Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2572
2025-09-23
Civiel recht
200.347.236_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze zaak ziet op de uitleg of aanvulling van een testament.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.318 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.347.236/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna: [appellant sub 1] en/of [appellant sub 2] , tezamen [appellanten] .,
advocaat: mr. W.G.M.M. Montfort te Heerlen,
tegen
de gezamenlijke erfgenamen van [persoon A],
laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] ,
geïntimeerde(n),
hierna in enkelvoud: de erfgenaam of moeder respectievelijk erflater,
niet verschenen,
op het bij dagvaardingsexploot van 10 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het verstekvonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 augustus 2024 tussen [appellanten] als eisers en de erfgenaam als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak C/03/332950 / HA ZA 24-329)
1.1
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis van 14 augustus 2024.
1.2
De “gezamenlijke erfgenamen” van erflater zijn gedagvaard aan de laatste woonplaats van erflater te [woonplaats] . Daar woont nog steeds diens moeder [persoon B] (hierna: moeder) die -zoals hierna nog zal blijken- thans de enige erfgenaam van erflater is.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten] ;
- de rolaantekening dat tegen de erfgenaam verstek is verleend;
- de door [appellanten] genomen memorie van grieven met producties.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
De kern van de zaak in hoger beroep
2.3
Deze zaak ziet op de uitleg of aanvulling van een testament.
3De beoordeling
De feiten
3.1.1
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
a. Erflater was ongehuwd en alleenstaand.
b. Erflater heeft altijd samengewoond met zijn vader [persoon C] (hierna: vader) en
moeder, aanvankelijk in het ouderlijk huis en laatstelijk in het door erflater in 1998
gekochte appartement te [woonplaats] .
c. [persoon D] (hierna: [persoon D] ) is de zuster van erflater en de
moeder van [appellanten]
d. Bij testament van 10 september 2001 heeft erflater benoemd:
“(...) tot enige en algehele erfgenamen van mijn gehele nalatenschap, tezamen en voor gelijke delen, mijn ouders (…) en ingeval van vooroverlijden van één van hen de langstlevende van hen beiden.
(…) Voor het geval ik gelijktijdig met of na mijn beide ouders mocht komen te overlijden, (…) tot enige en algehele erfgenamen van mijn gehele nalatenschap, tezamen en voor gelijke delen, de kinderen van mijn zuster [persoon D] , te weten:
a. [appellant sub 1] (…)
b. [appellant sub 2] (…)
(…)”
e. Op 7 november 2022 is vader overleden.
f. Op 30 mei 2024 is erflater overleden.
g. Moeder is nog in leven en heeft de nalatenschap van erflater (nog) niet verworpen.
3.1.2
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
Het geding in eerste aanleg bij de rechtbank
3.2.1
In dit met de dagvaarding van 9 juli 2024 ingeleide geding hebben [appellanten] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal verklaren dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd, althans aangevuld, dat [appellanten] de enige erfgenamen van erflater zijn als moeder de nalatenschap verwerpt, met compensatie van de proceskosten.
3.2.2
Bij het beroepen verstekvonnis van 14 augustus 2024 heeft de rechtbank in hoofdlijn als volgt geoordeeld.
Volgens de tekst van het testament zijn [appellanten] slechts erfgenamen in het geval beide ouders zijn vooroverleden, maar die situatie doet zich niet voor (rov. 4.1.1).
De door [appellanten] voorgestane uitleg van het testament dat erflater heeft bedoeld dat [appellanten] ook erfgenaam zouden zijn als de ouders of ingeval van vooroverlijden één van de ouders de nalatenschap zou(den) verwerpen, wordt niet gevolgd (rov. 4.1.2).
Ook van aanvulling van het testament kan geen sprake zijn (rov. 4.1.3).
In het dictum heeft de rechtbank de vordering van [appellanten] afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de op nihil begrote proceskosten.
Het geding in hoger beroep bij dit hof
3.3.1
In dit met de dagvaarding van 10 oktober 2024 ingeleide hoger beroep formuleren [appellanten] twee grieven en concluderen [appellanten] , kort samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de afgewezen vorderingen van [appellanten] alsnog zal toewijzen, met compensatie van de proceskosten in beide instanties.
3.3.2
Tegen de in rechte niet verschenen erfgenaam is verstek verleend.
De aan het hof voorliggende vorderingen en grieven
3.4
Met de toegelichte grieven 1 en 2 komen [appellanten] op tegen de afwijzing van hun vordering tot verklaring voor recht dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd, althans aangevuld, dat [appellanten] de enige erfgenamen van erflater zijn als moeder de nalatenschap verwerpt. [appellanten] betogen hiertoe naar de kern genomen dat erflater heeft willen regelen dat [appellanten] niet alleen erfgenamen zullen zijn als zijn ouders zijn vooroverleden, maar ook als de nalatenschap door de ouders, althans de langstlevende ouder, wordt verworpen. [appellanten] stellen dat moeder overweegt de nalatenschap van erflater te verwerpen en de nalatenschap aldus door te schuiven aan [appellanten] Zij voeren aan ter voorkoming van misverstanden en mogelijk ongewenste onomkeerbare (rechts)handelingen belang te hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. Volgens [appellanten] brengt uitleg van het testament mee dat als moeder de nalatenschap verwerpt, [appellanten] de erfgenamen van erflater zijn, althans dat het testament zo moet worden aangevuld. Het hof zal de grieven 1 en 2 gezamenlijk behandelen.
3.5.1
In zijn testament heeft erflater voor het geval van zijn vooroverlijden tot zijn erfgenamen benoemd zijn beide ouders en bij vooroverlijden van één van beiden de langstlevende ouder. Voor het geval dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders mocht overlijden, zijn [appellanten] volgens het testament zijn erfgenamen. De situatie dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders is overleden, doet zich evenwel niet voor. Vader en erflater zelf zijn inmiddels overleden, maar moeder is immers nog in leven.
3.5.2
Het voorgaande wordt niet anders door het door [appellanten] ingeroepen eerdere testament van 4 december 1998. Daarin had erflater in identieke bewoordingen in zoverre hetzelfde bepaald, zij het dat voor het geval dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders mocht overlijden (niet [appellanten] , maar) zijn zus [persoon D] was aangewezen als zijn erfgenaam. Dat [persoon D] in 2001 met onbekende bestemming is vertrokken en sindsdien de banden met haar familie heeft verbroken, was volgens [appellanten] voor erflater aanleiding om [persoon D] in het testament te vervangen door [appellanten] en zij zetten dat kracht bij met een op 12 september 2024 gedateerde notariële akte die een verklaring van moeder weergeeft. De bedoelde herroeping van de erfstelling van [persoon D] , althans wijziging van [persoon D] naar [appellanten] , laat evenwel onverlet dat zich niet de in het testament genoemde situatie voordoet dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders is overleden. Dat erflater volgens de verklaring van moeder nooit rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat hij vóór zijn ouders zou overlijden, maakt dit niet anders.
Bovendien verklaart moeder ook dat erflater in 1998 een woning kocht en dat vader en moeder bij erflater gingen inwonen, hetgeen eerder erop duidt dat erflater wilde regelen dat zijn beide ouders of de langstlevende van hen bij zijn vooroverlijden verzekerd waren van een onderdak (zie ook hierna onder 3.7).
3.5.3
Dat [persoon E] als zus van erflater in haar op 13 oktober 2024 gedateerde schriftelijke verklaring weergeeft wat zij wat erflater heeft gehoord en weet, daargelaten dat dit niet overeenkomt met de inhoud van het testament, laat onverlet dat zich niet de door erflater in het testament genoemde situatie voordoet dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders is overleden.
3.5.4
Voor zover de ongedateerde schriftelijke verklaringen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] weergeven wat erflater hen heeft gezegd en wat zij van erflater weten, doet dit er niet aan af dat zich niet de in het testament genoemde situatie voordoet dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders is overleden. Waar [appellant sub 2] in zijn schriftelijke verklaring aangeeft dat erflater de laatste jaren sukkelde met zijn gezondheid, heeft erflater daarin -ook na het overlijden van vader op 7 november 2022- kennelijk geen aanleiding gezien voor een aanpassing of wijziging van zijn testament op dit punt.
3.6
Voor zover [appellanten] betogen dat het testament van erflater anders moet worden uitgelegd, stelt het hof als uitgangspunt voorop dat ingevolge artikel 4:46 lid 1 BW bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
3.7.1
Uit de bewoordingen van het testament volgt geenszins dat [appellanten] niet alleen erfgenamen zullen zijn als zijn ouders zijn vooroverleden, maar ook als de nalatenschap door de ouders, althans de langstlevende ouder, wordt verworpen. In zoverre zijn de bewoordingen van het testament niet onduidelijk en wijst het testament zelf niet op de door [appellanten] voorgestane uitleg.
3.7.2
Het sinds 1 januari 2003 geldende artikel 4:12 lid 1 BW bepaalt voor zover relevant, dat plaatsvervulling geschiedt met betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan of die verwerpen. De verwijzing door [appellanten] naar deze mogelijkheid baat hen niet. Deze regeling geldt immers alleen voor de erfopvolging bij versterf en niet voor het testamentaire erfrecht. In geval van een testamentaire vererving dient als een plaatsvervulling is gewenst, deze plaatsvervulling met zoveel woorden in de uiterste wil te worden opgenomen, zoals dat ook voor de invoering van het nieuwe erfrecht het geval was.
Bij verwerping door moeder erven haar kinderen krachtens het versterferfrecht.
Erflater had destijds bij testament andere voorzieningen kunnen treffen met een soortgelijk gevolg, bijvoorbeeld door erfgenamen onder voorwaarden aan te wijzen of door een fideï-commissaire making. Dit heeft erflater evenwel niet gedaan. De bewoordingen van het testament bieden geen aanwijzingen voor een bedoeling van erflater om de door [appellanten] voorgestane plaatsvervulling te regelen.
3.7.3
Voorts betogen [appellanten] dat erflater met het testament heeft willen regelen dat zijn ouders, althans de langstlevende ouder, bij leven desgewenst (een deel van) zijn nalatenschap naar [appellanten] kunnen (door)schuiven. Ook dit bepaalt het testament niet en voor een dergelijke bedoeling van erflater biedt het testament zelf geen aanwijzingen.
3.7.4
Voor zover relevant bepaalt artikel 4:46 lid 2 BW dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitleg van een beschikking mogen worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. De situatie dat het testament zonder daden of verklaringen van erflater buiten het testament geen duidelijke zin heeft, doet zich hier evenwel niet voor.
3.7.5
Voor zover relevant bepaalt artikel 4:46 lid 3 BW dat wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer wordt gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld. De situatie dat erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, doet zich hier echter niet voor.
3.7.6
[appellanten] wijzen er verder op dat erflater alleenstaand was, altijd deel is blijven uitmaken van het ouderlijk huis en de peetoom was van [appellant sub 1] . Mede in het licht hiervan betogen [appellanten] dat erflater in zijn testament heeft willen regelen dat zijn nalatenschap aan zijn ouders toekomt en anders aan [appellanten] Het testament bepaalt dit echter niet en de bewoordingen van het testament bieden ook geen aanwijzingen voor een dergelijke bedoeling van erflater.
3.7.7
Al het voorgaande leidt er toe dat van de door [appellanten] voorgestane uitleg geen sprake kan zijn.
3.8
Voor zover relevant is ingevolge artikel 4:47 BW aanvulling van een uiterste wilsbeschikking alleen mogelijk wanneer de uitvoering van een beschikking blijvend onmogelijk is en dan alleen als uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater die aanvulling zou hebben gemaakt, wanneer hem de onmogelijkheid bekend was geweest.
Zoals uit het voorgaande volgt, doet zich hier echter niet de situatie voor dat de uitvoering van het testament van erflater blijvend onmogelijk is. Ook is uit het testament zelf niet af te leiden dat erflater die aanvulling zelf zou hebben willen maken. Reeds hierom kan van de door [appellanten] voorgestane aanvulling geen sprake zijn.
3.9
Voor zover de hiervoor reeds genoemde schriftelijke verklaringen en de op 25 september 2024 gedateerde schriftelijke verklaring van [persoon F] , schoonvader van [appellant sub 1] , aangeven dat erflater iets anders zou hebben gewild dan het testament aangeeft, kan en mag het hof dat niet volgen. Al het voorgaande brengt mee dat het hof [appellanten] niet volgt in hun standpunt dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd, althans aangevuld, dat [appellanten] de enige erfgenamen van erflater zijn als moeder de nalatenschap verwerpt. De rechtbank heeft de daartoe strekkende vordering tot verklaring voor recht terecht afgewezen.
De slotsom
3.11
Nu wat verder nog is aangevoerd geen concrete feiten bevat die anders doen beslissen, passeert het hof wat [appellanten] verder nog te bewijzen aanbiedt en concludeert het hof dat de voorliggende vordering tot verklaring voor recht dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd, althans aangevuld, dat [appellanten] de enige erfgenamen van erflater zijn als moeder de nalatenschap verwerpt, niet toewijsbaar is. De grieven moeten worden verworpen en omdat [appellanten] de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij blijft, heeft de rechtbank [appellanten] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld.
Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen en de ongelijk krijgende [appellanten] ook veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep, die worden gesteld op nihil.
Het hof beslist nu als volgt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 14 augustus 2024:
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de proceskosten van de erfgenaam ten bedrage van € 0,-- voor dit hoger beroep;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, C.M.J. Peters en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.347.236/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna: [appellant sub 1] en/of [appellant sub 2] , tezamen [appellanten] .,
advocaat: mr. W.G.M.M. Montfort te Heerlen,
tegen
de gezamenlijke erfgenamen van [persoon A],
laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] ,
geïntimeerde(n),
hierna in enkelvoud: de erfgenaam of moeder respectievelijk erflater,
niet verschenen,
op het bij dagvaardingsexploot van 10 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het verstekvonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 augustus 2024 tussen [appellanten] als eisers en de erfgenaam als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak C/03/332950 / HA ZA 24-329)
1.1
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis van 14 augustus 2024.
1.2
De “gezamenlijke erfgenamen” van erflater zijn gedagvaard aan de laatste woonplaats van erflater te [woonplaats] . Daar woont nog steeds diens moeder [persoon B] (hierna: moeder) die -zoals hierna nog zal blijken- thans de enige erfgenaam van erflater is.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten] ;
- de rolaantekening dat tegen de erfgenaam verstek is verleend;
- de door [appellanten] genomen memorie van grieven met producties.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
De kern van de zaak in hoger beroep
2.3
Deze zaak ziet op de uitleg of aanvulling van een testament.
3De beoordeling
De feiten
3.1.1
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
a. Erflater was ongehuwd en alleenstaand.
b. Erflater heeft altijd samengewoond met zijn vader [persoon C] (hierna: vader) en
moeder, aanvankelijk in het ouderlijk huis en laatstelijk in het door erflater in 1998
gekochte appartement te [woonplaats] .
c. [persoon D] (hierna: [persoon D] ) is de zuster van erflater en de
moeder van [appellanten]
d. Bij testament van 10 september 2001 heeft erflater benoemd:
“(...) tot enige en algehele erfgenamen van mijn gehele nalatenschap, tezamen en voor gelijke delen, mijn ouders (…) en ingeval van vooroverlijden van één van hen de langstlevende van hen beiden.
(…) Voor het geval ik gelijktijdig met of na mijn beide ouders mocht komen te overlijden, (…) tot enige en algehele erfgenamen van mijn gehele nalatenschap, tezamen en voor gelijke delen, de kinderen van mijn zuster [persoon D] , te weten:
a. [appellant sub 1] (…)
b. [appellant sub 2] (…)
(…)”
e. Op 7 november 2022 is vader overleden.
f. Op 30 mei 2024 is erflater overleden.
g. Moeder is nog in leven en heeft de nalatenschap van erflater (nog) niet verworpen.
3.1.2
Zo nodig zal het hof hierna nog nadere feiten vaststellen.
Het geding in eerste aanleg bij de rechtbank
3.2.1
In dit met de dagvaarding van 9 juli 2024 ingeleide geding hebben [appellanten] in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal verklaren dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd, althans aangevuld, dat [appellanten] de enige erfgenamen van erflater zijn als moeder de nalatenschap verwerpt, met compensatie van de proceskosten.
3.2.2
Bij het beroepen verstekvonnis van 14 augustus 2024 heeft de rechtbank in hoofdlijn als volgt geoordeeld.
Volgens de tekst van het testament zijn [appellanten] slechts erfgenamen in het geval beide ouders zijn vooroverleden, maar die situatie doet zich niet voor (rov. 4.1.1).
De door [appellanten] voorgestane uitleg van het testament dat erflater heeft bedoeld dat [appellanten] ook erfgenaam zouden zijn als de ouders of ingeval van vooroverlijden één van de ouders de nalatenschap zou(den) verwerpen, wordt niet gevolgd (rov. 4.1.2).
Ook van aanvulling van het testament kan geen sprake zijn (rov. 4.1.3).
In het dictum heeft de rechtbank de vordering van [appellanten] afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de op nihil begrote proceskosten.
Het geding in hoger beroep bij dit hof
3.3.1
In dit met de dagvaarding van 10 oktober 2024 ingeleide hoger beroep formuleren [appellanten] twee grieven en concluderen [appellanten] , kort samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de afgewezen vorderingen van [appellanten] alsnog zal toewijzen, met compensatie van de proceskosten in beide instanties.
3.3.2
Tegen de in rechte niet verschenen erfgenaam is verstek verleend.
De aan het hof voorliggende vorderingen en grieven
3.4
Met de toegelichte grieven 1 en 2 komen [appellanten] op tegen de afwijzing van hun vordering tot verklaring voor recht dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd, althans aangevuld, dat [appellanten] de enige erfgenamen van erflater zijn als moeder de nalatenschap verwerpt. [appellanten] betogen hiertoe naar de kern genomen dat erflater heeft willen regelen dat [appellanten] niet alleen erfgenamen zullen zijn als zijn ouders zijn vooroverleden, maar ook als de nalatenschap door de ouders, althans de langstlevende ouder, wordt verworpen. [appellanten] stellen dat moeder overweegt de nalatenschap van erflater te verwerpen en de nalatenschap aldus door te schuiven aan [appellanten] Zij voeren aan ter voorkoming van misverstanden en mogelijk ongewenste onomkeerbare (rechts)handelingen belang te hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. Volgens [appellanten] brengt uitleg van het testament mee dat als moeder de nalatenschap verwerpt, [appellanten] de erfgenamen van erflater zijn, althans dat het testament zo moet worden aangevuld. Het hof zal de grieven 1 en 2 gezamenlijk behandelen.
3.5.1
In zijn testament heeft erflater voor het geval van zijn vooroverlijden tot zijn erfgenamen benoemd zijn beide ouders en bij vooroverlijden van één van beiden de langstlevende ouder. Voor het geval dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders mocht overlijden, zijn [appellanten] volgens het testament zijn erfgenamen. De situatie dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders is overleden, doet zich evenwel niet voor. Vader en erflater zelf zijn inmiddels overleden, maar moeder is immers nog in leven.
3.5.2
Het voorgaande wordt niet anders door het door [appellanten] ingeroepen eerdere testament van 4 december 1998. Daarin had erflater in identieke bewoordingen in zoverre hetzelfde bepaald, zij het dat voor het geval dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders mocht overlijden (niet [appellanten] , maar) zijn zus [persoon D] was aangewezen als zijn erfgenaam. Dat [persoon D] in 2001 met onbekende bestemming is vertrokken en sindsdien de banden met haar familie heeft verbroken, was volgens [appellanten] voor erflater aanleiding om [persoon D] in het testament te vervangen door [appellanten] en zij zetten dat kracht bij met een op 12 september 2024 gedateerde notariële akte die een verklaring van moeder weergeeft. De bedoelde herroeping van de erfstelling van [persoon D] , althans wijziging van [persoon D] naar [appellanten] , laat evenwel onverlet dat zich niet de in het testament genoemde situatie voordoet dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders is overleden. Dat erflater volgens de verklaring van moeder nooit rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat hij vóór zijn ouders zou overlijden, maakt dit niet anders.
Bovendien verklaart moeder ook dat erflater in 1998 een woning kocht en dat vader en moeder bij erflater gingen inwonen, hetgeen eerder erop duidt dat erflater wilde regelen dat zijn beide ouders of de langstlevende van hen bij zijn vooroverlijden verzekerd waren van een onderdak (zie ook hierna onder 3.7).
3.5.3
Dat [persoon E] als zus van erflater in haar op 13 oktober 2024 gedateerde schriftelijke verklaring weergeeft wat zij wat erflater heeft gehoord en weet, daargelaten dat dit niet overeenkomt met de inhoud van het testament, laat onverlet dat zich niet de door erflater in het testament genoemde situatie voordoet dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders is overleden.
3.5.4
Voor zover de ongedateerde schriftelijke verklaringen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] weergeven wat erflater hen heeft gezegd en wat zij van erflater weten, doet dit er niet aan af dat zich niet de in het testament genoemde situatie voordoet dat erflater gelijk met of na zijn beide ouders is overleden. Waar [appellant sub 2] in zijn schriftelijke verklaring aangeeft dat erflater de laatste jaren sukkelde met zijn gezondheid, heeft erflater daarin -ook na het overlijden van vader op 7 november 2022- kennelijk geen aanleiding gezien voor een aanpassing of wijziging van zijn testament op dit punt.
3.6
Voor zover [appellanten] betogen dat het testament van erflater anders moet worden uitgelegd, stelt het hof als uitgangspunt voorop dat ingevolge artikel 4:46 lid 1 BW bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
3.7.1
Uit de bewoordingen van het testament volgt geenszins dat [appellanten] niet alleen erfgenamen zullen zijn als zijn ouders zijn vooroverleden, maar ook als de nalatenschap door de ouders, althans de langstlevende ouder, wordt verworpen. In zoverre zijn de bewoordingen van het testament niet onduidelijk en wijst het testament zelf niet op de door [appellanten] voorgestane uitleg.
3.7.2
Het sinds 1 januari 2003 geldende artikel 4:12 lid 1 BW bepaalt voor zover relevant, dat plaatsvervulling geschiedt met betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan of die verwerpen. De verwijzing door [appellanten] naar deze mogelijkheid baat hen niet. Deze regeling geldt immers alleen voor de erfopvolging bij versterf en niet voor het testamentaire erfrecht. In geval van een testamentaire vererving dient als een plaatsvervulling is gewenst, deze plaatsvervulling met zoveel woorden in de uiterste wil te worden opgenomen, zoals dat ook voor de invoering van het nieuwe erfrecht het geval was.
Bij verwerping door moeder erven haar kinderen krachtens het versterferfrecht.
Erflater had destijds bij testament andere voorzieningen kunnen treffen met een soortgelijk gevolg, bijvoorbeeld door erfgenamen onder voorwaarden aan te wijzen of door een fideï-commissaire making. Dit heeft erflater evenwel niet gedaan. De bewoordingen van het testament bieden geen aanwijzingen voor een bedoeling van erflater om de door [appellanten] voorgestane plaatsvervulling te regelen.
3.7.3
Voorts betogen [appellanten] dat erflater met het testament heeft willen regelen dat zijn ouders, althans de langstlevende ouder, bij leven desgewenst (een deel van) zijn nalatenschap naar [appellanten] kunnen (door)schuiven. Ook dit bepaalt het testament niet en voor een dergelijke bedoeling van erflater biedt het testament zelf geen aanwijzingen.
3.7.4
Voor zover relevant bepaalt artikel 4:46 lid 2 BW dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitleg van een beschikking mogen worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. De situatie dat het testament zonder daden of verklaringen van erflater buiten het testament geen duidelijke zin heeft, doet zich hier evenwel niet voor.
3.7.5
Voor zover relevant bepaalt artikel 4:46 lid 3 BW dat wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer wordt gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld. De situatie dat erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, doet zich hier echter niet voor.
3.7.6
[appellanten] wijzen er verder op dat erflater alleenstaand was, altijd deel is blijven uitmaken van het ouderlijk huis en de peetoom was van [appellant sub 1] . Mede in het licht hiervan betogen [appellanten] dat erflater in zijn testament heeft willen regelen dat zijn nalatenschap aan zijn ouders toekomt en anders aan [appellanten] Het testament bepaalt dit echter niet en de bewoordingen van het testament bieden ook geen aanwijzingen voor een dergelijke bedoeling van erflater.
3.7.7
Al het voorgaande leidt er toe dat van de door [appellanten] voorgestane uitleg geen sprake kan zijn.
3.8
Voor zover relevant is ingevolge artikel 4:47 BW aanvulling van een uiterste wilsbeschikking alleen mogelijk wanneer de uitvoering van een beschikking blijvend onmogelijk is en dan alleen als uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater die aanvulling zou hebben gemaakt, wanneer hem de onmogelijkheid bekend was geweest.
Zoals uit het voorgaande volgt, doet zich hier echter niet de situatie voor dat de uitvoering van het testament van erflater blijvend onmogelijk is. Ook is uit het testament zelf niet af te leiden dat erflater die aanvulling zelf zou hebben willen maken. Reeds hierom kan van de door [appellanten] voorgestane aanvulling geen sprake zijn.
3.9
Voor zover de hiervoor reeds genoemde schriftelijke verklaringen en de op 25 september 2024 gedateerde schriftelijke verklaring van [persoon F] , schoonvader van [appellant sub 1] , aangeven dat erflater iets anders zou hebben gewild dan het testament aangeeft, kan en mag het hof dat niet volgen. Al het voorgaande brengt mee dat het hof [appellanten] niet volgt in hun standpunt dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd, althans aangevuld, dat [appellanten] de enige erfgenamen van erflater zijn als moeder de nalatenschap verwerpt. De rechtbank heeft de daartoe strekkende vordering tot verklaring voor recht terecht afgewezen.
De slotsom
3.11
Nu wat verder nog is aangevoerd geen concrete feiten bevat die anders doen beslissen, passeert het hof wat [appellanten] verder nog te bewijzen aanbiedt en concludeert het hof dat de voorliggende vordering tot verklaring voor recht dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd, althans aangevuld, dat [appellanten] de enige erfgenamen van erflater zijn als moeder de nalatenschap verwerpt, niet toewijsbaar is. De grieven moeten worden verworpen en omdat [appellanten] de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij blijft, heeft de rechtbank [appellanten] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld.
Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen en de ongelijk krijgende [appellanten] ook veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep, die worden gesteld op nihil.
Het hof beslist nu als volgt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het beroepen vonnis van 14 augustus 2024:
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de proceskosten van de erfgenaam ten bedrage van € 0,-- voor dit hoger beroep;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, C.M.J. Peters en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffier rolraadsheer