Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2651
2026-08-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.341.741/01 en 200.341.745/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het hof gelast de wijze van verdeling van de woningen en stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast. Vrouw stelt dat de aandelen van de ondernemingen van de man grote waarde hebben, maar door de man wordt dit ontkend. Het hof deelt thans de aandelen toe aan de vrouw, zodat zij zelf kan onderzoeken wat de waarde is van de aandelen. Met betrekking tot de alimentatie hebben partijen onvoldoende gegevens aan het hof verstrekt om a) de behoefte vast te stellen en b) de draagkracht.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.790 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.341.741/01 (alimentatie) en 200.341.745/01 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/10/646714 en C/10/656089
rekestnummers rechtbank: FA RK 22-7541 en FA RK 23-2781
beschikking van de meervoudige kamer van 12 augustus 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J. van Andel te Driebergen-Rijsenburg,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.
1Verder procesverloop in hoger beroep
1.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 4 maart 2026 (hierna: de tussenbeschikking), waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
1.2
Bij die beschikking heeft het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.341.745/01
alvorens verder te beslissen ten aanzien van de verdeling van de ondernemingen:
de partijen verzocht de zoals in rechtsoverweging 5.6 van de tussenbeschikking omschreven financiële gegevens en financiële informatie te laten overleggen van de ondernemingen van partijen;
de partijen verzocht zich uit te laten over de bij het hof voorliggende vragen zoals in rechtsoverweging 5.9 van de tussenbeschikking omschreven;
bepaald dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van de opgevraagde gegevens, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip;
iedere verdere beslissing aangehouden tot zaterdag 25 april 2026 pro forma;
het meer of anders verzochte afgewezen;
in de zaak met zaaknummer 200.341.741/01
alvorens verder te beslissen ten aanzien van de kinderalimentatie en de partneralimentatie:
bepaald dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van de in rechtsoverweging 5.6 van de tussenbeschikking omschreven financiële gegevens en financiële informatie, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip;
iedere verdere beslissing aangehouden tot zaterdag 25 april 2026 pro forma.
1.3
Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:
een journaalbericht van de zijde van de man van 24 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 28 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
1.4
De mondelinge behandeling is op 12 mei 2026 voortgezet. Verschenen zijn:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2Verdere beoordeling van het hoger beroep
2.1
In geschil is nog, onder de zaak met nummer 200.341.741/01, de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen zoals bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Onder de zaak met nummer 200.341.745/01 is nog in geschil de kinderalimentatie en de partneralimentatie. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 16 januari 2024 de verzoeken afgewezen met betrekking tot de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen zoals overeengekomen bij de huwelijkse voorwaarden alsmede de verzoeken tot het vaststellen van de kinderalimentatie en de partneralimentatie.
200.341.745/01
De verdeling
Vooraf
2.2
Partijen zijn op [datum] 2002 met elkaar gehuwd te [plaats] , Eritrea. Het huwelijk van partijen is op [datum] 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Bij notariële akte van [datum] 2002 zijn partijen huwelijkse voorwaarden overeengekomen, inhoudende een wettelijke gemeenschap van goederen met uitsluiting van a) onroerende zaken, b) het spaardeel van de overeenkomsten van levensverzekering aangegaan ter financiering van onroerende zaken, en c) de schulden uit geldlening, aangegaan ter financiering waarvoor de onroerende zaken hypothecair zijn verbonden. Tot de beperkte gemeenschap behoren – voor zover thans van belang – de aandelen in [BV 1] (de holding van de man), de mogelijke activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva van de eenmanszaak [eenmanszaak van de man] (de eenmanszaak van de man) en de banksaldi van partijen op de peildatum (datum ontbinding huwelijksgemeenschap). Ten aanzien van de activa en passiva van [eenmanszaak van de vrouw] (de eenmanszaak van de vrouw) heeft het hof noch in de petita noch in een latere aanvulling een verzoek tot verdeling aangetroffen; partijen hebben daarover ook geen (duidelijke) stellingen ingenomen. Partijen behoren voorts in mede-eigendom toe de woningen op de [adres 1] (de echtelijke woning) en de [adres 2] te [plaats] , ieder voor een gelijk aandeel. De woningen behoren tot een eenvoudige gemeenschap van partijen, waarvan partijen ook verdeling verzoeken. Partijen zijn het eens over wie welke woning toegedeeld dient te krijgen.
De ondernemingen (I): aandelen in [BV 1]
2.3
Tussen partijen is een geschil ontstaan met betrekking tot de waarde van de aandelen van de B.V.’s en de activa van de eenmanszaak [eenmanszaak van de man] van de man. In de verdeling moeten worden betrokken de aandelen in [BV 1] , welke vennootschap een aantal deelnemingen heeft die de waarde van de aandelen [BV 1] beïnvloeden. De oorspronkelijk tussen partijen overeengekomen peildatum voor de waardering van de ondernemingen was eind oktober 2022 (zie rov. 5.6 van de tussenbeschikking). Na het wijzen van de tussenbeschikking is de man daarop teruggekomen omdat hij stelt dat in 2023 pas een beter beeld van de financiën is ontstaan. Wat daar ook van zij, als er tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de peildatum voor waardering, geldt in beginsel de datum van feitelijke verdeling. Op dit moment zijn de aandelen in [BV 1] en de activa die behoren tot de eenmanszaak (nog) niet verdeeld.
2.4
De man heeft ten aanzien van de waarde van de aandelen [naar het hof begrijpt: de waarde van de aandelen [BV 1] ] gesteld dat de aandelen in ieder geval sinds december 2023 geen waarde meer vertegenwoordigen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij in hoger beroep als productie 22 een deskundigebericht overgelegd. De deskundige de heer [de deskundige] komt tot het oordeel dat als er geconsolideerd naar alle vennootschappen wordt gekeken, de waarde van [BV 1] op € 0,- moet worden gesteld. Als er niet geconsolideerd naar alle vennootschappen wordt gekeken, maar uitsluitend naar [BV 1] , en ervan uit wordt gegaan dat de Holding niet aansprakelijk is voor de deelneming van de vennootschappen, dan wordt de waarde van [BV 1] geschat op € 165.530,-.
2.5
De vrouw betwist de waarde van € 165.530,-, en stelt dat de aandelen van [BV 1] meer waard zijn. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij geen bezwaar heeft de aandelen in [BV 1] om niet aan de vrouw toe te delen, zodat zij vervolgens zelf onderzoek kan doen instellen naar de waarde van de aandelen. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij de aandelen niet wil hebben, maar dat de aandelen wel een waarde vertegenwoordigen. Zij vindt dat een onderzoek op zijn plaats is zodat de aandelen van de man door een deskundige, een register valuator, kunnen worden gewaardeerd op grond van de DCF-methode.
2.6
Het hof overweegt als volgt. Uit de processtukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat partijen het niet eens kunnen worden over de waarde van de aandelen [BV 1] en hoe deze aandelen in de verdeling moeten worden betrokken. Het hof zal derhalve op de voet van artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de verdeling vaststellen, waarbij het hof beschikt over een grote discretionaire bevoegdheid. Het hof kan een verdeling vaststellen, ongeacht de verzoeken van de partijen. Het hof dient daarbij naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang.
2.7
Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling de – op het verzoek van het hof op 24 april 2026 door de man ingediende – jaarrekeningen van [BV 1] en de deelnemingen van [BV 1] met partijen besproken en doorgelopen. Het hof heeft de advocaat van de man erop gewezen dat de jaarrekeningen niet zijn gebaseerd op een deugdelijke grondslag en dat er naar het oordeel van het hof geen sprake kan zijn van een accountantsrapport omdat de jaarrekening niet is samengesteld door een accountant in de zin van de Wet op het accountantsberoep. Wel heeft het hof, mede bezien de toelichting die door de man is gegeven, kunnen vaststellen dat de besloten vennootschappen een zeer groot aantal schulden dienen te voldoen die mede hun oorzaak vinden in belastingschulden die ten tijde van de coronaperiode zijn ontstaan, terwijl de man in die periode – na een zware hersenbloeding in 2020 – niet kon werken. Het hof heeft begrepen dat [BV 2] een bedrag van rond de € 950.000,- aan het UWV moet terugbetalen, hetgeen zou leiden tot een faillissement van de vermelde vennootschap (productie 74). Op basis van het eerder genoemde rapport van de deskundige de heer [de deskundige] , alsmede op basis van de gebrekkige jaarrekeningen en de ter zitting verkregen informatie van partijen, acht het hof het niet aannemelijk dat aan de aandelen in [BV 1] enige waarde kan worden toegekend. Aangezien de vrouw ervan overtuigd is dat de aandelen wel een waarde vertegenwoordigen en gelet op het aanbod van de man om de aandelen om niet aan de vrouw toe te delen en het feit dat de benoeming van een deskundige aanzienlijke kosten met zich brengt, acht het hof het in dit geval redelijk en billijk om de aandelen om niet aan de vrouw toe te delen. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de vrouw, na de hersenbloeding van de man in 2020, de feitelijke werkzaamheden in de onderneming van de man heeft overgenomen. Het hof wijst de partijen erop dat voor de levering van de aandelen een notariële akte vereist is. Na de levering van de aandelen aan de vrouw heeft de vrouw alle gelegenheid om zelf te onderzoeken of de aandelen in [BV 1] enige waarde hebben, en komt alle eventueel aanwezige waarde ook aan haar toe.
De ondernemingen (II): activa en passiva [eenmanszaak van de man]
2.8
Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek van de vrouw met betrekking tot de verdeling van de eenmanszaak [eenmanszaak van de man] het volgende (zie ook rov. 5.5 van de tussenbeschikking). Een eenmanszaak is geen goed dat in de wettelijke gemeenschap van goederen valt en kan als zodanig niet worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva valt in de wettelijke gemeenschap van goederen. De activa die op de peildatum (25 oktober 2022; datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding) aanwezig zijn, kunnen worden verdeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt voor de waardering het tijdstip van feitelijke verdeling, tenzij partijen een ander tijdstip met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen dat tijdstip verzetten. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn. Het hof oordeelt dat op basis van de verstrekte gegevens niet kan worden vastgesteld welke activa behorende tot het ondernemingsvermogen van [eenmanszaak van de man] op de peildatum in de ontbonden huwelijksgemeenschap vielen. De mondelinge behandeling heeft voorts niet meer zicht gegeven op de waarde van de activa van [eenmanszaak van de man] . De vrouw heeft hierover ook geen concreet standpunt ingenomen, los van het antwoord op de vraag van het hof dat wat betreft deze onderneming het ondernemingsvermogen en niet de onderneming moet worden gewaardeerd. Derhalve heeft het hof in het kader van de verdeling onvoldoende informatie om met betrekking tot de activa van de eenmanszaak [eenmanszaak van de man] een oordeel te geven en kan het niet tot verdeling van tot de onderneming behorende vermogensbestanddelen overgaan. Het hof zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de eenmanszaak afwijzen.
De bankrekeningen
2.9
Zoals het hof in de tussenbeschikking van 4 maart 2026 onder 5.11 reeds heeft overwogen, zijn partijen overeengekomen dat zij de op hun naam staande bankrekeningen voortzetten met vergoeding van de helft van het saldo op de peildatum aan de ander. De peildatum is 25 oktober 2022 (datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding). Partijen dienen – voor zover niet reeds al gedaan – over en weer bankafschriften te verstrekken van het saldo op de peildatum. Het hof gaat ervan uit dat partijen hier hun medewerking aan verlenen (of reeds hebben verleend) en zal het verzoek van de vrouw tot het opleggen van een dwangsom afwijzen.
De woningen
2.10
De partijen hebben het hof verzocht de woningen in de twee eenvoudige gemeenschappen te verdelen. Zij zijn het eens over wie welke woning toegedeeld dient te krijgen. De vrouw zou de [adres 1] toebedeeld willen krijgen en de man de [adres 2] .
2.11
Ter zitting hebben de partijen bij het hof aangegeven dat het in ieder geval de man hoogstwaarschijnlijk niet zal lukken om de woning aan de [adres 2] te financieren en de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypotheek. Voorts heeft het hof ook ernstige twijfel of de vrouw gezien haar inkomen van € 34.000,- een woning van ruim € 500.000,- kan financieren. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens is het hof – gezien de (slechte) financiële positie van beide partijen – van oordeel dat de beide woningen in het kader van de verdeling spoedig dienen te worden verkocht. Het is in het belang van beide partijen dat hun financiële lasten worden beperkt.
2.12
Het hof zal de verkoop van de woningen aan [adres 1] te [plaats] en aan de [adres 2] te [plaats] gelasten onder de volgende voorwaarden:
a. de vrouw zal binnen drie weken na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorstellen die bereid en in staat zijn de woningen te verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot verkoop van de twee woningen. Deze makelaar-taxateur zal partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woningen;
de over- dan wel onderwaarde van de woningen wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woningen, minus de aan de woningen gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woningen.
2.13
Mochten partijen in onderling overeenstemming toch tot een andere verdeling komen, dan kunnen ze daartoe uiteraard overgaan.
De meewerkvergoeding
2.14
De vrouw verzoekt het hof om de man te veroordelen om aan de vrouw uit hoofde van de over de jaren 2018 en 2019 opgevoerde meewerkvergoeding een bedrag te betalen van € 84.000,-. De man stelt dat het onduidelijk is hoe de vrouw deze bedragen heeft vastgesteld. Daarnaast vallen de inkomsten van partijen in de gemeenschap, zodat er geen recht is om achteraf alsnog om een meewerkvergoeding te verzoeken.
2.15
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting heeft het hof aan de advocaat van de vrouw gevraagd wat de juridische grondslag is van haar vordering. De advocaat van de vrouw heeft dit niet kunnen toelichten. De meewerkvergoeding is een fiscale faciliteit, en leidt tot een vermindering van de inkomstenbelasting. Door tijdens het huwelijk minder belasting te betalen, heeft de vrouw ook voordeel genoten. Zowel de actief- als de passiefzijde van een eventuele meewerkvergoeding over deze periode vallen bovendien in de gemeenschap, zodat het saldo daarvan nihil is en/of de vrouw daarin aan beide zijden al heeft meegedeeld. Het hof zal dit verzoek van de vrouw afwijzen.
Aanslag IB 2020
2.16
Zoals reeds in de tussenbeschikking onder 5.13 is overwogen, zijn beide partijen gelijk draagplichtig voor schulden van de huwelijksgemeenschap die zijn ontstaan voor de peildatum van 25 oktober 2022 of betrekking hebben op de periode van voor 25 oktober 2022. Indien de vrouw echter meer dan 50% van de betreffende schuld heeft betaald uit privévermogen bestaat er voor haar een regresvordering op de man. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 mei 2026 heeft de vrouw onweersproken gesteld dat zij de aanslag IB 2020, van € 11.823,-, inmiddels (na de peildatum) heeft betaald uit privévermogen. Haar eigen aandeel in de schuld bedraagt de helft van dit bedrag, waardoor zij een regresvordering heeft op de man van € 5.911,50. Nu het voorgaande na de tussenbeschikking duidelijk is geworden, zal het hof het verzoek van de vrouw alsnog toewijzen.
200.341.741/01
Kinder- en partneralimentatie
2.17
Aan de orde is eveneens de kinderalimentatie en de partneralimentatie. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van kinderalimentatie en partneralimentatie afgewezen aangezien de vrouw haar verzoek onvoldoende had onderbouwd.
2.18
In randnummer 19 van haar beroepschrift stelt de vrouw zelf dat zij niet op basis van harde cijfers haar behoefte en de draagkracht van de man kan beoordelen. De vrouw wenst derhalve anderszins aan haar stelplicht te voldoen. Uit randnummer 20 van haar beroepschrift volgt dat zij de gemiddelde winst van de eenmanszaak van de man begroot op € 299.424,- en de gemiddelde winst uit [BV 1] (en/of de werkmaatschappijen) in 2020 begroot op € 85.695,-. Vervolgens combineert de vrouw de gemiddelde winst van de eenmanszaak met die van de gemiddelde winst van [BV 1] (en/of de werkmaatschappijen) en komt dan uit op een bedrag van € 192.560,-. De behoefte van de kinderen heeft zij bepaald op een bedrag van (geïndexeerd naar 2024) € 939,32 per maand en vervolgens stelt zij haar netto huwelijkse gerelateerde behoefte op een bedrag van € 7.427,- netto per maand. De vrouw heeft voor de financiële gegevens wat betreft de eenmanszaak gekeken naar de jaren 2017 tot en met 2019. Ter zitting heeft de vrouw een qua systematiek vergelijkbare berekening gemaakt met naar eigen zeggen cijfers uit 2022, die het hof niet heeft kunnen verifiëren.
2.19
Door de man is verweer gevoerd. De man heeft gesteld dat hij op [datum] 2020 een zware hersenbloeding heeft gehad en dat hij vanaf die datum tot eind 2021 nauwelijks bemoeienis had met [BV 1] en de werkmaatschappijen. De werkzaamheden binnen de vennootschappen werden feitelijk door de vrouw verricht. Door de man is expliciet gesteld dat niet uitgegaan kan worden van de financiële gegevens met betrekking tot de jaren 2017/2019 omdat de man op [datum] 2020 een hersenbloeding heeft gehad.
2.20
Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 25 oktober 2022 ingediend bij de rechtbank. Voor de bepalingen van de behoefte van zowel de kinderen als de vrouw is van belang het netto besteedbaar inkomen van partijen in het jaar 2021. Het hof gaat ervan uit dat – hoewel partijen tot 2023 of 2024 in één huis zijn blijven wonen – niet langer dan tot 2021 nog vorm werd gegeven aan de huwelijkse samenleving. Het hof heeft op basis van de door partijen verstrekte gegevens geen (representatief) netto besteedbaar inkomen kunnen berekenen ten tijde van de relatiebreuk in 2021.
2.21
De wijze waarop de vrouw de behoefte van de kinderen onderbouwt alsmede haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte is naar het oordeel van het hof ondeugdelijk. Ten eerste gaat zij uit van een verkeerde periode en ten tweede kan de winst uit onderneming niet opgeteld worden bij de winst die valt onder de vennootschapsbelasting. Winst in het kader van de Wet Inkomstenbelasting wijkt af van de winst in het kader van de Wet op de vennootschapsbelasting. Bij een B.V. dient ook nog rekening te worden gehouden met de dwingendrechtelijke bepalingen van Boek 2 BW (artikel 2:25 BW in verbinding met artikel 2:216 lid 3 BW over de aansprakelijkheid van de bestuurders van een B.V.) en het vennootschappelijk belang, welke (mogelijke) aansprakelijkheid in deze zaak een belangrijke rol speelt en nog boven het hoofd van de man (en wellicht ook de vrouw) hangt. Deze dwingendrechtelijke bepaling alsmede het vennootschappelijk belang bepalen of eventuele winst van de vennootschap in het kader van dividend kan worden uitgekeerd aan de aandeelhouder (in dit geval de man). De winst in het kader van de vennootschapsbelasting kan dus niet (zomaar) als inkomen van de man worden aangemerkt. Voor de in de werkmaatschappijen gemaakte winst geldt dat des te meer.
2.22
Naar het oordeel van het hof had de vrouw in dit geval de behoefte van de kinderen alsmede haar huwelijksgerelateerde behoefte dienen te onderbouwen met concrete uitgaven en kosten die in de huwelijkse periode werden gemaakt. Het hof heeft geen enkel inzicht gekregen in de welstand waarin partijen in de huwelijkse periode leefden zoals woonkosten, vakanties, hobby`s enz. De op de alimentatie betrekking hebbende grief van de vrouw treft dus geen doel en het hof komt niet toe aan een verdere bepaling van enige kinder- of partneralimentatie, waaronder de draagkracht van de man.
2.23
Om verdere nodeloze procedures tussen partijen te voorkomen overweegt het hof ten overvloede nog als volgt. Onbestreden is dat de man een zware hersenbloeding heeft gehad. Het hof heeft ook nog zelf bij de mondelinge behandeling kunnen vaststellen dat de man nog steeds beperkt is in het generen van verdiencapaciteit. Uit hetgeen het hof in r.o. 2.7. heeft overwogen volgt dat de aandelen in [BV 1] worden toegedeeld aan de vrouw. Het is dus niet meer te verwachten dat de man nog inkomsten zal verwerven uit [BV 1] en de met deze vennootschap gelieerde vennootschappen. Gezien de gezondheid van de man is het onzeker wat hij nog aan winst uit onderneming kan generen. De onroerende zaken die partijen in mede-eigendom toebehoren dienen – mede bezien de financiële positie van beide partijen – naar alle waarschijnlijkheid te worden verkocht. Huurinkomsten daaruit vallen dan weg. Ten slotte hangt ook een (mogelijke) bestuurdersaansprakelijkheid de man nog boven het hoofd. Naar het oordeel van het hof doen partijen er verstandig aan om met een financiële mediator om tafel te gaan zitten om verder financieel afglijden te voorkomen.
Proceskosten
2.24
Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.25
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
3De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.341.745/01
gelast de wijze van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als volgt:
met betrekking tot de woningen gelegen aan de [adres 1] en de [adres 2] te [plaats] :
de woningen worden verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
1. de vrouw zal binnen drie weken na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorstellen die bereid en in staat zijn de woning te verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot verkoop van de twee woningen. Deze makelaar-taxateur zal partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
2. de over- dan wel onderwaarde van de woningen wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
3. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:
aan de vrouw wordt toegedeeld:
de aandelen in [BV 1] tegen een waarde van € 0,-;
de saldi op de bankrekeningen op naam van de vrouw, onder verrekening van de helft van de saldi op de peildatum 25 oktober 2022 aan de man;
aan de man wordt toegedeeld:
- de saldi op de bankrekeningen op naam van de man, onder verrekening van de helft van de saldi op de peildatum 25 oktober 2022 aan de vrouw;
veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 5.911,50 aan de vrouw, zulks uit hoofde van regres;
wijst het meer of anders verzochte af;
in de zaak met zaaknummer 200.341.741/01
bekrachtigt hetgeen de rechtbank heeft beslist met betrekking tot de kinderalimentatie en partneralimentatie;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.F. Mollema en G.G.B. Boelens, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 12 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team Familie
zaaknummers : 200.341.741/01 (alimentatie) en 200.341.745/01 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/10/646714 en C/10/656089
rekestnummers rechtbank: FA RK 22-7541 en FA RK 23-2781
beschikking van de meervoudige kamer van 12 augustus 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J. van Andel te Driebergen-Rijsenburg,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.
1Verder procesverloop in hoger beroep
1.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 4 maart 2026 (hierna: de tussenbeschikking), waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
1.2
Bij die beschikking heeft het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.341.745/01
alvorens verder te beslissen ten aanzien van de verdeling van de ondernemingen:
de partijen verzocht de zoals in rechtsoverweging 5.6 van de tussenbeschikking omschreven financiële gegevens en financiële informatie te laten overleggen van de ondernemingen van partijen;
de partijen verzocht zich uit te laten over de bij het hof voorliggende vragen zoals in rechtsoverweging 5.9 van de tussenbeschikking omschreven;
bepaald dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van de opgevraagde gegevens, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip;
iedere verdere beslissing aangehouden tot zaterdag 25 april 2026 pro forma;
het meer of anders verzochte afgewezen;
in de zaak met zaaknummer 200.341.741/01
alvorens verder te beslissen ten aanzien van de kinderalimentatie en de partneralimentatie:
bepaald dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van de in rechtsoverweging 5.6 van de tussenbeschikking omschreven financiële gegevens en financiële informatie, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip;
iedere verdere beslissing aangehouden tot zaterdag 25 april 2026 pro forma.
1.3
Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:
een journaalbericht van de zijde van de man van 24 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 28 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
1.4
De mondelinge behandeling is op 12 mei 2026 voortgezet. Verschenen zijn:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2Verdere beoordeling van het hoger beroep
2.1
In geschil is nog, onder de zaak met nummer 200.341.741/01, de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen zoals bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Onder de zaak met nummer 200.341.745/01 is nog in geschil de kinderalimentatie en de partneralimentatie. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 16 januari 2024 de verzoeken afgewezen met betrekking tot de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen zoals overeengekomen bij de huwelijkse voorwaarden alsmede de verzoeken tot het vaststellen van de kinderalimentatie en de partneralimentatie.
200.341.745/01
De verdeling
Vooraf
2.2
Partijen zijn op [datum] 2002 met elkaar gehuwd te [plaats] , Eritrea. Het huwelijk van partijen is op [datum] 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Bij notariële akte van [datum] 2002 zijn partijen huwelijkse voorwaarden overeengekomen, inhoudende een wettelijke gemeenschap van goederen met uitsluiting van a) onroerende zaken, b) het spaardeel van de overeenkomsten van levensverzekering aangegaan ter financiering van onroerende zaken, en c) de schulden uit geldlening, aangegaan ter financiering waarvoor de onroerende zaken hypothecair zijn verbonden. Tot de beperkte gemeenschap behoren – voor zover thans van belang – de aandelen in [BV 1] (de holding van de man), de mogelijke activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva van de eenmanszaak [eenmanszaak van de man] (de eenmanszaak van de man) en de banksaldi van partijen op de peildatum (datum ontbinding huwelijksgemeenschap). Ten aanzien van de activa en passiva van [eenmanszaak van de vrouw] (de eenmanszaak van de vrouw) heeft het hof noch in de petita noch in een latere aanvulling een verzoek tot verdeling aangetroffen; partijen hebben daarover ook geen (duidelijke) stellingen ingenomen. Partijen behoren voorts in mede-eigendom toe de woningen op de [adres 1] (de echtelijke woning) en de [adres 2] te [plaats] , ieder voor een gelijk aandeel. De woningen behoren tot een eenvoudige gemeenschap van partijen, waarvan partijen ook verdeling verzoeken. Partijen zijn het eens over wie welke woning toegedeeld dient te krijgen.
De ondernemingen (I): aandelen in [BV 1]
2.3
Tussen partijen is een geschil ontstaan met betrekking tot de waarde van de aandelen van de B.V.’s en de activa van de eenmanszaak [eenmanszaak van de man] van de man. In de verdeling moeten worden betrokken de aandelen in [BV 1] , welke vennootschap een aantal deelnemingen heeft die de waarde van de aandelen [BV 1] beïnvloeden. De oorspronkelijk tussen partijen overeengekomen peildatum voor de waardering van de ondernemingen was eind oktober 2022 (zie rov. 5.6 van de tussenbeschikking). Na het wijzen van de tussenbeschikking is de man daarop teruggekomen omdat hij stelt dat in 2023 pas een beter beeld van de financiën is ontstaan. Wat daar ook van zij, als er tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de peildatum voor waardering, geldt in beginsel de datum van feitelijke verdeling. Op dit moment zijn de aandelen in [BV 1] en de activa die behoren tot de eenmanszaak (nog) niet verdeeld.
2.4
De man heeft ten aanzien van de waarde van de aandelen [naar het hof begrijpt: de waarde van de aandelen [BV 1] ] gesteld dat de aandelen in ieder geval sinds december 2023 geen waarde meer vertegenwoordigen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij in hoger beroep als productie 22 een deskundigebericht overgelegd. De deskundige de heer [de deskundige] komt tot het oordeel dat als er geconsolideerd naar alle vennootschappen wordt gekeken, de waarde van [BV 1] op € 0,- moet worden gesteld. Als er niet geconsolideerd naar alle vennootschappen wordt gekeken, maar uitsluitend naar [BV 1] , en ervan uit wordt gegaan dat de Holding niet aansprakelijk is voor de deelneming van de vennootschappen, dan wordt de waarde van [BV 1] geschat op € 165.530,-.
2.5
De vrouw betwist de waarde van € 165.530,-, en stelt dat de aandelen van [BV 1] meer waard zijn. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij geen bezwaar heeft de aandelen in [BV 1] om niet aan de vrouw toe te delen, zodat zij vervolgens zelf onderzoek kan doen instellen naar de waarde van de aandelen. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij de aandelen niet wil hebben, maar dat de aandelen wel een waarde vertegenwoordigen. Zij vindt dat een onderzoek op zijn plaats is zodat de aandelen van de man door een deskundige, een register valuator, kunnen worden gewaardeerd op grond van de DCF-methode.
2.6
Het hof overweegt als volgt. Uit de processtukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat partijen het niet eens kunnen worden over de waarde van de aandelen [BV 1] en hoe deze aandelen in de verdeling moeten worden betrokken. Het hof zal derhalve op de voet van artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de verdeling vaststellen, waarbij het hof beschikt over een grote discretionaire bevoegdheid. Het hof kan een verdeling vaststellen, ongeacht de verzoeken van de partijen. Het hof dient daarbij naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang.
2.7
Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling de – op het verzoek van het hof op 24 april 2026 door de man ingediende – jaarrekeningen van [BV 1] en de deelnemingen van [BV 1] met partijen besproken en doorgelopen. Het hof heeft de advocaat van de man erop gewezen dat de jaarrekeningen niet zijn gebaseerd op een deugdelijke grondslag en dat er naar het oordeel van het hof geen sprake kan zijn van een accountantsrapport omdat de jaarrekening niet is samengesteld door een accountant in de zin van de Wet op het accountantsberoep. Wel heeft het hof, mede bezien de toelichting die door de man is gegeven, kunnen vaststellen dat de besloten vennootschappen een zeer groot aantal schulden dienen te voldoen die mede hun oorzaak vinden in belastingschulden die ten tijde van de coronaperiode zijn ontstaan, terwijl de man in die periode – na een zware hersenbloeding in 2020 – niet kon werken. Het hof heeft begrepen dat [BV 2] een bedrag van rond de € 950.000,- aan het UWV moet terugbetalen, hetgeen zou leiden tot een faillissement van de vermelde vennootschap (productie 74). Op basis van het eerder genoemde rapport van de deskundige de heer [de deskundige] , alsmede op basis van de gebrekkige jaarrekeningen en de ter zitting verkregen informatie van partijen, acht het hof het niet aannemelijk dat aan de aandelen in [BV 1] enige waarde kan worden toegekend. Aangezien de vrouw ervan overtuigd is dat de aandelen wel een waarde vertegenwoordigen en gelet op het aanbod van de man om de aandelen om niet aan de vrouw toe te delen en het feit dat de benoeming van een deskundige aanzienlijke kosten met zich brengt, acht het hof het in dit geval redelijk en billijk om de aandelen om niet aan de vrouw toe te delen. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de vrouw, na de hersenbloeding van de man in 2020, de feitelijke werkzaamheden in de onderneming van de man heeft overgenomen. Het hof wijst de partijen erop dat voor de levering van de aandelen een notariële akte vereist is. Na de levering van de aandelen aan de vrouw heeft de vrouw alle gelegenheid om zelf te onderzoeken of de aandelen in [BV 1] enige waarde hebben, en komt alle eventueel aanwezige waarde ook aan haar toe.
De ondernemingen (II): activa en passiva [eenmanszaak van de man]
2.8
Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek van de vrouw met betrekking tot de verdeling van de eenmanszaak [eenmanszaak van de man] het volgende (zie ook rov. 5.5 van de tussenbeschikking). Een eenmanszaak is geen goed dat in de wettelijke gemeenschap van goederen valt en kan als zodanig niet worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva valt in de wettelijke gemeenschap van goederen. De activa die op de peildatum (25 oktober 2022; datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding) aanwezig zijn, kunnen worden verdeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt voor de waardering het tijdstip van feitelijke verdeling, tenzij partijen een ander tijdstip met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen dat tijdstip verzetten. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn. Het hof oordeelt dat op basis van de verstrekte gegevens niet kan worden vastgesteld welke activa behorende tot het ondernemingsvermogen van [eenmanszaak van de man] op de peildatum in de ontbonden huwelijksgemeenschap vielen. De mondelinge behandeling heeft voorts niet meer zicht gegeven op de waarde van de activa van [eenmanszaak van de man] . De vrouw heeft hierover ook geen concreet standpunt ingenomen, los van het antwoord op de vraag van het hof dat wat betreft deze onderneming het ondernemingsvermogen en niet de onderneming moet worden gewaardeerd. Derhalve heeft het hof in het kader van de verdeling onvoldoende informatie om met betrekking tot de activa van de eenmanszaak [eenmanszaak van de man] een oordeel te geven en kan het niet tot verdeling van tot de onderneming behorende vermogensbestanddelen overgaan. Het hof zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de eenmanszaak afwijzen.
De bankrekeningen
2.9
Zoals het hof in de tussenbeschikking van 4 maart 2026 onder 5.11 reeds heeft overwogen, zijn partijen overeengekomen dat zij de op hun naam staande bankrekeningen voortzetten met vergoeding van de helft van het saldo op de peildatum aan de ander. De peildatum is 25 oktober 2022 (datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding). Partijen dienen – voor zover niet reeds al gedaan – over en weer bankafschriften te verstrekken van het saldo op de peildatum. Het hof gaat ervan uit dat partijen hier hun medewerking aan verlenen (of reeds hebben verleend) en zal het verzoek van de vrouw tot het opleggen van een dwangsom afwijzen.
De woningen
2.10
De partijen hebben het hof verzocht de woningen in de twee eenvoudige gemeenschappen te verdelen. Zij zijn het eens over wie welke woning toegedeeld dient te krijgen. De vrouw zou de [adres 1] toebedeeld willen krijgen en de man de [adres 2] .
2.11
Ter zitting hebben de partijen bij het hof aangegeven dat het in ieder geval de man hoogstwaarschijnlijk niet zal lukken om de woning aan de [adres 2] te financieren en de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypotheek. Voorts heeft het hof ook ernstige twijfel of de vrouw gezien haar inkomen van € 34.000,- een woning van ruim € 500.000,- kan financieren. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens is het hof – gezien de (slechte) financiële positie van beide partijen – van oordeel dat de beide woningen in het kader van de verdeling spoedig dienen te worden verkocht. Het is in het belang van beide partijen dat hun financiële lasten worden beperkt.
2.12
Het hof zal de verkoop van de woningen aan [adres 1] te [plaats] en aan de [adres 2] te [plaats] gelasten onder de volgende voorwaarden:
a. de vrouw zal binnen drie weken na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorstellen die bereid en in staat zijn de woningen te verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot verkoop van de twee woningen. Deze makelaar-taxateur zal partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woningen;
de over- dan wel onderwaarde van de woningen wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woningen, minus de aan de woningen gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woningen.
2.13
Mochten partijen in onderling overeenstemming toch tot een andere verdeling komen, dan kunnen ze daartoe uiteraard overgaan.
De meewerkvergoeding
2.14
De vrouw verzoekt het hof om de man te veroordelen om aan de vrouw uit hoofde van de over de jaren 2018 en 2019 opgevoerde meewerkvergoeding een bedrag te betalen van € 84.000,-. De man stelt dat het onduidelijk is hoe de vrouw deze bedragen heeft vastgesteld. Daarnaast vallen de inkomsten van partijen in de gemeenschap, zodat er geen recht is om achteraf alsnog om een meewerkvergoeding te verzoeken.
2.15
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting heeft het hof aan de advocaat van de vrouw gevraagd wat de juridische grondslag is van haar vordering. De advocaat van de vrouw heeft dit niet kunnen toelichten. De meewerkvergoeding is een fiscale faciliteit, en leidt tot een vermindering van de inkomstenbelasting. Door tijdens het huwelijk minder belasting te betalen, heeft de vrouw ook voordeel genoten. Zowel de actief- als de passiefzijde van een eventuele meewerkvergoeding over deze periode vallen bovendien in de gemeenschap, zodat het saldo daarvan nihil is en/of de vrouw daarin aan beide zijden al heeft meegedeeld. Het hof zal dit verzoek van de vrouw afwijzen.
Aanslag IB 2020
2.16
Zoals reeds in de tussenbeschikking onder 5.13 is overwogen, zijn beide partijen gelijk draagplichtig voor schulden van de huwelijksgemeenschap die zijn ontstaan voor de peildatum van 25 oktober 2022 of betrekking hebben op de periode van voor 25 oktober 2022. Indien de vrouw echter meer dan 50% van de betreffende schuld heeft betaald uit privévermogen bestaat er voor haar een regresvordering op de man. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 mei 2026 heeft de vrouw onweersproken gesteld dat zij de aanslag IB 2020, van € 11.823,-, inmiddels (na de peildatum) heeft betaald uit privévermogen. Haar eigen aandeel in de schuld bedraagt de helft van dit bedrag, waardoor zij een regresvordering heeft op de man van € 5.911,50. Nu het voorgaande na de tussenbeschikking duidelijk is geworden, zal het hof het verzoek van de vrouw alsnog toewijzen.
200.341.741/01
Kinder- en partneralimentatie
2.17
Aan de orde is eveneens de kinderalimentatie en de partneralimentatie. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van kinderalimentatie en partneralimentatie afgewezen aangezien de vrouw haar verzoek onvoldoende had onderbouwd.
2.18
In randnummer 19 van haar beroepschrift stelt de vrouw zelf dat zij niet op basis van harde cijfers haar behoefte en de draagkracht van de man kan beoordelen. De vrouw wenst derhalve anderszins aan haar stelplicht te voldoen. Uit randnummer 20 van haar beroepschrift volgt dat zij de gemiddelde winst van de eenmanszaak van de man begroot op € 299.424,- en de gemiddelde winst uit [BV 1] (en/of de werkmaatschappijen) in 2020 begroot op € 85.695,-. Vervolgens combineert de vrouw de gemiddelde winst van de eenmanszaak met die van de gemiddelde winst van [BV 1] (en/of de werkmaatschappijen) en komt dan uit op een bedrag van € 192.560,-. De behoefte van de kinderen heeft zij bepaald op een bedrag van (geïndexeerd naar 2024) € 939,32 per maand en vervolgens stelt zij haar netto huwelijkse gerelateerde behoefte op een bedrag van € 7.427,- netto per maand. De vrouw heeft voor de financiële gegevens wat betreft de eenmanszaak gekeken naar de jaren 2017 tot en met 2019. Ter zitting heeft de vrouw een qua systematiek vergelijkbare berekening gemaakt met naar eigen zeggen cijfers uit 2022, die het hof niet heeft kunnen verifiëren.
2.19
Door de man is verweer gevoerd. De man heeft gesteld dat hij op [datum] 2020 een zware hersenbloeding heeft gehad en dat hij vanaf die datum tot eind 2021 nauwelijks bemoeienis had met [BV 1] en de werkmaatschappijen. De werkzaamheden binnen de vennootschappen werden feitelijk door de vrouw verricht. Door de man is expliciet gesteld dat niet uitgegaan kan worden van de financiële gegevens met betrekking tot de jaren 2017/2019 omdat de man op [datum] 2020 een hersenbloeding heeft gehad.
2.20
Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 25 oktober 2022 ingediend bij de rechtbank. Voor de bepalingen van de behoefte van zowel de kinderen als de vrouw is van belang het netto besteedbaar inkomen van partijen in het jaar 2021. Het hof gaat ervan uit dat – hoewel partijen tot 2023 of 2024 in één huis zijn blijven wonen – niet langer dan tot 2021 nog vorm werd gegeven aan de huwelijkse samenleving. Het hof heeft op basis van de door partijen verstrekte gegevens geen (representatief) netto besteedbaar inkomen kunnen berekenen ten tijde van de relatiebreuk in 2021.
2.21
De wijze waarop de vrouw de behoefte van de kinderen onderbouwt alsmede haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte is naar het oordeel van het hof ondeugdelijk. Ten eerste gaat zij uit van een verkeerde periode en ten tweede kan de winst uit onderneming niet opgeteld worden bij de winst die valt onder de vennootschapsbelasting. Winst in het kader van de Wet Inkomstenbelasting wijkt af van de winst in het kader van de Wet op de vennootschapsbelasting. Bij een B.V. dient ook nog rekening te worden gehouden met de dwingendrechtelijke bepalingen van Boek 2 BW (artikel 2:25 BW in verbinding met artikel 2:216 lid 3 BW over de aansprakelijkheid van de bestuurders van een B.V.) en het vennootschappelijk belang, welke (mogelijke) aansprakelijkheid in deze zaak een belangrijke rol speelt en nog boven het hoofd van de man (en wellicht ook de vrouw) hangt. Deze dwingendrechtelijke bepaling alsmede het vennootschappelijk belang bepalen of eventuele winst van de vennootschap in het kader van dividend kan worden uitgekeerd aan de aandeelhouder (in dit geval de man). De winst in het kader van de vennootschapsbelasting kan dus niet (zomaar) als inkomen van de man worden aangemerkt. Voor de in de werkmaatschappijen gemaakte winst geldt dat des te meer.
2.22
Naar het oordeel van het hof had de vrouw in dit geval de behoefte van de kinderen alsmede haar huwelijksgerelateerde behoefte dienen te onderbouwen met concrete uitgaven en kosten die in de huwelijkse periode werden gemaakt. Het hof heeft geen enkel inzicht gekregen in de welstand waarin partijen in de huwelijkse periode leefden zoals woonkosten, vakanties, hobby`s enz. De op de alimentatie betrekking hebbende grief van de vrouw treft dus geen doel en het hof komt niet toe aan een verdere bepaling van enige kinder- of partneralimentatie, waaronder de draagkracht van de man.
2.23
Om verdere nodeloze procedures tussen partijen te voorkomen overweegt het hof ten overvloede nog als volgt. Onbestreden is dat de man een zware hersenbloeding heeft gehad. Het hof heeft ook nog zelf bij de mondelinge behandeling kunnen vaststellen dat de man nog steeds beperkt is in het generen van verdiencapaciteit. Uit hetgeen het hof in r.o. 2.7. heeft overwogen volgt dat de aandelen in [BV 1] worden toegedeeld aan de vrouw. Het is dus niet meer te verwachten dat de man nog inkomsten zal verwerven uit [BV 1] en de met deze vennootschap gelieerde vennootschappen. Gezien de gezondheid van de man is het onzeker wat hij nog aan winst uit onderneming kan generen. De onroerende zaken die partijen in mede-eigendom toebehoren dienen – mede bezien de financiële positie van beide partijen – naar alle waarschijnlijkheid te worden verkocht. Huurinkomsten daaruit vallen dan weg. Ten slotte hangt ook een (mogelijke) bestuurdersaansprakelijkheid de man nog boven het hoofd. Naar het oordeel van het hof doen partijen er verstandig aan om met een financiële mediator om tafel te gaan zitten om verder financieel afglijden te voorkomen.
Proceskosten
2.24
Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.25
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
3De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.341.745/01
gelast de wijze van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als volgt:
met betrekking tot de woningen gelegen aan de [adres 1] en de [adres 2] te [plaats] :
de woningen worden verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
1. de vrouw zal binnen drie weken na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorstellen die bereid en in staat zijn de woning te verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot verkoop van de twee woningen. Deze makelaar-taxateur zal partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
2. de over- dan wel onderwaarde van de woningen wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
3. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:
aan de vrouw wordt toegedeeld:
de aandelen in [BV 1] tegen een waarde van € 0,-;
de saldi op de bankrekeningen op naam van de vrouw, onder verrekening van de helft van de saldi op de peildatum 25 oktober 2022 aan de man;
aan de man wordt toegedeeld:
- de saldi op de bankrekeningen op naam van de man, onder verrekening van de helft van de saldi op de peildatum 25 oktober 2022 aan de vrouw;
veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 5.911,50 aan de vrouw, zulks uit hoofde van regres;
wijst het meer of anders verzochte af;
in de zaak met zaaknummer 200.341.741/01
bekrachtigt hetgeen de rechtbank heeft beslist met betrekking tot de kinderalimentatie en partneralimentatie;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.F. Mollema en G.G.B. Boelens, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 12 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.