Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2689
2025-09-30
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.352.194_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanneming van werk, meerwerk. Verrekening.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.901 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.352.194/01
arrest van 30 september 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,
2. [appellante sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Goes,
tegen
[geïntimeerde] , handelende onder de naam [XX] Timmerwerken,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
in hoger beroep niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 7 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 juli 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie en gedaagde in reconventie.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10576197 \ CV EXPL 23-1831)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met producties;
het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
de memorie van grieven van [appellanten] met productie.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.1.
Op 26 november 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] een offerte uitgebracht voor timmer- en aanverwante werkzaamheden. In de offerte staat onder meer het volgende:
Werkzaamheden [adres A] , bestaande uit:
aanbrengen kunststof dak
vervangen plafonds slaapkamers
plaatsen kiepraam glas HR++
plaatsen HR++ glas in balkondeur
afvoeren materiaal à 10 m3
loodgieterswerk: plaatsing 3 radiatoren incl. materialen
stucwerkzaamheden
schilderwerkzaamheden
Kosten: Loodgieterswerk € 4.995,00
Kunststof dak € 7.100,00
Timmerwerkzaamheden € 10.930,00
Totaal € 23.025,00
Stucwerk prijs per m2:
Wanden pleisteren € 22,00
Plafonds pleisteren € 28,00
Hoeknaalden/stucstops € 6,00 p.m.
Schilderwerkzaamheden prijs per m2:
Wanden en plafonds schilderwerk € 25, 00
3.1.2.
Op 24 februari 2022 heeft [appellanten] per e-mail akkoord op de offerte gegeven.
3.1.3.
[geïntimeerde] heeft voor de werkzaamheden de volgende facturen aan [appellanten]
gezonden:
Factuur 13 maart 2022 € 15.222,50
Factuur 30 april 2022 € 13.310,00
Factuur 3 juli 2022 € 2.500,00
Factuur 15 augustus 2022 € 6.617,56
De facturen van 13 maart en 30 april 2022 zijn volledig betaald. Van de factuur van 3 juli
2022 heeft [appellanten] op 9 december 2022 een bedrag van € 2.100,00 aan [geïntimeerde]
overgemaakt. De factuur van 15 augustus 2022 is onbetaald gebleven.
3.1.4.
In de e-mail van [appellanten] van 9 juli 2022, gericht aan [geïntimeerde] , is voor
zover van belang het volgende vermeld:
Zoals eerder aangegeven hebben wij enkele opmerkingen, onduidelijkheden omtrent de afrekening
(...)
5 ) Het hoofdstuk [persoon A] . Wij vragen ons af of wij daadwerkelijk, de "hoofdprijs" moeten betalen. Radiatoren komen te laat, installatie belabberd, komt afspraken niet na, sterker nog de ketel staat nog steeds niet "op druk". [persoon A] reageert zelfs niet meer. Inmiddels is [persoon B] gekomen en is het mij een stuk duidelijker. Wat gaan we hiermee doen? [persoon A] moet dit oplossen, toch?
3.1.5.
Op 9 augustus 2022 heeft [appellanten] , onder verwijzing naar zijn brief met klachten en opmerkingen van 9 juli 2022, [geïntimeerde] gesommeerd om de problemen uit die brief op te lossen.
3.1.6.
Op 29 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] [appellanten] gesommeerd (de factuur van 3 juli 2022 (van € 2.500,00) en) de meerwerkfactuur (van € 6.617,56) binnen 15 dagen te betalen.
3.1.7.
[persoon B] , een cv-installatiebedrijf, heeft in opdracht van [appellanten] op 14 september 2022 onderzoek verricht naar blijvend drukverlies aan de cv-installatie.
3.1.8.
Bij onderzoek door lekdetectie-bedrijf Trition is op 10 november 2022 geconstateerd dat een schroef in de leiding was gedraaid. Na het weghalen daarvan en reparatie van de leiding is het drukverlies van de cv- installatie verholpen.
3.1.9.
[persoon B] heeft op 24 en 28 februari 2023 werkzaamheden aan de cv-installatie uitgevoerd die zagen op het aanleggen van een ontluchtingsmogelijkheid in het plafond van de verdieping en het inregelbaar maken en daadwerkelijk inregelen van de cv-installatie. [persoon B] heeft voor deze werkzaamheden een factuur met een totaalbedrag van € 2.100,14 aan [appellanten] gezonden.
3.1.10.
[persoon B] heeft op 5 februari 2024 een mail gestuurd aan [appellanten] met daarin aanvullende bevindingen ten aanzien van de cv-installatie. Hierin staat dat bij de verbouwing cv-leidingen met te kleine diameters zijn gebruikt, waardoor het lastig is voldoende water over de radiatoren op de verdieping en voorzijde van de woning te laten stromen. [persoon B] schrijft verder:
Het inregelbaar maken en het inregelen zelf heeft wel degelijk geholpen maar het is, mede door het volgende punt, nog niet zeker of dit afdoende is. Uit onze bevindingen gedurende de afgelopen weken is het vermoeden dat de radiatoren niet volgens opgave fabrikant zijn aangesloten gerezen. Wij hebben geen opgave van fabrikant en type mogen ontvangen maar het heeft er alle schijn naar dat de middenaansluitingen zoals die aan de bovenzijde van de radiatoren zijn gebruikt enkel geschikt zijn als middenonderaansluitingen. Deze radiatoren zijn dus met de onderzijde naar boven gericht gemonteerd waardoor er:
o geen goede doorstroming van het water door de op de verdieping geplaatste radiatoren plaats vindt. Het water zoekt de kortste weg tussen aanvoer- en retouraansluiting waardoor de radiator enkel aan de huidige bovenzijde warm wordt.
o beïnvloeding van de warmte die van de radiatoren omhoog stijgt plaats vindt waardoor de temperatuurmeting van de daarboven gemonteerde thermostatische radiatorknoppen. Hierdoor wordt de aanvoer van warm water voortijdig afgesloten.
3.1.11.
Bij akte van 8 februari 2024 heeft [appellanten] [geïntimeerde] in gebreke gesteld en gesommeerd de verwarmingsinstallatie te herstellen voor 21 februari 2022. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gevolg gegeven.
3.1.12.
In opdracht van [appellanten] heeft ing. [persoon C] van TOP Expertise, in aanwezigheid van onderaannemer [persoon A] , onderzoek verricht naar gebreken aan de cv-installatie. Het rapport, gedateerd 5 maart 2025, luidt voor zover hier van belang als volgt:
Probleemstelling
Uw cliënten hebben [XX] Timmerwerken (DMT) opdracht gegeven tot het verrichten van een aantal werkzaamheden in hun woning. Specifiek de werkzaamheden aan de CV-installatie zijn in onderaanneming uitgevoerd door [persoon A] Installatie, gevestigd te [vestigingsplaats] . Deze werkzaamheden bestonden uit het plaatsen van drie nieuwe radiatoren. Om deze te kunnen plaatsen is er leidingwerk verlegd.
Nadien heeft de CV-installatie slechter gepresteerd dan voorheen.
Bevindingen
Op de 2e verdieping zijn 3 nieuwe designradiatoren gemonteerd. Deze zijn van Purmo Radson en voorzien van een midden bovenaansluiting. De leidingen voor deze radiatoren zijn op de eerste verdieping opgepakt en naar de tweede verdieping doorgetrokken. Boven het plafond van de tweede verdieping heeft de wederpartij de leidingen gesplitst van een dikkere naar een dunnere leiding. Het gebruikte leidingwerk boven de plafonds is 20x3 met aftakkingen van 16x3.
Dit leidingwerk is te dun. Hoe dunner de leiding, hoe groter het pompvermogen van de ketel moet zijn. Voor 3 radiatoren had het op de weg gelegen van de installateur om leidingen te installeren van 26x3.
Verder is het leidingtracé ook te lang. De radiatoren aan de voorzijde van de woning worden hierdoor het minst warm. Aanvankelijk was er geen ontluchtingsmogelijkheid aangebracht. Ook waren er geen inregelbare radiatorafsluiters geïnstalleerd. Deze afsluiters zorgen ervoor dat het warme cv-water zo goed mogelijk door alle leidingen kan stromen.
Uw cliënt had reeds door een derde partij, te weten [persoon B] , de ontluchtingsmogelijkheid laten aanleggen, (factuur [--] ,( …).
Dit heeft in ieder geval opgeleverd dat de radiatoren iets warmer worden al is het nog niet optimaal.
Om het systeem naar behoren te laten functioneren is het noodzakelijk het leidingwerk aan te passen. Dit betekent dat de plafonds in de slaapkamers en overloop op de tweede verdieping verwijderd moeten worden en vervolgens opnieuw aangebracht, gestuukt en geschilderd moeten worden.
Raming van de kosten
Naar aanleiding van onze bevindingen ramen wij de kosten voor herstel als volgt:
- Het aanleggen van een ontluchtingsmogelijkheid in aanvoer en retour plafond verdieping € 876,--
- Het inregelbaar maken en inregelen van de cv-installatie - 1.171,--
- Extra ontluchters i.v.m. borrelen radiatoren - 44,--
- Plafond sluiten met gipsplaat en stucen na bovenstaande werkzaamheden - 625,--
- Verwijderen gipsplafonds in 1 kinderkamer, de overloop en de voorkamer - 750,--
- Aanpassen leidingwerk naar 26 mm. - 1.372,--
- Opdikken rachelwerk en aanbrengen nieuwe gipsplaten - 750,--
- Stuken, latexen en kitten plafonds - 1.950.--
Totaal exclusief btw € 7.538,-
Totaal inclusief 21 % btw € 9.120,98
De procedure bij de kantonrechter
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in conventie gevorderd dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:- primair: [appellanten] veroordeelt om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 8.021,27, vermeerderd met de wettelijke rente hierover, vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag van de volledige betaling;
- subsidiair: voor zover geoordeeld zou worden dat de hoogte van het meerwerk niet
is komen vast te staan, [appellanten] veroordeelt om aan [geïntimeerde] een redelijke prijs te betalen voor de werkzaamheden die [geïntimeerde] heeft uitgevoerd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis;
- zowel primair als subsidiair: [appellanten] veroordeelt in de proceskosten.
Het bedrag van € 8.021,27 bestaat uit € 7.017,56 (€ 400,- + € 6.617,56) aan onbetaalde
facturen, € 830,88 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 172,83 aan wettelijke rente tot
en met 3 mei 2023.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft de werkzaamheden voor [appellanten] verricht die in de offerte staan. Ten aanzien van deze werkzaamheden is de factuur van 3 juli 2022 van € 2.500,- niet (volledig) betaald. Daarnaast heeft [geïntimeerde] werkzaamheden verricht die niet in de offerte zijn genoemd. Voor dit meerwerk is een factuur aan [appellanten] gezonden van € 6.617,56. Ook deze factuur is niet betaald. Er is daarom sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [appellanten] De betalingstermijnen van de facturen zijn verstreken, zodat [appellanten] in verzuim is komen te verkeren. [geïntimeerde] heeft daarom ook recht op vergoeding van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.3.
[appellanten] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
[appellanten] heeft ook een beroep gedaan op verrekening. Volgens [appellanten] werkt de cv-installatie niet goed, nadat [geïntimeerde] werkzaamheden aan de cv-installatie heeft verricht. [geïntimeerde] heeft dit ondanks meerdere verzoeken niet hersteld, zodat [geïntimeerde] in verzuim is. [geïntimeerde] is dan ook aansprakelijk voor de kosten voor het herstellen van de cv-installatie.
3.2.5.
De vorderingen van [appellanten] in reconventie liggen in hoger beroep niet voor en blijven hier dan ook onbesproken.
3.2.6.
In het tussenvonnis van 13 september 2023 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling is gehouden op 22 februari 2024.
3.2.7.
In het eindvonnis van 10 juli 2024 heeft de kantonechter, voor zover thans van belang, in conventie:
- [appellanten] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 5.121,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 september 2022 tot aan de dag van de gehele betaling,
- [appellanten] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 631,07 aan buitengerechtelijke incassokosten,
- bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
De kantonrechter heeft onder verwijzing naar artikel 6:136 BW het beroep op verrekening van [appellanten] verworpen.
De procedure in hoger beroep
3.3.
[appellanten] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen het vonnis in conventie. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, waaronder begrepen de nakosten.
3.4.
[geïntimeerde] is niet verschenen in hoger beroep. Het hof dient te beoordelen of de grieven meebrengen dat de uitspraak moet worden vernietigd en daarbij recht te doen aan de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof zal dus acht slaan op hetgeen [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd, nu hij in hoger beroep niet is verschenen.
3.5.
Voor de vraag of, zoals [appellanten] in zijn eerste grief heeft aangevoerd, [appellanten] een voor verrekening vatbare tegenvordering heeft op [geïntimeerde] uit hoofde van schadevergoeding wegens tekortschieten, geldt het volgende. [appellanten] kan enkel aanspraak maken op schadevergoeding als [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] , de schade en de hoogte van de schadevergoeding niet eenvoudig zijn vast te stellen, en heeft het beroep op verrekening door [appellanten] om die reden, onder verwijzing naar artikel 6:136 BW, gepasseerd. Hiertegen komt [appellanten] op met zijn eerste grief. Het hof gaat hierop nu in.
Toerekenbare tekortkoming loodgieterswerk en schade
3.6.
[appellanten] en [geïntimeerde] zijn loodgieterswerk overeengekomen. Voor het loodgieterswerk heeft [geïntimeerde] een bedrag geoffreerd van € 4.995,00. [geïntimeerde] heeft drie extra radiatoren geplaatst op de tweede verdieping. Deskundige [persoon C] van TOP Expertise heeft, in aanwezigheid van onderaannemer [persoon A] die de werkzaamheden in onderaanneming heeft uitgevoerd, onderzoek verricht naar (gebreken aan) de cv-installatie. In het rapport staat, kort gezegd, dat het leidingwerk te dun is en het leidingtracé te lang. De deskundige heeft geconcludeerd dat om het systeem naar behoren te laten functioneren, het noodzakelijk is het leidingwerk aan te passen. De kosten van herstel bedragen € 9.120,98. De deskundige heeft ook benoemd dat er aanvankelijk geen ontluchtingsmogelijkheid was aangebracht en er evenmin inregelbare radiatorafsluiters waren geïnstalleerd. De deskundige heeft desgevraagd bevestigd dat [geïntimeerde] een ontluchtingsmogelijkheid had moeten aanbrengen en heeft verklaard dat de kosten die [persoon B] in rekening heeft gebracht redelijke kosten zijn in de branche. Dit ziet op de werkzaamheden die door [persoon B] zijn verricht op 24 en 28 februari 2023 tegen betaling van € 2.100,14. De deskundige heeft de kosten van aanleggen van ontluchtingsmogelijkheid in aanvoer en retour plafond verdieping en het inregelbaar maken en inregelen van de cv-installatie begroot op (€ 876,- + € 1.171,-) € 2.047,-.
3.7.
[geïntimeerde] heeft de bevindingen van de deskundige van TOP Expertise, wiens rapport [appellanten] bij memorie van grieven in het geding heeft gebracht, niet weersproken. Hij is in hoger beroep immers niet in het geding verschenen. [geïntimeerde] heeft als verweer bij de kantonrechter aangevoerd dat hij niet verantwoordelijk is voor de cv-ketel. Hij heeft de radiatoren geplaatst, onverplicht een expansievat aangebracht, hij is aanwezig geweest bij de lekdetectie en heeft een leiding gerepareerd. Het hof overweegt over dit verweer het volgende. De aannemer heeft als hoofdverplichting de hem opgedragen werkzaamheden als een zorgvuldig vakman uit te voeren. Met het plaatsen van de drie radiatoren is door [geïntimeerde] leidingwerk verlegd. [geïntimeerde] heeft onvoldoende betwist dat de cv-installatie na de werkzaamheden van [geïntimeerde] slechter presteerde dan daarvoor. De kamers (boven) waar de radiatoren zijn geplaatst worden onvoldoende warm. Het lag naar het oordeel van het hof op de weg van [geïntimeerde] (teneinde het voor de hand liggende doel bij het plaatsen van radiatoren te bereiken: verwarming van de betreffende ruimte) zich te vergewissen van de (wijze van) aansluiting en het verbinden van de nieuwe radiatoren op het bestaande leidingnet en de ketel. Daarin is hij, zo vloeit voort uit zowel de bevindingen van [persoon B] als de bevindingen van TOP Expertise, tekort geschoten.
3.8.
Als verweer bij de kantonrechter heeft [geïntimeerde] voorts betwist dat de cv-installatie niet voldeed aan de eisen van goed en deugdelijk werk omdat [persoon B] zich bij haar oordeel over de gebreken in februari 2024 slechts baseerde op foto’s en bevindingen van een collega en dat [persoon B] de situatie niet zelf had beoordeeld. Dit verweer is achterhaald, nu TOP Expertise, in aanwezigheid van onderaannemer [persoon A] , onderzoek heeft verricht naar (gebreken aan) de cv-installatie en daarover heeft gerapporteerd. Ook het werk dat door [persoon B] is verricht op 24 en 28 februari 2023 heeft de deskundige betrokken in zijn rapport. Op dit rapport heeft [geïntimeerde] niet meer gereageerd. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen hier, bijvoorbeeld, een eigen deskundigenrapport tegenover te stellen. Dat heeft hij niet gedaan.
Verzuim
3.9.
Op grond van de hoofdregel van artikel 6:82 BW geldt dat [geïntimeerde] in verzuim moet zijn gekomen door een schriftelijke ingebrekestelling, en nakoming binnen de hierin gestelde termijn is uitgebleven. Op 8 februari 2024 heeft [appellanten] [geïntimeerde] uitdrukkelijk in gebreke gesteld en gesommeerd de verwarmingsinstallatie te herstellen vóór 21 februari 2024. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gevolg gegeven, zodat hij in ieder geval vanaf 21 februari 2024 in verzuim verkeerde.
3.10.
Nu [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en in verzuim was, is hij verplicht de schade die [appellanten] hierdoor heeft geleden, te vergoeden. Het hof moet beoordelen of de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is.
Hoogte schade
3.11.
[appellanten] wijst ter onderbouwing van de herstelkosten naar de raming van de deskundige. Volgens hem bedragen de herstelkosten in totaal € 9.120,98 inclusief btw. Ook het hof neemt dit tot uitgangspunt. [geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter geen concreet verweer gevoerd tegen de hoogte van de ter verrekening gevorderde herstelkosten van (destijds, bij conclusie van antwoord) € 2.100,14. Tegen het door de deskundige TOP Expertise begrote totaalbedrag is geen verweer gevoerd. Het hof gaat dan ook uit van dat bedrag.
Verrekening (grief 1)
3.12.
Naar het oordeel van het hof slaagt het beroep van [appellanten] op verrekening van zijn schadevordering met de vordering die [geïntimeerde] op hem heeft uit hoofde van de overeenkomst van aanneming van werk. De gegrondheid van de tegenvordering van Hoefnagels en de omvang zijn immers voldoende bepaald en de vordering van [appellanten] op [geïntimeerde] is opeisbaar, zoals hiervoor vastgesteld.
3.13.
Om te bepalen tot welk beloop de vorderingen over en weer teniet gaan (artikel 6:127 BW) dient de tweede grief van [appellanten] te worden beoordeeld.
Uren meerwerk (grief 2)
3.14.
Partijen zijn het er over eens dat [geïntimeerde] , in opdracht van [appellanten] , ten opzichte van de offerte meerwerk heeft verricht. [appellanten] is niet opgekomen tegen de kwalificatie door de kantonrechter van het meerwerk als zodanig en evenmin tegen de vaststelling door de kantonrechter van de hoogte van kosten van het (aanvullend) materiaal. Dat [geïntimeerde] recht heeft op prijsverhoging als gevolg van meerwerk, zoals bepaald in artikel 7:755 BW, is evenmin onderwerp van geschil. Het geschilpunt ziet enkel op het aantal uren dat [geïntimeerde] aan het werk heeft besteed en het tarief dat dient te worden gehanteerd voor het leggen van het laminaat. [appellanten] vindt dat € 30,- exclusief btw daarvoor passend zou zijn en niet € 47,50 exclusief btw zoals de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen.
3.15.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat indien, in geval van meerwerk als bedoeld in artikel 7:755 BW, het bedrag van de verhoging niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, artikel 7:752 BW van toepassing is. De opdrachtgever is dan ingevolge deze bepaling in verband met de toevoegingen of veranderingen een redelijke prijs verschuldigd.
3.16.
Het meerwerk is op regiebasis verricht. Terecht heeft de kantonrechter overwogen dat het op de weg van [geïntimeerde] lag een onderbouwing te geven van zijn daadwerkelijk bestede uren en dat [geïntimeerde] dat heeft nagelaten. Een deugdelijk gespecificeerde urenspecificatie ontbreekt. Evenals de kantonrechter komt het hof het aantal uren van 60 evenwel redelijk voor gezien de hoeveelheid meerwerk (op 11 onderdelen). [appellanten] heeft erkend dat de opdrachten tot het uitvoeren van meerwerk en het moment van uitvoeren zijn verspreid over de gehele periode waarin [geïntimeerde] werkzaam was in de woning van [appellanten] Zijn betoog dat [geïntimeerde] met het meerwerk bij lange na niet op 12 werkdagen zou komen, is dan ook lastig te volgen. Dat, zoals [appellanten] meent, de werkzaamheden sneller konden worden uitgevoerd, is door hem ook al in eerste aanleg aangevoerd en leidt, wat hier verder van zij, niet tot het oordeel dat de door de kantonrechter bepaalde omvang van het meerwerk in uren niet redelijk is.
3.17.
Bij het bepalen van de redelijke prijs wordt rekening gehouden met de prijzen die de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedong voor een werk als het onderhavige en voor andere werken. De kantonrechter heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat een uurtarief van € 47,50 exclusief btw is overeengekomen. Ook het hof acht dit uurtarief redelijk, ook voor het leggen van laminaat. Dat mensen zelf laminaat in hun eigen huis leggen en er voor het leggen van laminaat geen bijzondere vaardigheden nodig zouden zijn, zoals [appellanten] betoogt, acht het hof niet relevant. [appellanten] heeft dit meerwerk immers opgedragen aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft ook niet de verwachting gewekt dat hij dit werk tegen een ander tarief zou doen dan de bedongen prijs. [geïntimeerde] mocht dan ook voor dit meerwerk het overeengekomen tarief hanteren. De kantonrechter heeft derhalve terecht de door [geïntimeerde] gevorderde hoofdsom toegewezen van € 5.121,31. Grief 2 slaagt derhalve niet.
Verrekening en wettelijke rente (grief 3)
3.18.
De verrekening werkt op grond van artikel 6:129 lid 1 BW terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Deze bevoegdheid ontstond op het moment dat partijen over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar werden (artikel 6:127 lid 2). [geïntimeerde] verkeerde vanaf 21 februari 2024 in verzuim, vanaf die datum was de vordering van [appellanten] op [geïntimeerde] opeisbaar. [appellanten] (zo overwoog de kantonrechter, waartegen [appellanten] geen grief hebben gericht) was op 13 september 2022 in verzuim. Op 21 februari 2024 ontstond de bevoegdheid tot verrekening en door de verrekening zijn de vorderingen met terugwerkende kracht tot die datum tot hun gezamenlijk beloop teniet gegaan. [geïntimeerde] had na verrekening geen vordering meer op [appellanten] Na 21 februari 2024 kan geen sprake meer zijn van verzuim aan de zijde van [appellanten] op grond waarvan hij wettelijke rente verschuldigd is.
3.19.
De terugwerkende kracht is niet absoluut (artikel 6:129 lid 2 en lid 3 BW). Voor zover er over de hoofdsom rente is betaald door [appellanten] werkt de verrekening niet verder terug dan tot de laatste termijn waarover de rente is voldaan. [appellanten] kan dus eventueel betaalde rente niet als onverschuldigd betaald van [geïntimeerde] terugvorderen. In zoverre slaagt grief 3 dus niet.
Buitengerechtelijke kosten (grief 4)
3.20.
Nu de vordering van [geïntimeerde] door verrekening teniet is gegaan, is [appellanten] hierover geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Grief 4 slaagt.
Slotsom
3.21.
De conclusie luidt dat de grieven deels slagen. Het beroep van [appellanten] op verrekening van hetgeen hij aan [geïntimeerde] verschuldigd is met zijn vordering tot betaling van schadevergoeding wordt gehonoreerd. Door verrekening gaan de vorderingen tot hun gemeenschappelijke beloop teniet. Het gemeenschappelijke beloop van de vorderingen van [geïntimeerde] en [appellanten] bedraagt in hoofdsom € 5.121,31, te vermeerderen met door [appellanten] reeds betaalde rente tot 21 februari 2024. Ten gevolge van deze verrekening bestaat de vordering van [geïntimeerde] niet meer. Dat betekent dat de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar is.
3.22.
Nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, ziet het hof aanleiding de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren.
4De uitspraak
Het hof:
rechtdoende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis in conventie waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af,
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt, zowel die uit de eerste aanleg in conventie als die in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, M. van der Schoor en C.E.L.M. Smeenk-Van der Weijden en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 september 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.352.194/01
arrest van 30 september 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,
2. [appellante sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Goes,
tegen
[geïntimeerde] , handelende onder de naam [XX] Timmerwerken,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
in hoger beroep niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 7 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 juli 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie en gedaagde in reconventie.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10576197 \ CV EXPL 23-1831)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met producties;
het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
de memorie van grieven van [appellanten] met productie.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.1.
Op 26 november 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] een offerte uitgebracht voor timmer- en aanverwante werkzaamheden. In de offerte staat onder meer het volgende:
Werkzaamheden [adres A] , bestaande uit:
aanbrengen kunststof dak
vervangen plafonds slaapkamers
plaatsen kiepraam glas HR++
plaatsen HR++ glas in balkondeur
afvoeren materiaal à 10 m3
loodgieterswerk: plaatsing 3 radiatoren incl. materialen
stucwerkzaamheden
schilderwerkzaamheden
Kosten: Loodgieterswerk € 4.995,00
Kunststof dak € 7.100,00
Timmerwerkzaamheden € 10.930,00
Totaal € 23.025,00
Stucwerk prijs per m2:
Wanden pleisteren € 22,00
Plafonds pleisteren € 28,00
Hoeknaalden/stucstops € 6,00 p.m.
Schilderwerkzaamheden prijs per m2:
Wanden en plafonds schilderwerk € 25, 00
3.1.2.
Op 24 februari 2022 heeft [appellanten] per e-mail akkoord op de offerte gegeven.
3.1.3.
[geïntimeerde] heeft voor de werkzaamheden de volgende facturen aan [appellanten]
gezonden:
Factuur 13 maart 2022 € 15.222,50
Factuur 30 april 2022 € 13.310,00
Factuur 3 juli 2022 € 2.500,00
Factuur 15 augustus 2022 € 6.617,56
De facturen van 13 maart en 30 april 2022 zijn volledig betaald. Van de factuur van 3 juli
2022 heeft [appellanten] op 9 december 2022 een bedrag van € 2.100,00 aan [geïntimeerde]
overgemaakt. De factuur van 15 augustus 2022 is onbetaald gebleven.
3.1.4.
In de e-mail van [appellanten] van 9 juli 2022, gericht aan [geïntimeerde] , is voor
zover van belang het volgende vermeld:
Zoals eerder aangegeven hebben wij enkele opmerkingen, onduidelijkheden omtrent de afrekening
(...)
5 ) Het hoofdstuk [persoon A] . Wij vragen ons af of wij daadwerkelijk, de "hoofdprijs" moeten betalen. Radiatoren komen te laat, installatie belabberd, komt afspraken niet na, sterker nog de ketel staat nog steeds niet "op druk". [persoon A] reageert zelfs niet meer. Inmiddels is [persoon B] gekomen en is het mij een stuk duidelijker. Wat gaan we hiermee doen? [persoon A] moet dit oplossen, toch?
3.1.5.
Op 9 augustus 2022 heeft [appellanten] , onder verwijzing naar zijn brief met klachten en opmerkingen van 9 juli 2022, [geïntimeerde] gesommeerd om de problemen uit die brief op te lossen.
3.1.6.
Op 29 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] [appellanten] gesommeerd (de factuur van 3 juli 2022 (van € 2.500,00) en) de meerwerkfactuur (van € 6.617,56) binnen 15 dagen te betalen.
3.1.7.
[persoon B] , een cv-installatiebedrijf, heeft in opdracht van [appellanten] op 14 september 2022 onderzoek verricht naar blijvend drukverlies aan de cv-installatie.
3.1.8.
Bij onderzoek door lekdetectie-bedrijf Trition is op 10 november 2022 geconstateerd dat een schroef in de leiding was gedraaid. Na het weghalen daarvan en reparatie van de leiding is het drukverlies van de cv- installatie verholpen.
3.1.9.
[persoon B] heeft op 24 en 28 februari 2023 werkzaamheden aan de cv-installatie uitgevoerd die zagen op het aanleggen van een ontluchtingsmogelijkheid in het plafond van de verdieping en het inregelbaar maken en daadwerkelijk inregelen van de cv-installatie. [persoon B] heeft voor deze werkzaamheden een factuur met een totaalbedrag van € 2.100,14 aan [appellanten] gezonden.
3.1.10.
[persoon B] heeft op 5 februari 2024 een mail gestuurd aan [appellanten] met daarin aanvullende bevindingen ten aanzien van de cv-installatie. Hierin staat dat bij de verbouwing cv-leidingen met te kleine diameters zijn gebruikt, waardoor het lastig is voldoende water over de radiatoren op de verdieping en voorzijde van de woning te laten stromen. [persoon B] schrijft verder:
Het inregelbaar maken en het inregelen zelf heeft wel degelijk geholpen maar het is, mede door het volgende punt, nog niet zeker of dit afdoende is. Uit onze bevindingen gedurende de afgelopen weken is het vermoeden dat de radiatoren niet volgens opgave fabrikant zijn aangesloten gerezen. Wij hebben geen opgave van fabrikant en type mogen ontvangen maar het heeft er alle schijn naar dat de middenaansluitingen zoals die aan de bovenzijde van de radiatoren zijn gebruikt enkel geschikt zijn als middenonderaansluitingen. Deze radiatoren zijn dus met de onderzijde naar boven gericht gemonteerd waardoor er:
o geen goede doorstroming van het water door de op de verdieping geplaatste radiatoren plaats vindt. Het water zoekt de kortste weg tussen aanvoer- en retouraansluiting waardoor de radiator enkel aan de huidige bovenzijde warm wordt.
o beïnvloeding van de warmte die van de radiatoren omhoog stijgt plaats vindt waardoor de temperatuurmeting van de daarboven gemonteerde thermostatische radiatorknoppen. Hierdoor wordt de aanvoer van warm water voortijdig afgesloten.
3.1.11.
Bij akte van 8 februari 2024 heeft [appellanten] [geïntimeerde] in gebreke gesteld en gesommeerd de verwarmingsinstallatie te herstellen voor 21 februari 2022. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gevolg gegeven.
3.1.12.
In opdracht van [appellanten] heeft ing. [persoon C] van TOP Expertise, in aanwezigheid van onderaannemer [persoon A] , onderzoek verricht naar gebreken aan de cv-installatie. Het rapport, gedateerd 5 maart 2025, luidt voor zover hier van belang als volgt:
Probleemstelling
Uw cliënten hebben [XX] Timmerwerken (DMT) opdracht gegeven tot het verrichten van een aantal werkzaamheden in hun woning. Specifiek de werkzaamheden aan de CV-installatie zijn in onderaanneming uitgevoerd door [persoon A] Installatie, gevestigd te [vestigingsplaats] . Deze werkzaamheden bestonden uit het plaatsen van drie nieuwe radiatoren. Om deze te kunnen plaatsen is er leidingwerk verlegd.
Nadien heeft de CV-installatie slechter gepresteerd dan voorheen.
Bevindingen
Op de 2e verdieping zijn 3 nieuwe designradiatoren gemonteerd. Deze zijn van Purmo Radson en voorzien van een midden bovenaansluiting. De leidingen voor deze radiatoren zijn op de eerste verdieping opgepakt en naar de tweede verdieping doorgetrokken. Boven het plafond van de tweede verdieping heeft de wederpartij de leidingen gesplitst van een dikkere naar een dunnere leiding. Het gebruikte leidingwerk boven de plafonds is 20x3 met aftakkingen van 16x3.
Dit leidingwerk is te dun. Hoe dunner de leiding, hoe groter het pompvermogen van de ketel moet zijn. Voor 3 radiatoren had het op de weg gelegen van de installateur om leidingen te installeren van 26x3.
Verder is het leidingtracé ook te lang. De radiatoren aan de voorzijde van de woning worden hierdoor het minst warm. Aanvankelijk was er geen ontluchtingsmogelijkheid aangebracht. Ook waren er geen inregelbare radiatorafsluiters geïnstalleerd. Deze afsluiters zorgen ervoor dat het warme cv-water zo goed mogelijk door alle leidingen kan stromen.
Uw cliënt had reeds door een derde partij, te weten [persoon B] , de ontluchtingsmogelijkheid laten aanleggen, (factuur [--] ,( …).
Dit heeft in ieder geval opgeleverd dat de radiatoren iets warmer worden al is het nog niet optimaal.
Om het systeem naar behoren te laten functioneren is het noodzakelijk het leidingwerk aan te passen. Dit betekent dat de plafonds in de slaapkamers en overloop op de tweede verdieping verwijderd moeten worden en vervolgens opnieuw aangebracht, gestuukt en geschilderd moeten worden.
Raming van de kosten
Naar aanleiding van onze bevindingen ramen wij de kosten voor herstel als volgt:
- Het aanleggen van een ontluchtingsmogelijkheid in aanvoer en retour plafond verdieping € 876,--
- Het inregelbaar maken en inregelen van de cv-installatie - 1.171,--
- Extra ontluchters i.v.m. borrelen radiatoren - 44,--
- Plafond sluiten met gipsplaat en stucen na bovenstaande werkzaamheden - 625,--
- Verwijderen gipsplafonds in 1 kinderkamer, de overloop en de voorkamer - 750,--
- Aanpassen leidingwerk naar 26 mm. - 1.372,--
- Opdikken rachelwerk en aanbrengen nieuwe gipsplaten - 750,--
- Stuken, latexen en kitten plafonds - 1.950.--
Totaal exclusief btw € 7.538,-
Totaal inclusief 21 % btw € 9.120,98
De procedure bij de kantonrechter
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in conventie gevorderd dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:- primair: [appellanten] veroordeelt om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 8.021,27, vermeerderd met de wettelijke rente hierover, vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag van de volledige betaling;
- subsidiair: voor zover geoordeeld zou worden dat de hoogte van het meerwerk niet
is komen vast te staan, [appellanten] veroordeelt om aan [geïntimeerde] een redelijke prijs te betalen voor de werkzaamheden die [geïntimeerde] heeft uitgevoerd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis;
- zowel primair als subsidiair: [appellanten] veroordeelt in de proceskosten.
Het bedrag van € 8.021,27 bestaat uit € 7.017,56 (€ 400,- + € 6.617,56) aan onbetaalde
facturen, € 830,88 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 172,83 aan wettelijke rente tot
en met 3 mei 2023.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft de werkzaamheden voor [appellanten] verricht die in de offerte staan. Ten aanzien van deze werkzaamheden is de factuur van 3 juli 2022 van € 2.500,- niet (volledig) betaald. Daarnaast heeft [geïntimeerde] werkzaamheden verricht die niet in de offerte zijn genoemd. Voor dit meerwerk is een factuur aan [appellanten] gezonden van € 6.617,56. Ook deze factuur is niet betaald. Er is daarom sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [appellanten] De betalingstermijnen van de facturen zijn verstreken, zodat [appellanten] in verzuim is komen te verkeren. [geïntimeerde] heeft daarom ook recht op vergoeding van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.3.
[appellanten] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
[appellanten] heeft ook een beroep gedaan op verrekening. Volgens [appellanten] werkt de cv-installatie niet goed, nadat [geïntimeerde] werkzaamheden aan de cv-installatie heeft verricht. [geïntimeerde] heeft dit ondanks meerdere verzoeken niet hersteld, zodat [geïntimeerde] in verzuim is. [geïntimeerde] is dan ook aansprakelijk voor de kosten voor het herstellen van de cv-installatie.
3.2.5.
De vorderingen van [appellanten] in reconventie liggen in hoger beroep niet voor en blijven hier dan ook onbesproken.
3.2.6.
In het tussenvonnis van 13 september 2023 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling is gehouden op 22 februari 2024.
3.2.7.
In het eindvonnis van 10 juli 2024 heeft de kantonechter, voor zover thans van belang, in conventie:
- [appellanten] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 5.121,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 september 2022 tot aan de dag van de gehele betaling,
- [appellanten] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 631,07 aan buitengerechtelijke incassokosten,
- bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
De kantonrechter heeft onder verwijzing naar artikel 6:136 BW het beroep op verrekening van [appellanten] verworpen.
De procedure in hoger beroep
3.3.
[appellanten] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen het vonnis in conventie. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, waaronder begrepen de nakosten.
3.4.
[geïntimeerde] is niet verschenen in hoger beroep. Het hof dient te beoordelen of de grieven meebrengen dat de uitspraak moet worden vernietigd en daarbij recht te doen aan de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof zal dus acht slaan op hetgeen [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd, nu hij in hoger beroep niet is verschenen.
3.5.
Voor de vraag of, zoals [appellanten] in zijn eerste grief heeft aangevoerd, [appellanten] een voor verrekening vatbare tegenvordering heeft op [geïntimeerde] uit hoofde van schadevergoeding wegens tekortschieten, geldt het volgende. [appellanten] kan enkel aanspraak maken op schadevergoeding als [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] , de schade en de hoogte van de schadevergoeding niet eenvoudig zijn vast te stellen, en heeft het beroep op verrekening door [appellanten] om die reden, onder verwijzing naar artikel 6:136 BW, gepasseerd. Hiertegen komt [appellanten] op met zijn eerste grief. Het hof gaat hierop nu in.
Toerekenbare tekortkoming loodgieterswerk en schade
3.6.
[appellanten] en [geïntimeerde] zijn loodgieterswerk overeengekomen. Voor het loodgieterswerk heeft [geïntimeerde] een bedrag geoffreerd van € 4.995,00. [geïntimeerde] heeft drie extra radiatoren geplaatst op de tweede verdieping. Deskundige [persoon C] van TOP Expertise heeft, in aanwezigheid van onderaannemer [persoon A] die de werkzaamheden in onderaanneming heeft uitgevoerd, onderzoek verricht naar (gebreken aan) de cv-installatie. In het rapport staat, kort gezegd, dat het leidingwerk te dun is en het leidingtracé te lang. De deskundige heeft geconcludeerd dat om het systeem naar behoren te laten functioneren, het noodzakelijk is het leidingwerk aan te passen. De kosten van herstel bedragen € 9.120,98. De deskundige heeft ook benoemd dat er aanvankelijk geen ontluchtingsmogelijkheid was aangebracht en er evenmin inregelbare radiatorafsluiters waren geïnstalleerd. De deskundige heeft desgevraagd bevestigd dat [geïntimeerde] een ontluchtingsmogelijkheid had moeten aanbrengen en heeft verklaard dat de kosten die [persoon B] in rekening heeft gebracht redelijke kosten zijn in de branche. Dit ziet op de werkzaamheden die door [persoon B] zijn verricht op 24 en 28 februari 2023 tegen betaling van € 2.100,14. De deskundige heeft de kosten van aanleggen van ontluchtingsmogelijkheid in aanvoer en retour plafond verdieping en het inregelbaar maken en inregelen van de cv-installatie begroot op (€ 876,- + € 1.171,-) € 2.047,-.
3.7.
[geïntimeerde] heeft de bevindingen van de deskundige van TOP Expertise, wiens rapport [appellanten] bij memorie van grieven in het geding heeft gebracht, niet weersproken. Hij is in hoger beroep immers niet in het geding verschenen. [geïntimeerde] heeft als verweer bij de kantonrechter aangevoerd dat hij niet verantwoordelijk is voor de cv-ketel. Hij heeft de radiatoren geplaatst, onverplicht een expansievat aangebracht, hij is aanwezig geweest bij de lekdetectie en heeft een leiding gerepareerd. Het hof overweegt over dit verweer het volgende. De aannemer heeft als hoofdverplichting de hem opgedragen werkzaamheden als een zorgvuldig vakman uit te voeren. Met het plaatsen van de drie radiatoren is door [geïntimeerde] leidingwerk verlegd. [geïntimeerde] heeft onvoldoende betwist dat de cv-installatie na de werkzaamheden van [geïntimeerde] slechter presteerde dan daarvoor. De kamers (boven) waar de radiatoren zijn geplaatst worden onvoldoende warm. Het lag naar het oordeel van het hof op de weg van [geïntimeerde] (teneinde het voor de hand liggende doel bij het plaatsen van radiatoren te bereiken: verwarming van de betreffende ruimte) zich te vergewissen van de (wijze van) aansluiting en het verbinden van de nieuwe radiatoren op het bestaande leidingnet en de ketel. Daarin is hij, zo vloeit voort uit zowel de bevindingen van [persoon B] als de bevindingen van TOP Expertise, tekort geschoten.
3.8.
Als verweer bij de kantonrechter heeft [geïntimeerde] voorts betwist dat de cv-installatie niet voldeed aan de eisen van goed en deugdelijk werk omdat [persoon B] zich bij haar oordeel over de gebreken in februari 2024 slechts baseerde op foto’s en bevindingen van een collega en dat [persoon B] de situatie niet zelf had beoordeeld. Dit verweer is achterhaald, nu TOP Expertise, in aanwezigheid van onderaannemer [persoon A] , onderzoek heeft verricht naar (gebreken aan) de cv-installatie en daarover heeft gerapporteerd. Ook het werk dat door [persoon B] is verricht op 24 en 28 februari 2023 heeft de deskundige betrokken in zijn rapport. Op dit rapport heeft [geïntimeerde] niet meer gereageerd. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen hier, bijvoorbeeld, een eigen deskundigenrapport tegenover te stellen. Dat heeft hij niet gedaan.
Verzuim
3.9.
Op grond van de hoofdregel van artikel 6:82 BW geldt dat [geïntimeerde] in verzuim moet zijn gekomen door een schriftelijke ingebrekestelling, en nakoming binnen de hierin gestelde termijn is uitgebleven. Op 8 februari 2024 heeft [appellanten] [geïntimeerde] uitdrukkelijk in gebreke gesteld en gesommeerd de verwarmingsinstallatie te herstellen vóór 21 februari 2024. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gevolg gegeven, zodat hij in ieder geval vanaf 21 februari 2024 in verzuim verkeerde.
3.10.
Nu [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en in verzuim was, is hij verplicht de schade die [appellanten] hierdoor heeft geleden, te vergoeden. Het hof moet beoordelen of de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is.
Hoogte schade
3.11.
[appellanten] wijst ter onderbouwing van de herstelkosten naar de raming van de deskundige. Volgens hem bedragen de herstelkosten in totaal € 9.120,98 inclusief btw. Ook het hof neemt dit tot uitgangspunt. [geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter geen concreet verweer gevoerd tegen de hoogte van de ter verrekening gevorderde herstelkosten van (destijds, bij conclusie van antwoord) € 2.100,14. Tegen het door de deskundige TOP Expertise begrote totaalbedrag is geen verweer gevoerd. Het hof gaat dan ook uit van dat bedrag.
Verrekening (grief 1)
3.12.
Naar het oordeel van het hof slaagt het beroep van [appellanten] op verrekening van zijn schadevordering met de vordering die [geïntimeerde] op hem heeft uit hoofde van de overeenkomst van aanneming van werk. De gegrondheid van de tegenvordering van Hoefnagels en de omvang zijn immers voldoende bepaald en de vordering van [appellanten] op [geïntimeerde] is opeisbaar, zoals hiervoor vastgesteld.
3.13.
Om te bepalen tot welk beloop de vorderingen over en weer teniet gaan (artikel 6:127 BW) dient de tweede grief van [appellanten] te worden beoordeeld.
Uren meerwerk (grief 2)
3.14.
Partijen zijn het er over eens dat [geïntimeerde] , in opdracht van [appellanten] , ten opzichte van de offerte meerwerk heeft verricht. [appellanten] is niet opgekomen tegen de kwalificatie door de kantonrechter van het meerwerk als zodanig en evenmin tegen de vaststelling door de kantonrechter van de hoogte van kosten van het (aanvullend) materiaal. Dat [geïntimeerde] recht heeft op prijsverhoging als gevolg van meerwerk, zoals bepaald in artikel 7:755 BW, is evenmin onderwerp van geschil. Het geschilpunt ziet enkel op het aantal uren dat [geïntimeerde] aan het werk heeft besteed en het tarief dat dient te worden gehanteerd voor het leggen van het laminaat. [appellanten] vindt dat € 30,- exclusief btw daarvoor passend zou zijn en niet € 47,50 exclusief btw zoals de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen.
3.15.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat indien, in geval van meerwerk als bedoeld in artikel 7:755 BW, het bedrag van de verhoging niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, artikel 7:752 BW van toepassing is. De opdrachtgever is dan ingevolge deze bepaling in verband met de toevoegingen of veranderingen een redelijke prijs verschuldigd.
3.16.
Het meerwerk is op regiebasis verricht. Terecht heeft de kantonrechter overwogen dat het op de weg van [geïntimeerde] lag een onderbouwing te geven van zijn daadwerkelijk bestede uren en dat [geïntimeerde] dat heeft nagelaten. Een deugdelijk gespecificeerde urenspecificatie ontbreekt. Evenals de kantonrechter komt het hof het aantal uren van 60 evenwel redelijk voor gezien de hoeveelheid meerwerk (op 11 onderdelen). [appellanten] heeft erkend dat de opdrachten tot het uitvoeren van meerwerk en het moment van uitvoeren zijn verspreid over de gehele periode waarin [geïntimeerde] werkzaam was in de woning van [appellanten] Zijn betoog dat [geïntimeerde] met het meerwerk bij lange na niet op 12 werkdagen zou komen, is dan ook lastig te volgen. Dat, zoals [appellanten] meent, de werkzaamheden sneller konden worden uitgevoerd, is door hem ook al in eerste aanleg aangevoerd en leidt, wat hier verder van zij, niet tot het oordeel dat de door de kantonrechter bepaalde omvang van het meerwerk in uren niet redelijk is.
3.17.
Bij het bepalen van de redelijke prijs wordt rekening gehouden met de prijzen die de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedong voor een werk als het onderhavige en voor andere werken. De kantonrechter heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat een uurtarief van € 47,50 exclusief btw is overeengekomen. Ook het hof acht dit uurtarief redelijk, ook voor het leggen van laminaat. Dat mensen zelf laminaat in hun eigen huis leggen en er voor het leggen van laminaat geen bijzondere vaardigheden nodig zouden zijn, zoals [appellanten] betoogt, acht het hof niet relevant. [appellanten] heeft dit meerwerk immers opgedragen aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft ook niet de verwachting gewekt dat hij dit werk tegen een ander tarief zou doen dan de bedongen prijs. [geïntimeerde] mocht dan ook voor dit meerwerk het overeengekomen tarief hanteren. De kantonrechter heeft derhalve terecht de door [geïntimeerde] gevorderde hoofdsom toegewezen van € 5.121,31. Grief 2 slaagt derhalve niet.
Verrekening en wettelijke rente (grief 3)
3.18.
De verrekening werkt op grond van artikel 6:129 lid 1 BW terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Deze bevoegdheid ontstond op het moment dat partijen over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar werden (artikel 6:127 lid 2). [geïntimeerde] verkeerde vanaf 21 februari 2024 in verzuim, vanaf die datum was de vordering van [appellanten] op [geïntimeerde] opeisbaar. [appellanten] (zo overwoog de kantonrechter, waartegen [appellanten] geen grief hebben gericht) was op 13 september 2022 in verzuim. Op 21 februari 2024 ontstond de bevoegdheid tot verrekening en door de verrekening zijn de vorderingen met terugwerkende kracht tot die datum tot hun gezamenlijk beloop teniet gegaan. [geïntimeerde] had na verrekening geen vordering meer op [appellanten] Na 21 februari 2024 kan geen sprake meer zijn van verzuim aan de zijde van [appellanten] op grond waarvan hij wettelijke rente verschuldigd is.
3.19.
De terugwerkende kracht is niet absoluut (artikel 6:129 lid 2 en lid 3 BW). Voor zover er over de hoofdsom rente is betaald door [appellanten] werkt de verrekening niet verder terug dan tot de laatste termijn waarover de rente is voldaan. [appellanten] kan dus eventueel betaalde rente niet als onverschuldigd betaald van [geïntimeerde] terugvorderen. In zoverre slaagt grief 3 dus niet.
Buitengerechtelijke kosten (grief 4)
3.20.
Nu de vordering van [geïntimeerde] door verrekening teniet is gegaan, is [appellanten] hierover geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Grief 4 slaagt.
Slotsom
3.21.
De conclusie luidt dat de grieven deels slagen. Het beroep van [appellanten] op verrekening van hetgeen hij aan [geïntimeerde] verschuldigd is met zijn vordering tot betaling van schadevergoeding wordt gehonoreerd. Door verrekening gaan de vorderingen tot hun gemeenschappelijke beloop teniet. Het gemeenschappelijke beloop van de vorderingen van [geïntimeerde] en [appellanten] bedraagt in hoofdsom € 5.121,31, te vermeerderen met door [appellanten] reeds betaalde rente tot 21 februari 2024. Ten gevolge van deze verrekening bestaat de vordering van [geïntimeerde] niet meer. Dat betekent dat de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar is.
3.22.
Nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, ziet het hof aanleiding de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren.
4De uitspraak
Het hof:
rechtdoende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis in conventie waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af,
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt, zowel die uit de eerste aanleg in conventie als die in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, M. van der Schoor en C.E.L.M. Smeenk-Van der Weijden en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 september 2025.
griffier rolraadsheer