Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2725
2026-09-08
Civiel recht
200.322.192/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dexia / tussenpersoon / advisering / wetenschap
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2020:809 Hoge Raad 24-04-2020
- ECLI:NL:HR:2022:862 Hoge Raad 10-06-2022
- ECLI:NL:HR:2023:882 Hoge Raad 09-06-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.935 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel rechtTeam Handel
Zaaknummer gerechtshof: 200.322.192/01
Zaaknummer rechtbank: 9153925 EL 21-13
Arrest van 8 september 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam.
1De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 3 november 2022.
2De procedure in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met productie;
de memorie van antwoord met producties;
de akte uitlaten jurisprudentie van [geïntimeerde];
de antwoordakte van Dexia;
de akte in plaats van mondelinge behandeling van Dexia;
de antwoordakte na getuigenverhoren van [geïntimeerde], met producties.
2.2.
Dexia heeft gedurende de procedure een verzoek voorlopig getuigenverhoor gedaan. Het verloop van deze procedure (met nummer 200.322.192/02) blijkt uit:
het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor;
het verweerschrift;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 september 2023;
de beschikking van het hof van 31 oktober 2023;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 10 januari 2024;
het proces-verbaal van de voortzetting van het getuigenverhoor van 20 maart 2024;
het proces-verbaal van de voortzetting van het getuigenverhoor van 14 juni 2024;
het proces-verbaal van (de voortzetting van) het getuigenverhoor van 6 september 2024.
2.3.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De kern van de zaak
3.1.
Deze zaak gaat over één effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon (Spaar Select). In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerde] door deze tussenpersoon is geadviseerd. Deze tussenpersoon beschikte niet over de daarvoor vereiste vergunning. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] en de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is. Verder heeft hij gevorderd dat Dexia wordt veroordeeld de schade van [geïntimeerde] (inclusief buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met wettelijke rente, te vergoeden.
3.3.
Dexia heeft een tegenvordering ingesteld en, na wijziging van eis, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag dat de kantonrechter juist acht en voor recht te verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst met nummer 56003337 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is.
3.4.
De kantonrechter heeft in conventie voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door [geïntimeerde] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [geïntimeerde] niet alleen als klant aanbracht maar [geïntimeerde] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De kantonrechter heeft daarnaast voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is. Verder heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de door hem geleden schade, bestaande uit de door hem betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen, eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomst(en) en het fiscale voordeel van € 3.526,37) vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals is overwogen in rov. 4.21 van het vonnis. De kantonrechter heeft in reconventie de vorderingen van Dexia afgewezen.
4De beoordeling
4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia in haar appel, althans tot afwijzing van de vorderingen van Dexia.
Verjaring
4.4.
Dexia heeft aangevoerd dat met de brief van 9 december 2005 de verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] niet is gestuit. In deze brief komen de woorden ‘schadevergoedingsvordering’, ‘schade’ en ‘aansprakelijkheid’ namelijk niet voor. Het hof verwerpt deze stelling. De brief maakt duidelijk dat [geïntimeerde] ontevreden is over de overeenkomst die hij met Dexia heeft gesloten en vermeldt dat [geïntimeerde] van mening is dat Dexia ter zake van deze overeenkomst toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld. In de gegeven omstandigheden is dat voldoende om de brief aan te merken als stuitingshandeling.
Advisering Spaar Select
4.5.
Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde] tot stand is gekomen door tussenkomst van Spaar Select die als cliëntenremisier optrad. Het stond Spaar Select niet vrij om op te treden als beleggingsadviseur omdat zij niet over de daarvoor benodigde vergunning beschikte.
4.6.
Het is Dexia niet toegestaan om een effectenleaseovereenkomst met een cliënt aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden. In Grief III voert Dexia weliswaar aan dat de combinatie van cliëntenremise en het geven van beleggingsadvies naar het toenmalige recht niet vergunningsplichtig was, maar in de toelichting op deze grief erkent Dexia feitelijk al dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een cliëntenremisier wel vergunningsplichtig is. Het hof ziet geen aanleiding om over deze kwestie anders te oordelen dan de Hoge Raad in het arrest van 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:809) heeft geoordeeld.
4.7.
In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het antwoord op de vraag wanneer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door een daarbij optredende tussenpersoon dient te worden gevonden door vast te stellen van welke – als ‘beleggingsadvies’ te kwalificeren – activiteiten een cliëntenremisier zich diende te onthouden om vrijgesteld te blijven van de vergunningplicht. De reikwijdte van deze vrijstelling dient als volgt te worden bepaald (rov. 2.10.13):
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet.
4.8.
In deze zaak heeft [geïntimeerde] een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “Feiten in deze zaak” in het eerste processtuk van [geïntimeerde] in eerste aanleg. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] heeft een persoonlijk gesprek gevoerd met een bij naam genoemde medewerker van Spaar Select. Daarbij is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen om in de toekomst een huis te kunnen kopen. De medewerker adviseerde [geïntimeerde] om spaargeld aan te wenden om het Profit Effect product af te nemen. Dit product was volgens de Spaar Select medewerker geschikt voor de situatie van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft op het advies van de medewerker van Spaar Select vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens is het contract aan [geïntimeerde] gestuurd en is [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomst aangegaan, aldus [geïntimeerde].
4.9.
Dexia voert aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Volgens Dexia dient [geïntimeerde] te stellen en te bewijzen dat hij van Spaar Select vergunningsplichtig beleggingsadvies heeft gekregen. Het gaat volgens Dexia te ver om er van uit te gaan dat als Spaar Select [geïntimeerde] thuis heeft bezocht, er dan ook is geïnformeerd naar financiële omstandigheden en financiële doelen van [geïntimeerde]. Het enkele huisbezoek is niet voldoende om vergunningsverplichtige advisering aan te nemen. Spaar Select bracht volgens Dexia ook op grote schaal effectenleaseproducten aan de man door middel van reclamefolders, waarbij het persoonlijk contact beperkt bleef tot een telefonische bevestiging van de inhoud van de folder. Dexia betwist verder dat Spaar Select een vaste werkwijze zou hebben gehad, waarvan nooit of slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken zou zijn. Volgens Dexia was Spaar Select een sterk gefragmenteerde franchiseorganisatie, waarvan de werkwijze van vestiging tot vestiging, van medewerker tot medewerker en van tijd tot tijd verschilde. Met de overweging dat het voor risico van Dexia blijft dat zij niet beschikt over feitelijke gegevens over het verloop van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon, wordt aan Dexia ten onrechte een verzwaarde stelplicht opgelegd, aldus Dexia.
4.10.
Het hof is van oordeel dat tegenover de gemotiveerde stellingname van [geïntimeerde] Dexia meer concreet had moeten maken dat en waarom volgens haar in dit geval destijds geen sprake is geweest van advisering. Dat Dexia, naar zij stelt, haar betwisting niet kan concretiseren, of in bewijsnood is, omdat zij niet betrokken is geweest bij het gesprek, komt daarbij voor haar rekening en risico, omdat Dexia destijds bewust heeft gekozen om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van deze tussenpersoon. Omdat het aan Dexia, als een aan toezicht onderworpen effecteninstelling, verboden was om van haar cliëntenremisiers cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt, had het op haar weg gelegen om op dit punt daadwerkelijk en concreet controle uit te oefenen. Dit temeer omdat de tussenpersoon een provisie ontving voor het aanbrengen van een cliënt en aldus een financieel belang had bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde].
4.11.
De door [geïntimeerde] beschreven gang van zaken duidt erop dat een medewerker van Spaar Select een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt immers dat (i) de medewerker van Spaar Select heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde], (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de medewerker kenbaar heeft gemaakt, en (iii) de medewerker vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van (de rechtsvoorganger van) Dexia, heeft geadviseerd. De tussenpersoon heeft derhalve niet volstaan met het verstrekken van algemene informatie zonder commentaar te geven of een waardeoordeel te vellen, waar Spaar Select als cliëntenremisier wel toe gehouden was. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 geformuleerde criteria.
4.12.
De stelling van Dexia dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, wordt door het hof verworpen. Zoals hiervoor is overwogen, was Dexia er destijds mee bekend dat tussenpersonen doorgaans, of op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan cliënten, die tussenpersonen als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 NR 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij de tussenpersoon wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden omdat deze zich in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek (kennelijk) niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu niet meer in staat is om te onderbouwen dat er geen advies is verleend of dat de werkwijze van de tussenpersoon afweek van de gebruikelijke, komen voor risico van Dexia.
4.13.
Dexia heeft nog gewezen op een deel uit de getuigenverklaring van [betrokkene] (directeur Spaar Select), die in antwoord op de vraag of medewerkers van Spaar Select met klanten spraken over hun persoonlijke omstandigheden, het volgende heeft verklaard:
“Werd er met klanten over hun persoonlijke situatie gesproken? In de eerste jaren niet. Het was gewoon productverkoop. De uitleg is de uitleg. Tegen het einde van de periode (ongeveer vanaf 2000) werd het meer persoonsgebonden en kwamen er financiële plannen. Er kwamen waarschuwingen en er werd verteld waar je klachten kon indienen. Tot en met 1999 was het slechts productverkoop.”
Dexia wijst erop dat [geïntimeerde] in 1999 zijn effectenleaseproduct heeft afgenomen en dat uit de verklaring van [betrokkene] blijkt dat het bij Spaar Select toen gebruikelijk was dat het slechts ging om productverkoop. Tot en met 1999 maakte Spaar Select slechts gebruik van wervende verkooppraatjes die niet waren gepersonaliseerd. Het hof is van oordeel dat de door Dexia in haar akte geciteerde passages uit de getuigenverklaring van [betrokkene] niet van doorslaggevende betekenis zijn. In dat verband is van belang dat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat de herinneringen van [betrokkene] op dit punt juist zijn en dat er elders in zijn getuigenverklaring passages staan die er juist op duiden dat er wel degelijk van meet af aan werd gekeken naar de persoonlijke situatie van een klant. [geïntimeerde] stelt bovendien, onder aanhaling van specifieke verklaringen van meerdere (andere) getuigen, dat er vanaf 1996 feitelijk sprake was van een vaste werkwijze waarbij de doelstelling van een klant werd geïnventariseerd om een product te kunnen adviseren.
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd door Spaar Select. Aan (nadere) (tegen-)bewijslevering aan de zijde van Dexia wordt niet toegekomen, omdat Dexia de door [geïntimeerde] gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
Wetenschap Dexia
4.15.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Dexia bij het sluiten van de effectenleaseovereenkomst wist dat sprake was van deze advisering door Spaar Select of dit behoorde te weten. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende.
4.16.
[geïntimeerde] heeft stukken in de procedure gebracht, welke documentatie in eerdere rechtspraak ook werd beoordeeld, waaruit kan worden afgeleid dat Dexia in de periode dat [geïntimeerde] de overeenkomst sloot nauw samenwerkte met Spaar Select bij de verkoop van de producten van Dexia door Spaar Select. Daaruit volgt ook dat Dexia er in dat kader mee bekend was dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Ook volgt uit die stukken dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun cliënten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [geïntimeerde] dat Dexia ook in dit geval bekend was of behoorde te zijn met de advisering van [geïntimeerde] door Spaar Select (zie: HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882).
4.17.
Gezien deze onderbouwing van [geïntimeerde] heeft Dexia onvoldoende betwist dat zij - op het moment dat Spaar Select [geïntimeerde] als cliënt bij Dexia aanbracht - van deze advisering op de hoogte was of behoorde te zijn. In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, waaronder Spaar Select, was het aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van Spaar Select was en of er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door Spaar Select, op grond waarvan Dexia de effectenleaseovereenkomst met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet daadwerkelijk heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningsplichtige advisering, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico.
4.18.
Dat betekent dat Dexia bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999 en onrechtmatig heeft gehandeld door met [geïntimeerde] een effectenleaseovereenkomst te sluiten.
Conclusie en proceskosten
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet slagen. Ter zake van Grief II overweegt het hof nog als volgt. Deze grief gaat over het causaal verband tussen het verzuim van de waarschuwingsplicht door Dexia en het door [geïntimeerde] geleden beleggingsverlies. Deze grief behoeft gezien het voorafgaande geen bespreking. De aansprakelijkheid van Dexia berust immers niet op het verzuim van de waarschuwingsplicht.
4.20.
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.
4.21.
Dexia zal daarnaast worden veroordeeld in de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.
5De uitspraak
Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 343,00 aan griffierecht en op € 2.580,00 (2 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hiervoor genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
veroordeelt Dexia in de kosten van het voorlopig getuigenverhoor en begroot deze kosten op € 3.870.- (3 punten × appeltarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, P.M. Verbeek en H.J. van Harten en is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Civiel rechtTeam Handel
Zaaknummer gerechtshof: 200.322.192/01
Zaaknummer rechtbank: 9153925 EL 21-13
Arrest van 8 september 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam.
1De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 3 november 2022.
2De procedure in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met productie;
de memorie van antwoord met producties;
de akte uitlaten jurisprudentie van [geïntimeerde];
de antwoordakte van Dexia;
de akte in plaats van mondelinge behandeling van Dexia;
de antwoordakte na getuigenverhoren van [geïntimeerde], met producties.
2.2.
Dexia heeft gedurende de procedure een verzoek voorlopig getuigenverhoor gedaan. Het verloop van deze procedure (met nummer 200.322.192/02) blijkt uit:
het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor;
het verweerschrift;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 september 2023;
de beschikking van het hof van 31 oktober 2023;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 10 januari 2024;
het proces-verbaal van de voortzetting van het getuigenverhoor van 20 maart 2024;
het proces-verbaal van de voortzetting van het getuigenverhoor van 14 juni 2024;
het proces-verbaal van (de voortzetting van) het getuigenverhoor van 6 september 2024.
2.3.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De kern van de zaak
3.1.
Deze zaak gaat over één effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon (Spaar Select). In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerde] door deze tussenpersoon is geadviseerd. Deze tussenpersoon beschikte niet over de daarvoor vereiste vergunning. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] en de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is. Verder heeft hij gevorderd dat Dexia wordt veroordeeld de schade van [geïntimeerde] (inclusief buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met wettelijke rente, te vergoeden.
3.3.
Dexia heeft een tegenvordering ingesteld en, na wijziging van eis, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag dat de kantonrechter juist acht en voor recht te verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst met nummer 56003337 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is.
3.4.
De kantonrechter heeft in conventie voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door [geïntimeerde] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [geïntimeerde] niet alleen als klant aanbracht maar [geïntimeerde] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De kantonrechter heeft daarnaast voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is. Verder heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de door hem geleden schade, bestaande uit de door hem betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen, eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomst(en) en het fiscale voordeel van € 3.526,37) vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals is overwogen in rov. 4.21 van het vonnis. De kantonrechter heeft in reconventie de vorderingen van Dexia afgewezen.
4De beoordeling
4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia in haar appel, althans tot afwijzing van de vorderingen van Dexia.
Verjaring
4.4.
Dexia heeft aangevoerd dat met de brief van 9 december 2005 de verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] niet is gestuit. In deze brief komen de woorden ‘schadevergoedingsvordering’, ‘schade’ en ‘aansprakelijkheid’ namelijk niet voor. Het hof verwerpt deze stelling. De brief maakt duidelijk dat [geïntimeerde] ontevreden is over de overeenkomst die hij met Dexia heeft gesloten en vermeldt dat [geïntimeerde] van mening is dat Dexia ter zake van deze overeenkomst toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld. In de gegeven omstandigheden is dat voldoende om de brief aan te merken als stuitingshandeling.
Advisering Spaar Select
4.5.
Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde] tot stand is gekomen door tussenkomst van Spaar Select die als cliëntenremisier optrad. Het stond Spaar Select niet vrij om op te treden als beleggingsadviseur omdat zij niet over de daarvoor benodigde vergunning beschikte.
4.6.
Het is Dexia niet toegestaan om een effectenleaseovereenkomst met een cliënt aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden. In Grief III voert Dexia weliswaar aan dat de combinatie van cliëntenremise en het geven van beleggingsadvies naar het toenmalige recht niet vergunningsplichtig was, maar in de toelichting op deze grief erkent Dexia feitelijk al dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een cliëntenremisier wel vergunningsplichtig is. Het hof ziet geen aanleiding om over deze kwestie anders te oordelen dan de Hoge Raad in het arrest van 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:809) heeft geoordeeld.
4.7.
In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het antwoord op de vraag wanneer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door een daarbij optredende tussenpersoon dient te worden gevonden door vast te stellen van welke – als ‘beleggingsadvies’ te kwalificeren – activiteiten een cliëntenremisier zich diende te onthouden om vrijgesteld te blijven van de vergunningplicht. De reikwijdte van deze vrijstelling dient als volgt te worden bepaald (rov. 2.10.13):
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet.
4.8.
In deze zaak heeft [geïntimeerde] een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “Feiten in deze zaak” in het eerste processtuk van [geïntimeerde] in eerste aanleg. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] heeft een persoonlijk gesprek gevoerd met een bij naam genoemde medewerker van Spaar Select. Daarbij is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen om in de toekomst een huis te kunnen kopen. De medewerker adviseerde [geïntimeerde] om spaargeld aan te wenden om het Profit Effect product af te nemen. Dit product was volgens de Spaar Select medewerker geschikt voor de situatie van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft op het advies van de medewerker van Spaar Select vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens is het contract aan [geïntimeerde] gestuurd en is [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomst aangegaan, aldus [geïntimeerde].
4.9.
Dexia voert aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Volgens Dexia dient [geïntimeerde] te stellen en te bewijzen dat hij van Spaar Select vergunningsplichtig beleggingsadvies heeft gekregen. Het gaat volgens Dexia te ver om er van uit te gaan dat als Spaar Select [geïntimeerde] thuis heeft bezocht, er dan ook is geïnformeerd naar financiële omstandigheden en financiële doelen van [geïntimeerde]. Het enkele huisbezoek is niet voldoende om vergunningsverplichtige advisering aan te nemen. Spaar Select bracht volgens Dexia ook op grote schaal effectenleaseproducten aan de man door middel van reclamefolders, waarbij het persoonlijk contact beperkt bleef tot een telefonische bevestiging van de inhoud van de folder. Dexia betwist verder dat Spaar Select een vaste werkwijze zou hebben gehad, waarvan nooit of slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken zou zijn. Volgens Dexia was Spaar Select een sterk gefragmenteerde franchiseorganisatie, waarvan de werkwijze van vestiging tot vestiging, van medewerker tot medewerker en van tijd tot tijd verschilde. Met de overweging dat het voor risico van Dexia blijft dat zij niet beschikt over feitelijke gegevens over het verloop van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon, wordt aan Dexia ten onrechte een verzwaarde stelplicht opgelegd, aldus Dexia.
4.10.
Het hof is van oordeel dat tegenover de gemotiveerde stellingname van [geïntimeerde] Dexia meer concreet had moeten maken dat en waarom volgens haar in dit geval destijds geen sprake is geweest van advisering. Dat Dexia, naar zij stelt, haar betwisting niet kan concretiseren, of in bewijsnood is, omdat zij niet betrokken is geweest bij het gesprek, komt daarbij voor haar rekening en risico, omdat Dexia destijds bewust heeft gekozen om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van deze tussenpersoon. Omdat het aan Dexia, als een aan toezicht onderworpen effecteninstelling, verboden was om van haar cliëntenremisiers cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt, had het op haar weg gelegen om op dit punt daadwerkelijk en concreet controle uit te oefenen. Dit temeer omdat de tussenpersoon een provisie ontving voor het aanbrengen van een cliënt en aldus een financieel belang had bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde].
4.11.
De door [geïntimeerde] beschreven gang van zaken duidt erop dat een medewerker van Spaar Select een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt immers dat (i) de medewerker van Spaar Select heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde], (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de medewerker kenbaar heeft gemaakt, en (iii) de medewerker vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van (de rechtsvoorganger van) Dexia, heeft geadviseerd. De tussenpersoon heeft derhalve niet volstaan met het verstrekken van algemene informatie zonder commentaar te geven of een waardeoordeel te vellen, waar Spaar Select als cliëntenremisier wel toe gehouden was. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 geformuleerde criteria.
4.12.
De stelling van Dexia dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, wordt door het hof verworpen. Zoals hiervoor is overwogen, was Dexia er destijds mee bekend dat tussenpersonen doorgaans, of op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan cliënten, die tussenpersonen als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 NR 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij de tussenpersoon wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden omdat deze zich in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek (kennelijk) niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu niet meer in staat is om te onderbouwen dat er geen advies is verleend of dat de werkwijze van de tussenpersoon afweek van de gebruikelijke, komen voor risico van Dexia.
4.13.
Dexia heeft nog gewezen op een deel uit de getuigenverklaring van [betrokkene] (directeur Spaar Select), die in antwoord op de vraag of medewerkers van Spaar Select met klanten spraken over hun persoonlijke omstandigheden, het volgende heeft verklaard:
“Werd er met klanten over hun persoonlijke situatie gesproken? In de eerste jaren niet. Het was gewoon productverkoop. De uitleg is de uitleg. Tegen het einde van de periode (ongeveer vanaf 2000) werd het meer persoonsgebonden en kwamen er financiële plannen. Er kwamen waarschuwingen en er werd verteld waar je klachten kon indienen. Tot en met 1999 was het slechts productverkoop.”
Dexia wijst erop dat [geïntimeerde] in 1999 zijn effectenleaseproduct heeft afgenomen en dat uit de verklaring van [betrokkene] blijkt dat het bij Spaar Select toen gebruikelijk was dat het slechts ging om productverkoop. Tot en met 1999 maakte Spaar Select slechts gebruik van wervende verkooppraatjes die niet waren gepersonaliseerd. Het hof is van oordeel dat de door Dexia in haar akte geciteerde passages uit de getuigenverklaring van [betrokkene] niet van doorslaggevende betekenis zijn. In dat verband is van belang dat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat de herinneringen van [betrokkene] op dit punt juist zijn en dat er elders in zijn getuigenverklaring passages staan die er juist op duiden dat er wel degelijk van meet af aan werd gekeken naar de persoonlijke situatie van een klant. [geïntimeerde] stelt bovendien, onder aanhaling van specifieke verklaringen van meerdere (andere) getuigen, dat er vanaf 1996 feitelijk sprake was van een vaste werkwijze waarbij de doelstelling van een klant werd geïnventariseerd om een product te kunnen adviseren.
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd door Spaar Select. Aan (nadere) (tegen-)bewijslevering aan de zijde van Dexia wordt niet toegekomen, omdat Dexia de door [geïntimeerde] gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
Wetenschap Dexia
4.15.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Dexia bij het sluiten van de effectenleaseovereenkomst wist dat sprake was van deze advisering door Spaar Select of dit behoorde te weten. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende.
4.16.
[geïntimeerde] heeft stukken in de procedure gebracht, welke documentatie in eerdere rechtspraak ook werd beoordeeld, waaruit kan worden afgeleid dat Dexia in de periode dat [geïntimeerde] de overeenkomst sloot nauw samenwerkte met Spaar Select bij de verkoop van de producten van Dexia door Spaar Select. Daaruit volgt ook dat Dexia er in dat kader mee bekend was dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Ook volgt uit die stukken dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun cliënten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [geïntimeerde] dat Dexia ook in dit geval bekend was of behoorde te zijn met de advisering van [geïntimeerde] door Spaar Select (zie: HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882).
4.17.
Gezien deze onderbouwing van [geïntimeerde] heeft Dexia onvoldoende betwist dat zij - op het moment dat Spaar Select [geïntimeerde] als cliënt bij Dexia aanbracht - van deze advisering op de hoogte was of behoorde te zijn. In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, waaronder Spaar Select, was het aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van Spaar Select was en of er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door Spaar Select, op grond waarvan Dexia de effectenleaseovereenkomst met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet daadwerkelijk heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningsplichtige advisering, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico.
4.18.
Dat betekent dat Dexia bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999 en onrechtmatig heeft gehandeld door met [geïntimeerde] een effectenleaseovereenkomst te sluiten.
Conclusie en proceskosten
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet slagen. Ter zake van Grief II overweegt het hof nog als volgt. Deze grief gaat over het causaal verband tussen het verzuim van de waarschuwingsplicht door Dexia en het door [geïntimeerde] geleden beleggingsverlies. Deze grief behoeft gezien het voorafgaande geen bespreking. De aansprakelijkheid van Dexia berust immers niet op het verzuim van de waarschuwingsplicht.
4.20.
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.
4.21.
Dexia zal daarnaast worden veroordeeld in de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.
5De uitspraak
Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 343,00 aan griffierecht en op € 2.580,00 (2 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hiervoor genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
veroordeelt Dexia in de kosten van het voorlopig getuigenverhoor en begroot deze kosten op € 3.870.- (3 punten × appeltarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, P.M. Verbeek en H.J. van Harten en is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.