Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2589

2026-07-08 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.362.482/01 en 200.362.483/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.362.482/01 en 200.362.483/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

echtscheiding; verdeling echtelijke woning; ontvankelijkheid; rechtsmiddelenregister; partnerschapsvoorwaarden of wettelijke gemeenschap van goederen?; hoofdverblijfplaats minderjarigen en zorgregeling; kinderalimentatie; goede procesorde; incidenteel appel?

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.582 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG




Team Familie



zaaknummers : 200.362.482/01 en 200.362.483/01
zaaknummer rechtbank : C/10/696932
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-2438




beschikking van de meervoudige kamer van 8 juli 2026




inzake




[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verweerster in incidenteel appel,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat voorheen mr. M. Verschoor, thans mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen



tegen




[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel appel,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. N.T. Vogelaar te Maasdijk.



In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.






1Het verloop van de procedure bij de rechtbank


Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 7 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer (hierna: de bestreden beschikking).





2De procedure in hoger beroep


2.1
De vrouw is op 11 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder de zaaknummers 200.362.482/01 (echtscheiding) en 200.362.483/01 (verdeling).



2.2

De man heeft op 25 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
Aangezien in het door de man ingediende verweerschrift tevens is verzocht om vaststelling van een zorgregeling – hetgeen gekwalificeerd wordt als een incidenteel appel – is de vrouw door het hof per mailbericht van 13 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om tot en met 28 mei 2026 een verweerschrift in het incidenteel appel in te dienen. De vrouw heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.




2.3

Voorts zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen:
van de zijde van de vrouw:

- op 18 mei 2026 een e-mail met bijlagen;
van de zijde van de man:
- op 8 januari 2026 een journaalbericht van 17 december 2025 met bijlage;
- op 18 mei 2026 een e-mail met bijlagen;
- op 21 mei 2026 een e-mail met bijlage.



2.4
De hierna te noemen nu nog minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de zaak gesproken met de voorzitter.



2.5
De mondelinge behandeling heeft op 29 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door mr. J. Todorov (kantoorgenoot van mr. N.T. Vogelaar).
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.



2.6

Tijdens de mondelinge behandeling is een kopie van de huwelijksakte overgelegd.
Het hof heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat het hof de door de man bij e-mail van 18 mei 2026 dertien bladzijden tellende “akte uitlating” met aanvullende verzoeken (waaronder een verzoek om kinderalimentatie) als een nadere conclusie beschouwt en deze niet meeneemt bij de beoordeling wegens strijd met de goede procesorde. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling in dit verband nog naar voren gebracht dat uit het verweerschrift van de man niet duidelijk volgde (zie hiervoor onder 2.2) dat de man ook incidenteel appel had ingesteld. Dat de man vervolgens kort voor de zitting in zijn “akte uitlating” zijn verzoek vermeerdert en verzoekt om kinderalimentatie (zijnde een hogere kinderalimentatie dan in eerste aanleg door hem verzocht), acht het hof – zoals het hof tijdens de mondelinge behandeling reeds heeft beslist – in dit stadium en in dit specifieke geval in strijd met de goede procesorde. Wel worden de bij de “akte uitlating” gevoegde producties met actuele financiële stukken toegelaten.






3De feiten


3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.



3.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum] 2011. Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ),
gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen.




3.3
Partijen oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag uit over de minderjarigen.



3.4
De man en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Estische nationaliteit.



3.5
In hoger beroep is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking (zijnde de bestreden beschikking) op 21 oktober 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (productie 5 hoger beroepschrift).





4Waar de zaak over gaat


4.1
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts:

- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn;
- vastgesteld dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw zullen zijn als volgt:
zolang de vrouw in Nederland woont verblijven de minderjarigen eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 19:00 tot zondag 19.00 uur bij de vrouw, waarbij het halen en brengen en de vakanties bij helfte door partijen worden verdeeld;

- bepaald dat de vrouw aan de man met ingang van 7 oktober 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 99,- per maand per kind;

- bepaald dat de man, als hij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , die aan de vrouw uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;

- gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder rechtsoverweging 3.6.9., onderdelen I en II, met inachtneming van rechtsoverweging 3.6.11, te weten:


“3.6.9. De man verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze. In dat kader verzoekt hij:


I. te bepalen dat de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] , tegen een waarde van € 404.000,- aan de man wordt toegedeeld, onder de opschortende verplichtingen van de man:



de vrouw binnen zes maanden na inschrijving van de echtscheiding te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op voornoemde woning rustende hypothecaire geldlening;
de vrouw gelijktijdig met voornoemde overdracht wegens overbedeling een bedrag te doen toekomen, zijnde de helft van de overwaarde, en



II. indien het de man niet lukt om de onder sub 1 genoemde overname te financieren en realiseren, de vrouw te bevelen, binnen twee weken na de dag waarop blijkt dat de man de financiering niet rond krijgt, haar medewerking te verlenen om tot verkoop en levering van voornoemde woning te komen, waarbij:


a. partijen worden geboden een door uw rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar de opdracht te verstrekken om de woning te koop te zetten en partijen op te leggen zowel de opstartkosten van die makelaar als de (resterende) courtage en overige kosten bij helfte te dragen en, indien mogelijk, vanuit de overwaarde te voldoen;


b. partijen worden geboden om voornoemde makelaar een reële, marktconforme verkoopprijs en laatprijs te laten bepalen;


c. partijen worden geboden om al het nodige te doen om het verkooptraject goed te laten verlopen en te zullen meewerken aan de afgifte van de sleutels aan de makelaar, het toestaan van bezichtigingen, het bezichtigingwaardig en schoon houden van de woning, de ondertekening van de verkoopovereenkomst, de ondertekening van de akte van levering en het verrichten van alle overige handelingen die voor de verkoop noodzakelijk zijn;


d. partijen ieder gerechtigd zijn - na betaling van de onder a. genoemde kosten - tot de helft van de overwaarde.


[Ill] Voor het geval de vrouw weigert haar medewerking te verlenen aan het onder I en II genoemde, verzoekt hij te bepalen dat deze beschikking dezelfde kracht heeft als de door de man (de rechtbank begrijpt: partijen) te ondertekenen overeenkomst of notariële akte.


[…]



3.6.11.


Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten. Omdat de door de man verzochte wijze van verdeling niet is weersproken en op de wet is gegrond, zal de rechtbank het verzochte grotendeels overnemen, met dien verstande dat:

- de rechtbank als makelaar aanwijst (voor het geval genoemd in rechtsoverweging 3.6.9, onderdeel II, onder a): [makelaar] , [adres] , te [plaats] ;
- de rechtbank het verzoek genoemd in rechtsoverweging 3.6.9, onderdeel [III] aldus opvat dat de man toepassing van artikel 3:300, lid 2, BW en het toewijst zoals hieronder bepaald in de beslissing.”


- bepaald dat, bij gebreke van medewerking van de vrouw tot

in het geval bedoeld in rechtsoverweging 3.6.9, onderdeel I

- het leveren van de woning aan de man;

in het geval bedoeld in rechtsoverweging 3.6.9, onderdeel II



het aangaan van de overeenkomst van opdracht met de makelaar;


het aangaan van de koopovereenkomst met een derde;


het leveren van de woning aan de derde;


deze beschikking op grond van artikel 3:300, lid 2, BW zo nodig in de plaats zal treden van de wilsverklaringen van de vrouw in de desbetreffende akten.


De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding. De proceskosten zijn gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte is afgewezen.





4.2
De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen zal zijn gelegen bij de vrouw;

- te bepalen dat de man met een bedrag van € 247,- per maand per kind dient bij te dragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding zulks met ingang van 7 oktober 2025, althans met een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof in goede justitie juist acht;

- te bepalen dat de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] tegen een waarde van € 410.000,- aan de vrouw wordt toebedeeld onder de opschortende verplichtingen van de vrouw;

- de man binnen 4 maanden na datum van deze beschikking te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op voornoemde woning rustende hypothecaire geldlening;

- de man gelijktijdig met voornoemde overdracht wegens overbedeling een bedrag te doen toekomen, zijnde de helft van de overwaarde;

- te bepalen dat bij gebreke van medewerking van de man ter zake van de levering van zijn aandeel van de woning aan de vrouw, de beschikking van het hof op grond van artikel 3:300 lid 2 BW zo nodig in de plaats zal treden van de wilsverklaringen van de man in de desbetreffende akte.



4.3
De man verzoekt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans deze verzoeken af te wijzen;

2. te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgesteld tussen de minderjarigen en de moeder, zoals onder randnummer 4.3 van het verweerschrift is besproken;



randnummer 4.3 van het verweerschrift luidt als volgt:





De man stelt voor dat het hof de volgende zorgregeling vaststelt, afhankelijk van de verblijfplaats van de vrouw:





scenario 1: de vrouw woont in Nederland (binnen 10 km van [plaats] )


co-ouderschapregeling (week op en af);


de schoolvakanties worden bij helfte verdeeld, tenzij partijen anders overeenkomen;





scenario 2: de vrouw woont in Nederland


indien de vrouw een vaste woon- en verblijfplaats in Nederland heeft, binnen een straal van 50 kilometer van de woning van de man te [plaats] , geldt de volgende zorgregeling:


• de minderjarigen verblijven één weekend per veertien dagen bij de vrouw, van vrijdag na schooltijd (circa 16.00 uur) tot zondag 19.00 uur;


• de schoolvakanties worden bij helfte verdeeld, tenzij partijen anders overeenkomen;


• de vrouw haalt de kinderen op vrijdag op bij de man; de man haalt de kinderen op zondag op bij de vrouw;


• wijzigingen in het rooster kunnen in onderling overleg worden afgesproken;





scenario 3: de vrouw woont in het buitenland (Estland of elders)


indien de vrouw emigreert naar Estland of een ander land buiten Nederland, geldt de volgende zorgregeling:


• de minderjarigen verblijven gedurende de helft van de zomer-, kerst- en meivakantie bij de vrouw;


• de kosten van reis en verblijf komen - gelet op de keuze van de vrouw om te emigreren - voor rekening van de vrouw;


• tussentijds contact verloopt via telefoon, videobellen en andere digitale middelen, op voor alle partijen aanvaardbare tijden;


• de vrouw is te allen tijde welkom om de kinderen in Nederland te bezoeken, mits dit in overleg met de man wordt afgestemd en de kinderen daarmee instemmen.



3. de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden.









5De motivering van de beslissing



Ontvankelijkheid met betrekking tot de verdeling van de voormalige echtelijke woning




5.1
Het hof is van oordeel dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar grieven 5 tot en met 7 met betrekking tot de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de woning). In de bestreden beschikking is de woning aan de man toegedeeld en onder meer bepaald dat – indien de vrouw haar medewerking niet geeft aan de levering aan de man – deze beschikking op grond van artikel 3:300, lid 2, BW in de plaats treedt van de (wilsverklaring van de vrouw in de) notariële akte van levering. Het hof zal het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover dat is gericht tegen de toedeling van de woning aan de man en de bepaling met betrekking tot de indeplaatstreding van de beschikking indien de vrouw haar medewerking niet verleent, aangezien de vrouw heeft verzuimd om het hoger beroep tegen de eindbeschikking van de rechtbank op de voet van artikel 3:301 lid 2 BW binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel te doen inschrijven in het rechtsmiddelenregister.



Hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling





5.2
De vrouw stelt dat zij vanaf de geboorte van de minderjarigen alle primaire opvoedings- en zorgtaken op zich heeft genomen. De man is in de afgelopen jaren veelal volledig afwezig geweest. Na het beëindigen van zijn werkcontract bij [werkgever] , heeft de man zes jaar geleden weer zijn intrek genomen bij het gezin. De minderjarigen verblijven vanaf hun geboorte bij de vrouw. Zij is niet van plan te emigreren naar Estland en dit zou ook in strijd met de belangen van de minderjarigen zijn.



5.3
De man betwist dat de vrouw te allen tijde de primaire opvoedings- en zorgtaken voor de minderjarigen heeft vervuld. De man heeft de afgelopen zes jaar de zorg voor de minderjarigen op zich genomen. Partijen waren nog formeel gehuwd, maar leefden feitelijk gescheiden en de vrouw sloot zich op in haar kamer en bemoeide zich nauwelijks met de dagelijkse gang van zaken rondom de minderjarigen. Omwille van de minderjarigen heeft de man zijn baan bij [werkgever] opgegeven en is verpleegkundige geworden. Hij is voornemens de voormalige echtelijke woning over te nemen en de minderjarigen wonen daar sinds hun geboorte. De vrouw heeft herhaaldelijk verklaard naar Estland te willen verhuizen en dit risico is aanwezig. Het is dan ook in het belang van de minderjarigen dat hun hoofdverblijfplaats bij hem wordt bepaald.



5.4
Het hof overweegt als volgt. Het hof gaat er ook van uit dat de vrouw de beste intenties heeft voor het welzijn van de kinderen van partijen. Het is in het belang van de man, de vrouw en de minderjarigen dat er rust en duidelijkheid komt met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling. Het beste zou zijn indien de beide ouders zelf een oplossing zouden vinden voor de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. Nu partijen er zelf niet uitkomen, rust op het hof de taak om een beslissing te nemen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats. Om tot een goede afweging te kunnen komen heeft het hof ook gesproken met de twee minderjarige kinderen van partijen. Zij vinden het fijn als zij in de voormalige echtelijke woning kunnen blijven wonen. De minderjarigen hebben ook te kennen gegeven dat zij van hun moeder te houden maar dat zij niet haar zorgen kunnen oplossen. Feitelijk kan de vader invulling geven aan het dagelijks leven van de minderjarigen. Voor de minderjarige kinderen is het dus van belang dat de relatieve rust kan worden voortgezet. De vader kan de voormalige echtelijke woning overnemen, hetgeen impliceert dat de minderjarigen in hun vertrouwde woonomgeving kunnen blijven wonen. Op basis van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het in het belang van alle betrokkenen is dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen wordt toegewezen aan de vader.



5.5
Het is tevens de verantwoordelijkheid van beide ouders dat zij een goede invulling geven aan de zorgregeling waarbij het van belang is dat de ouder die niet de dagelijkse zorg heeft voor de minderjarigen wel een invulling kan geven aan diens ouderrol. Het is niet in het belang van de minderjarigen dat zij belast worden met de zorgen van hun ouders. Minderjarige kinderen moeten de ruimte krijgen om een vrij kind te zijn in hun relatie tot beide ouders. Als het de ouders zelf niet lukt om invulling te geven aan een zorgregeling is het ook de verantwoordelijkheid van beide ouders om hulp te zoeken.



5.6
Uit het betoog van de vrouw volgt dat zij een ruimere omgang wenst te hebben met de minderjarigen. Zij verwijst naar de zorgtaken die zij in het verleden voor de minderjarigen heeft verricht. De man heeft met betrekking tot de zorgregeling drie scenario`s uitgewerkt. Uit de mondelinge behandeling kwam met name naar voren dat voor een goede invulling van de zorgregeling het van belang is dat de vrouw niet op een te grote afstand van de man/kinderen gaat wonen. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak zijn partijen overeengekomen dat de nieuwe woning van degene die niet in de voormalige echtelijke woning zal blijven niet verder verwijderd zal zijn dan de afstand tussen de school en de huidige woning, waarbij de school het middelpunt vormt. Op dit moment heeft de vrouw nog geen woonruimte. Gezien dit feit is het hof van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling het meest recht doet aan de huidige situatie. Het hof gaat ervan uit dat, zodra de vrouw een woning heeft gevonden, partijen in staat zullen zijn om in onderling overleg tot nieuwe afspraken te komen, daarbij rekening houdend met de wensen en belangen van de minderjarigen.



Kinderalimentatie





5.7
Nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man is, komt het hof in deze zaak niet toe aan het verzoek van de vrouw om een kinderalimentatie vast te stellen aan de zijde van de man. Het hof komt wegens strijd met de goede procesorde evenmin toe aan het vermeerderd verzoek van de man om een hogere kinderalimentatie aan de zijde van de vrouw vast te stellen (zie hiervoor onder 2.6), zodat de bestreden beschikking voor wat betreft de daarbij vastgestelde door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie, wordt bekrachtigd.



Partnerschapsvoorwaarden of wettelijke gemeenschap van goederen?





5.8
De vrouw stelt dat partijen, in tegenstelling tot wat de man bij de rechtbank heeft verklaard, niet in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Partijen hebben op [datum] 2009, met het oog op hun voorgenomen geregistreerd partnerschap, partnerschapsvoorwaarden opgesteld waarbij in artikel 1 elke gemeenschap van goederen is uitgesloten (productie 3 in hoger beroep). Deze partnerschapsvoorwaarden zijn op [datum] 2012 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister (productie 4 in hoger beroep). De vrouw is dan ook van mening dat de rechtbank bij de bestreden beschikking ten onrechte de verdeling van de gemeenschap heeft gelast.



5.9
De man stelt in de veronderstelling te zijn geweest dat de partnerschapsvoorwaarden nooit zijn ingeschreven en dat partijen dus in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning.



5.10
Het hof overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de huwelijksakte van partijen overgelegd. Hieruit blijkt dat partijen op [datum] 2011 zijn gehuwd in de gemeente [plaats] . Gesteld noch gebleken is dat partijen daarvoor een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Wel zijn er partnerschapsvoorwaarden opgesteld op [datum] 2009 bij notaris [notaris] in [standplaats] , welke op de een of andere manier op [datum] 2012 zijn ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. Nu tussen partijen vaststaat dat zij geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, is het hof van oordeel dat de partnerschapsvoorwaarden niet gelden en dat partijen in de algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre bekrachtigen.





6De beslissing


Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:



verklaart de vrouw niet-ontvankelijk voor zover haar verzoek is gericht tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing waarbij de woning aan de man is toegedeeld en is bepaald dat, bij gebreke van medewerking van de vrouw tot

in het geval bedoeld in rechtsoverweging 3.6.9, onderdeel I

- het leveren van de woning aan de man;

in het geval bedoeld in rechtsoverweging 3.6.9, onderdeel II

- het aangaan van de overeenkomst van opdracht met de makelaar;
- het aangaan van de koopovereenkomst met een derde;
- het leveren van de woning aan de derde,
de beschikking op grond van artikel 3:300, lid 2, BW zo nodig in de plaats zal treden van de wilsverklaringen van de vrouw in de desbetreffende akten;



bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;



wijst af het meer of anders verzochte.




Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, A.N. Labohm en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en is op 8 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.