Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2788

2025-10-09 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.351.727_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-09
Publicatiedatum
2025-10-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.351.727_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Artikel 1:253a BW.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.716 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH




Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak: 9 oktober 2025
Zaaknummer: 200.351.727/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/388476 / FA RK 22-5645



in de zaak in hoger beroep van:





[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. B.V. Rafaela,



tegen





[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.R.T. Tromp.



Deze zaak gaat over de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer en hersteld bij beschikking van 17 januari 2025.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
De vader is op 20 februari 2025 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft toegelicht, voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft en de volgende (uitbreiding van de) zorgregeling te bepalen, dan wel een regeling die het hof juist acht:


dat de vader een aantal keren per week mag beeldbellen met [minderjarige] wanneer hij bij de moeder is;


dat [minderjarige] in ieder geval tot aan de leerplicht leeftijd (het hof: tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader toegelicht dat bedoeld is totdat [minderjarige] naar de basisschool gaat) bij de vader zal zijn primair van zaterdagochtend tot en met woensdag in de ene week en in de andere week van maandag tot en met woensdag, subsidiair van zaterdag tot en met maandag per veertien dagen en in de andere week van maandag tot en met woensdag;


dat de vader [minderjarige] zal ophalen bij de moeder en de moeder [minderjarige] zal ophalen bij de vader. Op de zaterdagen is het voor de vader niet mogelijk om [minderjarige] bij de moeder op te halen nu er geen openbaar vervoer rijdt, zodat de vader voorstelt dat de moeder [minderjarige] naar het treinstation in [plaats 1] brengt. De vader wenst dat dit dan om 11:00 uur zal gebeuren, zodat hij nog de gehele dag heeft;


dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld. In de even jaren is [minderjarige] met kerst bij de vader en in de oneven jaren met kerst bij de moeder.


De vader heeft eveneens verzocht te bepalen dat het hof een tegenonderzoek zal gelasten op grond van artikel 810a lid 2 Rv.



2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 mei 2025, heeft de moeder verzocht het beroep van de vader ongegrond te verklaren, de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.



2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:


de vader, bijgestaan door mr. Rafaela;


de moeder, bijgestaan door mr. Tromp;



[vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.





2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:


(een gedeelte van) het procesdossier in eerste aanleg, ingestuurd door mr. Rafaela op 19 maart 2025;


de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg op 4 november 2024 en 25 mei 2023, ontvangen op 2 april 2025;


het V6-formulier van mr. Rafaela van 21 augustus 2025 met producties 17-21;


de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de vader overgelegde spreekaantekeningen.







3De beoordeling


3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is de minderjarige [minderjarige] geboren.



3.2.
Bij beschikking van de rechtbank van 25 mei 2023 is ter vervanging van de toestemming van de moeder aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] .



3.3.
Partijen oefenen met ingang van 16 april 2024 gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder.



3.4.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat:


zolang de moeder niet werkt op maandag en [minderjarige] niet naar de basisschool gaat: [minderjarige] eens per twee weken van vrijdag 14.00 uur tot maandag 14.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag ophaalt bij station [plaats 2] en de moeder [minderjarige] op maandag ophaalt bij de vader thuis;


zodra de moeder werkt op maandag of [minderjarige] naar de basisschool gaat: [minderjarige] eens per twee weken van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag ophaalt bij station [plaats 2] en de moeder [minderjarige] op zondag ophaalt op station [plaats 3] ;


gedurende de vakanties en feestdagen verblijft [minderjarige] bij de vader:



o gedurende de helft van de algemene feestdagen;
o gedurende helft van de gebruikelijke (toekomstige) schoolvakanties, waarbij het gedeelte van de vader aansluit op of aan zijn reguliere omgangsweekend;
o gedurende de helft van de zomervakantie, met dien verstande dat [minderjarige] maximaal twee weken aaneengesloten bij de vader of de moeder verblijft;
o in de oneven jaren op de verjaardag van [minderjarige] ;
o op de verjaardag van de vader;
o op Vaderdag.




3.5.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.



3.6.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. De raad heeft eerder aangegeven dat het contact van [minderjarige] met de vader te lang beperkt is geweest en dat dit te wijten viel aan de moeder. Het advies van de raad was dat [minderjarige] minimaal twee keer in de week contact had met de vader, zodat er een goede hechting kon plaatsvinden. Ook adviseerde de raad de moeder dat zij met een psycholoog aan de slag zou gaan met haar negatieve emoties richting de vader. Niet gebleken is dat de moeder hiermee aan de slag is gegaan. De moeder gebruikt [minderjarige] als pressiemiddel om haar zin te krijgen. Het is de vader niet duidelijk waarom de moeder niet kan instemmen met een co-ouderschap. De vader wil heel graag evenveel tijd als de moeder met [minderjarige] doorbrengen. Het is ook in het belang van [minderjarige] om het contact uit te breiden. Het gaat goed met [minderjarige] , maar de vader merkt aan hem dat hij steeds meer moeite heeft met het nemen van afscheid van de vader. Omdat de overdrachten van [minderjarige] een aantal keren uit de hand zijn gelopen door het gedrag van de ouders van de moeder, voelt de vader zich genoodzaakt om de overdrachten te filmen. De vader staat er voor open om met hulpverlening de communicatie met de moeder te verbeteren. Hij wordt nu door de moeder onvoldoende betrokken bij beslissingen over [minderjarige] . De moeder heeft hem bijvoorbeeld niet geraadpleegd over de peuterspeelzaal. Ook onderzoekt de vader nog steeds de mogelijkheid om te verhuizen en dichter bij [minderjarige] te gaan wonen.



3.7.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder acht een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] . Partijen wonen op grote afstand van elkaar en daarnaast is de communicatie tussen partijen bijzonder slecht. De raad heeft destijds een gedegen advies gegeven, inhoudende een weekendregeling om de week, welk advies door de rechtbank is overgenomen. De huidige regeling is in het belang van [minderjarige] . De moeder heeft behoefte aan rust. Zij staat op dit moment niet open voor een nieuw hulpverleningstraject gericht op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders. Het gaat goed met [minderjarige] en hij ontwikkelt zich goed. Hij gaat op dinsdag- en donderdagochtend naar de peuterspeelzaal. Hij heeft net als de moeder last van de spanningen tijdens de overdrachten. De vader maakt geregeld geluid- en videopnames tijdens de overdracht van [minderjarige] , die door opa (moederszijde) wordt begeleid. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . De moeder en haar ouders hebben enorm veel moeite met de bejegening van de vader richting hen.



3.8.
De raad acht de huidige regeling passend. Het is aan de ouders om hier op een goede manier uitvoering aan te geven. De ouders diskwalificeren elkaar over en weer en gaan over elkaars grenzen heen. Beide ouders ervaren de overdracht van [minderjarige] als naar. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Indien nodig kan de raad een onderzoek verrichten, waarbij de raad ook betrekt of er wellicht andere maatregelen nodig zijn.



3.9.
Het hof overweegt als volgt.


3.9.1.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek om een tegenonderzoek te gelasten op grond van artikel 810a lid 2 Rv, ingetrokken. Dit brengt mee dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dit verzoek in hoger beroep.



3.9.2.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.



3.9.3.
Voorop wordt gesteld dat het hof voldoende informatie heeft gekregen om een beslissing te kunnen nemen. Er is sprake van twee capabele ouders die beiden invulling geven aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De vader wenst een gelijkwaardig ouderschap. Uit vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7407, volgt dat een gelijkwaardig ouderschap niet verplicht tot een gelijke (50/50) verdeling van de tijd die het kind bij elke ouder doorbrengt. Gelijkwaardig ouderschap houdt in dat beide ouders na een scheiding een actieve en verantwoordelijke rol blijven spelen in de opvoeding en ontwikkeling van hun kind, maar dit vereist niet noodzakelijk een gelijke verdeling van de tijd die het kind met de ouders doorbrengt. De wens van de vader om meer tijd met [minderjarige] door te brengen is invoelbaar, maar het hof ziet in hetgeen door de vader is aangevoerd geen aanleiding om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals is opgenomen in de bestreden beschikking aan te passen. De huidige regeling verloopt (over het algemeen) goed en niet in geschil is dat het goed gaat met [minderjarige] . Daar komt bij dat [minderjarige] twee keer per week naar de peuterspeelzaal gaat, hij over circa een jaar start op de basisschool en partijen op grote afstand van elkaar wonen. Het is in het belang van [minderjarige] dat de huidige regeling wordt voortgezet en dat hem een periode van rust en duidelijkheid wordt geboden. Ook voor wat betreft de regeling met betrekking tot de vakanties en feestdagen ziet het hof geen aanleiding om deze aan te passen, waarbij het hof opmerkt dat de door de vader verzochte aanpassing, inhoudende dat [minderjarige] in de even jaren met Kerst bij de vader en in de oneven jaren met Kerst bij de moeder zal zijn, als uitgangspunt weliswaar op zich prima is, maar dat de aanduiding “met Kerst” voor concrete vaststelling te onbepaald is, nu niet duidelijk is wat de man concreet beoogt ten aanzien van Kerstavond, Eerste en Tweede Kerstdag en de verdere invulling van de kerstvakantie, alsmede ten aanzien van oudejaarsavond en Nieuwjaar. Het hof vertrouwt er op dat partijen hierover in onderling overleg nadere afspraken zullen maken.



3.9.4.
Het hof overweegt ten slotte nog als volgt. Het is de taak van beide ouders om er voor te zorgen dat de overdracht van [minderjarige] voor hem zo rustig mogelijk en onbelast verloopt. Het hof geeft partijen daarom mee om de overdracht van [minderjarige] zonder de ouders van de moeder uit te voeren en zonder dat de vader opnames maakt van de overdracht. Het heeft zowel voor de vader als voor de moeder te gelden dat zij in het belang van [minderjarige] moeten handelen, waarbij zij er ieder voor zich verantwoordelijk voor zijn dat [minderjarige] een onbelast contact met de andere ouder kan hebben.




3.10.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.





4De beslissing


Het hof:



verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een tegenonderzoek te gelasten op grond van artikel 810a lid 2 Rv;



bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van
20 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, A.M. Bossink en F. Dunki Jacobs en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.