Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2623

2025-09-25 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.352.711_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-09-25
Publicatiedatum
2025-09-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.352.711_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/388

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging vervangende toestemming erkenning

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.443 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak : 25 september 2025
Zaaknummer : 200.352.711/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/332471 / FA RK 24-2246



in de zaak in hoger beroep van:





[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. H. Loonstein,



tegen






[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. F.H. Kuiper.



Deze zaak gaat over:





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
voor wie als bijzondere curator optreedt:

mr. S.C. van Heerd, advocaat, kantoorhoudende te Venlo,
als zodanig benoemd bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 augustus 2024.



In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.





1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 17 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vader toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] en de raad verzocht onderzoek te doen en rapport uit te brengen over de vragen welke gezagsvoorziening en welke omgangs- dan wel zorgregeling al dan niet in het belang van [minderjarige] is.



2.2.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 maart 2025, heeft de moeder – zo is op de mondelinge behandeling verduidelijkt – verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de erkenning en alsnog het verzoek van de vader daartoe af te wijzen, kosten rechtens.



2.3.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 10 juni 2025, heeft de vader verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep althans het hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.



2.4.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 mei 2025, heeft de bijzondere curator verzocht om bij beschikking indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van de moeder af te wijzen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking – zoals op de mondelinge behandeling verduidelijkt – van 17 december 2024 te bekrachtigen.



2.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:


de moeder, bijgestaan door mr. J.R. Núñez Casanova (waarnemend);


de vader, bijgestaan door mr. Kuiper;


de bijzondere curator;


de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .





2.6.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:


het V6-formulier met bijlagen d.d. 22 augustus 2025 namens de moeder:


de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Núñez Casanova overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.






3De feiten


3.1.
De moeder en de vader hebben een relatie gehad.



3.2.
Uit de moeder is [minderjarige] geboren.



3.3.
De vader heeft [minderjarige] op 12 juni 2025 erkend.





4De beoordeling


4.1.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen, en onvoldoende gemotiveerd, dat niet is gebleken dat de erkenning door de vader de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden of de relatie tussen de moeder en het kind zal verstoren. De vader gebruikt drugs en slaapt soms niet. In zijn huis vinden drugsgerelateerde activiteiten plaats. De vader kan gewelddadig en bedreigend zijn jegens de moeder, buren en anderen. De vader terroriseert de moeder, hij valt haar lastig en scheldt haar uit. De politie heeft op enig moment een stopgesprek met de vader gevoerd. Toen de vader ook hierna niet stopte met het vertonen van dit gedrag heeft de moeder aangifte gedaan van belaging. De vader schuwt ook gevaarlijk rijgedrag of het werpen of kapotmaken van spullen niet. Uit de aangedragen verklaringen van derden blijkt dat er sprake is van een patroon van gewelddadig gedrag, al dan niet veroorzaakt door (overmatig) middelengebruik. De aard en de ernst van de voorvallen en omstandigheden zijn dusdanig, dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank daar zonder nadere motivering aan voorbij is gegaan. Namens de vader worden enkel blote ontkenningen gegeven. Zulks klemt temeer nu de vader in een brief over een aansprakelijkheidsstelling op 22 maart 2024 schrijft over “uw dochter” en hij [minderjarige] dus kennelijk beschouwde en behandelde als niet zijn kind. De aansprakelijkstelling wegens het knippen door [minderjarige] met een schaar van de broek van de vader geeft blijk van dusdanige interferentie in de verhouding tussen de moeder en [minderjarige] , dat de moeder in haar belang op een ongestoorde verhouding met het kind geschaad wordt, althans dat de vervangende toestemming door de rechtbank om tot erkenning over te gaan de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Daarbij is relevant dat de vader zich reeds van vóór de geboorte van [minderjarige] onheus jegens de moeder uitliet. Het klopt dat de problematiek tussen de ouders op ouder- of ex-partnerniveau plaatsvindt. Duidelijk is echter dat de moeder op dit moment gezondheidsklachten ervaart als gevolg van de stress rondom de procedures en de erkenning. Hiermee wordt het stabiele en veilige opvoedklimaat van [minderjarige] bedreigd omdat de moeder fysiek hinder ondervindt. Door de stress over de erkenning en het gedrag van de vader is het immuunsysteem van de moeder platgelegd en heeft ze een oogklachten en een (chronische) voorhoofds-holteontsteking. Het is jammer dat de rechtbank het onderwerp van de erkenning niet heeft laten meenemen in het raadsonderzoek.



4.2.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. De vader is steeds bereid geweest om [minderjarige] te erkennen terwijl de moeder op het ene moment aangaf de erkenning wel te willen en op het andere moment niet. De argumenten die zij hiervoor aanvoert zijn niet valide en het verweer lijkt met name betrekking te hebben op de verzoeken met betrekking tot het gezag en de omgang. De vader betwist de beschrijving van de moeder van de relatie tussen partijen. De aangifte van de moeder is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Het verslag van de doula zegt enkel iets over de relatie tussen de ouders. De e-mails van de moeder aan de grootmoeder vz geven enkel weer hoe de moeder een en ander heeft beleefd. Duidelijk is dat zij vol verwijten zit ten opzichte van de vader en zijn familie. De moeder heeft een onwrikbaar negatief beeld van de vader. In dat licht moeten ook de door haar overgelegde verklaringen worden gezien. De vader betwist de aantijgingen. Dat de woning van de vader geen veilige omgeving zou zijn, is enkel gebaseerd op de rancuneuze verklaring van een tante met wie de familie al jaren in onmin leeft. Deze verklaringen zijn niet relevant voor de erkenning van [minderjarige] . Het gebruik van de omschrijving “uw dochter" in een brief wordt ten onrechte aangegrepen alsof de vader daarmee afstand zou hebben willen nemen van zijn dochter of van zijn wens tot erkenning. Deze formele aansprakelijkstelling was nodig om een beroep te kunnen doen op de WA-verzekering. Opvallend is dat de door de moeder aangevoerde feiten en omstandigheden niet nieuw zijn, zelfs al geruime tijd bij haar bekend zijn, maar dat zij hier eerder geen enkel beletsel in heeft gezien om juist aan te dringen op erkenning door de vader. Met de bijzonder curator is de vader van mening dat uit geen van de argumenten van de moeder blijkt dat de erkenning van [minderjarige] strijdig is met de belangen van de moeder bij een ongestoorde verstandhouding met haar kind noch dat door deze erkenning de evenwichtige sociaalpsychologische en/of emotionele ontwikkeling van [minderjarige] wordt geschaad. Wel blijkt hieruit dat de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning, doch dat is niet voldoende om vervangende toestemming te weigeren. De relevantie tussen de gezondheidsklachten van de moeder en de erkenning ontbreekt. De re-integratiebegeleider kan geen oordeel geven over de vader, nu zij de vader nooit heeft gesproken.




4.3.
De bijzondere curator voert – samengevat – het volgende aan. De moeder lijkt van een onjuiste rechtsopvatting uit te gaan. Er is niet voldaan aan de hoge eisen die door de wet en jurisprudentie worden gesteld aan een afwijzing van een verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (o.a. HR 8 april 1988, NJ 1989, 170) volgt dat een kind en een ouder in beginsel het recht hebben op bevestiging in juridische zin van de afstammingsrelatie. Dit recht is wederkerig en vloeit voort uit artikel 8 EVRM en artikel 9 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Dit uitgangspunt brengt met zich mee dat er zeer hoge eisen worden gesteld aan een eventuele weigering van de verzochte vervangende toestemming voor een erkenning. Daarbij blijkt uit de kamerstukken dat enkele emotionele weerstand van de moeder tegen de erkenning onvoldoende is om de vervangende toestemming te weigeren (Kamerstukken II 1996/97, 24 649, nr. 28, p. 8.). Het is aan de moeder om aan te tonen dat er sprake is van meer dan alleen emotionele weerstand tegen erkenning (o.a. ECLI:NL:PHR:2015:2343). Het is dus niet, anders dan waar de moeder vanuit lijkt te gaan, aan de vader of de rechtbank om te motiveren waarom ze geen bedreiging zien maar aan de moeder om te stellen en bewijzen dat een dergelijke bedreiging zich voordoet. De moeder is noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep erin geslaagd om aannemelijk te maken of te bewijzen dat de enkele erkenning (los van eventuele omgang of gezamenlijk gezag) ertoe zou leiden dat haar verstandhouding met [minderjarige] of de ontwikkeling van [minderjarige] in gevaar komt. Zelfs niet als het juist is wat de zij stelt over dat de vader agressief is geweest naar haar en derden, drugs zou gebruiken, gevaarlijk rijgedrag vertoont, verbaal en fysiek geweld zou gebruiken en zich onheus zou opstellen tegenover de moeder. Immers staat vast dat de vader de verwekker is. De moeder stelt niet dat zij als gevolg van de erkenning zodanig zou decompenseren dat zij hierdoor de opvoeding niet meer aan zou kunnen. Ook blijkt nergens uit waarom het vermelden van de vader op de geboorteakte enige bedreiging zou vormen voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De zorgen van de moeder lijken veeleer te zijn gericht op de eventuele gezamenlijke gezagsuitoefening en/of op het daadwerkelijk hebben van contact tussen de vader en [minderjarige] . Dus, zelfs al zou de vader de door de moeder beschreven persoon zijn, dan nog is hij de biologische vader van [minderjarige] en hebben zij er recht op dat deze biologische band in juridische zin wordt bevestigd met een erkenning.



4.4.
De raad adviseert – samengevat – het volgende. Het raadsonderzoek over de vragen welke gezagsvoorziening en welke omgangs- dan wel zorgregeling al dan niet in het belang van [minderjarige] is, is recent afgerond. De raad is van mening dat [minderjarige] recht heeft om haar vader beter te leren kennen en een band op te bouwen. Daarbij past het dat er ook een erkenning plaatsvindt.



4.5.
Het hof overweegt als volgt.


4.5.1.
Ingevolge artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de toestemming tot erkenning van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechter worden vervangen, tenzij deze erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:


de verwekker van het kind is, of


de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.





4.5.2.
Tussen partijen staat vast dat de vader de verwekker is van [minderjarige] .


4.5.3.
Het hof is evenals de rechtbank – en in lijn met het advies van de raad en het standpunt van de bijzondere curator – van oordeel dat aan de vader vervangende toestemming moet worden verleend om [minderjarige] te erkennen.



4.5.4.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat zowel een kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de vader bij, en zijn aanspraak op, erkenning van het kind moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet erkenning.
Het belang van de moeder is in de wet nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met haar kind. Wanneer de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning is dit op zichzelf onvoldoende grond om de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan echter anders liggen indien de weerstand van de moeder belangrijke negatieve gevolgen heeft voor [minderjarige] .
Voor wat betreft de belangen van het kind heeft de Hoge Raad aanvaard dat van hiervan slechts sprake is indien ten gevolge van de erkenning er voor haar reële risico’s zijn dat zij wordt belemmerd in haar evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling (ECLI:NL:HR:2001:AB0032). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. Het enkele feit dat [minderjarige] (enige) weerslag zou ondervinden van de inbreuk die de erkenning maakt op haar gezinsleven met de moeder, kan niet worden aanvaard als schade aan haar belangen.




4.5.5.

Het hof stelt voorop dat het aan de moeder is om te onderbouwen dat van het uitgangspunt van erkenning dient te worden afgeweken.
Het is duidelijk dat de moeder moeite heeft met de erkenning van [minderjarige] door de vader. Zij wil niet dat de vader [minderjarige] erkent, ze is angstig voor de vader en ze lijkt geen plek voor hem te willen in het leven van [minderjarige] .
De door de moeder geuite beschuldigingen over de vader en haar bezwaren tegen de erkenning wegen echter niet op tegen het belang van [minderjarige] om de familierechtelijke band met haar vader juridisch vast te leggen. De moeder heeft de beschuldigingen richting de vader onvoldoende onderbouwd. De door de moeder overgelegde verklaringen van derden worden weersproken door de vader, waarbij hij heeft toegelicht dat deze door personen zijn opgesteld met wie hij al langere tijd een slechte verstandhouding heeft. De overgelegde brief van de re-integratiebegeleider van de moeder is eveneens onvoldoende om het standpunt van de moeder te onderbouwen. De re-integratiebegeleider van de moeder heeft de vader nooit gesproken en verkeert dus niet in de positie om te oordelen over de onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de vader en de belangen van [minderjarige] . Hij beschikt slechts over (eenzijdige) informatie van de moeder.
Ook anderszins heeft de moeder haar stellingen niet voldoende onderbouwd. Niet duidelijk is geworden dat het door haar gestelde gedrag van de vader belangrijke negatieve gevolgen heeft voor [minderjarige] of in de weg staat aan haar relatie met [minderjarige] . Daarbij komt dat door zowel de moeder als de raad (die recent een raadsonderzoek heeft uitgevoerd) is verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] , terwijl de erkenning al op 12 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Van reële risico’s dat [minderjarige] wordt belemmerd in haar evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling als gevolg van de erkenning, is dus niet gebleken. De moeder heeft weliswaar aangegeven dat zij op de wachtlijst staat voor hulpverlening, maar duidelijk is geworden dat de moeder na de erkenning niet in een zodanig onevenwichtige psychische toestand is komen te verkeren dat zij [minderjarige] niet meer kan bieden wat zij nodig heeft.



Verder is ten aanzien van de door de moeder ervaren gezondheidsklachten niet danwel onvoldoende duidelijk geworden dat deze enig verband houden, of zijn oorzaak vinden in de weerstand die de moeder ervaart rondom de erkenning van [minderjarige] door de vader. Het causale verband daartoe ontbreekt.





4.6.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat [minderjarige] en de vader recht hebben op juridische bevestiging van hun afstammingsrelatie en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij niet-erkenning. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Ook zal het hof de bijzondere curator ontslaan van zijn taak.



4.7.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad.





5De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 17 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;



compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



ontslaat de bijzondere curator van zijn taak;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, E.P. de Beij en A.M. van Riemsdijk en is op 25 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.