Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2863

2026-02-25 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/58
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-25
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/58
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/2018

Inhoudsindicatie

Naheffing bpm. Interne compensatie. Hof verhoogt handelsinkoopwaarde. Hoger beroep ongegrond.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.693 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/58



Uitspraak van 25 februari 2026


in het geding tussen:



[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2024, nr. SGR 23/6969.





Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 24.095 (de naheffingsaanslag).



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.






Feiten


2.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 29.222 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Lincoln Navigator L 4x4 SUV (de auto). Daarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 291 g/km WLTP. De datum van eerste toelating van de auto is
14 september 2021.




2.2.

De RDW heeft de auto op 16 mei 2022 gekeurd voor gebruik op de weg. Daarbij
heeft de RDW de CO2-uitstoot berekend en vastgesteld op 411 g/km WLTP. Op het eerder
afgegeven Duitse kentekenbewijs stond een CO2-uitstoot van 291 g/km vermeld.




2.3.

De Inspecteur heeft op basis van de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van
411 g/km WLTP met dagtekening 16 december 2022 de onderhavige naheffingsaanslag
opgelegd.






Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:


“5. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023[1] (het arrest)
bepaalt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 dat het
afschrijvingspercentage bij toepassing van de koerslijst- of taxatiemethode moet worden
bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de
taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de historische nieuwprijs van dat
motorrijtuig. De historische nieuwprijs is de som van de catalogusprijs van het te registreren
voertuig en het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren voertuig verschuldigd zou zijn
geweest op het tijdstip waarop het voor het voertuig eerst in gebruik werd genomen. Gelet
hierop dient, anders dan verweerder bepleit, voor het bepalen van de Bpm die voor de auto
verschuldigd is niet te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot (en dus de bruto Bpm) van de
referentievoertuigen, maar van de CO2-uitstoot (en dus de bruto Bpm) van de auto zelf.
Tussen partijen is niet in geschil dat de historische nieuwprijs in dat geval € 204.824
bedraagt. Het gelijk op dit punt is aan eiseres.


6. Verweerder stelt dat een hogere historische nieuwprijs resulteert in een hogere

handelsinkoopwaarde. Volgens verweerder geldt als uitgangspunt dat een hogere CO2-
uitstoot in zijn algemeenheid een waarde verhogende invloed op de handelsinkoopwaarde
heeft. Daarom dient, bij verhoging van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde
te worden verhoogd met de niet-afgeschreven component van de extra Bpm die het gevolg
is van de hogere CO2-uitstoot. De handelsinkoopwaarde bedraagt volgens verweerder dan
ten minste € 151.729.


7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het genoemde arrest van 22 december 2023

volgt dat ter bepaling van de historische nieuwprijs het bedrag aan Bpm in aanmerking moet
worden genomen dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip
waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is,
gelijk verweerder bepleit, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet
worden genomen ten opzichte van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde van
het referentievoertuig.[2] Daarbij geldt als uitgangspunt dat een hogere CO2-uitstoot in zijn
algemeenheid samengaat met een hogere handelsinkoopwaarde. Die hogere CO2-uitstoot
wordt immers veroorzaakt door een andere - over het algemeen duurdere - uitrusting of
uitvoering. Indien, zoals in dit geval, verweerder gemotiveerd de door eiseres verdedigde
vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van eiseres om de feiten te stellen en
aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen.[3] Eiseres dient daarom het bewijs
te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en
dus niet tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke
verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat
een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid samengaat met een hogere
handelsinkoopwaarde van de te registreren auto. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet
opgaat, zoals eiser doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren
en zo nodig aannemelijk te maken.[4]


8. Eiseres is niet in deze bewijslast geslaagd. Zij heeft niet onderbouwd dat de

afwijkende (hogere) CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde van de
auto, bijvoorbeeld met een koerslijst of deskundigenonderzoek waaruit dit blijkt. Dit
betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de auto een zodanige
invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het
afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.[5] Dan bestaat geen aanleiding om eiseres te
volgen in haar standpunt dat in dit verband een vermindering van de naheffingsaanslag op
zijn plaats is.


9. Daar komt nog bij dat verweerder in dit geval naar het oordeel van de rechtbank

daarnaast aannemelijk heeft gemaakt dat de bewuste referentievoertuigen wél ook op andere
punten dan enkel de CO2-uitstoot, waaronder - in niet geringe mate - het vermogen,
afwijken van de auto. Verweerder heeft daartoe - door eiseres niet weersproken - gewezen
op de volgende feiten en omstandigheden. De auto van eiseres heeft een uitstoot van 411
gr/km WLTP en het referentievoertuig waarvan de koerslijst Autotelex is gebruikt heeft een
uitstoot van 291 gr/km WLTP. Aangezien dit referentievoertuig een soortgelijke uitvoering
betreft als het referentievoertuig waarvan de koerslijst Eurotax is gebruikt, houdt de
rechtbank het ervoor dat dat referentievoertuig een vergelijkbare uitstoot van om en nabij de
291 gr/km zal hebben. Dit verschil is zo groot, dat dit reeds doet vermoeden dat de auto ook
op andere punten dan enkel de CO2-uitstoot afwijkt van de gehanteerde
referentievoertuigen. Verder blijkt uit de gedingstukken dat de auto een vermogen heeft van
335 Kw, terwijl het referentievoertuig waarvan de koerslijst Eurotax is gebruikt (en dus,
overeenkomstig het hiervoor overwogene, naar alle waarschijnlijkheid óók het
referentievoertuig waarvan de koerslijst Autotelex is gebruikt) een vermogen heeft van 260
Kw dan wel - overeenkomstig het hiervoor overwogene voor het referentievoertuig waarvan
de koerslijst Autotelex is gebruikt – om en nabij 260 Kw. Ook dit verschil is aanmerkelijk en
doet vermoeden dat de auto ook op andere punten dan enkel de CO2-uitstoot afwijkt van de
gehanteerde referentievoertuigen. Daar komt bij dat de auto een voertuig betreft dat is
geproduceerd voor de Amerikaanse markt en dit model als zodanig niet op de Nederlandse
markt is gebracht. Verweerder heeft aldus - daargelaten dat de bewijslast naar het oordeel
van de rechtbank reeds op eiseres rust - het vermoeden doen ontstaan dat de
handelsinkoopwaarde voor het referentievoertuig zoals die voortvloeit uit de gebruikte
koerslijsten voor dat referentievoertuig niet één-op-één kan worden overgenomen voor de
auto, in die zin dat het vermoeden bestaat dat niet alleen de historische nieuwprijs maar óók
de handelsinkoopwaarde van de auto hoger zal zijn dan die van de referentievoertuigen
zoals blijkt uit de oorspronkelijke koerslijsten (gebaseerd op de CO2-uitstoot van het
referentievoertuig). Ook uit dien hoofde zou het dus op de weg van eiseres hebben gelegen
om daarvan tegenbewijs te leveren, hetgeen zij dus niet heeft gedaan.


10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.



Immateriële schade


11. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en
beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar
tegen de naheffingsaanslag op 29 december 2022 ontvangen en de uitspraak van de
rechtbank is van 20 december 2024. De redelijke termijn is niet overschreden.




Proceskosten


12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.


(…)



[1] ECLI:NL:HR:2023:1703
[2] Vergelijk Hoge Raad 12 mei 2023. ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3. en ook gerechtshof Arnhem-
Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
[3] Vergelijk Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
[4] Vergelijk gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en
gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
[5] Vergelijk gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.”





Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd en meer specifiek de hoogte van de handelsinkoopwaarde.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 10.609. Belanghebbende verzoekt voorts om een proceskostenvergoeding.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.





Beoordeling van het hoger beroep


5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto uit Canada komt, dat hij niet in een koerslijst voorkomt en dat hij een CO2-uitstoot heeft van 411 g/km. Ook de historische nieuwprijs van € 204.824 en de bruto bpm van € 114.686 zijn niet in geschil. Partijen houdt uitsluitend verdeeld of de Rechtbank terecht is uitgegaan van een hogere handelsinkoopwaarde.



5.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de handelsinkoopwaarde kan worden vastgesteld op basis van de koerslijst Eurotax. Een hogere CO2-uitstoot heeft ook nadelen, zoals een hogere verzekeringspremie, een hogere fiscale bijtelling voor zakelijke rijders en de verplichting om een alarmklasse 5 te installeren voor de verzekering. De Rechtbank heeft niet onderbouwd waarom de hogere CO2-uitstoot tot een hogere handelsinkoopwaarde leidt, hetgeen het lastig maakt voor belanghebbende om het tegendeel aannemelijk te maken. De Rechtbank heeft de bewijslast ten onrechte omgekeerd, zoals volgt uit een uitspraak van het Hof (ECLI:NL:GHDHA:2024:738). De waardering van tweedehands voertuigen is geen wiskundige afgeleide van de bruto bpm, maar afhankelijk van talrijke marktfactoren. De Inspecteur betwist dat de koerslijst bruikbaar is. Belanghebbende heeft, zo heeft de Inspecteur in zijn verweerschrift berekend, € 151.729 voor de auto betaald, inclusief de op basis van het taxatierapport van de kant van belanghebbende berekende en voldane bpm van € 29.222. Het is niet geloofwaardig dat de auto maar € 71.137 waard zou zijn, zoals de taxateur van belanghebbende stelt. Het verschil tussen beide koerslijsten (€ 114.359 AutotelexPro en € 78.813 Eurotax) is evenmin verklaard. De aankoopprijs van (omgerekend) € 92.042 is een aanwijzing dat de handelsinkoopwaarde veel hoger ligt.



5.3.

In het arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“4.2.7 Naar aanleiding van het middel wordt over de toepassing van de taxatiemethode het volgende opgemerkt. Indien een motorrijtuig van een bepaald merk, model, type, uitvoering en leeftijd, met niet meer dan normale gebruiksschade, niet voorkomt in een algemeen toegepaste koerslijst, sluit dat niet uit dat bij toepassing van de taxatiemethode de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig. In dat geval is de in die koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De door taxatie berekende waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht en waarop de koerslijstwaarde is gebaseerd.”




5.4.
Het Hof leidt uit het hiervoor aangehaalde arrest af dat de handelsinkoopwaarde van de auto niet zonder meer kan worden afgeleid uit een koerslijst. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de auto niet voorkomt in een koerslijst. Belanghebbende heeft met haar verwijzing naar de koerslijst van Eurotax de door haar bepleite handelsinkoopwaarde niet aannemelijk gemaakt. Merk, model, type en uitvoering komen totaal niet overeen. Dat het verschil tussen de CO2-uitstoot gemeten op basis van NEDC dan wel WLTP heel groot is, hetgeen volgens belanghebbende een aanwijzing is dat de hoge uitstoot wordt veroorzaakt door de meetmethode, acht het Hof niet relevant. Belanghebbende bedoelt hiermee dat de hoge uitstoot op zich niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde dan die van de referentieauto uit de koerslijst, maar gelet op het arrest is dit niet voldoende om toch de koerslijst toe te kunnen passen. Dat de voertuigen voldoende vergelijkbaar zijn, blijkt uit niets. Aan belanghebbende moet weliswaar worden toegegeven dat de Rechtbank zich heeft vergist in het motorvermogen van het referentievoertuig, maar het feit dat de auto een lager motorvermogen heeft dan het referentievoertuig betekent nog niet automatisch dat de auto minder waard is. Een autohandelaar kijkt naar meer aspecten bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde. Zo heeft belanghebbende onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke verschillen bestaan tussen de auto en het referentievoertuig wat betreft opties en accessoires, terwijl algemeen bekend is dat auto’s die voor de Amerikaanse markt zijn gebouwd luxer zijn uitgerust vanwege de lange afstanden. Het standpunt van de Inspecteur kan evenmin zonder meer worden gevolgd, omdat de handelsinkoopwaarde niet gelijk is aan het bedrag dat belanghebbende heeft opgeofferd om de auto in Nederland te kunnen gebruiken.



5.5.
In zo’n geval moet de handelsinkoopwaarde in goede justitie worden vastgesteld. Gelet op de jonge leeftijd van de auto, de lage kilometerstand (3.293), de staat waarin de auto is ingevoerd (geen schade) en de bijzondere kenmerken (Amerikaans merk, niet in Nederland voorkomend model en uitvoering) acht het Hof een handelsinkoopwaarde aannemelijk die dichter bij het standpunt van de Inspecteur ligt dan bij dat van belanghebbende. Er moet immers een bijzondere reden zijn geweest voor belanghebbende om juist deze auto naar Nederland te halen en de bijkomende kosten voor lief te nemen. Dit betekent dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is.



5.6.
Indien en voor zover belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel beroept, faalt dit. De Inspecteur heeft in de aanslagregelende fase en ook in de bezwaarfase geen uitlatingen gedaan over de hoogte van de handelsinkoopwaarde waaraan belanghebbende enig gewettigd vertrouwen kan ontlenen. Het stond de Inspecteur dan ook vrij om zich in de beroepsfase op het standpunt te stellen dat van een te lage handelsinkoopwaarde is uitgegaan en zich op interne compensatie te beroepen.



Slotsom





5.7.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten


6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.





Beslissing


Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.




Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.M.D.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.




De griffier, de voorzitter,







L. van den Bogerd A. van Dongen



De beslissing is op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.





Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.





Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.