (de omgeving van) [plaats 1] , haar daar mag inschrijven op [basisschool 1] en kinderopvang en over de voorlopige zorgregeling.





1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 24 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2Het geding in hoger beroep


2.1.

Bij beroepschrift van 21 maart 2025, ingekomen bij het hof op dezelfde datum, heeft de moeder verzocht om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de verzoeken van de moeder zijn afgewezen en een uitvoerbaar bij voorraad voorlopige omgangsregeling is bepaald en, opnieuw rechtdoende:
I. de moeder vervangende toestemming te verlenen om (met) de minderjarige [minderjarige] te verhuizen naar [plaats 1] , althans in een van de omliggende dorpen en [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 1] en bijbehorende kinderopvang;
II. te bepalen dat de volgende voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] zal gelden, te weten om het weekend en in dat weekend op zaterdag van 09.00-18.00 uur en op zondag van 09.00-18.00 uur en in onderling overleg te bepalen wanneer [minderjarige] op feestdagen en in schoolvakanties bij de vader zal verblijven,
kosten rechtens.



2.1.1.
De moeder verzoekt tevens om op grond van artikel 360 lid 2 Rv de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de voorlopige zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking te schorsen.



2.1.2.
De advocaat van de moeder heeft bij V4-formulier van 29 april 2025 voornoemd verzoek met betrekking tot de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring ingetrokken. De advocaat van de vader heeft bij V8-formulier van 29 april 2025 bevestigd akkoord te zijn met het intrekkingsverzoek.




2.2.
De vader heeft bij verweerschrift van 26 mei 2025, met bijlagen, verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.



2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- het V6-formulier van 26 mei 2025, met bijlage, van de advocaat van de moeder;
- de brief van 4 augustus 2025, met bijlagen, van de advocaat van de vader;
- het V6-formulier van 8 augustus 2025, met bijlagen, van de advocaat van de moeder;
- het V6-formulier van 15 augustus 2025, met bijlage, van de advocaat van de moeder.



2.4.
Op verzoek van de advocaat van de moeder is de mondelinge behandeling die aanvankelijk gepland stond op 27 mei 2025 aangehouden. De advocaat van de vader heeft met dit verzoek ingestemd.



2.5.
De mondelinge behandeling heeft vervolgens plaatsgevonden op 19 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .


2.5.1.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.






3De beoordeling


3.1.
Tijdens de relatie tussen de moeder en de vader is geboren de hiervoor genoemde [minderjarige] .



3.2.

[minderjarige] is door de vader erkend. De moeder en de vader hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .



3.3.

[minderjarige] en de vader hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Italiaanse nationaliteit.



3.4.
Uit het tussen partijen gesloten (niet gedateerde) ouderschapsplan volgt onder meer dat de ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over het contact tussen [minderjarige] en de vader. Ook hebben de ouders afgesproken dat er alleen een verhuizing van [minderjarige] ’s vaste verblijfplaats kan plaatsvinden in het geval beide ouders daar toestemming voor hebben gegeven.



3.5.
Nadien zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige] ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft.



3.6.

Bij de bestreden beschikking van 24 december 2024 heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder om vervangende toestemming voor een verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 1] , althans een van de omliggende dorpen/steden, en inschrijving van [minderjarige] op [basisschool 1] en bijbehorende kinderopvanginstelling afgewezen.
Daarnaast heeft de rechtbank bepaald, uitvoerbaar bij voorraad, dat [minderjarige] en de vader voorlopig recht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur.
De rechtbank heeft voorts de raad verzocht onderzoek te verrichten naar de zorgregeling en iedere beslissing aangehouden tot 17 juni 2025 pro forma.




3.7.
Bij vonnis in kort geding van 18 april 2025 heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de zorgregeling waarbij de vader en [minderjarige] contact hebben met elkaar één keer in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur. De vordering ten aanzien van de dwangsom is afgewezen.



3.8.
Bij vonnis in kort geding van 18 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter verstek verleend tegen de moeder en de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals opgenomen in het vonnis van de voorzieningenrechter van 18 april 2025 inhoudende dat de vader en [minderjarige] contact hebben met elkaar één maal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur. Daarnaast is de moeder veroordeeld, na betekening van dit vonnis aan haar, aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling voldoet tot een maximum van € 5.000,- is bereikt.



3.9.
De moeder kan zich met de bestreden beschikking van 24 december 2024 niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.



Vervangende toestemming verhuizing, inschrijving basisschool en dagverblijf





3.10.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De moeder wil met [minderjarige] naar (de omgeving van) [plaats 1] verhuizen. De moeder heeft omwille van [minderjarige] voor een leven in Nederland gekozen, ver weg van haar familie en vrienden in Italië. De ouders hebben na het verbreken van de relatie afspraken gemaakt over de zorg voor [minderjarige] . Toen de moeder een nieuwe partner kreeg, waarvan zij binnenkort een baby verwacht, werd het noodzakelijk om te verhuizen naar de omgeving van haar partner en zijn familie. De moeder kan daar een gezinsleven opbouwen, terwijl de mogelijkheden voor haar in [woonplaats moeder] veel beperkter zijn. [minderjarige] is niet zodanig geworteld in [woonplaats moeder] dat zij die verhuizing niet aan kan. De contactregeling met de vader kan na de verhuizing in stand blijven, echter zonder overnachting. De moeder heeft namelijk grote zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de vader.



3.11.
De vader voert, samengevat, het volgende aan. Er is geen noodzaak voor de moeder om te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats 1] . De wens om te verhuizen is niet ingegeven vanuit het belang van [minderjarige] , maar vanuit haar eigen belang. De moeder voerde in eerste aanleg aan dat de verhuizing noodzakelijk was in verband met haar werk, maar inmiddels is gebleken dat de moeder in de buurt van [woonplaats moeder] kan gaan werken na de bevalling. Ook de partner van de moeder heeft zelfs een baan kunnen vinden in [plaats 2] . Dit betekent dat de verhuizing ook niet doordacht is. De communicatie tussen de ouders verliep aanvankelijk goed en er werd uitvoering gegeven aan een weekendregeling waarin de vader [minderjarige] zag. De moeder is de vader gaan diskwalificeren op allerlei manieren sinds hij geen toestemming heeft willen verlenen voor de verhuizing. De moeder veinst allerlei problemen waarbij de vader in diskrediet wordt gebracht. De vader heeft vreest dat de moeder de uitspraak van het hof niet zal naleven, aangezien zij ook in het rapport van de raad heeft aangegeven haar medewerking niet te zullen verlenen als ze dit niet in het belang van [minderjarige] acht.



3.12.
De raad voert, samengevat, het volgende aan. Op dit moment zijn de ouders niet in staat om het ouderschap op een goede manier vorm te geven en de zorgregeling goed uit te voeren. Na een verhuizing van de moeder met [minderjarige] wordt de afstand tussen de ouders aanzienlijk. Belangrijk daarbij is dat de vader niet over een rijbewijs beschikt. Onder al deze omstandigheden is de kans groot dat de relatie tussen de vader en [minderjarige] in het gedrang komt.



3.13.
Het hof overweegt als volgt.


3.13.1.
De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen, omdat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 7 Brussel II-ter). Het Nederlands recht is van toepassing op onderhavige verzoeken (artikel 15 Haags Kinderbeschermingsbedrag 1996).



3.13.2.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige] toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen.



3.13.3.
Bij een verzoek gegrond op het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 BW neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 25 april 2008 (LJN:BC5901) geoordeeld dat vooropgesteld dient te worden dat hieruit niet mag worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over de gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij de beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht moeten nemen, wat er in een voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Omstandigheden die volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een rol kunnen spelen zijn:
- de noodzaak om te verhuizen;
- hoe goed de verhuizing is voorbereid en doordacht;
- de voorstellen die zijn gedaan om de gevolgen van de verhuizing te verzachten;
- hoe goed de ouders met elkaar kunnen overleggen;
- hoe vaak er contact plaatsvindt tussen het kind en de niet-verhuizende ouder voor en na de
verhuizing;
- de leeftijd van het kind, zijn mening en in hoeverre hij gewend is aan zijn omgeving of juist aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Het hof benadrukt dat bovenstaande opsomming niet is bedoeld als bepaling van criteria waaraan ieder afzonderlijk moet worden voldaan, maar dat voor de beoordeling een belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van genoemde omstandigheden.



3.13.4.

Aan het hof ligt de vraag voor of aan de moeder vervangende toestemming moet worden verleend om met [minderjarige] te mogen verhuizen naar [plaats 1] of naar één van de omliggende dorpen. Het hof zal dit verzoek afwijzen en licht dat hierna toe.
Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat de moeder de noodzaak om met [minderjarige] te mogen verhuizen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft bij de beoordeling betrokken dat de ouders voorafgaand aan het verbreken van de relatie samen met [minderjarige] woonden in een woning in [woonplaats moeder] . De moeder is na het verbreken van de relatie met [minderjarige] in die woning blijven wonen en de vader heeft een woning in [woonplaats vader] betrokken. [minderjarige] gaat naar school in [woonplaats moeder] (basisschool [basisschool 2] ). De ouders hebben aanvankelijk uitvoering gegeven aan een zorgregeling waarbij er contact was tussen de vader en [minderjarige] ieder weekend van vrijdag vanaf 17.00 uur tot zondag 17.00 uur.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is gebleken dat de wens van de moeder om vanuit [woonplaats moeder] naar [plaats 1] te verhuizen is ingegeven door de mogelijkheid die de moeder eerder had om als tandartsassistente in [plaats 1] te kunnen gaan werken. Dit is uiteindelijk niet doorgegaan. De moeder heeft verklaard dat zij in [woonplaats moeder] bij een tandartsenpraktijk was aangenomen, maar dat zij het salaris te laag vond. Verder heeft de moeder stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat ze kan gaan werken als schoonheidsspecialiste/masseuse bij [bedrijf] in [plaats 3] , hetgeen relatief dichtbij [woonplaats moeder] ligt waar de moeder woont en [woonplaats vader] , waar de vader woont.
Daarnaast is gebleken dat de moeder en haar huidige partner in verwachting zijn van een kind en dat ze in [maand] 2025 is uitgerekend. De moeder heeft verklaard dat haar partner is ingeschreven op het adres van zijn woning in [plaats 4] , maar feitelijk de meeste tijd van de week bij de moeder in haar woning in [woonplaats moeder] verblijft. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de partner met zijn huidige werkgever ( [werkgever] in [plaats 5] ) heeft geregeld dat hij tijdelijk bij een zusterbedrijf ( [zusterbedrijf] in [plaats 2] ) kan werken onder behoud van zijn contract in [plaats 5] .
Gelet op het voorgaande is, alles in onderlinge samenhang bezien, van enige binding van de moeder met (de omgeving van) [plaats 1] niet gebleken en is de noodzaak voor de moeder om daar naartoe te verhuizen met [minderjarige] niet vast komen te staan.
De moeder heeft nog naar voren gebracht dat [plaats 1] dichter bij de familie van haar partner is gelegen zodat ze dan (meer) in de buurt van dat netwerk kan wonen. Dit moge zo zijn, maar is niet van dermate doorslaggevend belang dat dit opweegt tegen het reële risico van een verhuizing dat [minderjarige] een goed en frequent contact met de vader dreigt te verliezen. Dit laatste is zeker niet in het belang van [minderjarige] . Het hof betrekt in dit verband bij de beoordeling dat de moeder het hof heeft verzocht om de zorgregeling met de vader verder te beperken, dat wil zeggen zonder overnachting en niet meer ieder weekend. Een en ander kan volgens de moeder worden gecompenseerd in de vakanties, die partijen dan in onderling overleg zouden moeten verdelen. Gelet op de wijze waarop de ouders op dit moment met elkaar communiceren en zich tot elkaar verhouden lijkt dat op dit moment een brug te ver. In dit verband is van belang dat, zelfs nu de ouders relatief dichtbij elkaar wonen, de vader (in 2025) twee keer een procedure bij de voorzieningenrechter heeft moeten starten omdat de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] was gestagneerd. De moeder is beide keren veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling en ze is bij vonnis van 18 juli 2025 bovendien veroordeeld tot betaling van een dwangsom voor het geval ze de zorgregeling niet nakomt. Het hof betrekt hier verder nog bij dat de moeder diverse (ernstige) zorgen uit over de uitvoering van de zorgregeling door de vader, welke zorgen de vader uitdrukkelijk heeft betwist. Dit maakt de verhoudingen op dit moment al met al complex.
Ook de raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof benoemd dat een nog grotere fysieke afstand tussen de ouders door een verhuizing een risico oplevert voor een goede uitvoering van de zorgregeling, zeker ook nu de communicatie tussen de ouders op dit moment niet goed verloopt. Het feit dat de vader geen rijbewijs heeft is daarbij een complicerende factor. Gebleken is dat de raad het onderzoek in eerste aanleg naar de (definitieve) zorgregeling heeft uitgebreid naar een beschermingsonderzoek en de rechtbank inmiddels heeft verzocht [minderjarige] onder toezicht te stellen. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven dat, indien de ondertoezichtstelling door de rechtbank wordt uitgesproken, dit ertoe moet gaan leiden dat de ouders met elkaar aan de slag gaan en dat de strijd stopt. Het hof is het verloop van deze procedure verder niet bekend.
Voor [minderjarige] zou de verhuizing naar (de omgeving van) [plaats 1] betekenen dat ze uit haar vertrouwde omgeving dient te vertrekken naar een plaats waar geen binding mee is, waar de moeder geen werk heeft en ook geen woning op het oog heeft, met daarnaast een dreigend contactverlies met de vader tot gevolg. Dit alles maakt dat de verhuizing door de moeder niet goed is voorbereid en doordacht en al met al niet in het belang van [minderjarige] is.
Het verzoek van de moeder om te mogen verhuizen naar [plaats 1] of de omliggende dorpen zal worden afgewezen. Dit leidt er ook toe dat de verzoeken van de moeder om [minderjarige] te mogen inschrijven op [basisschool 1] en bijbehorende kinderopvanginstelling zullen worden afgewezen.
Het hof overweegt ten overvloede ervan uit te gaan dat de moeder haar stelling dat ze de uitspraak van het hof naast zich neer zal leggen als die uitspraak haar niet welgevallig is, zoals ze dit tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft geuit en ook blijkt uit het rapport van de raad, geen gestand doet.




De voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken






3.14.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De moeder wil dat [minderjarige] om het weekend bij de vader verblijft in plaats van ieder weekend. Ook staat de moeder niet achter een overnachting van [minderjarige] bij de vader. De moeder heeft zorgen over de gewelddadigheden die de vader in het verleden richting de moeder heeft gepleegd en de psychische problematiek van de vader.



3.15.
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader betwist de aantijgingen van de moeder. De vader geeft aan dat dit voortkomt uit haar tactische wens om te streven naar een weekendregeling waarin de vader en [minderjarige] één keer in de veertien dagen contact hebben. De moeder diskwalificeert de vader op allerlei vlakken sinds de vader geen toestemming heeft willen verlenen voor de verhuizing van de moeder met [minderjarige] . De vader wil een goede contactregeling met [minderjarige] , maar de moeder heeft de contactregeling al meerdere keren gefrustreerd. Zo heeft de vader [minderjarige] niet gezien in de periode januari tot en met maart 2025 en vanaf mei tot en met juni 2025.



3.16.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geen concreet advies gegeven over de zorgregeling.



3.17.
Het hof overweegt als volgt.


3.17.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.




3.17.2.

Het hof zal het verzoek van de moeder om de voorlopige zorgregeling in plaats van ieder weekend te beperken naar om het weekend, zonder overnachting, afwijzen. Het hof licht dat hierna toe.
Gebleken is dat de ouders na het verbreken van de relatie zijn overeengekomen dat [minderjarige] ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft. Ook is gebleken dat door de moeder die regeling niet structureel is nagekomen, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat de moeder door de voorzieningenrechter dit jaar twee keer is veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling op straffe van een dwangsom, zoals hiervoor reeds is overwogen. Dit maakt dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds de ouders afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling en dat dit verzoek inhoudelijk wordt behandeld.
Het hof komt het in het belang van [minderjarige] wenselijk voor dat zij een structureel en goed contact heeft met de vader. Niet is gebleken waarom de regeling die partijen aanvankelijk zijn overeengekomen en die in de bestreden beschikking als voorlopige regeling is vastgelegd, niet in het belang van [minderjarige] zou zijn. Het hof sluit daarbij aan bij de raad die in de rapportage van 11 augustus 2025 heeft aangegeven dat [minderjarige] gehecht is aan beide ouders en de gelegenheid moet krijgen om met beiden een band te blijven onderhouden.
De zorgen die de moeder heeft geuit en die ze ten grondslag legt aan haar verzoek om tot een beperking van de regeling te komen zijn door de moeder onvoldoende onderbouwd en bovendien door de vader uitdrukkelijk betwist. Niet valt in te zien in welke zin uit de aard van de door de moeder gestelde zorgen valt af te leiden dat een regeling om de week volgens de moeder wel zou moeten kunnen, maar wekelijks voor [minderjarige] niet tot de mogelijkheden behoort. Het hof betrekt hierbij dat uit het raadsrapport blijkt dat er geen zorgen zijn over de (acute) veiligheid van [minderjarige] bij de vader vanuit Veilig Thuis en ook niet vanuit de raad.
De voorlopige zorgregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld in de bestreden beschikking acht het hof in het belang van [minderjarige] . Het hof heeft weliswaar bij de beoordeling betrokken dat de raad de rechtbank in eerste aanleg heeft geadviseerd om de beslissing over de definitieve verdeling van de zorgregeling aan te houden voor de duur van de door de raad verzochte ondertoezichtstelling en in de tussentijd vast te houden aan een voorlopige zorgregeling waarbij [minderjarige] eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader is, maar het hof ziet gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om de regeling te beperken.
Dit betekent dat [minderjarige] en de vader, als voorlopige regeling, recht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, derhalve inclusief twee overnachtingen.
Het hof zal het verzoek van de moeder met betrekking tot de verdeling van de vakanties en feestdagen afwijzen. Het betreft een voorlopige regeling. Het hof ziet geen aanleiding om op dit moment een aparte (evenzo voorlopige) regeling te treffen voor de feestdagen en vakanties. Bovendien gaat dit verzoek ervan uit dat de ouders de feestdagen en vakanties in overleg verdelen, terwijl duidelijk is dat de ouders op dit moment hiertoe niet in staat zijn. De verdeling van de vakanties en feestdagen is onderdeel van de definitieve zorgregeling; de rechtbank heeft de beslissing hierover aangehouden tot 17 juni 2025 pro forma. De verdere stand van zaken is het hof niet bekend.




Conclusie






3.18.

Het voorgaande leidt ertoe dat de moeder niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek met betrekking tot de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking voor zover het de voorlopige zorgregeling betreft, aangezien de moeder dit verzoek heeft ingetrokken.
Verder zal het hof de beslissing van de rechtbank waarin de verzoeken van de moeder ten aanzien van de verhuizing, inschrijving op de basisschool en kinderopvanginstelling afgewezen zijn, bekrachtigen.
Voorts zal het hof de beslissing met betrekking tot de voorlopige zorgregeling bekrachtigen. Het verzoek met betrekking tot de voorlopige regeling over de verdeling van de vakanties en de feestdagen zal worden afgewezen.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de aard van de procedure en het feit dat de ouders een relatie met elkaar hebben gehad.






4De beslissing


Het hof:




in de zaak met zaaknummer 200.352.830/02




verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek met betrekking tot de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking voor zover het de voorlopige zorgverdeling betreft;




in de zaak met zaaknummer 200.352.830/01




bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en aldus ten aanzien van de beslissing omtrent de verhuizing naar [plaats 1] , althans naar één van de omliggende dorpen, de inschrijving op [basisschool 1] en de bijbehorende kinderopvanginstelling en ten aanzien van de vaststelling van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op grond waarvan [minderjarige] en de vader voorlopig recht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;



compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, A.M. Bossink en M.E.M. Beijersbergen en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.