Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2795

2025-10-09 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.353.113_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-09
Publicatiedatum
2025-10-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.353.113_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beslissing omgangsregeling grootmoeder en minderjarige waarin omgangsregeling minder frequent plaatsvindt. Eerst dient gesprek plaats te vinden over de wijze waarop de omgang voor de minderjarige zo goed mogelijk kan verlopen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.330 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak: 9 oktober 2025
Zaaknummer: 200.353.113/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/334070 / FA RK 24-2659




in de zaak in hoger beroep van:





[de grootmoeder (mz)]
,
wonende in [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de grootmoeder (mz),
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,



tegen




Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling)



Betreffende de minderjarige [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2019.



Als belanghebbenden zijn aangemerkt:





[de pleegmoeder] en



[de pleegvader],

wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie],
hierna te noemen: de raad.



In het kort: deze zaak gaat over de contactregeling tussen de grootmoeder en [minderjarige].





1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.







2Het geding in hoger beroep


2.1.
Bij beroepschrift van 31 maart 2025, met bijlage, ingekomen bij het hof op 3 april 2025, heeft de grootmoeder verzocht de bestreden beschikking te vernietigen althans het beroep van de grootmoeder gegrond te verklaren.



2.2.
Bij verweerschrift van 16 mei 2025, met bijlage, heeft de GI het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.



2.3.

Het hof heeft verder kennisgenomen van:
- het V6-formulier van de advocaat van de grootmoeder van 7 april 2025, met daarbij het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, ingekomen op 9 april 2025.




2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de advocaat van de grootmoeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].


2.4.1.
De grootmoeder en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.



2.4.2.
De raad heeft het hof schriftelijk geïnformeerd niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.






3De beoordeling


3.1.

[minderjarige] is op [geboortedatum] 2019 geboren tijdens de relatie van de moeder van [minderjarige] ([de moeder]) en de vader van [minderjarige] ([de vader]). De moeder is op [datum 1] 2019 overleden. De vader is op [datum 2] 2019 overleden. [minderjarige] verblijft sinds zijn geboorte bij de pleegouders.



3.2.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat [minderjarige] bij beschikking van 12 december 2019 onder voogdij is gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Regio [regio]. Bij beschikking van 25 oktober 2023 is de voogdij overgedragen naar Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg.



3.3.
De rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 15 juli 2022 de omgangsregeling met de grootmoeder gewijzigd en bepaald dat er, onder regie van de GI, dient te worden toegewerkt naar een regeling waarbij [minderjarige] zijn grootmoeder negen keer per jaar ziet, dus ongeveer één keer per zes weken. Dit hof heeft deze beschikking bij beschikking van 9 februari 2023 bekrachtigd.



3.4.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat er voortaan één keer per drie maanden omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en de grootmoeder, een en ander onder regie van de GI. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



3.5.
De grootmoeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.



3.6.

De grootmoeder voert, samengevat, het volgende aan. De omgang tussen de grootmoeder en [minderjarige] is altijd goed verlopen. In 2024 is de GI allerlei regels op gaan stellen waar de grootmoeder zich niet mee kon verenigen. De GI heeft daarin een zeer autoritaire houding aangenomen en geen inbreng geduld. De GI heeft daarna om een wijziging van de omgangsregeling verzocht ten gevolge waarvan de omgang tussen de grootmoeder en [minderjarige] door de rechtbank is beperkt. De grootmoeder wil graag dat het contact blijft zoals het was, wat al minimaal was, namelijk één keer per zes weken. [minderjarige] is zeer gebaat bij omgang met de grootmoeder en kan op deze wijze contact houden met zijn familie. De omgang mag niet worden aangetast door de onenigheid tussen de GI en de grootmoeder.
Er is geen gewijzigde omstandigheid die aanleiding geeft om de eerder vastgestelde omgangsregeling te wijzigen.




3.7.
De GI voert, samengevat, het volgende aan. Na ontvangst van de bestreden beschikking heeft de GI meerdere keren geprobeerd om met de grootmoeder het gesprek aan te gaan om de omgang weer te kunnen hervatten. De grootmoeder heeft echter aangegeven niet in gesprek te willen met de GI. Voordat de omgang weer kan starten, wil de GI afspraken maken met de grootmoeder over de invulling van de omgangsregeling. Door de huidige frequentie van één keer in de drie maanden omgang wordt [minderjarige] niet teveel belast. [minderjarige] liet eerder namelijk negatieve gedragsuitingen zien na de omgang met de grootmoeder. Ook heeft [minderjarige] last van de onvoorspelbaarheid van de grootmoeder in het nakomen van de omgangsregeling.



3.8.
Het hof overweegt als volgt.


3.8.1.
Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.



3.8.2.

Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Artikel 1:377e BW moet aldus worden uitgelegd dat daarin de aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling over de uitoefening van het omgangsrecht te wijzigen mede aan de GI toekomt die de voogdij uitoefent (ECLI:NL:HR:2017:943).




3.8.3.
Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat de GI in het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling tussen de grootmoeder en [minderjarige] kan worden ontvangen. De wijziging is erin gelegen dat de grootmoeder de zorgregeling niet structureel na is gekomen en bovendien niet bereid is om met de GI in overleg te gaan, ook niet als dit in het belang van [minderjarige] is. Dat er volgens de grootmoeder in feite steeds slecht contact is geweest tussen de GI en de grootmoeder doet hier niet aan af.



3.8.4.

Gebleken is dat het laatste contact tussen [minderjarige] en de grootmoeder, onder begeleiding van [instantie], op 23 oktober 2024 heeft plaatsgevonden. Sinds dat het evaluatiegesprek tussen de grootmoeder, [instantie] en de GI op 5 november 2024 niet goed is verlopen, is het de GI niet meer gelukt om in (goed) contact te komen met de grootmoeder en heeft er geen omgang meer plaatsgevonden tussen de grootmoeder en [minderjarige]. De GI heeft aangegeven het van belang te vinden met de grootmoeder op constructieve wijze te kunnen samenwerken en afspraken te willen maken over op welke wijze de contactmomenten vormgegeven kunnen worden. De GI zag hiertoe aanleiding omdat [minderjarige] na het contact met de grootmoeder onrustiger gedrag liet zien, wat effect heeft op zijn dagelijks functioneren. Ook zijn er diverse contactmomenten met de grootmoeder niet doorgegaan waarna [minderjarige] teleurgesteld was.
Sinds de bestreden beschikking waarin de grootmoeder reeds op haar verantwoordelijkheid en rol hierin is gewezen, is er geen verandering in de situatie gekomen. De GI heeft de grootmoeder bij e-mails van 20 november 2024 en 10 maart 2025 uitgenodigd om in gesprek te gaan over de samenwerking en de omgang. De grootmoeder heeft op deze e-mails richting de GI gereageerd, maar is daarbij niet ingegaan op de uitnodiging om in gesprek te gaan. Uit de e-mails van de grootmoeder valt, onder meer, op te maken dat de grootmoeder het niet nodig vindt om in gesprek te gaan met de GI, maar wel omgang met [minderjarige] wil.
In het belang van [minderjarige] zal de grootmoeder echter de samenwerking met de GI moeten aangaan voordat de omgang weer opgestart kan worden. Het valt daarom te betreuren dat de grootmoeder niet in staat is gebleken in het afgelopen jaar om de samenwerking met de GI op te zoeken; naar het lijkt is sprake van een vorm van koppigheid aan de zijde van de grootmoeder die zij in de weg lijkt te laten staan aan het contact met haar kleinkind. Uiteindelijk is [minderjarige] hier de dupe van, omdat hij hierdoor verstoken blijft van een fijn contact met zijn biologische grootmoeder en op die manier zijn familieband in stand kan houden. Zeker nu [minderjarige], die in zijn babytijd zijn beide ouders is verloren, recent zijn levensverhaal te horen heeft gekregen, is de aanwezigheid van de grootmoeder in het leven van [minderjarige] belangrijk.




3.8.5.

Nu het de grootmoeder het afgelopen jaar niet is gelukt om het contact met de GI aan te gaan, wat het stilvallen van het contact met [minderjarige] tot gevolg heeft gehad, valt niet in te zien op welke wijze in het belang van [minderjarige] de zorgregeling qua frequentie weer naar één keer per zes weken terug zou kunnen en moeten gaan.
De impasse die nu is ontstaan zal allereerst moeten worden doorbroken, waarna het contact tussen [minderjarige] en de grootmoeder kan worden hersteld. Van belang daarbij is ook dat de grootmoeder dan de contactmomenten structureel nakomt en daarin aldus voorspelbaarheid laat zien. Hiervoor is het nodig dat de grootmoeder stappen zet, het overleg aangaat met de GI en dat de GI dit zo goed mogelijk faciliteert, in het belang van [minderjarige].




3.8.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de grootmoeder in hoger beroep zal worden afgewezen en de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.






4De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 maart 2025;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, A.M. Bossink en M.E.M. Beijersbergen en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.