Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2602
2026-08-18
Civiel recht
200.351.562/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dexia / advisering / wetenschap / tussenpersoon
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2016:2012 Hoge Raad 02-09-2016
- ECLI:NL:HR:2016:2012 Hoge Raad 02-09-2016
- ECLI:NL:HR:2018:1935 Hoge Raad 12-10-2018
- ECLI:NL:HR:2022:862 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.681 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.351.562/01
Zaaknummer rechtbank : 11027407 EL 24-3
Arrest van 18 augustus 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.
1De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 november 2024 (hierna: het bestreden vonnis).
2De procedure in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 21 januari 2025;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de akte uitlaten van Dexia;
de antwoordakte van [geïntimeerde];
de door partijen gedeponeerde stukken, waarnaar zij in deze zaak verwijzen.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De kern van de zaak
3.1.
Deze zaak gaat over één effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon genaamd Vuysters Financieringen (hierna te noemen: Vuysters). Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door Vuysters die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als Vuysters beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep relevant, gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde], dat hij de door Dexia gevorderde restschuld niet is verschuldigd en Dexia veroordeelt tot vergoeding van de schade van [geïntimeerde]. Voorts heeft [geïntimeerde] gevorderd Dexia te veroordelen tot het laten doorhalen van de BKR-registratie van [geïntimeerde], alsmede tot betaling van de proceskosten.
3.3.
Dexia heeft hiertegen verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. Dexia heeft gevorderd, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 658,80 te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst tussen haar en [geïntimeerde] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en dat zij niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Zij heeft ook gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
3.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en de vorderingen van Dexia afgewezen. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld in de proceskosten.
4De beoordeling
4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog toewijzen van haar tegenvordering en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft het hof verzocht om Dexia niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans – zakelijk weergegeven – het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] Vuysters als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Vuysters in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “De feitelijke gang van zaken” in zijn dagvaarding. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. Ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst had [geïntimeerde] reeds een lening afgesloten via een bij naam genoemde medewerker van Vuysters. [geïntimeerde] werd door Vuysters benaderd voor een interessante aanbieding. Er werd een afspraak gemaakt voor een kantoorbezoek en er hebben vervolgens meerdere adviesgesprekken, ten kantore van Vuysters, plaatsgevonden. De partner van [geïntimeerde] was hierbij ook aanwezig.
Tijdens het eerste bezoek is de financiële situatie van [geïntimeerde] doorgenomen. De medewerker was reeds bekend met de financiële situatie van [geïntimeerde] zoals de lopende lening, vaste lasten en inkomsten. De medewerker gaf aan dat zij een interessant product voor [geïntimeerde] had, om de lening sneller af te kunnen lossen en daarnaast ook nog wat extra geld over te houden. De medewerker gaf aan dat het AEX Plus Effect van Dexia een geschikt product was voor [geïntimeerde]. Het AEX Plus Effect zou namelijk een hoog rendement hebben, waarmee [geïntimeerde] zijn doelstelling zou bereiken. Er zou maandelijks een bedrag ingelegd moeten worden. Zodoende werd in samenspraak gekozen voor een bedrag van NLG 250,00 per maand. De medewerker heeft een prognosevoorbeeld laten zien en verteld hoe gunstig het rendement zou zijn. [geïntimeerde] had geen kennis van complexe financiële producten en heeft in vertrouwen het advies van de medewerker opgevolgd. [geïntimeerde] heeft een AEX Plus Effect afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 250,00. De medewerker heeft in het bijzijn van [geïntimeerde] het aanvraagformulier ingevuld en naar Dexia verzonden. De overeenkomst is tijdens een nieuwe afspraak ter ondertekening aan [geïntimeerde] voorgelegd. Na ondertekening werd de overeenkomst door de medewerker naar Dexia gestuurd. Op deze wijze is [geïntimeerde] de overeenkomst aangegaan, aldus [geïntimeerde].
4.7.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en Vuysters is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door Vuysters aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Deze omstandigheid brengt volgens Dexia mee, dat van haar niet kan worden gevergd haar stellingen en de betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] nader te motiveren. Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Deze herinneringen zeggen volgens Dexia weinig tot niets over wat er werkelijk is voorgevallen tussen [geïntimeerde] en Vuysters. Volgens Dexia is het opmerkelijk dat [geïntimeerde] zich allerlei details over de gevoerde gesprekken meent te herinneren, maar niet de fundamentele punten zoals met wie hij gesproken heeft. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van Vuysters bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia stelt daarbij dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat niet is vastgesteld dat de tussenpersonen een vaste werkwijze hanteerden die is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Volgens Dexia is er genoeg bewijs voorhanden waaruit volgt dat tussenpersonen in veel gevallen niet vergunningplichtig adviseerden en daarom bestaat ook in dit geval de mogelijkheid dat niet vergunningplichtig is geadviseerd. Tot slot betoogt Dexia dat uit de stellingen van [geïntimeerde] niet volgt dat Vuysters een aanbeveling heeft gedaan voor een product dat zij als geschikt voor [geïntimeerde] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde]. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.8.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.9.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen afnemers slechts zelden in algemene zin pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Het betreft hier een eigen verantwoordelijkheid van Dexia. Zij heeft niet erop mogen vertrouwen dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet in strijd met de wet handelden. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
4.10.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van Vuysters bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de financiële situatie en wensen van [geïntimeerde] zijn besproken, (ii) het financiële doel van [geïntimeerde] is besproken, (iii) Vuysters vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat Vuysters het effectenleaseproduct aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde], en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Dat geldt ook indien, zoals Dexia heeft aangevoerd, de door Vuysters aangeleverde prognose niet aansloot op de effectenleaseovereenkomst of de financiële situatie van [geïntimeerde]. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van [geïntimeerde] dat Vuysters met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, hiermee voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.11.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Dexia voert aan dat [geïntimeerde] niet kan reproduceren wie hem heeft geadviseerd. [geïntimeerde] maakt in zijn betoog echter wel degelijk voldoende concreet met welke medewerker van Vuysters hij meerdere malen heeft gesproken. In het prognosevoorbeeld, dat bij de dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd, staat tevens de naam en het telefoonnummer van de medewerker vermeld. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van Vuysters, met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van de zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen. Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), snijdt geen hout. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure in 2005-2006 en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde] zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.
4.12.
Voor zover Dexia nog aanvoert dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt dit verweer verworpen. Uit HR 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat Vuysters vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.14.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde].
4.15.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist of moest weten dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Vuysters aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat Vuysters vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door Vuysters werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat in het uittreksel van de Kamer van Koophandel als de bedrijfsomschrijving het bemiddelen in verzekeringen, financieringen, hypotheken, en spaar-en beleggingsproducten omvatte. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Vuysters [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.16.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat Vuysters adviseerde. Hierbij komt dat het hof hiervoor al heeft vastgesteld dat Dexia wist, of behoorde te weten, dat Vuysters [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.17.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
4.18.
Dexia komt met haar grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. Omdat uit het voorgaande volgt dat grieven I en II niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
BKR-registratie
4.19.
De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] tot doorhaling (ongedaanmaking) van de BKR-registratie aldus toegewezen – kort samengevat – dat Dexia is veroordeeld om het Bureau kredietregistratie te berichten dat [geïntimeerde] geen verplichting uit de leaseovereenkomst meer heeft, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Met grief V voert Dexia aan dat zij het niet in haar macht heeft de gegevens van [geïntimeerde] in het BKR-register door te halen en dat daarom het verzoek om aan de doorhaling een dwangsom te verbinden, moet worden afgewezen. Daarmee miskent Dexia dat zij niet is veroordeeld om te bewerkstelligen dat de gegevens in het BKR-register worden doorgehaald. Grief V kan daarom niet slagen.
Conclusie
4.20.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden. Dit brengt mee dat de kantonrechter eveneens terecht de vordering van Dexia tot betaling van € 658,80 aan restschuld heeft afgewezen. Grief III is dus tevergeefs voorgesteld.
4.21.
Partijen zijn, met verwijzing naar rov. 4.13. van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
4.22.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.23.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat ook de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.
5De uitspraak
Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 827,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1.5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, P. Volker en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 augustus 2026.
HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.351.562/01
Zaaknummer rechtbank : 11027407 EL 24-3
Arrest van 18 augustus 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.
1De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 november 2024 (hierna: het bestreden vonnis).
2De procedure in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 21 januari 2025;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de akte uitlaten van Dexia;
de antwoordakte van [geïntimeerde];
de door partijen gedeponeerde stukken, waarnaar zij in deze zaak verwijzen.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De kern van de zaak
3.1.
Deze zaak gaat over één effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon genaamd Vuysters Financieringen (hierna te noemen: Vuysters). Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door Vuysters die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als Vuysters beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep relevant, gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde], dat hij de door Dexia gevorderde restschuld niet is verschuldigd en Dexia veroordeelt tot vergoeding van de schade van [geïntimeerde]. Voorts heeft [geïntimeerde] gevorderd Dexia te veroordelen tot het laten doorhalen van de BKR-registratie van [geïntimeerde], alsmede tot betaling van de proceskosten.
3.3.
Dexia heeft hiertegen verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. Dexia heeft gevorderd, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 658,80 te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst tussen haar en [geïntimeerde] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en dat zij niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Zij heeft ook gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
3.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en de vorderingen van Dexia afgewezen. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld in de proceskosten.
4De beoordeling
4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog toewijzen van haar tegenvordering en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft het hof verzocht om Dexia niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans – zakelijk weergegeven – het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] Vuysters als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Vuysters in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “De feitelijke gang van zaken” in zijn dagvaarding. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. Ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst had [geïntimeerde] reeds een lening afgesloten via een bij naam genoemde medewerker van Vuysters. [geïntimeerde] werd door Vuysters benaderd voor een interessante aanbieding. Er werd een afspraak gemaakt voor een kantoorbezoek en er hebben vervolgens meerdere adviesgesprekken, ten kantore van Vuysters, plaatsgevonden. De partner van [geïntimeerde] was hierbij ook aanwezig.
Tijdens het eerste bezoek is de financiële situatie van [geïntimeerde] doorgenomen. De medewerker was reeds bekend met de financiële situatie van [geïntimeerde] zoals de lopende lening, vaste lasten en inkomsten. De medewerker gaf aan dat zij een interessant product voor [geïntimeerde] had, om de lening sneller af te kunnen lossen en daarnaast ook nog wat extra geld over te houden. De medewerker gaf aan dat het AEX Plus Effect van Dexia een geschikt product was voor [geïntimeerde]. Het AEX Plus Effect zou namelijk een hoog rendement hebben, waarmee [geïntimeerde] zijn doelstelling zou bereiken. Er zou maandelijks een bedrag ingelegd moeten worden. Zodoende werd in samenspraak gekozen voor een bedrag van NLG 250,00 per maand. De medewerker heeft een prognosevoorbeeld laten zien en verteld hoe gunstig het rendement zou zijn. [geïntimeerde] had geen kennis van complexe financiële producten en heeft in vertrouwen het advies van de medewerker opgevolgd. [geïntimeerde] heeft een AEX Plus Effect afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 250,00. De medewerker heeft in het bijzijn van [geïntimeerde] het aanvraagformulier ingevuld en naar Dexia verzonden. De overeenkomst is tijdens een nieuwe afspraak ter ondertekening aan [geïntimeerde] voorgelegd. Na ondertekening werd de overeenkomst door de medewerker naar Dexia gestuurd. Op deze wijze is [geïntimeerde] de overeenkomst aangegaan, aldus [geïntimeerde].
4.7.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en Vuysters is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door Vuysters aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Deze omstandigheid brengt volgens Dexia mee, dat van haar niet kan worden gevergd haar stellingen en de betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] nader te motiveren. Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Deze herinneringen zeggen volgens Dexia weinig tot niets over wat er werkelijk is voorgevallen tussen [geïntimeerde] en Vuysters. Volgens Dexia is het opmerkelijk dat [geïntimeerde] zich allerlei details over de gevoerde gesprekken meent te herinneren, maar niet de fundamentele punten zoals met wie hij gesproken heeft. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van Vuysters bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia stelt daarbij dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat niet is vastgesteld dat de tussenpersonen een vaste werkwijze hanteerden die is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Volgens Dexia is er genoeg bewijs voorhanden waaruit volgt dat tussenpersonen in veel gevallen niet vergunningplichtig adviseerden en daarom bestaat ook in dit geval de mogelijkheid dat niet vergunningplichtig is geadviseerd. Tot slot betoogt Dexia dat uit de stellingen van [geïntimeerde] niet volgt dat Vuysters een aanbeveling heeft gedaan voor een product dat zij als geschikt voor [geïntimeerde] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde]. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.8.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.9.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen afnemers slechts zelden in algemene zin pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Het betreft hier een eigen verantwoordelijkheid van Dexia. Zij heeft niet erop mogen vertrouwen dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet in strijd met de wet handelden. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
4.10.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van Vuysters bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de financiële situatie en wensen van [geïntimeerde] zijn besproken, (ii) het financiële doel van [geïntimeerde] is besproken, (iii) Vuysters vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat Vuysters het effectenleaseproduct aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde], en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Dat geldt ook indien, zoals Dexia heeft aangevoerd, de door Vuysters aangeleverde prognose niet aansloot op de effectenleaseovereenkomst of de financiële situatie van [geïntimeerde]. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van [geïntimeerde] dat Vuysters met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, hiermee voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.11.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Dexia voert aan dat [geïntimeerde] niet kan reproduceren wie hem heeft geadviseerd. [geïntimeerde] maakt in zijn betoog echter wel degelijk voldoende concreet met welke medewerker van Vuysters hij meerdere malen heeft gesproken. In het prognosevoorbeeld, dat bij de dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd, staat tevens de naam en het telefoonnummer van de medewerker vermeld. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van Vuysters, met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van de zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen. Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), snijdt geen hout. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure in 2005-2006 en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde] zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.
4.12.
Voor zover Dexia nog aanvoert dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt dit verweer verworpen. Uit HR 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat Vuysters vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.14.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde].
4.15.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist of moest weten dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Vuysters aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat Vuysters vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door Vuysters werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat in het uittreksel van de Kamer van Koophandel als de bedrijfsomschrijving het bemiddelen in verzekeringen, financieringen, hypotheken, en spaar-en beleggingsproducten omvatte. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Vuysters [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.16.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat Vuysters adviseerde. Hierbij komt dat het hof hiervoor al heeft vastgesteld dat Dexia wist, of behoorde te weten, dat Vuysters [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.17.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
4.18.
Dexia komt met haar grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. Omdat uit het voorgaande volgt dat grieven I en II niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
BKR-registratie
4.19.
De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] tot doorhaling (ongedaanmaking) van de BKR-registratie aldus toegewezen – kort samengevat – dat Dexia is veroordeeld om het Bureau kredietregistratie te berichten dat [geïntimeerde] geen verplichting uit de leaseovereenkomst meer heeft, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Met grief V voert Dexia aan dat zij het niet in haar macht heeft de gegevens van [geïntimeerde] in het BKR-register door te halen en dat daarom het verzoek om aan de doorhaling een dwangsom te verbinden, moet worden afgewezen. Daarmee miskent Dexia dat zij niet is veroordeeld om te bewerkstelligen dat de gegevens in het BKR-register worden doorgehaald. Grief V kan daarom niet slagen.
Conclusie
4.20.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden. Dit brengt mee dat de kantonrechter eveneens terecht de vordering van Dexia tot betaling van € 658,80 aan restschuld heeft afgewezen. Grief III is dus tevergeefs voorgesteld.
4.21.
Partijen zijn, met verwijzing naar rov. 4.13. van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
4.22.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.23.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat ook de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.
5De uitspraak
Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 827,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1.5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, P. Volker en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 augustus 2026.
HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).