Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2622
2025-09-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.348.948_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bijstandsverhaal. Voor de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag wordt uitgegaan van de maatstaven en omstandigheden die ook van belang zijn als de rechter dient te beslissen over een uitkering tot levensonderhoud (artikel 62a Pw).
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1991:ZC0451 Hoge Raad 13-12-1991
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.782 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.348.948/01
zaaknummer rechtbank : C/03/323695 / FA RK 23-4057
beschikking van de meervoudige kamer van 25 september 2025
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F. van den Heuvel te Arnhem,
tegen
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente [gemeente],
zetelend te [plaats],
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: het college,
gemachtigde [gemachtigde namens de gemeente] .
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 4 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
De man is op 4 december 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 4 september 2024.
2.2.
Het college heeft op 26 maart 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De man heeft op 12 mei 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof is voorts ingekomen:
- een brief van de zijde van het college van 2 april 2025 met bijlagen.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2025 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Van den Heuvel. Het college is op de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door mr. [gemachtigde namens de gemeente] en [vertegenwoordiger namens de gemeente] .
2.6.
De brief van de zijde van het college van 4 juni 2025 is in strijd met de twee-conclusieregel en is door het college bovendien ten onrechte niet in kopie aan de advocaat van de man gestuurd, zodat deze daar geen kennis van heeft kunnen nemen. Om die redenen is besloten de brief niet in behandeling te nemen, zodat deze geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier. Dit is op de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld.
3De feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
De man en [de vrouw] (hierna: de vrouw) zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 (hierna: [minderjarige 1] ),
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 (hierna: [minderjarige 2] ).
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de man erkend en staan ingeschreven op het adres van de vrouw.
3.3.
De man is ook de vader van:
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2015;
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2016;
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] 2022;
- [minderjarige 6] , geboren op [geboortedatum] 2023.
[minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] zijn door de man erkend en staan ingeschreven op het adres van de man en zijn partner.
3.4.
Sinds 8 maart 2013 verstrekt het college aan de vrouw bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, mede ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De bijstandsuitkering is op 15 juli 2024 op verzoek van de vrouw ingetrokken.
3.5.
Bij beschikking van 3 augustus 2023 heeft het college de met ingang van 1 juli 2023 te betalen onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vastgesteld op € 308,- per maand .
Op 19 oktober 2023 heeft het college besloten tot verhaal in rechte over te gaan.
Het college heeft – na wijziging van het verzoek – de rechtbank verzocht het door de man ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verschuldigde verhaalsbedrag vast te stellen op een bedrag van (afgerond) € 262,- per maand voor de periode van 1 juli 2023 tot 1 januari 2024 en op een bedrag van (afgerond) € 278,- per maand voor de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen verhaalsbijdrage vastgesteld op:
- € 262,- per maand over de periode van 25 oktober 2023 tot 1 januari 2024;
- € 278,- per maand over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024.
4.2.
De man verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van het college af te wijzen, dan wel een verhaalsbijdrage op te leggen van € 156,- per maand over 2023 en € 165,67 per maand over 2024.
De grieven van de man zien op:
- het recht op bijstand van de vrouw (grief I in principaal hoger beroep);
- de draagkracht van de vrouw (grief IV in principaal hoger beroep);
- het gelijkelijk verdelen van de draagkracht van de man over alle kinderen (grief II in principaal hoger beroep);
- de startersaftrek (grief III in principaal hoger beroep);
- de toekomstige kosten van de man (grief V in principaal hoger beroep).
4.3.
Het college verzoekt in principaal hoger beroep primair de verzoeken van de man af te wijzen, althans subsidiair, voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de man gehouden is tot het betalen van een lagere verhaalsbijdrage dan door de rechtbank vastgesteld, de verhaalsbijdrage vast te stellen op een zodanig bedrag als het hof juist acht, maar niet lager dan ten minste € 156,- per maand over 2023 en € 165,67 per maand over 2024.
Het college verzoekt in incidenteel hoger beroep de ingangsdatum van de verhaalsbijdrage primair te bepalen op 1 juli 2023 en subsidiair op 8 augustus 2023, althans op een zodanige datum als het hof juist acht.
5De motivering van de beslissing
Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 62 (e.v.) Participatiewet (Pw) kan de gemeente kosten van bijstand verhalen tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beoordeling van het bestaan van dit verhaalsrecht dient de gemeente ingevolge artikel 62a Pw rekening te houden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.
Recht op bijstand (grief I in principaal hoger beroep)
5.2.
De man voert in zijn eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voorbij kan worden gegaan aan zijn verweer dat de vrouw geen recht heeft op bijstand, omdat zij eigen inkomen geniet en een gezamenlijke huishouding voert met haar partner. Het college heeft naar aanleiding van de melding van de man een rechercheonderzoek uitgevoerd, waaruit niet zou zijn gebleken dat de vrouw een gezamenlijke huishouding voert met haar partner. Over het hebben van inkomen wordt door het college niet gerept, dus kennelijk heeft het onderzoek daar niet op gezien. De man acht het op zijn minst opmerkelijk dat de vrouw direct na het rechercheonderzoek zelf haar uitkering heeft stopgezet.
Van de man wordt verwacht dat hij alles aantoont en onderbouwt, terwijl het college slechts hoeft te stellen dat er een rechercheonderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit geen gezamenlijke huishouding is gebleken. Of dit onderzoek daadwerkelijk en naar behoren heeft plaatsgevonden is voor de man niet controleerbaar en hij is van mening dat het college hierin, zonder enige verdere onderbouwing, niet gevolgd kan worden. De man wordt als burger tegenover de overheid ten onrechte in zijn bewijspositie benadeeld.
5.2.1.
Het college voert het volgende aan.
In een verhaalsvordering als deze wordt niet getoetst of de bijstand waarvan de kosten verhaald worden al dan niet terecht is verleend. Het is in de eerste plaats aan de man om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kinderen. Ook als de vrouw geen bijstandsuitkering zou ontvangen, is de man verplicht naar draagkracht bij te dragen in deze kosten en deze verplichting komt hij niet na.
Naar aanleiding van het door de man gestelde heeft er een fraude-onderzoek plaatsgevonden door medewerkers van de sociale recherche naar zowel de vermeende gezamenlijke huishouding als de vermeende inkomsten van de vrouw. Beiden konden echter niet worden aangetoond. Of dit onderzoek op een juiste wijze heeft plaatsgevonden ligt in de onderhavige procedure niet ter toetsing voor. Omdat intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is, rust volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Zolang door het college niet is aangetoond/aannemelijk gemaakt kan worden dat de vrouw een gezamenlijke huishouding voert en/of inkomen geniet, moet er van worden uitgegaan dat de vrouw rechtmatig bijstand ontvangt. Het college kon daarom in redelijkheid gebruikmaken van zijn bevoegdheid tot het verhalen van de kosten van bijstand op de man. De reden van de vrouw om geen aanspraak meer te maken op bijstand is bij het college bekend en is niet gerelateerd aan het onderzoek door de sociale recherche en als dat wel zo zou zijn, kan op grond daarvan ook niet worden gesteld dat haar bijstandsuitkering in de voorgaande periode ten onrechte is verstrekt.
5.2.2.
Het hof stelt vast dat de eerste grief van de man zich richt tegen de toekenning van een uitkering krachtens de Pw aan de vrouw c.q. tegen het continueren van deze uitkering ondanks meldingen van de man over – kort gezegd – fraude door de vrouw.
Het hof stelt voorop dat in de onderhavige procedure de verhaalsbeslissing van het college van 19 oktober 2023 aan het hof voorligt en niet de beschikking van het college van 8 maart 2013, waarbij de gemeente een uitkering krachtens de Pw aan de vrouw heeft toegekend.
Voor de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag wordt uitgegaan van de maatstaven en omstandigheden die ook van belang zijn als de rechter dient te beslissen over een uitkering tot levensonderhoud (artikel 62a Pw). Dit betekent dat behoefte en draagkracht de grenzen van de op te leggen verplichting bepalen.
Vast staat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben en dat de man onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De man heeft geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de draagkracht van de vrouw. Zo de man met zijn standpunten omtrent de juistheid van de toekenning van de bijstandsuitkering, heeft bedoeld te grieven tegen de vaststelling van de draagkracht van de vrouw, door te stellen dat de vrouw wel inkomsten zou hebben, heeft de man deze stelling onvoldoende onderbouwd. De man heeft voorts niet onderbouwd op welke wijze de gezamenlijke huishouding die de vrouw volgens hem zou voeren met haar partner, van invloed is op de onderhoudsverplichting van de man jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Voor zover de grieven van de man zien op de hoogte van behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouders, komen deze in het navolgende aan de orde. De eerste grief van de man faalt echter.
Ingangsdatum (incidenteel hoger beroep)
5.3.
De rechtbank heeft de ingangsdatum vastgesteld op 23 oktober 2023, de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift door het college, omdat de man vanaf dat moment rekening had kunnen en moeten houden met de verhaalsbijdrage.
5.3.1
Het college is het niet eens met deze ingangsdatum. De man is bekend met de verhaalsprocedure vanaf ontvangst van de eerste brief van het college van 17 april 2023, dan wel vanaf ontvangst van de aangetekend verstuurde herinnering van 11 mei 2023 – welke niet retour is ontvangen –, dan wel door de brief van de gemeente met de verhaals-beschikking van 3 augustus 2023. In deze verhaalsbeschikking van 3 augustus 2023 is de verhaalsbijdrage opgelegd met ingang van 1 juli 2023. De verhaalsbijdrage wordt conform gemeentelijk beleid opgelegd met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van de eerste aanschrijving. Dit betekent dat de verhaalsbijdrage met ingang van 1 mei 2023 opgelegd had moeten worden. Omdat de afhandeling van het onderzoek langer heeft geduurd dan gebruikelijk, hetgeen niet aan de man te wijten was, en om de man niet direct te confronteren met een betalingsachterstand, is besloten de verhaalsbijdrage met ingang van 1 juli 2023 te laten ingaan.
Uit de e-mail van de man van 20 augustus 2023 aan het college blijkt dat hij de brief van 3 augustus 2023, verzonden op 7 augustus 2023, waarin de verhaalsbijdrage met ingang van 1 juli 2023 is opgelegd, heeft ontvangen.
5.3.2
De man voert het volgende aan.
De man is weliswaar door het college aangeschreven over de verhaalsbijdrage, maar hij heeft onderbouwd bezwaar gemaakt tegen de grondslag voor het opleggen van de verhaalsbijdrage. Het college heeft dit niet adequaat onderzocht. De man heeft na het doen van zijn meldingen/het maken van bezwaar inzake de ten onrechte door de vrouw ontvangen bijstand geen moment verwacht of hoeven verwachten dat het college de verhaalsbijdrage zou handhaven, omdat het college onderzoek zou doen en de verwachting was dat de bij de man bekende feiten en omstandigheden boven tafel zouden komen. De man heeft ook aangeboden de bij hem aanwezige bewijsstukken aan te leveren, maar hiervan heeft het college geen gebruik gemaakt.
5.3.3.
Het hof oordeelt als volgt.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Het hof hanteert als ingangsdatum van de verhaalsbijdrage 8 augustus 2023. Dit is de datum dat de verhaalsbeschikking van 3 augustus 2023, die is verzonden op 7 augustus 2023, de man heeft bereikt en is het eerste moment waarop de verhaalsbijdrage, waarvan de man reeds eerder op de hoogte was gesteld, is geconcretiseerd tot een bepaald bedrag. Vanaf deze datum heeft de man er dus rekening mee kunnen en moeten houden dat hij dit bedrag moest voldoen. Hetgeen de man in zijn verweer heeft aangevoerd maakt dat niet anders. Immers, los van de kwestie of de vrouw al dan niet terecht een bijstandsuitkering ontving, heeft de man een onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en vanaf het moment dat hij de verhaalsbeschikking met de onderhoudsbijdrage heeft ontvangen, heeft hij daarmee rekening kunnen en moeten houden.
Het incidentele hoger beroep van het college slaagt dus deels.
Samenloop onderhoudsverplichtingen / behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (grief II in principaal hoger beroep)
5.4.
In eerste aanleg stond tussen partijen vast dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 308,- per maand bedroeg in 2023, ofwel € 154,- per kind per maand.
De man is naast zijn onderhoudsplicht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] . Als er een samenloop is van onderhoudsverplichtingen dient de draagkracht gelijkelijk over de kinderen te worden verdeeld, tenzij er bijzondere redenen zijn die een andere verdeling rechtvaardigen, zoals een aantoonbaar verschil in behoefte tussen de kinderen (HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451).
De rechtbank heeft geoordeeld dat van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken, zodat de draagkracht gelijkelijk zal worden verdeeld. De man was/is namelijk in beide gezinnen de kostwinner, terwijl de moeders geen tot weinig inkomen hadden/hebben. Bijzondere omstandigheden die een andere draagkrachtvergelijking rechtvaardigen zijn door de man niet (voldoende) gesteld.
5.4.1.
De man voert in zijn tweede grief aan dat er een aanmerkelijk verschil is in de behoefte van de kinderen, omdat de behoefte van de oudste kinderen bijna de helft is van de behoefte van de jongere kinderen. Zeker wanneer gerekend wordt met het door de rechtbank vastgestelde netto besteedbaar inkomen van de man, is sprake van een zeer groot verschil. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de man in beide gezinnen de kostwinner was/is en de moeders in beide gezinnen weinig tot geen inkomen hadden. De man heeft immers ook jarenlang een bijstandsuitkering gehad en toen hij met de vrouw samen was hadden zij samen een minimuminkomen. Ook tijdens de relatie met zijn huidige partner heeft de man jarenlang een bijstandsuitkering ontvangen. Hij is pas enkele jaren geleden voor zichzelf begonnen. Zijn partner werkte eerder wel, maar kon dit in verband met haar gezondheid en de zorg voor vier kinderen niet volhouden. Daarom is er recent voor gekozen dat zij de zorg voor de kinderen draagt en de man werkt.
5.4.2.
Het college voert het volgende aan.
Het college betwist dat de behoefte van de oudste kinderen bijna de helft is van de behoefte van de jongere kinderen. Bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van de man in 2013 van € 1.343,86, hetgeen tevens het gezinsinkomen was. Het huidige netto besteedbaar inkomen van de man is volgens zijn advocaat € 3.930,- en de rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de man vastgesteld op € 4.131,- per maand. Van welk NBI je ook uitgaat, het huidige inkomen van de man is hoger dan het gezinsinkomen destijds, zodat overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatierichtlijnen de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] berekend dient te worden op basis van dit gestegen inkomen. De huidige partner van de man heeft geen inkomen, zodat het huidige inkomen van de man gelijk is aan het gezinsinkomen in het huidige gezin. Om die reden kan gesteld worden dat de kinderen een gelijke behoefte hebben, zodat het redelijk is dat de draagkracht van de man gelijkelijk over de kinderen wordt verdeeld.
5.4.3.
Het hof oordeelt als volgt.
Het hof stelt voorop dat het aan het college is om de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te stellen en, bij voldoende betwisting, te onderbouwen. Het college heeft dit gedaan door te stellen dat het huidige inkomen van de man hoger is dan het gezinsinkomen in 2013, zodat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatierichtlijnen, berekend dient te worden aan de hand van het huidige, hogere inkomen van de man. De man heeft in zijn grief niet toegelicht waarom deze berekeningsmethodiek niet gevolgd zou moeten worden en hij laat na (met concrete bedragen) te stellen wat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens hem is. Hiermee heeft de man de door het college gestelde behoefte onvoldoende betwist.
De man heeft - voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep - nog aangevoerd dat de aanbeveling van de Expertgroep om de behoefte te berekenen aan de hand van het huidige inkomen, indien dit inkomen hoger is dan het gezinsinkomen destijds, in dit geval niet moet worden gevolgd omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet hebben kunnen meeprofiteren van de gestegen welvaart. De kinderen hebben in de betreffende periode namelijk helemaal geen of slechts minimaal contact gehad met de man. Het hof is van oordeel dat dit argument van de man niet opgaat. De reden om op basis van het gestegen inkomen opnieuw de behoefte te berekenen is namelijk dat in de fictieve situatie dat het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, die verhoging ook een positieve invloed zou hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. Het wel of niet hebben van contact speelt hierbij dus geen rol.
Omdat de man verder niet heeft betwist dat zijn huidige inkomen hoger is dan het gezinsinkomen destijds en hij niet heeft geconcretiseerd wat de hoogte van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] ) volgens hem is, gaat het hof uit van de juistheid van de vastgestelde behoefte.
De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een aantoonbaar verschil in behoefte is tussen de kinderen, zodat zijn draagkracht terecht gelijkelijk is verdeeld over de kinderen.
De tweede grief van de man faalt.
Draagkracht van de man (grief III en V in principaal hoger beroep)
5.5.
De rechtbank heeft de draagkracht van de man berekend op basis van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021 ad € 6.175,- (de start van de onderneming was september 2021), 2022 € 47.474,- en 2023 € 74.203,-. Dit komt neer op een totale winst over een periode van 28 maanden van € 127.852,-, hetgeen neerkomt op een gemiddelde winst van 4.566,- per maand, ofwel (12 x 4.566,- =) € 54.792,- per jaar. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met een kindgebonden budget van € 521,- per maand, waarmee het NBI van de man komt op een bedrag van € 4.131,- en zijn draagkracht op € 1.202,- per maand, zodat hij € 200,- per kind per maand beschikbaar heeft voor de zes kinderen en dus voldoende draagkracht heeft om volledig te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 154,- per kind per maand.
5.5.1.
In zijn vijfde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn toekomstige kosten. Als startende ondernemer heeft de man nog geen pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekering geregeld. Alleen een arbeidsongeschiktheidsverzekering kost al € 2.500,- bruto op jaarbasis. Ook dient de man een zakelijke auto aan te schaffen. Hij was voornemens dit de gaan regelen als de onderneming goed liep en hij een buffer had kunnen opbouwen.
In zijn derde grief voert de man aan dat de rechtbank in haar berekening ten onrechte heeft gerekend met de startersaftrek.
5.5.2.
Het college voert aan dat alleen rekening kan worden gehouden met kosten die zich daadwerkelijk voordoen en niet met mogelijke toekomstige kosten, waarvan niet zeker is of die zich gaan voordoen en waarvan de hoogte niet bekend is. Uit de overgelegde jaarstukken blijken geen kosten voor pensioen, arbeidsongeschiktheidsverzekering en zakelijke auto, zodat hiermee terecht geen rekening is gehouden.
De startersaftrek kan maximaal drie keer worden toegepast in de eerste vijf jaar dat iemand ondernemer is, zodat de man, die in september 2021 is gestart met zijn onderneming, aan de voorwaarden voor de startersaftrek voldoet in de jaren waarover de rechtbank heeft gerekend (2021 t/m 2023). Ook indien geen rekening wordt gehouden met de startersaftrek is de man nog steeds in staat de verhaalsbijdrage van € 262,- en € 278,- te betalen.
5.5.3.
Het hof oordeelt als volgt.
Het hof heeft te oordelen over de periode van 8 augustus 2023 tot 1 juli 2024. Het college heeft terecht aangevoerd dat uit de overgelegde jaarstukken die betrekking hebben op deze periode geen kosten blijken voor pensioen, arbeidsongeschiktheidsverzekering en zakelijke auto, zodat hiermee terecht geen rekening is gehouden. Voor zover de man wil dat rekening wordt gehouden met kosten die hij heeft gemaakt of nog gaat maken na afloop van de betreffende periode en waarvoor hij reserveringen heeft gedaan of had willen doen, zoals tijdens de mondelinge behandeling door zijn advocaat is betoogd, heeft de man dit onvoldoende onderbouwd. De man heeft niet onderbouwd dat dergelijke reserveringen zijn gedaan en waaruit die bestaan, noch welke bedragen hiermee gemoeid zouden zijn. Het hof zal hiermee dus geen rekening houden.
Onduidelijk is gebleven in welke jaren de man de startersaftrek heeft genoten. In zijn beroepschrift lijkt de man te suggereren dat hij hiervan in 2021, 2022 en 2023 gebruik heeft gemaakt, zodat hij hiervan met ingang van 2024 en verder geen gebruik meer kan maken. Tijdens de mondelinge behandeling voert de advocaat van de man vervolgens aan dat de man tot 2026 drie keer gebruik mag maken van de startersaftrek en dat hij zelf mag kiezen in welke jaren hij dat doet. De man zou in 2023 geen gebruik hebben gemaakt van de aftrek, maar zou er naar verwachting in 2024 en 2025 gebruik van gaan maken, aldus de advocaat van de man.
Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man ligt om aan te tonen dat er ten onrechte is gerekend met de startersaftrek. De man kan echter de vraag in welke jaren hij hiervan gebruik heeft gemaakt niet beantwoorden en neemt daar wisselende standpunten over in. Ook heeft de man niet (gemotiveerd) weersproken dat ook als er geen rekening wordt gehouden met de startersaftrek, hij nog altijd voldoende draagkracht heeft, zoals door het college is gesteld. Desgevraagd heeft de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dit niet te hebben nagerekend. Het hof is van oordeel dat de man in hiermee zijn grief onvoldoende heeft onderbouwd.
Ten overvloede overweegt het hof wel de moeite te hebben genomen de draagkracht van de man te berekenen, uitgaande van de uitgangspunten zoals gehanteerd door de rechtbank, maar zonder rekening te houden met de startersaftrek en er resteert dan voldoende draagkracht om de verhaalsbijdrage te voldoen en in de onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] te voorzien.
Zowel de derde als de vijfde grief van de man falen.
Draagkracht vrouw (grief IV in principaal hoger beroep)
5.6.
De rechtbank heeft aan de zijde van de vrouw, als verzorgende ouder die een bijstandsuitkering ontvangt, geen draagkracht aangenomen overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatierichtlijnen.
5.6.1.
De man voert in zijn vierde grief het volgende aan.
De vrouw ontvangt kindgebonden budget (KGB) verhoogd met de alleenstaande ouderkop (AOK). Hiermee geen rekening houden strookt niet met hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in de uitspraak van 3 maart 2017.
Nu het KGB en AOK niet door de gemeente aan de vrouw beschikbaar worden gesteld, kan niet worden gesteld dat het college voor een deel van de kosten van de kinderen zou opdraaien, aldus de man.
5.6.2.
Het college voert het volgende aan.
Conform het Rapport Alimentatierichtlijnen wordt geen draagkracht aangenomen bij een alimentatiegerechtigde ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt. Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen. De draagkracht van de vrouw dient daarom vastgesteld te worden op nihil. Er vindt dan ook geen draagkrachtvergelijking plaats.
5.6.3.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht de aanbeveling in het Rapport Alimentatierichtlijnen heeft gevolgd om bij een verzorgende ouder met een bijstandsuitkering geen draagkracht aan te nemen. De redenering van de man dat niet kan worden gesteld dat het college voor een deel van de kosten van de kinderen zou opdraaien gaat niet op. De vrouw ontving immers bijstand en KGB/AOK. In beide gevallen betreft het inkomensondersteuning vanuit de overheid die met publieke middelen wordt bekostigd (ook) ten behoeve van de kinderen. De bijstand is een vangnet van de sociale zekerheid. Het is daarom in de eerste plaats dus aan de onderhoudsplichtige vader om, tot aan zijn draagkracht, te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De vierde grief van de man faalt.
Conclusie
5.7.
Alle grieven in principaal hoger beroep falen en het incidenteel hoger beroep slaagt deels. Dit betekent, zoals overwogen in rov. 5.3.3., dat de ingangsdatum van de verhaalsbijdrage 8 augustus 2023 zal zijn. Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beschikking echter geheel vernietigen en de verhaalsbijdrage opnieuw vaststellen met ingang van 8 augustus 2023.
6De beslissing
Het hof:
in het principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 4 september 2024, en opnieuw beschikkende:
stelt de door de man te betalen verhaalsbijdrage over de periode van 8 augustus 2023 tot 1 januari 2024 vast op € 262,- per maand;
stelt de door de man te betalen verhaalsbijdrage over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 vast op € 278,- per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en S.P.A. Wensink-Vergunst, en is op 25 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.348.948/01
zaaknummer rechtbank : C/03/323695 / FA RK 23-4057
beschikking van de meervoudige kamer van 25 september 2025
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F. van den Heuvel te Arnhem,
tegen
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente [gemeente],
zetelend te [plaats],
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: het college,
gemachtigde [gemachtigde namens de gemeente] .
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 4 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
De man is op 4 december 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 4 september 2024.
2.2.
Het college heeft op 26 maart 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De man heeft op 12 mei 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof is voorts ingekomen:
- een brief van de zijde van het college van 2 april 2025 met bijlagen.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2025 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Van den Heuvel. Het college is op de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door mr. [gemachtigde namens de gemeente] en [vertegenwoordiger namens de gemeente] .
2.6.
De brief van de zijde van het college van 4 juni 2025 is in strijd met de twee-conclusieregel en is door het college bovendien ten onrechte niet in kopie aan de advocaat van de man gestuurd, zodat deze daar geen kennis van heeft kunnen nemen. Om die redenen is besloten de brief niet in behandeling te nemen, zodat deze geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier. Dit is op de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld.
3De feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
De man en [de vrouw] (hierna: de vrouw) zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 (hierna: [minderjarige 1] ),
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 (hierna: [minderjarige 2] ).
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de man erkend en staan ingeschreven op het adres van de vrouw.
3.3.
De man is ook de vader van:
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2015;
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2016;
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] 2022;
- [minderjarige 6] , geboren op [geboortedatum] 2023.
[minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] zijn door de man erkend en staan ingeschreven op het adres van de man en zijn partner.
3.4.
Sinds 8 maart 2013 verstrekt het college aan de vrouw bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, mede ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De bijstandsuitkering is op 15 juli 2024 op verzoek van de vrouw ingetrokken.
3.5.
Bij beschikking van 3 augustus 2023 heeft het college de met ingang van 1 juli 2023 te betalen onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vastgesteld op € 308,- per maand .
Op 19 oktober 2023 heeft het college besloten tot verhaal in rechte over te gaan.
Het college heeft – na wijziging van het verzoek – de rechtbank verzocht het door de man ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verschuldigde verhaalsbedrag vast te stellen op een bedrag van (afgerond) € 262,- per maand voor de periode van 1 juli 2023 tot 1 januari 2024 en op een bedrag van (afgerond) € 278,- per maand voor de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen verhaalsbijdrage vastgesteld op:
- € 262,- per maand over de periode van 25 oktober 2023 tot 1 januari 2024;
- € 278,- per maand over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024.
4.2.
De man verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van het college af te wijzen, dan wel een verhaalsbijdrage op te leggen van € 156,- per maand over 2023 en € 165,67 per maand over 2024.
De grieven van de man zien op:
- het recht op bijstand van de vrouw (grief I in principaal hoger beroep);
- de draagkracht van de vrouw (grief IV in principaal hoger beroep);
- het gelijkelijk verdelen van de draagkracht van de man over alle kinderen (grief II in principaal hoger beroep);
- de startersaftrek (grief III in principaal hoger beroep);
- de toekomstige kosten van de man (grief V in principaal hoger beroep).
4.3.
Het college verzoekt in principaal hoger beroep primair de verzoeken van de man af te wijzen, althans subsidiair, voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de man gehouden is tot het betalen van een lagere verhaalsbijdrage dan door de rechtbank vastgesteld, de verhaalsbijdrage vast te stellen op een zodanig bedrag als het hof juist acht, maar niet lager dan ten minste € 156,- per maand over 2023 en € 165,67 per maand over 2024.
Het college verzoekt in incidenteel hoger beroep de ingangsdatum van de verhaalsbijdrage primair te bepalen op 1 juli 2023 en subsidiair op 8 augustus 2023, althans op een zodanige datum als het hof juist acht.
5De motivering van de beslissing
Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 62 (e.v.) Participatiewet (Pw) kan de gemeente kosten van bijstand verhalen tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beoordeling van het bestaan van dit verhaalsrecht dient de gemeente ingevolge artikel 62a Pw rekening te houden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.
Recht op bijstand (grief I in principaal hoger beroep)
5.2.
De man voert in zijn eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voorbij kan worden gegaan aan zijn verweer dat de vrouw geen recht heeft op bijstand, omdat zij eigen inkomen geniet en een gezamenlijke huishouding voert met haar partner. Het college heeft naar aanleiding van de melding van de man een rechercheonderzoek uitgevoerd, waaruit niet zou zijn gebleken dat de vrouw een gezamenlijke huishouding voert met haar partner. Over het hebben van inkomen wordt door het college niet gerept, dus kennelijk heeft het onderzoek daar niet op gezien. De man acht het op zijn minst opmerkelijk dat de vrouw direct na het rechercheonderzoek zelf haar uitkering heeft stopgezet.
Van de man wordt verwacht dat hij alles aantoont en onderbouwt, terwijl het college slechts hoeft te stellen dat er een rechercheonderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit geen gezamenlijke huishouding is gebleken. Of dit onderzoek daadwerkelijk en naar behoren heeft plaatsgevonden is voor de man niet controleerbaar en hij is van mening dat het college hierin, zonder enige verdere onderbouwing, niet gevolgd kan worden. De man wordt als burger tegenover de overheid ten onrechte in zijn bewijspositie benadeeld.
5.2.1.
Het college voert het volgende aan.
In een verhaalsvordering als deze wordt niet getoetst of de bijstand waarvan de kosten verhaald worden al dan niet terecht is verleend. Het is in de eerste plaats aan de man om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kinderen. Ook als de vrouw geen bijstandsuitkering zou ontvangen, is de man verplicht naar draagkracht bij te dragen in deze kosten en deze verplichting komt hij niet na.
Naar aanleiding van het door de man gestelde heeft er een fraude-onderzoek plaatsgevonden door medewerkers van de sociale recherche naar zowel de vermeende gezamenlijke huishouding als de vermeende inkomsten van de vrouw. Beiden konden echter niet worden aangetoond. Of dit onderzoek op een juiste wijze heeft plaatsgevonden ligt in de onderhavige procedure niet ter toetsing voor. Omdat intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is, rust volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Zolang door het college niet is aangetoond/aannemelijk gemaakt kan worden dat de vrouw een gezamenlijke huishouding voert en/of inkomen geniet, moet er van worden uitgegaan dat de vrouw rechtmatig bijstand ontvangt. Het college kon daarom in redelijkheid gebruikmaken van zijn bevoegdheid tot het verhalen van de kosten van bijstand op de man. De reden van de vrouw om geen aanspraak meer te maken op bijstand is bij het college bekend en is niet gerelateerd aan het onderzoek door de sociale recherche en als dat wel zo zou zijn, kan op grond daarvan ook niet worden gesteld dat haar bijstandsuitkering in de voorgaande periode ten onrechte is verstrekt.
5.2.2.
Het hof stelt vast dat de eerste grief van de man zich richt tegen de toekenning van een uitkering krachtens de Pw aan de vrouw c.q. tegen het continueren van deze uitkering ondanks meldingen van de man over – kort gezegd – fraude door de vrouw.
Het hof stelt voorop dat in de onderhavige procedure de verhaalsbeslissing van het college van 19 oktober 2023 aan het hof voorligt en niet de beschikking van het college van 8 maart 2013, waarbij de gemeente een uitkering krachtens de Pw aan de vrouw heeft toegekend.
Voor de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag wordt uitgegaan van de maatstaven en omstandigheden die ook van belang zijn als de rechter dient te beslissen over een uitkering tot levensonderhoud (artikel 62a Pw). Dit betekent dat behoefte en draagkracht de grenzen van de op te leggen verplichting bepalen.
Vast staat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben en dat de man onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De man heeft geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de draagkracht van de vrouw. Zo de man met zijn standpunten omtrent de juistheid van de toekenning van de bijstandsuitkering, heeft bedoeld te grieven tegen de vaststelling van de draagkracht van de vrouw, door te stellen dat de vrouw wel inkomsten zou hebben, heeft de man deze stelling onvoldoende onderbouwd. De man heeft voorts niet onderbouwd op welke wijze de gezamenlijke huishouding die de vrouw volgens hem zou voeren met haar partner, van invloed is op de onderhoudsverplichting van de man jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Voor zover de grieven van de man zien op de hoogte van behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouders, komen deze in het navolgende aan de orde. De eerste grief van de man faalt echter.
Ingangsdatum (incidenteel hoger beroep)
5.3.
De rechtbank heeft de ingangsdatum vastgesteld op 23 oktober 2023, de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift door het college, omdat de man vanaf dat moment rekening had kunnen en moeten houden met de verhaalsbijdrage.
5.3.1
Het college is het niet eens met deze ingangsdatum. De man is bekend met de verhaalsprocedure vanaf ontvangst van de eerste brief van het college van 17 april 2023, dan wel vanaf ontvangst van de aangetekend verstuurde herinnering van 11 mei 2023 – welke niet retour is ontvangen –, dan wel door de brief van de gemeente met de verhaals-beschikking van 3 augustus 2023. In deze verhaalsbeschikking van 3 augustus 2023 is de verhaalsbijdrage opgelegd met ingang van 1 juli 2023. De verhaalsbijdrage wordt conform gemeentelijk beleid opgelegd met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van de eerste aanschrijving. Dit betekent dat de verhaalsbijdrage met ingang van 1 mei 2023 opgelegd had moeten worden. Omdat de afhandeling van het onderzoek langer heeft geduurd dan gebruikelijk, hetgeen niet aan de man te wijten was, en om de man niet direct te confronteren met een betalingsachterstand, is besloten de verhaalsbijdrage met ingang van 1 juli 2023 te laten ingaan.
Uit de e-mail van de man van 20 augustus 2023 aan het college blijkt dat hij de brief van 3 augustus 2023, verzonden op 7 augustus 2023, waarin de verhaalsbijdrage met ingang van 1 juli 2023 is opgelegd, heeft ontvangen.
5.3.2
De man voert het volgende aan.
De man is weliswaar door het college aangeschreven over de verhaalsbijdrage, maar hij heeft onderbouwd bezwaar gemaakt tegen de grondslag voor het opleggen van de verhaalsbijdrage. Het college heeft dit niet adequaat onderzocht. De man heeft na het doen van zijn meldingen/het maken van bezwaar inzake de ten onrechte door de vrouw ontvangen bijstand geen moment verwacht of hoeven verwachten dat het college de verhaalsbijdrage zou handhaven, omdat het college onderzoek zou doen en de verwachting was dat de bij de man bekende feiten en omstandigheden boven tafel zouden komen. De man heeft ook aangeboden de bij hem aanwezige bewijsstukken aan te leveren, maar hiervan heeft het college geen gebruik gemaakt.
5.3.3.
Het hof oordeelt als volgt.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Het hof hanteert als ingangsdatum van de verhaalsbijdrage 8 augustus 2023. Dit is de datum dat de verhaalsbeschikking van 3 augustus 2023, die is verzonden op 7 augustus 2023, de man heeft bereikt en is het eerste moment waarop de verhaalsbijdrage, waarvan de man reeds eerder op de hoogte was gesteld, is geconcretiseerd tot een bepaald bedrag. Vanaf deze datum heeft de man er dus rekening mee kunnen en moeten houden dat hij dit bedrag moest voldoen. Hetgeen de man in zijn verweer heeft aangevoerd maakt dat niet anders. Immers, los van de kwestie of de vrouw al dan niet terecht een bijstandsuitkering ontving, heeft de man een onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en vanaf het moment dat hij de verhaalsbeschikking met de onderhoudsbijdrage heeft ontvangen, heeft hij daarmee rekening kunnen en moeten houden.
Het incidentele hoger beroep van het college slaagt dus deels.
Samenloop onderhoudsverplichtingen / behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (grief II in principaal hoger beroep)
5.4.
In eerste aanleg stond tussen partijen vast dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 308,- per maand bedroeg in 2023, ofwel € 154,- per kind per maand.
De man is naast zijn onderhoudsplicht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] . Als er een samenloop is van onderhoudsverplichtingen dient de draagkracht gelijkelijk over de kinderen te worden verdeeld, tenzij er bijzondere redenen zijn die een andere verdeling rechtvaardigen, zoals een aantoonbaar verschil in behoefte tussen de kinderen (HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451).
De rechtbank heeft geoordeeld dat van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken, zodat de draagkracht gelijkelijk zal worden verdeeld. De man was/is namelijk in beide gezinnen de kostwinner, terwijl de moeders geen tot weinig inkomen hadden/hebben. Bijzondere omstandigheden die een andere draagkrachtvergelijking rechtvaardigen zijn door de man niet (voldoende) gesteld.
5.4.1.
De man voert in zijn tweede grief aan dat er een aanmerkelijk verschil is in de behoefte van de kinderen, omdat de behoefte van de oudste kinderen bijna de helft is van de behoefte van de jongere kinderen. Zeker wanneer gerekend wordt met het door de rechtbank vastgestelde netto besteedbaar inkomen van de man, is sprake van een zeer groot verschil. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de man in beide gezinnen de kostwinner was/is en de moeders in beide gezinnen weinig tot geen inkomen hadden. De man heeft immers ook jarenlang een bijstandsuitkering gehad en toen hij met de vrouw samen was hadden zij samen een minimuminkomen. Ook tijdens de relatie met zijn huidige partner heeft de man jarenlang een bijstandsuitkering ontvangen. Hij is pas enkele jaren geleden voor zichzelf begonnen. Zijn partner werkte eerder wel, maar kon dit in verband met haar gezondheid en de zorg voor vier kinderen niet volhouden. Daarom is er recent voor gekozen dat zij de zorg voor de kinderen draagt en de man werkt.
5.4.2.
Het college voert het volgende aan.
Het college betwist dat de behoefte van de oudste kinderen bijna de helft is van de behoefte van de jongere kinderen. Bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van de man in 2013 van € 1.343,86, hetgeen tevens het gezinsinkomen was. Het huidige netto besteedbaar inkomen van de man is volgens zijn advocaat € 3.930,- en de rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de man vastgesteld op € 4.131,- per maand. Van welk NBI je ook uitgaat, het huidige inkomen van de man is hoger dan het gezinsinkomen destijds, zodat overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatierichtlijnen de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] berekend dient te worden op basis van dit gestegen inkomen. De huidige partner van de man heeft geen inkomen, zodat het huidige inkomen van de man gelijk is aan het gezinsinkomen in het huidige gezin. Om die reden kan gesteld worden dat de kinderen een gelijke behoefte hebben, zodat het redelijk is dat de draagkracht van de man gelijkelijk over de kinderen wordt verdeeld.
5.4.3.
Het hof oordeelt als volgt.
Het hof stelt voorop dat het aan het college is om de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te stellen en, bij voldoende betwisting, te onderbouwen. Het college heeft dit gedaan door te stellen dat het huidige inkomen van de man hoger is dan het gezinsinkomen in 2013, zodat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatierichtlijnen, berekend dient te worden aan de hand van het huidige, hogere inkomen van de man. De man heeft in zijn grief niet toegelicht waarom deze berekeningsmethodiek niet gevolgd zou moeten worden en hij laat na (met concrete bedragen) te stellen wat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens hem is. Hiermee heeft de man de door het college gestelde behoefte onvoldoende betwist.
De man heeft - voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep - nog aangevoerd dat de aanbeveling van de Expertgroep om de behoefte te berekenen aan de hand van het huidige inkomen, indien dit inkomen hoger is dan het gezinsinkomen destijds, in dit geval niet moet worden gevolgd omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet hebben kunnen meeprofiteren van de gestegen welvaart. De kinderen hebben in de betreffende periode namelijk helemaal geen of slechts minimaal contact gehad met de man. Het hof is van oordeel dat dit argument van de man niet opgaat. De reden om op basis van het gestegen inkomen opnieuw de behoefte te berekenen is namelijk dat in de fictieve situatie dat het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, die verhoging ook een positieve invloed zou hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. Het wel of niet hebben van contact speelt hierbij dus geen rol.
Omdat de man verder niet heeft betwist dat zijn huidige inkomen hoger is dan het gezinsinkomen destijds en hij niet heeft geconcretiseerd wat de hoogte van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] ) volgens hem is, gaat het hof uit van de juistheid van de vastgestelde behoefte.
De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een aantoonbaar verschil in behoefte is tussen de kinderen, zodat zijn draagkracht terecht gelijkelijk is verdeeld over de kinderen.
De tweede grief van de man faalt.
Draagkracht van de man (grief III en V in principaal hoger beroep)
5.5.
De rechtbank heeft de draagkracht van de man berekend op basis van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021 ad € 6.175,- (de start van de onderneming was september 2021), 2022 € 47.474,- en 2023 € 74.203,-. Dit komt neer op een totale winst over een periode van 28 maanden van € 127.852,-, hetgeen neerkomt op een gemiddelde winst van 4.566,- per maand, ofwel (12 x 4.566,- =) € 54.792,- per jaar. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met een kindgebonden budget van € 521,- per maand, waarmee het NBI van de man komt op een bedrag van € 4.131,- en zijn draagkracht op € 1.202,- per maand, zodat hij € 200,- per kind per maand beschikbaar heeft voor de zes kinderen en dus voldoende draagkracht heeft om volledig te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 154,- per kind per maand.
5.5.1.
In zijn vijfde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn toekomstige kosten. Als startende ondernemer heeft de man nog geen pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekering geregeld. Alleen een arbeidsongeschiktheidsverzekering kost al € 2.500,- bruto op jaarbasis. Ook dient de man een zakelijke auto aan te schaffen. Hij was voornemens dit de gaan regelen als de onderneming goed liep en hij een buffer had kunnen opbouwen.
In zijn derde grief voert de man aan dat de rechtbank in haar berekening ten onrechte heeft gerekend met de startersaftrek.
5.5.2.
Het college voert aan dat alleen rekening kan worden gehouden met kosten die zich daadwerkelijk voordoen en niet met mogelijke toekomstige kosten, waarvan niet zeker is of die zich gaan voordoen en waarvan de hoogte niet bekend is. Uit de overgelegde jaarstukken blijken geen kosten voor pensioen, arbeidsongeschiktheidsverzekering en zakelijke auto, zodat hiermee terecht geen rekening is gehouden.
De startersaftrek kan maximaal drie keer worden toegepast in de eerste vijf jaar dat iemand ondernemer is, zodat de man, die in september 2021 is gestart met zijn onderneming, aan de voorwaarden voor de startersaftrek voldoet in de jaren waarover de rechtbank heeft gerekend (2021 t/m 2023). Ook indien geen rekening wordt gehouden met de startersaftrek is de man nog steeds in staat de verhaalsbijdrage van € 262,- en € 278,- te betalen.
5.5.3.
Het hof oordeelt als volgt.
Het hof heeft te oordelen over de periode van 8 augustus 2023 tot 1 juli 2024. Het college heeft terecht aangevoerd dat uit de overgelegde jaarstukken die betrekking hebben op deze periode geen kosten blijken voor pensioen, arbeidsongeschiktheidsverzekering en zakelijke auto, zodat hiermee terecht geen rekening is gehouden. Voor zover de man wil dat rekening wordt gehouden met kosten die hij heeft gemaakt of nog gaat maken na afloop van de betreffende periode en waarvoor hij reserveringen heeft gedaan of had willen doen, zoals tijdens de mondelinge behandeling door zijn advocaat is betoogd, heeft de man dit onvoldoende onderbouwd. De man heeft niet onderbouwd dat dergelijke reserveringen zijn gedaan en waaruit die bestaan, noch welke bedragen hiermee gemoeid zouden zijn. Het hof zal hiermee dus geen rekening houden.
Onduidelijk is gebleven in welke jaren de man de startersaftrek heeft genoten. In zijn beroepschrift lijkt de man te suggereren dat hij hiervan in 2021, 2022 en 2023 gebruik heeft gemaakt, zodat hij hiervan met ingang van 2024 en verder geen gebruik meer kan maken. Tijdens de mondelinge behandeling voert de advocaat van de man vervolgens aan dat de man tot 2026 drie keer gebruik mag maken van de startersaftrek en dat hij zelf mag kiezen in welke jaren hij dat doet. De man zou in 2023 geen gebruik hebben gemaakt van de aftrek, maar zou er naar verwachting in 2024 en 2025 gebruik van gaan maken, aldus de advocaat van de man.
Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man ligt om aan te tonen dat er ten onrechte is gerekend met de startersaftrek. De man kan echter de vraag in welke jaren hij hiervan gebruik heeft gemaakt niet beantwoorden en neemt daar wisselende standpunten over in. Ook heeft de man niet (gemotiveerd) weersproken dat ook als er geen rekening wordt gehouden met de startersaftrek, hij nog altijd voldoende draagkracht heeft, zoals door het college is gesteld. Desgevraagd heeft de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dit niet te hebben nagerekend. Het hof is van oordeel dat de man in hiermee zijn grief onvoldoende heeft onderbouwd.
Ten overvloede overweegt het hof wel de moeite te hebben genomen de draagkracht van de man te berekenen, uitgaande van de uitgangspunten zoals gehanteerd door de rechtbank, maar zonder rekening te houden met de startersaftrek en er resteert dan voldoende draagkracht om de verhaalsbijdrage te voldoen en in de onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] te voorzien.
Zowel de derde als de vijfde grief van de man falen.
Draagkracht vrouw (grief IV in principaal hoger beroep)
5.6.
De rechtbank heeft aan de zijde van de vrouw, als verzorgende ouder die een bijstandsuitkering ontvangt, geen draagkracht aangenomen overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatierichtlijnen.
5.6.1.
De man voert in zijn vierde grief het volgende aan.
De vrouw ontvangt kindgebonden budget (KGB) verhoogd met de alleenstaande ouderkop (AOK). Hiermee geen rekening houden strookt niet met hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in de uitspraak van 3 maart 2017.
Nu het KGB en AOK niet door de gemeente aan de vrouw beschikbaar worden gesteld, kan niet worden gesteld dat het college voor een deel van de kosten van de kinderen zou opdraaien, aldus de man.
5.6.2.
Het college voert het volgende aan.
Conform het Rapport Alimentatierichtlijnen wordt geen draagkracht aangenomen bij een alimentatiegerechtigde ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt. Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen. De draagkracht van de vrouw dient daarom vastgesteld te worden op nihil. Er vindt dan ook geen draagkrachtvergelijking plaats.
5.6.3.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht de aanbeveling in het Rapport Alimentatierichtlijnen heeft gevolgd om bij een verzorgende ouder met een bijstandsuitkering geen draagkracht aan te nemen. De redenering van de man dat niet kan worden gesteld dat het college voor een deel van de kosten van de kinderen zou opdraaien gaat niet op. De vrouw ontving immers bijstand en KGB/AOK. In beide gevallen betreft het inkomensondersteuning vanuit de overheid die met publieke middelen wordt bekostigd (ook) ten behoeve van de kinderen. De bijstand is een vangnet van de sociale zekerheid. Het is daarom in de eerste plaats dus aan de onderhoudsplichtige vader om, tot aan zijn draagkracht, te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De vierde grief van de man faalt.
Conclusie
5.7.
Alle grieven in principaal hoger beroep falen en het incidenteel hoger beroep slaagt deels. Dit betekent, zoals overwogen in rov. 5.3.3., dat de ingangsdatum van de verhaalsbijdrage 8 augustus 2023 zal zijn. Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beschikking echter geheel vernietigen en de verhaalsbijdrage opnieuw vaststellen met ingang van 8 augustus 2023.
6De beslissing
Het hof:
in het principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 4 september 2024, en opnieuw beschikkende:
stelt de door de man te betalen verhaalsbijdrage over de periode van 8 augustus 2023 tot 1 januari 2024 vast op € 262,- per maand;
stelt de door de man te betalen verhaalsbijdrage over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 vast op € 278,- per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en S.P.A. Wensink-Vergunst, en is op 25 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.