Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2588
2026-05-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.332.094/02
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
hoger beroep na verzet; Islamitisch huwelijksfeest; geschil over gouden armbanden
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.271 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer : 200.332.094/02
Rolnummer rechtbank : 9593743 \ RL EXPL 21-21110
Arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
opposant, tevens incidenteel appellante,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. D. Tap te Den Haag,
tegen
[de moeder van de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geopposeerde, tevens incidenteel geïntimeerde,
hierna te noemen: [de moeder van de man] ,
advocaat: mr. D. Arpaçay te Den Haag (voormalig advocaat: mr. Ö. Arslan te Den Haag).
Het hof zal partijen hierna [de vrouw] en [de moeder van de man] noemen.
1Procesverloop in hoger beroep
1.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het volgende:
- de dagvaarding van 31 augustus 2023 waarmee [de moeder van de man] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de kantonrechter) van 1 juni 2023 (hierna ook: het bestreden vonnis);
- de memorie van grieven;
- de op 20 juni 2024 gehouden mondelinge behandeling en daar overgelegde pleitnotities van de toenmalige advocaat van [de moeder van de man] ;
- het verstekarrest van 26 november 2024 van dit hof;
- de verzetdagvaarding van [de vrouw] van 8 januari 2025 tevens houdende incidenteel appel;
- de memorie van antwoord in verzet tevens in incidenteel appel.
1.2.
Op 22 mei 2025 heeft op verzoek van [de vrouw] een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [de moeder van de man] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Verschenen zijn wel: mr. Arpacay, en [de vrouw] , bijgestaan door mr. Tap. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.
1.3.
Het hof zal arrest wijzen op het procesdossier bestaande uit de onder 1.1 genoemde stukken en aangevuld met de overgelegde pleitaantekeningen.
2Feitelijke achtergrond
2.1.
[de vrouw] heeft in 2016 een Islamitisch huwelijk gesloten met de heer [de man] , de zoon van [de moeder van de man] . Tijdens het islamitische huwelijksfeest zijn geschenken gegeven, waaronder een aantal gouden armbanden. Er heeft geen wettelijk huwelijk plaatsgevonden tussen [de vrouw] en de heer [de man] .
3Het vonnis van de kantonrechter
3.1.
Bij eindvonnis van 1 juni 2023 heeft de kantonrechter:
- [de moeder van de man] veroordeeld tot teruggave aan [de vrouw] van de op de bruiloft in bewaring genomen twaalf armbanden, ieder houdende 33 gram goud, binnen twee weken na de betekening van dit vonnis;
- de proceskosten gecompenseerd;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
4Hoger beroep [de moeder van de man]
4.1.
is op 31 augustus 2023 in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis van de kantonrechter van 1 juni 2023. Tegen [de vrouw] is op 12 september 2023 verstek verleend aangezien zij niet in de procedure bij het hof is verschenen.
5Verstekarrest van dit hof van 26 november 2024
5.1.
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van 1 juni 2023 en, opnieuw rechtdoende:
- wijst de vorderingen in conventie van [de vrouw] alsnog af;
- compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
6. De verzetdagvaarding van [de vrouw] en de ontvankelijkheid van het verzet van [de vrouw]
6.1.
Het hof dient ambtshalve na te gaan of [de vrouw] tijdig in verzet is gekomen van het verstekarrest van 26 november 2024.
6.2.
Ter zitting is komen vast te staan dat [de vrouw] op 13 december 2024 het arrest van de zijde van [de moeder van de man] heeft ontvangen. Uitgaande van die datum is [de vrouw] , gelet op de termijn van 4 weken zoals genoemd in artikel 143 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tijdig in verzet gekomen. [de vrouw] is ontvankelijk in haar verzet.
7. Vorderingen in hoger beroep zowel principaal appel als incidenteel appel zoals geformuleerd in de verzetdagvaarding
7.1.
[de moeder van de man] is op 31 augustus 2023 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag (team Kanton) van 1 juni 2023 en vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende en uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [de vrouw] alsnog afwijst, met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris.
7.2.
In haar verzetdagvaarding van 8 januari 2025 voert [de vrouw] gemotiveerd verweer. [de vrouw] vordert dat het hof, zo mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
in principaal appel:
I. het verstekarrest van 26 november 2024 vernietigt, en
II. [de moeder van de man] niet-ontvankelijk verklaart in het hoger beroep althans dit hoger beroep afwijst met instandhouding van het bestreden vonnis;
in incidenteel appel:
III. het verstekarrest van 26 november 2024 vernietigt en, opnieuw rechtdoende:
IV. het bestreden vonnis vernietigt voor zover dat ziet op de afwijzing van het subsidiaire deel (het hof begrijpt: van hetgeen in eerste aanleg subsidiair door [de vrouw] is gevorderd) en [de moeder van de man] veroordeelt tot:
- teruggave aan [de vrouw] van de op de bruiloft in bewaring genomen 12 armbanden ieder houdende 33 gram goud, binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen arrest,
- bij gebreke van tijdige nakoming van deze veroordeling, [de moeder van de man] in plaats van teruggave van de armbanden veroordeelt tot betaling aan [de vrouw] van de intrinsieke waarde van deze armbanden, zijnde een bedrag van € 32.867,22, althans de dagwaarde op het moment van teruggave van 396 gram goud zoals weergegeven op de website van www.holllandgold.nl;
V. [de moeder van de man] veroordeelt in de kosten van de eerste aanleg, het principaal appel en het incidenteel appel.
7.3.
Het hof begrijpt uit randnummer 59 van de verzetdagvaarding dat [de vrouw] haar subsidiaire vordering heeft vermeerderd en wel in die zin dat als de armbanden niet meer kunnen worden teruggeven haar vordering in geld moet worden verhoogd omdat de goudprijs is gestegen.
7.4
[de moeder van de man] voert in haar memorie van antwoord in verzet tevens in incidenteel appel gemotiveerd verweer en vordert dat het hof, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
in principaal appel:
I. het verstekvonnis van 26 november 2024 in stand houdt;
II. [de vrouw] veroordeelt in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris;
in incidenteel appel:
- de vorderingen tot teruggave van de 12 armbanden ieder van 33 gram afwijst;
- de vorderingen tot betaling van de dagwaarde van de armbanden afwijst;
- [de vrouw] veroordeelt in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris.
8Beoordeling in hoger beroep na verzet
8.1.
Het hof gaat in beginsel uit van de door de rechtbank (team Kanton) vastgestelde feiten tenzij daartegen een grief is gericht.
8.2.
In de eerste grief stelt [de moeder van de man] dat de sieraden niet naar Islamitische gebruiken zijn geschonken. Er is pas sprake van een mehir indien de voorwaarden en de omvang daarvan door een Imam zijn opgenomen in een door partijen ondertekende overeenkomst. In randnummer 7 van de memorie van grieven stelt [de moeder van de man] dat de schenkingen bestemd waren zowel voor haar zoon als voor [de vrouw] .
8.3.
Door [de vrouw] is gesteld dat door [de moeder van de man] tijdens de zitting bij de kantonrechter zelf is betoogd dat er sprake is van een mehir. Voorts heeft zij gesteld dat uit de getuigenverklaringen volgt dat de armbanden alleen aan haar zijn geschonken.
8.4.
Het hof overweegt als volgt. Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij (schenker) ten koste van eigen vermogen de andere partij (begiftigde) verrijkt (artikel 7:175 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)). De schenking is geen eenzijdige rechtshandeling maar een obligatoire overeenkomst. Zij komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Artikel 7:175 lid 2 BW bepaalt dat het tot een bepaalde persoon gerichte schenkingsaanbod als aangenomen geldt, wanneer deze na er van kennis te hebben genomen het niet onverwijld heeft afgewezen. In eerste aanleg is door [de vrouw] een groot aantal foto’s in het geding gebracht, en uit deze foto’s volgt onder meer dat [de vrouw] ten minste 12 armbanden om haar rechterpols had. De getuige [getuige 1] verklaart blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor in eerste aanleg: “Op de bruiloft zijn de twaalf armbanden omgedaan bij mijn dochter. Zoals gebruikelijk zijn de geschenken ook omgeroepen: zes armbanden van de vader van de bruidegom en zes armbanden van de moeder van de bruidegom.” De verklaring wordt mede ondersteund door de verklaring van [getuige 2] . [getuige 2] verklaart ook: “Afgesproken werd dat de familie van de bruidegom twaalf gouden armbanden van elk 33 gram goud aan de bruid zou geven.” Gezien het hof hiervoor heeft overwogen over de (totstandkoming van een) schenking, is het hof van oordeel dat de twaalf gouden armbanden van 33 gram aan [de vrouw] zijn geschonken en dat zij als rechtmatige eigenaresse de gouden armbanden van [de moeder van de man] mag revindiceren.
8.5.
[de moeder van de man] stelt in haar vierde grief dat onvoldoende is gebleken dat zij 12 gouden armbanden van 33 gram in bewaring heeft genomen. Voorts betwist zij het gewicht van 33 gram van de gouden armbanden.
8.6.
In de randnummers 42 tot en met 44 van de verzetdagvaarding gaat [de vrouw] nader in op de 12 gouden armbanden van 33 gram die [de moeder van de man] na het Islamitische huwelijksfeest in bewaring heeft genomen. Uit haar betoog volgt dat [de moeder van de man] haar gouden armbanden heeft meegenomen.
8.7.
Het hof overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal in eerste aanleg van 18 mei 2022 volgt dat door [de moeder van de man] onder meer is verklaard: “Alles wat wordt geschonken gaat in de rode mand. Als moeder neem ik het dan in ontvangst”. Voorts verklaart zij: “Nadat de relatie over was werd ik gebeld en is er contact geweest dat de armbanden terug moeten. Toen heb ik de doos teruggegeven. Ik wist niet hoeveel het er waren. Ik heb het direct teruggegeven. Of het armbanden waren of goud weet ik niet.” [de moeder van de man] is niet tijdens de mondelinge behandeling van dit hof op 22 mei 2025 in persoon verschenen en er is geen medische verklaring overgelegd dat zij niet ter zitting kan verschijnen dan wel via Teams aan de zitting kan deelnemen. Het hof heeft haar dus niet in persoon kunnen horen met betrekking tot het in bewaring nemen van de 12 gouden armbanden van 33 gram. Het niet verschijnen in persoon komt voor haar rekening en risico alsmede de gevolgen die het hof daaruit trekt. Gezien de feitelijke gang van zaken is het hof van oordeel dat na het Islamitische huwelijksfeest [de moeder van de man] de 12 gouden armbanden van 33 gram mee naar huis heeft genomen. Nu naar het oordeel van het hof vaststaat dat [de vrouw] eigenaresse is van de 12 gouden armbanden van 33 gram dient [de moeder van de man] deze aan [de vrouw] terug te geven.
8.8.
Uit het incidentele appel van [de vrouw] volgt dat de 12 gouden armbanden van 33 gram op het moment van het uitbrengen van de verzetdagvaarding een waarde vertegenwoordigden van € 32.867,22 (kiloprijs: € 82.998,03, zie randnummer 59 van de verzetdagvaarding). Als [de moeder van de man] de sieraden niet meer heeft dan wenst [de vrouw] een schadevergoeding te verkrijgen van - naar het hof begrijpt - de dagwaarde van 396 gram goud.
8.9.
Uit de memorie van antwoord in het incidentele appel volgt dat [de moeder van de man] van mening is dat ook de vordering tot betaling van de dagwaarde van de gouden armbanden moet worden afgewezen.
8.10.
Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat [de moeder van de man] de 12 gouden armbanden met een gewicht van 33 gram aan [de vrouw] dient terug te geven. Naar het oordeel van het hof kan de subsidiaire vordering van [de vrouw] worden toegewezen omdat de vordering voldoende bepaalbaar is, namelijk de goudprijs van 12 x 33 gram = 396 gram, 14 dagen na betekening van dit arrest. Het hof acht het redelijk aan [de moeder van de man] eerst een termijn te gunnen van 6 weken voor de afgifte van de 12 gouden armbanden van 33 gram en als niet binnen zes weken na betekening van dit arrest uitvoering wordt gegeven aan de afgifte door [de moeder van de man] aan [de vrouw] van de gouden armbanden van 33 gram daarvoor de subsidiaire vordering in de plaats treedt.
9Proceskosten
9.1.
Gezien de voormalige relatie tussen partijen acht het hof het redelijk en billijk om ook in hoger beroep de kosten tussen partijen te compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.
10Beslissing
Het hof:
vernietigt het verstekarrest van dit hof van 26 november 2024;
bekrachtigt opnieuw rechtdoende het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023;
en in aanvulling op het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023, indien [de moeder van de man] niet binnen zes weken na datum van dit arrest over is gegaan tot afgifte van de 12 armbanden zoals vermeld in 3.1 van het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023, veroordeelt [de moeder van de man] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de vrouw] te voldoen de dagprijs van 12 gouden armbanden van 33 gram;
verklaart dit arrest met betrekking tot voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.G.B. Boelens, A.N. Labohm en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Team Familie
Zaaknummer : 200.332.094/02
Rolnummer rechtbank : 9593743 \ RL EXPL 21-21110
Arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
opposant, tevens incidenteel appellante,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. D. Tap te Den Haag,
tegen
[de moeder van de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geopposeerde, tevens incidenteel geïntimeerde,
hierna te noemen: [de moeder van de man] ,
advocaat: mr. D. Arpaçay te Den Haag (voormalig advocaat: mr. Ö. Arslan te Den Haag).
Het hof zal partijen hierna [de vrouw] en [de moeder van de man] noemen.
1Procesverloop in hoger beroep
1.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het volgende:
- de dagvaarding van 31 augustus 2023 waarmee [de moeder van de man] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de kantonrechter) van 1 juni 2023 (hierna ook: het bestreden vonnis);
- de memorie van grieven;
- de op 20 juni 2024 gehouden mondelinge behandeling en daar overgelegde pleitnotities van de toenmalige advocaat van [de moeder van de man] ;
- het verstekarrest van 26 november 2024 van dit hof;
- de verzetdagvaarding van [de vrouw] van 8 januari 2025 tevens houdende incidenteel appel;
- de memorie van antwoord in verzet tevens in incidenteel appel.
1.2.
Op 22 mei 2025 heeft op verzoek van [de vrouw] een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [de moeder van de man] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Verschenen zijn wel: mr. Arpacay, en [de vrouw] , bijgestaan door mr. Tap. Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd.
1.3.
Het hof zal arrest wijzen op het procesdossier bestaande uit de onder 1.1 genoemde stukken en aangevuld met de overgelegde pleitaantekeningen.
2Feitelijke achtergrond
2.1.
[de vrouw] heeft in 2016 een Islamitisch huwelijk gesloten met de heer [de man] , de zoon van [de moeder van de man] . Tijdens het islamitische huwelijksfeest zijn geschenken gegeven, waaronder een aantal gouden armbanden. Er heeft geen wettelijk huwelijk plaatsgevonden tussen [de vrouw] en de heer [de man] .
3Het vonnis van de kantonrechter
3.1.
Bij eindvonnis van 1 juni 2023 heeft de kantonrechter:
- [de moeder van de man] veroordeeld tot teruggave aan [de vrouw] van de op de bruiloft in bewaring genomen twaalf armbanden, ieder houdende 33 gram goud, binnen twee weken na de betekening van dit vonnis;
- de proceskosten gecompenseerd;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
4Hoger beroep [de moeder van de man]
4.1.
is op 31 augustus 2023 in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis van de kantonrechter van 1 juni 2023. Tegen [de vrouw] is op 12 september 2023 verstek verleend aangezien zij niet in de procedure bij het hof is verschenen.
5Verstekarrest van dit hof van 26 november 2024
5.1.
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van 1 juni 2023 en, opnieuw rechtdoende:
- wijst de vorderingen in conventie van [de vrouw] alsnog af;
- compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
6. De verzetdagvaarding van [de vrouw] en de ontvankelijkheid van het verzet van [de vrouw]
6.1.
Het hof dient ambtshalve na te gaan of [de vrouw] tijdig in verzet is gekomen van het verstekarrest van 26 november 2024.
6.2.
Ter zitting is komen vast te staan dat [de vrouw] op 13 december 2024 het arrest van de zijde van [de moeder van de man] heeft ontvangen. Uitgaande van die datum is [de vrouw] , gelet op de termijn van 4 weken zoals genoemd in artikel 143 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tijdig in verzet gekomen. [de vrouw] is ontvankelijk in haar verzet.
7. Vorderingen in hoger beroep zowel principaal appel als incidenteel appel zoals geformuleerd in de verzetdagvaarding
7.1.
[de moeder van de man] is op 31 augustus 2023 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag (team Kanton) van 1 juni 2023 en vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende en uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [de vrouw] alsnog afwijst, met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris.
7.2.
In haar verzetdagvaarding van 8 januari 2025 voert [de vrouw] gemotiveerd verweer. [de vrouw] vordert dat het hof, zo mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
in principaal appel:
I. het verstekarrest van 26 november 2024 vernietigt, en
II. [de moeder van de man] niet-ontvankelijk verklaart in het hoger beroep althans dit hoger beroep afwijst met instandhouding van het bestreden vonnis;
in incidenteel appel:
III. het verstekarrest van 26 november 2024 vernietigt en, opnieuw rechtdoende:
IV. het bestreden vonnis vernietigt voor zover dat ziet op de afwijzing van het subsidiaire deel (het hof begrijpt: van hetgeen in eerste aanleg subsidiair door [de vrouw] is gevorderd) en [de moeder van de man] veroordeelt tot:
- teruggave aan [de vrouw] van de op de bruiloft in bewaring genomen 12 armbanden ieder houdende 33 gram goud, binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen arrest,
- bij gebreke van tijdige nakoming van deze veroordeling, [de moeder van de man] in plaats van teruggave van de armbanden veroordeelt tot betaling aan [de vrouw] van de intrinsieke waarde van deze armbanden, zijnde een bedrag van € 32.867,22, althans de dagwaarde op het moment van teruggave van 396 gram goud zoals weergegeven op de website van www.holllandgold.nl;
V. [de moeder van de man] veroordeelt in de kosten van de eerste aanleg, het principaal appel en het incidenteel appel.
7.3.
Het hof begrijpt uit randnummer 59 van de verzetdagvaarding dat [de vrouw] haar subsidiaire vordering heeft vermeerderd en wel in die zin dat als de armbanden niet meer kunnen worden teruggeven haar vordering in geld moet worden verhoogd omdat de goudprijs is gestegen.
7.4
[de moeder van de man] voert in haar memorie van antwoord in verzet tevens in incidenteel appel gemotiveerd verweer en vordert dat het hof, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
in principaal appel:
I. het verstekvonnis van 26 november 2024 in stand houdt;
II. [de vrouw] veroordeelt in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris;
in incidenteel appel:
- de vorderingen tot teruggave van de 12 armbanden ieder van 33 gram afwijst;
- de vorderingen tot betaling van de dagwaarde van de armbanden afwijst;
- [de vrouw] veroordeelt in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris.
8Beoordeling in hoger beroep na verzet
8.1.
Het hof gaat in beginsel uit van de door de rechtbank (team Kanton) vastgestelde feiten tenzij daartegen een grief is gericht.
8.2.
In de eerste grief stelt [de moeder van de man] dat de sieraden niet naar Islamitische gebruiken zijn geschonken. Er is pas sprake van een mehir indien de voorwaarden en de omvang daarvan door een Imam zijn opgenomen in een door partijen ondertekende overeenkomst. In randnummer 7 van de memorie van grieven stelt [de moeder van de man] dat de schenkingen bestemd waren zowel voor haar zoon als voor [de vrouw] .
8.3.
Door [de vrouw] is gesteld dat door [de moeder van de man] tijdens de zitting bij de kantonrechter zelf is betoogd dat er sprake is van een mehir. Voorts heeft zij gesteld dat uit de getuigenverklaringen volgt dat de armbanden alleen aan haar zijn geschonken.
8.4.
Het hof overweegt als volgt. Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij (schenker) ten koste van eigen vermogen de andere partij (begiftigde) verrijkt (artikel 7:175 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)). De schenking is geen eenzijdige rechtshandeling maar een obligatoire overeenkomst. Zij komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Artikel 7:175 lid 2 BW bepaalt dat het tot een bepaalde persoon gerichte schenkingsaanbod als aangenomen geldt, wanneer deze na er van kennis te hebben genomen het niet onverwijld heeft afgewezen. In eerste aanleg is door [de vrouw] een groot aantal foto’s in het geding gebracht, en uit deze foto’s volgt onder meer dat [de vrouw] ten minste 12 armbanden om haar rechterpols had. De getuige [getuige 1] verklaart blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor in eerste aanleg: “Op de bruiloft zijn de twaalf armbanden omgedaan bij mijn dochter. Zoals gebruikelijk zijn de geschenken ook omgeroepen: zes armbanden van de vader van de bruidegom en zes armbanden van de moeder van de bruidegom.” De verklaring wordt mede ondersteund door de verklaring van [getuige 2] . [getuige 2] verklaart ook: “Afgesproken werd dat de familie van de bruidegom twaalf gouden armbanden van elk 33 gram goud aan de bruid zou geven.” Gezien het hof hiervoor heeft overwogen over de (totstandkoming van een) schenking, is het hof van oordeel dat de twaalf gouden armbanden van 33 gram aan [de vrouw] zijn geschonken en dat zij als rechtmatige eigenaresse de gouden armbanden van [de moeder van de man] mag revindiceren.
8.5.
[de moeder van de man] stelt in haar vierde grief dat onvoldoende is gebleken dat zij 12 gouden armbanden van 33 gram in bewaring heeft genomen. Voorts betwist zij het gewicht van 33 gram van de gouden armbanden.
8.6.
In de randnummers 42 tot en met 44 van de verzetdagvaarding gaat [de vrouw] nader in op de 12 gouden armbanden van 33 gram die [de moeder van de man] na het Islamitische huwelijksfeest in bewaring heeft genomen. Uit haar betoog volgt dat [de moeder van de man] haar gouden armbanden heeft meegenomen.
8.7.
Het hof overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal in eerste aanleg van 18 mei 2022 volgt dat door [de moeder van de man] onder meer is verklaard: “Alles wat wordt geschonken gaat in de rode mand. Als moeder neem ik het dan in ontvangst”. Voorts verklaart zij: “Nadat de relatie over was werd ik gebeld en is er contact geweest dat de armbanden terug moeten. Toen heb ik de doos teruggegeven. Ik wist niet hoeveel het er waren. Ik heb het direct teruggegeven. Of het armbanden waren of goud weet ik niet.” [de moeder van de man] is niet tijdens de mondelinge behandeling van dit hof op 22 mei 2025 in persoon verschenen en er is geen medische verklaring overgelegd dat zij niet ter zitting kan verschijnen dan wel via Teams aan de zitting kan deelnemen. Het hof heeft haar dus niet in persoon kunnen horen met betrekking tot het in bewaring nemen van de 12 gouden armbanden van 33 gram. Het niet verschijnen in persoon komt voor haar rekening en risico alsmede de gevolgen die het hof daaruit trekt. Gezien de feitelijke gang van zaken is het hof van oordeel dat na het Islamitische huwelijksfeest [de moeder van de man] de 12 gouden armbanden van 33 gram mee naar huis heeft genomen. Nu naar het oordeel van het hof vaststaat dat [de vrouw] eigenaresse is van de 12 gouden armbanden van 33 gram dient [de moeder van de man] deze aan [de vrouw] terug te geven.
8.8.
Uit het incidentele appel van [de vrouw] volgt dat de 12 gouden armbanden van 33 gram op het moment van het uitbrengen van de verzetdagvaarding een waarde vertegenwoordigden van € 32.867,22 (kiloprijs: € 82.998,03, zie randnummer 59 van de verzetdagvaarding). Als [de moeder van de man] de sieraden niet meer heeft dan wenst [de vrouw] een schadevergoeding te verkrijgen van - naar het hof begrijpt - de dagwaarde van 396 gram goud.
8.9.
Uit de memorie van antwoord in het incidentele appel volgt dat [de moeder van de man] van mening is dat ook de vordering tot betaling van de dagwaarde van de gouden armbanden moet worden afgewezen.
8.10.
Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat [de moeder van de man] de 12 gouden armbanden met een gewicht van 33 gram aan [de vrouw] dient terug te geven. Naar het oordeel van het hof kan de subsidiaire vordering van [de vrouw] worden toegewezen omdat de vordering voldoende bepaalbaar is, namelijk de goudprijs van 12 x 33 gram = 396 gram, 14 dagen na betekening van dit arrest. Het hof acht het redelijk aan [de moeder van de man] eerst een termijn te gunnen van 6 weken voor de afgifte van de 12 gouden armbanden van 33 gram en als niet binnen zes weken na betekening van dit arrest uitvoering wordt gegeven aan de afgifte door [de moeder van de man] aan [de vrouw] van de gouden armbanden van 33 gram daarvoor de subsidiaire vordering in de plaats treedt.
9Proceskosten
9.1.
Gezien de voormalige relatie tussen partijen acht het hof het redelijk en billijk om ook in hoger beroep de kosten tussen partijen te compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.
10Beslissing
Het hof:
vernietigt het verstekarrest van dit hof van 26 november 2024;
bekrachtigt opnieuw rechtdoende het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023;
en in aanvulling op het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023, indien [de moeder van de man] niet binnen zes weken na datum van dit arrest over is gegaan tot afgifte van de 12 armbanden zoals vermeld in 3.1 van het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023, veroordeelt [de moeder van de man] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de vrouw] te voldoen de dagprijs van 12 gouden armbanden van 33 gram;
verklaart dit arrest met betrekking tot voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.G.B. Boelens, A.N. Labohm en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.