Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2789
2025-10-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.354.551_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging bestreden beschikking. Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:200 Hoge Raad 10-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.366 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 oktober 2025
Zaaknummer: 200.354.551/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/400234 / FA RK 23-5499
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.H. Kroon,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. H.C.M. Schaeken.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] (10 jaar), [minderjarige 2] (9 jaar) en [minderjarige 3] (7 jaar) bij de vader heeft bepaald.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 mei 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
de volgende zorgregeling vast te stellen: de vader is gerechtigd tot contact met de kinderen van vrijdag na school tot zondagavond 19.00 uur en gedurende de helft van de schoolvakanties, in onderling overleg tussen partijen te bepalen.
2.2.
Van de zijde van de GI is een schriftelijke reactie ontvangen, ingekomen ter griffie op 30 juni 2025.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door mr. Kroon;
de vader, bijgestaan door mr. Schaeken;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI];
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].
Voor de moeder is mevrouw R. Zeino opgetreden als tolk, ingeschreven als beëdigd tolk onder Wbtv-nummer 40321. Voor de vader is de heer J. Al Sayed opgetreden als tolk, ingeschreven als beëdigd tolk onder Wbtv-nummer 40339.
2.3.1.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 juni 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 maart 2025;
het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 5 juni 2025, met bijlage;
de brief van de GI d.d. 30 juni 2025;
het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 20 augustus 2025, met bijlage;
het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 25 augustus 2025, met bijlagen;
het V6-formulier van de advocaat van de vader d.d. 27 augustus 2025, met bijlagen;
de door de advocaat van de moeder tijdens de mondelinge behandeling overgelegde en voorgedragen zittingsaantekeningen.
3De beoordeling
De feiten
3.1.
Partijen hebben beiden de Syrische nationaliteit.
3.2.
Partijen zijn op 1 februari 2014 in [plaats 1], Syrië, met elkaar gehuwd.
Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats], Syrië;
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], Syrië;
[minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3]), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats], Syrië.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
3.3.
[minderjarige 1] en de vader verblijven sinds 2019 in Nederland. De moeder, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven sinds 30 oktober 2021 in Nederland in het kader van gezinshereniging. Op 30 oktober 2023 is de moeder met de kinderen vertrokken naar een veilige opvang. Medio december 2023 zijn de kinderen – in overleg met Veilig Thuis – naar de vader gegaan. De kinderen wonen sindsdien bij de vader.
3.4.
Bij beschikking van 22 mei 2024 is de ondertoezichtstelling uitgesproken over de kinderen voor de duur van een jaar, te weten tot 22 mei 2025. Bij beschikking van 13 mei 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een half jaar, derhalve tot 22 november 2025.
3.5.
Bij beschikking van 3 juli 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen desgevraagd verklaard dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.6.
Bij de beschikking van 3 juli 2024 heeft de rechtbank voorts bepaald dat de vader huurder zal zijn van de woning aan [adres] te [woonplaats] en de kinderen voorlopig hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben. Verder is een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de moeder gerechtigd is tot contact met de kinderen van vrijdag na school tot zondag en waarbij de schoolvakanties bij helfte worden verdeeld. De definitieve beslissing op het verzoek over het hoofdverblijf en de zorgregeling is aangehouden.
3.7.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen het hoofdverblijf bij de vader hebben en een zorgregeling vastgesteld waarbij de moeder gerechtigd is tot contact met de kinderen van vrijdag na school tot zondagavond 19:00 uur. De schoolvakanties worden bij helfte tussen partijen verdeeld, de precieze verdeling in onderling overleg.
3.8.
Door de ouders wordt de volgende regeling feitelijk uitgevoerd: de kinderen verblijven om het weekend van vrijdag na school tot zondagavond 19:00 uur bij de moeder. De overige tijd zijn de kinderen bij de vader.
3.9.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.10.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – kort samengevat – het volgende aan.
De rechtbank miskent dat juist de moeder de kinderen de nodige stabiliteit, continuïteit en duidelijkheid in hun opvoedsituatie kan geven. Zij is daartoe beter in staat dan de vader. Het is de moeder die, voordat partijen naar Nederland kwamen, de volledige zorg voor de kinderen heeft gehad. Ook toen de ouders nog bij elkaar woonden, had de moeder de volledige zorg voor de kinderen. Omdat de moeder vanwege haar veiligheid heeft moeten vluchten naar een veiligheidshuis, heeft zij ongewild de kinderen achter moeten laten bij hun vader. Dat de kinderen om die reden sinds die tijd bij de vader verblijven, betekent niet dat de moeder niet in staat is om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. De rechtbank heeft ten onrechte doorslaggevend geoordeeld dat de kinderen in hun vertrouwde omgeving dienen te blijven. Hierbij is onvoldoende rekening gehouden met de vele zorgen die de moeder keer op keer naar voren heeft gebracht. Dat het iets beter met de kinderen gaat, neemt niet weg dat er nog altijd zorgen zijn. Zo is de moeder, naar aanleiding van een Whatsappbericht dat zij heeft ontvangen van een onbekende afzender, bang dat de vader plannen heeft om de kinderen mee naar Syrië te nemen. Nu de moeder altijd voor de kinderen heeft gezorgd, zij ook in staat is de kinderen een veilige en goede opvoeding te geven en de kinderen haar heel erg missen, betekent een vertrouwde omgeving in dit geval dat zij weer bij hun moeder gaan wonen. Het is in dit verband meer van belang bij wie de kinderen wonen, dan waar zij wonen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de kinderen het bij beide ouders (even) goed hebben.
Het is bovendien onbegrijpelijk dat de rechtbank zo’n ingrijpende beslissing heeft kunnen nemen zonder dat duidelijk is hoe het daadwerkelijk met de kinderen gaat. Zeker nu is gebleken dat er geen of nauwelijks toezicht op de kinderen is. De moeder heeft sterk het gevoel dat het vechten is tegen de bierkaai. Het is daarnaast onbegrijpelijk dat de rechtbank tot het oordeel komt dat de woonsituatie van de moeder onvoldoende stabiel is. De moeder zal op 25 september 2025 de sleutel van haar nieuwe woning ontvangen en zij zal enkele weken later kan verhuizen. Het is een grote eengezinswoning met drie slaapkamers, een zolder en een tuin. De nieuwe woning is in de buurt van de huidige verblijfplaats van de moeder. Op loopafstand is er een school waar de kinderen naartoe kunnen. Ook hebben de kinderen al vriendjes in de buurt. Het is fijn voor de kinderen wanneer zij met de moeder naar een eigen, gerenoveerde woning kunnen gaan. Dit brengt geen onrust met zich mee. Er is ten onrechte te veel belang gehecht aan het blijven wonen van de kinderen in [woonplaats]. Het is een illusie om te denken dat de moeder een woning in de buurt van [woonplaats] zou kunnen krijgen. Destijds is de moeder met code rood in een opvang terecht gekomen. Vervolgens is er gekeken naar de mogelijkheden voor een woning in de buurt van de opvang. De moeder zal het moeten doen met die woning, zij maakt geen kans op een woning in de buurt van [plaats 2].
Concluderend is het in het belang van de kinderen dat zij voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. Wanneer het hof tot dit oordeel zou komen, is de moeder van mening dat de vader recht heeft op een zorgregeling met de kinderen zoals de moeder nu met de kinderen heeft.
3.11.
De vader voert – kort samengevat – het volgende aan.
De vraag die voorligt, is of het beter voor de kinderen zou zijn wanneer het hoofdverblijf bij de moeder wordt bepaald. Zowel de raad als de GI adviseren de huidige situatie te handhaven. Het rapport van [instantie] beschrijft gedetailleerd welke hulpverlening er momenteel plaatsvindt. Ook ligt er een rapport van het multidisciplinair overleg (MDO), waarbij de school van de kinderen betrokken is. Op basis van deze rapporten zijn er geen zorgen over de schoolgang van de kinderen en het vaderschap van de vader. De moeder is een goede moeder en de vader is een goede vader. De moeder maakt de vader echter serieuze verwijten over de invulling van het ouderschap.
De vader betwist dat hij [minderjarige 1] belast met huishoudelijke taken en langere periodes afwezig is. De vader is wel eens weg, maar dit is telkens van korte duur. De vader is in beginsel gewoon beschikbaar voor de kinderen.
De vader betwist ook dat de kinderen in de zomer vier weken bij de moeder hebben moeten verblijven omdat de vader het te druk zou hebben. Het was de moeder die wilde dat de kinderen langer dan drie weken bij haar zouden verblijven. Deze wijziging van de zorgregeling is, net als elke wijziging of invulling, samen met de moeder en de betrokken jeugdbeschermer besproken.
Verder betwist de vader dat hij [minderjarige 1] een foto van zijn nieuwe partner heeft laten zien en hierbij gezegd heeft dat dit de ‘nieuwe moeder’ van de kinderen zou worden. De vader heeft geen nieuwe partner en zou dit soort gesprekken ook niet met zijn dochter voeren.
Ten slotte heeft de vader nooit gedreigd de kinderen mee terug naar Syrië te nemen. De vader wil helemaal niet terug naar Syrië, zijn vijf broers verblijven ook in Nederland. Het wordt door de moeder als een reëel risico gepresenteerd, maar dit is nergens op gebaseerd.
3.12.
De GI voert – kort samengevat – het volgende aan.
De hoofdverblijfplaats van alle kinderen dient bij de vader te zijn. De kinderen wonen bij de vader en wonen hier veilig. De vader voorziet in hun basisbehoeften en pakt zijn opvoedrol met ondersteuning van hulpverlening op. Hij is groeiende in zijn rol als vader. Deze positieve ontwikkeling wordt ook door [instantie] omschreven. De zorgen van de moeder blijven echter, ondanks de verbeteringen, onveranderd. Het is belangrijk dat de moeder de situatie met de vader loslaat en de vader zijn deel van de opvoeding laat doen. Het gaat beter met de kinderen. De kinderen zijn in rustiger vaarwater terecht gekomen. Ze hebben veel vriendjes en vriendinnetjes en doen het goed op school. Wanneer de kinderen het hoofdverblijf bij de moeder zouden krijgen, zou dit een te grote verandering voor de kinderen zijn. Gezien de levensgebeurtenissen die de kinderen op hun leeftijd al hebben meegemaakt, is dit geen wenselijke situatie. In het meest ideale geval zou er een vorm van co-ouderschap zijn, maar omdat de moeder ver weg woont, is dit niet mogelijk. Wanneer de moeder dichter bij de vader zou wonen, zouden de kinderen om de week bij de moeder kunnen verblijven. De moeder kiest er echter voor om in haar huidige woonplaats te blijven wonen.
3.13.
De raad heeft op de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht.
Op dit moment zijn er geen redenen om het hoofdverblijf in het belang van de kinderen te wijzigen. De kinderen zijn gewend om bij de vader te zijn, hebben er vriendjes en gaan daar naar school. Op school hebben de kinderen een positieve ontwikkeling doorgemaakt. In het rapport van [instantie] is deze positieve ontwikkeling te zien, ook bij de vader. De kinderen voelen zich veilig en op hun gemak. Dit rijmt niet met de zorgen van de moeder. De moeder krijgt bovendien pas op 25 september 2025 de sleutel van haar nieuwe woning. De kinderen zijn dan reeds gestart op school. Zij zouden dan midden in het schooljaar alsnog van school moeten wisselen. Dit is niet in hun belang, zeker nu de kinderen al heel wat hebben meegemaakt. Het Whatsappbericht dat de moeder heeft ontvangen, is zorgelijk. Het is echter onduidelijk wanneer en wie dit bericht heeft verzonden.
De motivering van de beslissing
3.14.
Het hof overweegt als volgt.
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
3.14.1.
Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hadden op het moment van de procesinleiding, te weten 29 december 2023. De kinderen hadden toen hun gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter is daarom bevoegd.
3.14.2.
Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
Hoofdverblijfplaats
3.15.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.15.1.
Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Na een onrustige periode waarin de ouders uit elkaar gingen, leven zij inmiddels een geruime tijd, te weten sinds medio december 2023, bij de vader. In de omgeving van de vader gaan zij naar school, hebben zij hun vriendjes en vriendinnetjes en volgen zij naschoolse activiteiten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI verklaard dat het beter met de kinderen gaat en zij inmiddels in rustiger vaarwater terecht zijn gekomen. Dit beeld wordt bevestigd door recente rapportages vanuit het MDO en [instantie]. Hieruit komt naar voren dat de kinderen meer rust hebben en minder snel blokkeren. Zij gaan met plezier naar school, tonen een open houding en boeken vooruitgang bij de logopedie. De kinderen maken een ontspannen indruk en vertonen geen angstig of teruggetrokken gedrag. [instantie] ziet dat de vader de kinderen actief ondersteunt in hun ontwikkeling en hen veiligheid, structuur en bescherming biedt. Hij is in staat in te spelen op de behoeften van de kinderen en geeft hun de ruimte om contact te hebben met de moeder.
3.15.2.
De zorgen die de moeder naar voren heeft gebracht kunnen, gelet op de rapportages vanuit het MDO en [instantie], niet worden vastgesteld. In hetgeen de moeder heeft aangevoerd, wordt onvoldoende grond gevonden om te oordelen dat het in het belang van de kinderen is om de vertrouwde situatie te wijzigen of dat een hoofdverblijf bij de moeder méér in hun belang zou zijn dan bij de vader. Wanneer de feitelijke woonsituatie veranderd zou worden, zou dit bovendien verstrekkende gevolgen voor de kinderen hebben. De kinderen zijn weliswaar bekend in de woonplaats van de moeder doordat zij om de week een weekend daar verblijven, maar hun (volledige) dagelijkse- en sociale leven speelt zich af in [woonplaats]. Het is niet in het belang van de kinderen deze vertrouwde en bestendige situatie te beëindigen door hun feitelijke woonsituatie te wijzigen naar de moeder.
Zorgregeling
3.16.
Omdat het hof het hoofdverblijf van de kinderen niet zal wijzigen, komt het hof niet toe aan de bespreking van de derde grief van de moeder over de zorgregeling. Dit betekent dat de zorgregeling tussen de kinderen en de moeder zoals die in de bestreden beschikking is bepaald, geldt. Het hof is gebleken dat door de ouders aan die regeling nu geen uitvoering wordt gegeven; de kinderen gaan feitelijk niet elk weekend maar om het weekend naar de moeder. Voor een goede evenwichtige ontwikkeling van de kinderen is het belangrijk dat de kinderen veelvuldig met hun beide ouders in contact staan. Het hof acht het dus van groot belang dat de zorgregeling in zijn volledigheid doorgang vindt. Het is aan de partijen om, met behulp van de GI, te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om deze door de rechter reeds op 10 april 2025 bepaalde zorgregeling zo spoedig mogelijk volledig te effectueren. Partijen dragen, als ouders zijnde, allebei de (financiële) verantwoordelijkheid om dit mogelijk te maken voor de kinderen.
De slotsom
3.17.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2025;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.M.C. Dumoulin en E.M.D.M. van der Linden en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 oktober 2025
Zaaknummer: 200.354.551/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/400234 / FA RK 23-5499
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.H. Kroon,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. H.C.M. Schaeken.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] (10 jaar), [minderjarige 2] (9 jaar) en [minderjarige 3] (7 jaar) bij de vader heeft bepaald.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 mei 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
de volgende zorgregeling vast te stellen: de vader is gerechtigd tot contact met de kinderen van vrijdag na school tot zondagavond 19.00 uur en gedurende de helft van de schoolvakanties, in onderling overleg tussen partijen te bepalen.
2.2.
Van de zijde van de GI is een schriftelijke reactie ontvangen, ingekomen ter griffie op 30 juni 2025.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door mr. Kroon;
de vader, bijgestaan door mr. Schaeken;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI];
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].
Voor de moeder is mevrouw R. Zeino opgetreden als tolk, ingeschreven als beëdigd tolk onder Wbtv-nummer 40321. Voor de vader is de heer J. Al Sayed opgetreden als tolk, ingeschreven als beëdigd tolk onder Wbtv-nummer 40339.
2.3.1.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 juni 2024;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 maart 2025;
het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 5 juni 2025, met bijlage;
de brief van de GI d.d. 30 juni 2025;
het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 20 augustus 2025, met bijlage;
het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 25 augustus 2025, met bijlagen;
het V6-formulier van de advocaat van de vader d.d. 27 augustus 2025, met bijlagen;
de door de advocaat van de moeder tijdens de mondelinge behandeling overgelegde en voorgedragen zittingsaantekeningen.
3De beoordeling
De feiten
3.1.
Partijen hebben beiden de Syrische nationaliteit.
3.2.
Partijen zijn op 1 februari 2014 in [plaats 1], Syrië, met elkaar gehuwd.
Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats], Syrië;
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], Syrië;
[minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3]), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats], Syrië.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
3.3.
[minderjarige 1] en de vader verblijven sinds 2019 in Nederland. De moeder, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven sinds 30 oktober 2021 in Nederland in het kader van gezinshereniging. Op 30 oktober 2023 is de moeder met de kinderen vertrokken naar een veilige opvang. Medio december 2023 zijn de kinderen – in overleg met Veilig Thuis – naar de vader gegaan. De kinderen wonen sindsdien bij de vader.
3.4.
Bij beschikking van 22 mei 2024 is de ondertoezichtstelling uitgesproken over de kinderen voor de duur van een jaar, te weten tot 22 mei 2025. Bij beschikking van 13 mei 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een half jaar, derhalve tot 22 november 2025.
3.5.
Bij beschikking van 3 juli 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen desgevraagd verklaard dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.6.
Bij de beschikking van 3 juli 2024 heeft de rechtbank voorts bepaald dat de vader huurder zal zijn van de woning aan [adres] te [woonplaats] en de kinderen voorlopig hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben. Verder is een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de moeder gerechtigd is tot contact met de kinderen van vrijdag na school tot zondag en waarbij de schoolvakanties bij helfte worden verdeeld. De definitieve beslissing op het verzoek over het hoofdverblijf en de zorgregeling is aangehouden.
3.7.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen het hoofdverblijf bij de vader hebben en een zorgregeling vastgesteld waarbij de moeder gerechtigd is tot contact met de kinderen van vrijdag na school tot zondagavond 19:00 uur. De schoolvakanties worden bij helfte tussen partijen verdeeld, de precieze verdeling in onderling overleg.
3.8.
Door de ouders wordt de volgende regeling feitelijk uitgevoerd: de kinderen verblijven om het weekend van vrijdag na school tot zondagavond 19:00 uur bij de moeder. De overige tijd zijn de kinderen bij de vader.
3.9.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.10.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – kort samengevat – het volgende aan.
De rechtbank miskent dat juist de moeder de kinderen de nodige stabiliteit, continuïteit en duidelijkheid in hun opvoedsituatie kan geven. Zij is daartoe beter in staat dan de vader. Het is de moeder die, voordat partijen naar Nederland kwamen, de volledige zorg voor de kinderen heeft gehad. Ook toen de ouders nog bij elkaar woonden, had de moeder de volledige zorg voor de kinderen. Omdat de moeder vanwege haar veiligheid heeft moeten vluchten naar een veiligheidshuis, heeft zij ongewild de kinderen achter moeten laten bij hun vader. Dat de kinderen om die reden sinds die tijd bij de vader verblijven, betekent niet dat de moeder niet in staat is om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. De rechtbank heeft ten onrechte doorslaggevend geoordeeld dat de kinderen in hun vertrouwde omgeving dienen te blijven. Hierbij is onvoldoende rekening gehouden met de vele zorgen die de moeder keer op keer naar voren heeft gebracht. Dat het iets beter met de kinderen gaat, neemt niet weg dat er nog altijd zorgen zijn. Zo is de moeder, naar aanleiding van een Whatsappbericht dat zij heeft ontvangen van een onbekende afzender, bang dat de vader plannen heeft om de kinderen mee naar Syrië te nemen. Nu de moeder altijd voor de kinderen heeft gezorgd, zij ook in staat is de kinderen een veilige en goede opvoeding te geven en de kinderen haar heel erg missen, betekent een vertrouwde omgeving in dit geval dat zij weer bij hun moeder gaan wonen. Het is in dit verband meer van belang bij wie de kinderen wonen, dan waar zij wonen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de kinderen het bij beide ouders (even) goed hebben.
Het is bovendien onbegrijpelijk dat de rechtbank zo’n ingrijpende beslissing heeft kunnen nemen zonder dat duidelijk is hoe het daadwerkelijk met de kinderen gaat. Zeker nu is gebleken dat er geen of nauwelijks toezicht op de kinderen is. De moeder heeft sterk het gevoel dat het vechten is tegen de bierkaai. Het is daarnaast onbegrijpelijk dat de rechtbank tot het oordeel komt dat de woonsituatie van de moeder onvoldoende stabiel is. De moeder zal op 25 september 2025 de sleutel van haar nieuwe woning ontvangen en zij zal enkele weken later kan verhuizen. Het is een grote eengezinswoning met drie slaapkamers, een zolder en een tuin. De nieuwe woning is in de buurt van de huidige verblijfplaats van de moeder. Op loopafstand is er een school waar de kinderen naartoe kunnen. Ook hebben de kinderen al vriendjes in de buurt. Het is fijn voor de kinderen wanneer zij met de moeder naar een eigen, gerenoveerde woning kunnen gaan. Dit brengt geen onrust met zich mee. Er is ten onrechte te veel belang gehecht aan het blijven wonen van de kinderen in [woonplaats]. Het is een illusie om te denken dat de moeder een woning in de buurt van [woonplaats] zou kunnen krijgen. Destijds is de moeder met code rood in een opvang terecht gekomen. Vervolgens is er gekeken naar de mogelijkheden voor een woning in de buurt van de opvang. De moeder zal het moeten doen met die woning, zij maakt geen kans op een woning in de buurt van [plaats 2].
Concluderend is het in het belang van de kinderen dat zij voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. Wanneer het hof tot dit oordeel zou komen, is de moeder van mening dat de vader recht heeft op een zorgregeling met de kinderen zoals de moeder nu met de kinderen heeft.
3.11.
De vader voert – kort samengevat – het volgende aan.
De vraag die voorligt, is of het beter voor de kinderen zou zijn wanneer het hoofdverblijf bij de moeder wordt bepaald. Zowel de raad als de GI adviseren de huidige situatie te handhaven. Het rapport van [instantie] beschrijft gedetailleerd welke hulpverlening er momenteel plaatsvindt. Ook ligt er een rapport van het multidisciplinair overleg (MDO), waarbij de school van de kinderen betrokken is. Op basis van deze rapporten zijn er geen zorgen over de schoolgang van de kinderen en het vaderschap van de vader. De moeder is een goede moeder en de vader is een goede vader. De moeder maakt de vader echter serieuze verwijten over de invulling van het ouderschap.
De vader betwist dat hij [minderjarige 1] belast met huishoudelijke taken en langere periodes afwezig is. De vader is wel eens weg, maar dit is telkens van korte duur. De vader is in beginsel gewoon beschikbaar voor de kinderen.
De vader betwist ook dat de kinderen in de zomer vier weken bij de moeder hebben moeten verblijven omdat de vader het te druk zou hebben. Het was de moeder die wilde dat de kinderen langer dan drie weken bij haar zouden verblijven. Deze wijziging van de zorgregeling is, net als elke wijziging of invulling, samen met de moeder en de betrokken jeugdbeschermer besproken.
Verder betwist de vader dat hij [minderjarige 1] een foto van zijn nieuwe partner heeft laten zien en hierbij gezegd heeft dat dit de ‘nieuwe moeder’ van de kinderen zou worden. De vader heeft geen nieuwe partner en zou dit soort gesprekken ook niet met zijn dochter voeren.
Ten slotte heeft de vader nooit gedreigd de kinderen mee terug naar Syrië te nemen. De vader wil helemaal niet terug naar Syrië, zijn vijf broers verblijven ook in Nederland. Het wordt door de moeder als een reëel risico gepresenteerd, maar dit is nergens op gebaseerd.
3.12.
De GI voert – kort samengevat – het volgende aan.
De hoofdverblijfplaats van alle kinderen dient bij de vader te zijn. De kinderen wonen bij de vader en wonen hier veilig. De vader voorziet in hun basisbehoeften en pakt zijn opvoedrol met ondersteuning van hulpverlening op. Hij is groeiende in zijn rol als vader. Deze positieve ontwikkeling wordt ook door [instantie] omschreven. De zorgen van de moeder blijven echter, ondanks de verbeteringen, onveranderd. Het is belangrijk dat de moeder de situatie met de vader loslaat en de vader zijn deel van de opvoeding laat doen. Het gaat beter met de kinderen. De kinderen zijn in rustiger vaarwater terecht gekomen. Ze hebben veel vriendjes en vriendinnetjes en doen het goed op school. Wanneer de kinderen het hoofdverblijf bij de moeder zouden krijgen, zou dit een te grote verandering voor de kinderen zijn. Gezien de levensgebeurtenissen die de kinderen op hun leeftijd al hebben meegemaakt, is dit geen wenselijke situatie. In het meest ideale geval zou er een vorm van co-ouderschap zijn, maar omdat de moeder ver weg woont, is dit niet mogelijk. Wanneer de moeder dichter bij de vader zou wonen, zouden de kinderen om de week bij de moeder kunnen verblijven. De moeder kiest er echter voor om in haar huidige woonplaats te blijven wonen.
3.13.
De raad heeft op de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht.
Op dit moment zijn er geen redenen om het hoofdverblijf in het belang van de kinderen te wijzigen. De kinderen zijn gewend om bij de vader te zijn, hebben er vriendjes en gaan daar naar school. Op school hebben de kinderen een positieve ontwikkeling doorgemaakt. In het rapport van [instantie] is deze positieve ontwikkeling te zien, ook bij de vader. De kinderen voelen zich veilig en op hun gemak. Dit rijmt niet met de zorgen van de moeder. De moeder krijgt bovendien pas op 25 september 2025 de sleutel van haar nieuwe woning. De kinderen zijn dan reeds gestart op school. Zij zouden dan midden in het schooljaar alsnog van school moeten wisselen. Dit is niet in hun belang, zeker nu de kinderen al heel wat hebben meegemaakt. Het Whatsappbericht dat de moeder heeft ontvangen, is zorgelijk. Het is echter onduidelijk wanneer en wie dit bericht heeft verzonden.
De motivering van de beslissing
3.14.
Het hof overweegt als volgt.
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
3.14.1.
Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hadden op het moment van de procesinleiding, te weten 29 december 2023. De kinderen hadden toen hun gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter is daarom bevoegd.
3.14.2.
Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
Hoofdverblijfplaats
3.15.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.15.1.
Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Na een onrustige periode waarin de ouders uit elkaar gingen, leven zij inmiddels een geruime tijd, te weten sinds medio december 2023, bij de vader. In de omgeving van de vader gaan zij naar school, hebben zij hun vriendjes en vriendinnetjes en volgen zij naschoolse activiteiten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI verklaard dat het beter met de kinderen gaat en zij inmiddels in rustiger vaarwater terecht zijn gekomen. Dit beeld wordt bevestigd door recente rapportages vanuit het MDO en [instantie]. Hieruit komt naar voren dat de kinderen meer rust hebben en minder snel blokkeren. Zij gaan met plezier naar school, tonen een open houding en boeken vooruitgang bij de logopedie. De kinderen maken een ontspannen indruk en vertonen geen angstig of teruggetrokken gedrag. [instantie] ziet dat de vader de kinderen actief ondersteunt in hun ontwikkeling en hen veiligheid, structuur en bescherming biedt. Hij is in staat in te spelen op de behoeften van de kinderen en geeft hun de ruimte om contact te hebben met de moeder.
3.15.2.
De zorgen die de moeder naar voren heeft gebracht kunnen, gelet op de rapportages vanuit het MDO en [instantie], niet worden vastgesteld. In hetgeen de moeder heeft aangevoerd, wordt onvoldoende grond gevonden om te oordelen dat het in het belang van de kinderen is om de vertrouwde situatie te wijzigen of dat een hoofdverblijf bij de moeder méér in hun belang zou zijn dan bij de vader. Wanneer de feitelijke woonsituatie veranderd zou worden, zou dit bovendien verstrekkende gevolgen voor de kinderen hebben. De kinderen zijn weliswaar bekend in de woonplaats van de moeder doordat zij om de week een weekend daar verblijven, maar hun (volledige) dagelijkse- en sociale leven speelt zich af in [woonplaats]. Het is niet in het belang van de kinderen deze vertrouwde en bestendige situatie te beëindigen door hun feitelijke woonsituatie te wijzigen naar de moeder.
Zorgregeling
3.16.
Omdat het hof het hoofdverblijf van de kinderen niet zal wijzigen, komt het hof niet toe aan de bespreking van de derde grief van de moeder over de zorgregeling. Dit betekent dat de zorgregeling tussen de kinderen en de moeder zoals die in de bestreden beschikking is bepaald, geldt. Het hof is gebleken dat door de ouders aan die regeling nu geen uitvoering wordt gegeven; de kinderen gaan feitelijk niet elk weekend maar om het weekend naar de moeder. Voor een goede evenwichtige ontwikkeling van de kinderen is het belangrijk dat de kinderen veelvuldig met hun beide ouders in contact staan. Het hof acht het dus van groot belang dat de zorgregeling in zijn volledigheid doorgang vindt. Het is aan de partijen om, met behulp van de GI, te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om deze door de rechter reeds op 10 april 2025 bepaalde zorgregeling zo spoedig mogelijk volledig te effectueren. Partijen dragen, als ouders zijnde, allebei de (financiële) verantwoordelijkheid om dit mogelijk te maken voor de kinderen.
De slotsom
3.17.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2025;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.M.C. Dumoulin en E.M.D.M. van der Linden en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.