Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2793

2025-10-09 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.355.339_01 en 200.355.339_02
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-09
Publicatiedatum
2025-10-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.355.339_01 en 200.355.339_02
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Procedure over hoofdverblijfplaats en zorgregeling in een ernstig verstoorde gezinsdynamiek met elementen van intieme terreur. Hof is het met de rechtbank eens dat, in afwijking van advies raad en de GI, co-ouderschap niet in het belang van de kinderen is. Hof bekrachtigt grotendeels regeling rechtbank met kleine wijzigingen waarmee het hof minder wisselmomenten voor de kinderen beoogt. Hof verklaart GI niet-ontvankelijk in incidenteel appel tot wijziging zorgregeling: GI is nl. informant in kader van de OTS en geen belanghebbende.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (38.011 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht


Uitspraak: 9 oktober 2025
Zaaknummers: 200.355.339/01 en 200.355.339/02
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/384324 / FA RK 22-3262



in de zaak in hoger beroep (01) en in het incident (02) van:





[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in principaal hoger beroep en in het incident,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A. van Eijkeren,



tegen





[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep en in het incident,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B. du Fosse.




Als informant wordt aangemerkt:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de raad.




In het kort

De vader is het niet eens met de beslissingen die de rechtbank heeft genomen over
de hoofdverblijfplaats van en de zorgregeling voor de 13-jarige [minderjarige 1] , de 12-jarige [minderjarige 2] en de 11-jarige [minderjarige 3] .






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2Het geding in hoger beroep


- In de hoofdzaak (zaaknummer 200.355.339/01):



2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 mei 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:



Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats:

primair: de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;
subsidiair: [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader en [minderjarige 1] bij de moeder.




Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:

primair: de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:



de kinderen verblijven in de oneven weken bij de vader en de even weken bij de moeder, waarbij het wisselmoment op de maandagen is (om 8.30 uur) en de spullen op maandagavond in overleg tussen de ouders worden gewisseld;


de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld (zowel primair als subsidiair):



o zomervakantie: in de even jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. In de oneven jaren is dit andersom;
o herfstvakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
o kerstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen in de eerste week bij de vader en in de tweede week bij de moeder. In de even jaren is dit andersom;
o voorjaarsvakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
o meivakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. In de even jaren is dit andersom;
o waarbij alle vakanties starten op vrijdag om 19.00 uur en eindigen op vrijdag om 19.00 uur en het wisselmoment in alle vakanties op vrijdag om 19.00 uur is;
o Pasen en Pinksteren: de kinderen verblijven op de even jaren met Pasen bij de vader en met Pinksteren bij de moeder. In de oneven jaren is dit andersom waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag 19.00 uur (indien de kinderen niet al bij die ouder zijn) en de kinderen tot dinsdagochtend 08.30 uur bij de desbetreffende ouder verblijven;
o Hemelvaart, koningsdag en verjaardagen van de kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform de regeling dan zijn;
o verjaardagen van de ouders worden gevierd met de kinderen als de kinderen conform de regeling bij de desbetreffende ouder zijn;
o studiedagen: de kinderen verblijven bij de vader wanneer de studiedagen aansluiten op weekenden/vakanties waarin de kinderen bij hem verblijven tot 19.00 uur. Als de studiedag voorafgaand aan het weekend/de vakantie van de vader valt, verblijven de kinderen vanaf de dag voor de studiedag 19.00 uur bij de vader. De vader stuurt zodra de studiedagen voorafgaand aan het schooljaar een overzicht naar de jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer informeert de moeder. De overige studiedagen zijn de kinderen bij de moeder;

- ouders en kinderen wijken niet af van deze zorgregeling. Dit betekent dat de kinderen niet bij/in het huis van de andere ouder komen, tenzij dit noodzakelijk is om spullen op te halen.
subsidiair: de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:


de kinderen verblijven in de oneven weken vanaf maandagochtend 8.30 uur tot woensdag 18.00 uur bij de moeder en vanaf woensdag 18.00 uur tot maandagochtend 8.30 uur bij de vader. In de even weken verblijven de kinderen vanaf maandagochtend 8.30 uur tot woensdag 18.00 uur bij de moeder en vanaf woensdag 18.00 uur tot vrijdagavond 19.00 uur bij de vader en voorts vanaf vrijdagavond 19.00 uur tot maandagochtend 8.30 uur zijn zij weer bij de moeder;


met een verdeling van de vakanties en feestdagen zoals hierboven bij zijn primaire verzoek geformuleerd.





2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2025, heeft de moeder verzocht de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen en het verzoek van de vader ten aanzien van Pinksteren en Pasen toe te wijzen.



2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2025, heeft de GI zich ten aanzien van het verzoek van de vader om een zorgregeling tussen [minderjarige 1] en hem vast te stellen, gerefereerd aan het standpunt van het hof en zich ten aanzien van het vaststellen van het hoofdverblijf onthouden van een standpunt.
Verder heeft de GI in dit verweerschrift bij wijze van “incidenteel appel” zelf getracht hoger beroep in te stellen tegen de bestreden beschikking voor zover het de zorgregeling voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] betreft.
Op dit “incidenteel appel” hebben beide ouders vervolgens weer gereageerd met een verweerschrift: de moeder op 18 augustus 2025 en de vader op 20 augustus 2025.



- In het incident (zaaknummer 200.355.339/02)




2.4.
De vader heeft tegelijkertijd met het indienen van zijn hoger beroepschrift een incidenteel verzoek gedaan waarbij hij, kort gezegd, verzoekt te bepalen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking wordt geschorst ten aanzien van de zorgregeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , totdat op dit hoger beroep is beslist.



2.5.
De GI heeft op 17 juli 2025 een verweerschrift in het incident ingediend en verzocht om het verzoek van de vader tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking toe te wijzen.



2.6.
De moeder heeft in haar hiervoor vermelde verweerschrift van 18 augustus 2025 verzocht om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in dit verzoek, althans dit verzoek af te wijzen.


- In beide zaaknummers




2.7.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025. Daarbij is zowel de hoofdzaak als het schorsingsverzoek behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- partijen, bijgestaan door hun advocaten;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .



2.8.
Het hof heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 3] heeft hier gebruik van gemaakt door een brief te schrijven aan het hof. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, afzonderlijk van elkaar, een gesprek gehad met de voorzitter in het bijzijn van de griffier, zonder dat hun ouders, de GI en de raad hierbij aanwezig waren. [minderjarige 1] heeft daarbij ook een door haar zelf geschreven brief overhandigd aan de voorzitter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van de kindgesprekken en de twee brieven zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.



2.9.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 10 februari 2025;


de brief van de raad van 10 juli 2025.







3De beoordeling


3.1.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren:



[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;



[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;



[minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .


De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.



3.2.
Sinds 6 juni 2023 staan de kinderen onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 december 2025.



3.3.
Voorafgaand aan de echtscheidingsbeschikking zijn er tussen partijen drie beschikkingen gegeven in het kader van voorlopige voorzieningen:


op 27 juli 2022 (o.a. vaststelling voorlopige zorgregeling);


op 3 april 2023 (o.a. geen opschorting dan wel wijziging van de voorlopige zorgregeling);


op 13 februari 2024 (o.a. geen wijziging in de reguliere voorlopige wijziging, maar wel aanvulling van de voorlopige zorgregeling met vakanties en feestdagen).





3.4.
Bij beschikking van 6 mei 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, die op 15 juli 2024 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers. De rechtbank heeft daarbij de beslissingen op de verzoeken van partijen over (onder meer) de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aangehouden.



De bestreden beschikking




3.5.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de kinderen het hoofdverblijf bij de moeder hebben en dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt zal zijn:



[minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij de vader volgens een tweewekelijks schema in de ene week van donderdag 19.00 uur tot zondag 20.00 uur en in de andere week van donderdag 19.00 uur tot vrijdag 20.00 uur, welke zorgregeling – in het geval partijen wijzigingen in hun werkrooster dienen aan te brengen – zal ingaan op 1 september 2025;


de vakanties en feestdagen worden als volgt verdeeld:



 zomervakantie: in de even jaren zijn de kinderen in de eerste drie weken bij de vader en in de laatste drie weken bij de moeder en in de oneven jaren andersom, waarbij het wisselmoment op vrijdag zal zijn;
 herfstvakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
 kerstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen in de eerste week bij de vader en in de tweede week bij de moeder en in de even jaren andersom;
 voorjaarsvakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader;
 meivakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen in de eerste week bij de moeder en in de tweede week bij de vader, in de even jaren andersom;
 Pasen en Pinksteren: de kinderen verblijven in de even jaren op eerste paasdag en op eerste pinksterdag bij de vader en op tweede paasdag en tweede pinksterdag bij de moeder en in de oneven jaren andersom, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op eerste paas-/pinksterdag om 20.00 uur, respectievelijk tweede paas-/pinksterdag om 20.00 uur. Indien de kinderen volgens deze regeling op eerste paas-/pinksterdag bij de vader zijn, maar zij volgens de reguliere zorgregeling in dat weekend niet bij de vader verblijven zullen zij om 10.00 uur bij de vader zijn, en in de situatie dat de kinderen volgens deze regeling op eerste paas-/pinksterdag bij de moeder zijn, maar zij in dat weekend volgens de reguliere regeling bij de vader verblijven, zullen zij om 10.00 uur bij de moeder zijn;
 Hemelvaart, Koningsdag en verjaardagen van de kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform de zorgregeling dan zijn;
 verjaardagen van de ouders: worden gevierd met de kinderen als de kinderen conform de zorgregeling bij de desbetreffende ouder zijn.




Standpunten in hoger beroep



3.6.1.
De vader kan zich met deze beslissingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Het hof zal kort uiteen zetten hoe de standpunten van de ouders en de GI luiden, zoals geformuleerd in hun stukken en aangevuld op de mondelinge behandeling en, tot slot, welk advies de raad op de mondelinge behandeling heeft gegeven.



3.6.2.

De vader stelt het volgende.
De vader is in staat is om gelijkwaardig aan de moeder voor de kinderen te zorgen. De kinderen moeten hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben, want hij kan de regeling met de moeder ondersteunen en de moeder kan dat andersom niet. Een fifty-fifty verdeling van de zorgregeling, zeker in combinatie met een solo parallel ouderschap of een schottenmethode, maakt dat ieder van de ouders gefocust is op het eigen gezin en de kinderen aldaar. Er liggen dan duidelijke afspraken met de andere ouder, waarover geen communicatie meer nodig is. De vader is bereid om te zorgen voor een volle kledingkast bij hem thuis zodat de kinderen alleen zelf hoeven te pendelen en er ook geen spullen meer hoeven te worden gebracht. Opvallend is dat de rechtbank tegen de wens van de kinderen is ingegaan, terwijl de kinderen expliciet hebben aangegeven dat zij evenveel tijd bij hun beide ouders willen zijn. De moeder blijft alles herhalen en er van alles bij halen om haar standpunt kracht bij te zetten, maar uiteindelijk gaat het hier gewoon om een zeer complexe dynamiek tussen de ouders waarbij allerhande elementen spelen. Het gaat hierbij niet alleen om intieme terreur maar ook wie de macht/controle waarover heeft, ouderverstoting, het totale gebrek aan vertrouwen in de andere ouder, het diskwalificeren van de andere ouder, etc. De GI heeft heel goed zicht op dit totaal aan problemen. Het is een tactiek van de moeder om de rechters in alle rechtszaken te overvoeren met haar visie over intieme terreur. Het telkens herhalen dat hier sprake van is, maakt het nog niet waar. De moeder presenteert een aaneenschakeling van onjuistheden want de vader is niet veroordeeld voor laster, alleen maar voor smaad. Ten aanzien van de zorgregeling is het voor de vader ook bespreekbaar dat de kinderen van woensdag na school tot vrijdagochtend voor school of, in het andere weekend, tot maandagochtend bij hem verblijven. De vader werkt op vrijdag; dan heeft hij poli afspraken staan die zes maanden tevoren worden ingepland. Hij is vanaf 7 april 2025 een half jaar lang niet in staat om op de vrijdagen vrij te zijn. Dat de kinderen nu zondagavond terug gaan naar de moeder, is niet prettig. Zaterdag zijn er vaak activiteiten en de zondagavond moet een rustmoment zijn voor de vader met de kinderen. Er is anders onvoldoende tijd om als gezin samen te zijn. De kwestie van [minderjarige 1] is lastig. De vader en [minderjarige 1] hebben elkaar sinds maart 2025 niet meer gezien, omdat zij dit niet wil. Zolang [minderjarige 1] zelf de regie heeft zal ze van de moeder geen emotionele ruimte ervaren om naar hem toe te komen. De vader wil het graag goed doen voor haar; met een opbouwende regeling kan hij ook instemmen. Tot slot verzoekt de vader het hof om [minderjarige 3] alsnog te horen, omdat [minderjarige 3] zijn brief met de moeder samen heeft geschreven en [minderjarige 3] eigenlijk liever niet op zondagavond terug naar de moeder wil na een weekend met zijn vader. Als het hof zelf met [minderjarige 3] spreekt, kan dit verschil in visie opgehelderd worden.




3.6.3.

De moeder verweert zich als volgt.
De moeder is altijd de hoofdverzorger van de kinderen geweest en dat is sinds de eerste breuk (2017) ook altijd zo gebleven. Het is volstrekt in strijd met de belangen van de kinderen om anno 2025 deze situatie ineens om te draaien. [minderjarige 1] is getuige geweest van het eenzijdig partnergeweld van de vader jegens de moeder. Dit geweld gaat tot op de dag van vandaag door, maar dan op een andere manier, en dit wordt door de raad en de GI onvoldoende onderkend en doorzien. De raad heeft ten onrechte in zijn onderzoek de strafzaak die jegens de vader loopt alsmede de meldingen bij Veilig Thuis en het politiedossier niet betrokken. De vader wordt door het OM vervolgd voor smaad/laster, stalking en bedreiging van de moeder. Nadat de moeder in april 2023 aangifte heeft gedaan, heeft de vader een contactverbod opgelegd gekregen van 90 dagen. De communicatiestop, die als voorbeeld werd genoemd om de veiligheidsproblemen aan te pakken, was al begin 2024 ingevoerd en werkt niet meer. De vader heeft in twee maanden tijd 70 apps gestuurd in de noodapp-groep en in tien maanden tijd ruim 265. Op 17 juli 2025 heeft de strafzaak plaatsgevonden waarbij de vader is veroordeeld voor laster en smaad. De vader gaat eraan voorbij dat de kinderen geen week-op-week af regeling willen. [minderjarige 1] blijft zich onveilig voelen bij haar vader. Ze heeft tegen de raad en de GI verteld over haar nachtmerries, herbeleving en angsten voor haar vader. Er is bij [minderjarige 1] sprake van trauma dat de GI niet wil onderkennen. De eetstoornis waar [minderjarige 1] een aantal jaren geleden mee kampte is teruggekeerd. Voor [minderjarige 1] bestaat op dit moment geen ruimte om naar contactherstel te gaan. Er moet zo spoedig mogelijk behandeling en traumaverwerking voor [minderjarige 1] komen. Het is onduidelijk of partijen wel in staat zijn hun ouderschap vorm te geven in de vorm van solo parallelouderschap. Dit vergt nadere training en hulpverlening en daar is nog geen enkel begin mee gemaakt. Ondertussen blijft de vader talloze apps/mails sturen aan de GI over het gedrag van de moeder, waar de moeder steeds weer op moet reageren en is hij de noodapp-groep als communicatiemiddel gaan gebruiken. De moeder is blij dat het stukje van de maandag uit de zorgregeling verdwijnt, want dat veroorzaakt altijd veel gedoe, omdat de vader per se op twee momenten (op zondag én op maandag) spullen wil brengen. De moeder wil graag dat het wisselmoment op zondagavond blijft. Tot slot ontkent de moeder dat zij [minderjarige 3] zou hebben beïnvloed bij het schrijven van zijn brief aan het hof.




3.6.4.

De GI neemt het volgende standpunt in.
Het is in het belang van de kinderen om een gelijke verdeling van zorgtijd vast te stellen, waarbij er een wissel op school plaatsvindt, met daarbij een gelijke verdeling van vakanties en feestdagen, waarbij het schema van de vader als uitgangspunt kan worden aangehouden met uitzondering van de studiedagen, omdat de studiedagen gewoon onderdeel zijn van de zorgregeling in de week-op-week-af regeling. Ten onrechte gaat de rechtbank uit van de term “co-ouderschap”. Co-ouderschap impliceert dat er goed overleg mogelijk moet zijn tussen ouders én er sprake is van een gelijke zorgtijdverdeling. Een gelijke verdeling van de zorgtijd kan ook wanneer er parallel solo ouderschap wordt uitgevoerd. In het gedrag vanuit de moeder en de kinderen wordt een milde en gematigde vorm van oudervervreemding teruggezien. De GI signaleert in ieder geval contactverlies waar het gaat om [minderjarige 1] en de vader, maar het contactverlies ligt ook bij [minderjarige 2] op de loer. Een meer gelijke zorgregeling draagt bij aan een vermindering/voorkoming van contactverlies. De Viersprong koppelt terug naar de GI dat ze zorgen hebben over de kinderen. Het is positief dat de noodapp-groep de laatste tijd niet meer wordt gebruikt door partijen. De onderlinge dynamiek tussen de ouders is zorgelijk. Beide ouders moeten kijken naar hun eigen aandeel hierin. De GI ziet dat de vader hierin meer kan meebewegen dan de moeder. De moeder labelt al het gedrag van de vader als intieme terreur. De lat om dit vast te stellen ligt hoog en de GI ziet niet dat hier sprake van is.




3.6.5.
Op de mondelinge behandeling is de raad niet afgeweken van het in eerste aanleg uitgebrachte advies dat er een co-ouderschap dient te worden vastgesteld. De raad adviseert de GI om de ouders te begrenzen in hun ongewenste berichtgeving, zoals de GI eerder heeft bewerkstelligd bij het invoeren van de communicatiestop. De raad heeft uitvoerig onderzoek gedaan en constateert nog steeds dat er elementen van intieme terreur zijn waargenomen, maar dat er geen sprake is van alle rode vlaggen die hier betrekking op hebben.


Het hof oordeelt als volgt.




In het incident






3.7.
Nu het hof in dezelfde uitspraak zal beslissen op de hoofdzaak en het incident (zoals ter zitting aan partijen medegedeeld), heeft de vader geen belang meer bij zijn verzoek in het incident tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.



In de hoofdzaak




- Ontvankelijkheid van de GI in het incidenteel appel




3.8.

In deze procedure heeft het hof de GI abusievelijk een brief gestuurd waarin zij wordt aangemerkt als belanghebbende. Als gevolg van deze – achteraf verkeerde – beslissing, heeft het hof de GI bij brief van 26 juni 2025 in de gelegenheid gesteld om, naast een verweerschrift, ook een incidenteel hoger beroep te mogen indienen. In de conclusie van de Procureur-Generaal (ECLI:NL: PHR:2024:434), gevolgd door de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1079) wordt verduidelijkt onder welke omstandigheden de GI aangemerkt kan worden als belanghebbende in een procedure. Het hof stelt vast dat de GI in deze zaak, niet rechtstreeks in haar rechten en plichten getroffen wordt door het onderhavig geschil tussen de ouders over de hoofdverblijfplaats of de zorgregeling. De GI behoort daarmee niet tot de kring van belanghebbenden die in dit hoger beroep in een rechtszaak tussen twee ouders in incidenteel hoger beroep mag komen. Een beslissing in een dergelijke zaak kan de taakuitoefening van de GI weliswaar raken, maar dat betekent niet dat de zaak rechtstreeks betrekking heeft op haar rechten of verplichtingen.
Op grond van het vorenstaande is de GI niet-ontvankelijk in het incidenteel appel.
Het hof zal de GI aanmerken als informant op grond waarvan alle stukken die de GI heeft ingebracht, bij de beoordeling zullen worden betrokken.



- Het alsnog horen van [minderjarige 3]




3.9.
De vader wil graag dat het hof [minderjarige 3] uitnodigt voor een kindgesprek. Het hof acht dit niet in het belang van [minderjarige 3] . [minderjarige 3] heeft zelf gekozen op welke wijze hij gebruik wilde maken van de gelegenheid om zijn mening kenbaar te maken door een brief te schrijven die het hof bij de beoordeling zal betrekken. Het hof ziet geen aanleiding om [minderjarige 3] alsnog uit te nodigen voor een kindgesprek, omdat dit onnodig belastend zou zijn voor hem.


- De hoofdverblijfplaats



3.10.1.
Ingevolge artikel 827 lid 1 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter als nevenvoorziening bij de echtscheiding voorzieningen treffen over de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen. De rechtbank heeft beslist dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder zal zijn.



3.10.2.
Het hof is van oordeel dat de vader onvoldoende argumenten heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem. De bezwaren die de vader naar voren brengt hebben (met name) betrekking op de strijd die de ouders op ex-partner niveau met elkaar – blijven – voeren. Op ouderniveau is het hof niet gebleken van argumenten die ertoe kunnen leiden dat het niet langer in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de moeder behouden, zoals feitelijk al zo is sinds de voorzieningenrechter bij beschikking van 27 juli 2022 de kinderen heeft toevertrouwd aan de moeder. De kinderen zijn eraan gewend om bij de moeder hun vaste basis te hebben. Het hof acht het bovenal in het belang van de kinderen dat zij zich in de huidige veilige omgeving verder kunnen ontwikkelen. De situatie is al zeer onrustig voor de kinderen omdat de ouders in een aanhoudende strijd met elkaar verwikkeld zijn. De kinderen hebben rust nodig. Een wijziging in hun hoofdverblijfplaatssituatie aanbrengen past daar niet bij. Juist om de huidige stabiele situatie voor de kinderen te waarborgen kan vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de vader nu niet aan de orde zijn.


- De zorgregeling




3.11.1.
Ingevolge artikel 827 lid 1 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter als nevenvoorziening bij de echtscheiding voorzieningen treffen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de kinderen dient te worden vastgesteld.




[minderjarige 1]





3.11.2.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het momenteel niet in het belang van [minderjarige 1] is dat er een zorgregeling tussen haar en de vader wordt vastgelegd. [minderjarige 1] is een kwetsbaar meisje dat kampt met persoonlijke problematiek. [minderjarige 1] was zowel tijdens het kindgesprek als in haar brief zeer uitgesproken in haar wens om haar vader niet meer te willen zien. Ze lijkt op dit moment geen positieve associatie met haar vader te hebben. Ongeacht wat er in het verleden wel of niet is gebeurd tussen de vader en [minderjarige 1] , ziet het hof zich ermee geconfronteerd dat er bij [minderjarige 1] op dit moment geen enkele ruimte is om de vader een rol te laten spelen in haar leven. Gezien de leeftijd van [minderjarige 1] (bijna 14 jaar) en haar ontwikkelingsniveau kent het hof zwaar gewicht toe aan haar mening. [minderjarige 1] heeft er recht op dat haar mening serieus wordt genomen en als zodanig ook wordt gerespecteerd. Dat is ook waar [minderjarige 1] om vraagt. Onder de huidige omstandigheden is het hof van oordeel dat gedwongen contact met de vader een te grote druk zal leggen op [minderjarige 1] en daardoor waarschijnlijk het tegenovergestelde effect zal bewerkstelligen, namelijk dat het verzet van [minderjarige 1] tegen contact met de vader verder toeneemt en bovendien dat het haar ontwikkeling momenteel te veel zal schaden. Het hof wijst daarom het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige 1] af. Dat er nu voor [minderjarige 1] geen regeling wordt vastgesteld, betekent echter niet dat dit voor altijd zo zou moeten blijven. Het hof verwacht dat de GI hierop voor zover mogelijk blijft aansturen en zich zal inspannen dat er bij [minderjarige 1] ruimte zal ontstaan om het contact met haar vader in de toekomst weer aan te gaan c.q. uit te breiden, waarbij er ook oog dient te zijn voor de wijze waarop [minderjarige 1] over de vader denkt, de felheid waarmee ze zich uit en – indien hier niets mee wordt gedaan – de gevolgen hiervan voor haar op langere termijn.




[minderjarige 2] en [minderjarige 3]





3.11.3.
Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat een week-op-week-af regeling (zoals de vader verzoekt en zoals de raad en de GI adviseren), niet in het belang van deze kinderen is, gelet op de ernstig verstoorde gezinsdynamiek, de signalen van intieme terreur vanuit de vader naar de moeder, het loyaliteitsconflict waarmee de kinderen kampen en de eigen mededeling van de kinderen dat zij het gescheiden van een van de ouders zijn gedurende een periode van een week te lang vinden. De ouders staan op dermate slechte voet met elkaar dat een gelijke verdeling van de zorgtaken teveel spanningen op zou leveren en teveel zou vragen van de kinderen, nog los van de vraag hoe de vader de week-op-week-af regeling kan vormgeven, omdat het invullen van de zorg op vrijdag kennelijk een structureel probleem voor hem vormt. Het hof wijst het verzoek van de vader tot vaststelling van een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedtaken daarom af.



3.11.4.

Anders dan de vader meent, is het hof van oordeel dat een zeer gedetailleerde regeling, door het hof te bepalen en vast te leggen in een beschikking, de strijd tussen partijen niet zal doen verminderen. Integendeel, een gedetailleerde zorgregeling, waarbij de vader zelfs vastgelegd wenst te zien dat “ouders en kinderen niet afwijken van deze zorgregeling”, zal bij iedere (zelfs zeer kleine) wijziging van omstandigheden steeds opnieuw aanpassing (en derhalve contact tussen de ouders) behoeven. Daarnaast is, mede gezien de leeftijd van de kinderen, te verwachten dat de details van de regeling in de nabije toekomst veelvuldig ad hoc in- en aangevuld moeten worden, zulks mede om de kinderen in staat te stellen deel te nemen aan sociale activiteiten die voor hun verdere ontwikkeling naar volwassenheid van belang zijn. Een gedetailleerde regeling – waarbij de vader zelfs een verdeling van de studiedagen verzoekt – zal daarbij eerder belemmerend dan stimulerend werken. Om in de toekomst in het belang van de kinderen gezamenlijk nadere afspraken over de kinderen te kunnen maken, dienen partijen met behulp van de GI een modus te vinden waardoor zaken die de kinderen betreffen op een zo rustig mogelijke en zo min mogelijk belastende wijze kunnen worden afgestemd en geregeld.
Het hof zal daarom geen ingrijpende wijzigingen in de zorgregeling aanbrengen voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] , vergeleken met de regeling die rechtbank heeft vastgesteld. Wel zal het hof enkele kleinere wijzigingen doorvoeren waarmee de belangen van deze kinderen zijn gediend zodat er voor de kinderen – en hopelijk voor de ouders – meer rust zal ontstaan.




3.11.5.
Het hof is van oordeel dat het meest in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is als zij volgens een tweewekelijks schema bij hun vader zijn:


de ene week van donderdag na school tot maandagochtend voor school;


de andere week van woensdag na school tot donderdagochtend voor school.


Deze gewijzigde zorgregeling zal ingaan met ingang van de datum van deze beschikking. De kinderen geven bij het hof aan dat ze minder wisselmomenten tussen hun ouders willen. Dat wordt bereikt met deze regeling waarmee de reisbewegingen voor de kinderen meer worden beperkt en het hof het voor de kinderen prettiger vindt als ze direct vanuit school naar de andere ouder kunnen gaan en daardoor – naar verwachting – minder worden blootgesteld aan de spanningen tussen hun ouders. Het hof is het met de vader eens dat het te onrustig is als de kinderen op zondagavond teruggaan naar de moeder en dat het prettiger is voor de kinderen als ze het weekend bij hem kunnen afsluiten inclusief een overnachting tot maandagmorgen. Voor zover het ontbreken van kledingstukken tot problemen zou kunnen leiden, heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat hij kleding dubbel zal aanschaffen.



3.11.6.
Voor de overige onderdelen van de zorgregeling zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, omdat het hof deze regeling het meest in het belang van de kinderen acht en bovendien de frequentie van het contact tussen de ouders en de kinderen – in vergelijk met de regeling die de rechtbank heeft vastgesteld – nagenoeg gelijk blijft. Wel zal het hof het verzoek van de vader over Pasen en Pinksteren inwilligen, omdat de moeder hiermee instemt. Het hof vernietigt de bestreden beschikking daarom voor wat betreft de zorgregeling en stelt deze vast op de wijze zoals in het dictum vermeld. Al het overige door de vader aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.



3.11.7.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd.



3.11.8.
Beslist wordt als volgt.






4De beslissing


Het hof:




in het incident (zaaknummer 200.355.339/02):




wijst het verzoek van de vader af;




in de hoofdzaak (zaaknummer 200.355.339/01):




verklaart de GI niet-ontvankelijk in het incidenteel appel;



bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder is bepaald;



vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de zorgregeling betreft,
en, opnieuw rechtdoende:



bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt zal zijn:




[minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij de vader volgens een tweewekelijks schema in de ene week van donderdag na school tot maandagochtend voor school in de andere week van woensdag na school tot donderdagochtend voor school, welke zorgregeling zal ingaan per datum van deze beschikking;


waarbij de vakanties en feestdagen worden als volgt verdeeld:



 zomervakantie: in de even jaren zijn de kinderen in de eerste drie weken bij de vader en in de laatste drie weken bij de moeder en in de oneven jaren andersom, waarbij het wisselmoment op vrijdag zal zijn;
 herfstvakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
 kerstvakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen in de eerste week bij de vader en in de tweede week bij de moeder en in de even jaren andersom;
 voorjaarsvakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader;
 meivakantie: in de oneven jaren zijn de kinderen in de eerste week bij de moeder en in de tweede week bij de vader, in de even jaren andersom;
 Pasen en Pinksteren: de kinderen verblijven op de even jaren met Pasen bij de vader en met Pinksteren bij de moeder. In de oneven jaren is dit andersom waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag 19.00 uur (indien de kinderen niet al bij die ouder zijn) en de kinderen tot dinsdagochtend 08.30 uur bij de desbetreffende ouder verblijven;
 Hemelvaart, koningsdag en verjaardagen van de kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform de zorgregeling dan zijn;
 verjaardagen van de ouders: worden gevierd met de kinderen als de kinderen conform de zorgregeling bij de desbetreffende ouder zijn.



bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling met [minderjarige 1] is afgewezen;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.P. de Beij en K.A. Boshouwers en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, de griffier.